[22bb004422] Burgerbrief over opheffing Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (erfopvolger van de RKS)
Tekst van het document
Opheffing Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (erfopvolger van de RKS). Op 31 mei jl. kondigde de wethouder cultuur van Rotterdam aan de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur op te heffen. De motieven voor dit besluit werden geleverd in een rapport van Rijnconsult. Discussies over adviesorganen van de kunsten hebben een lange geschiedenis. Altijd is de mate van onafhankelijkheid onderwerp van discussie geweest ook hier. Door de jaren heen is er een breed gedragen consensus blijven bestaan over de wenselijkheid daarvan. Zo niet in het rapport van Rijnconsult en bij het besluit van de wethouder cultuur Kasmi ( D’66) tot opheffing. In 1984 werd door Paul Noorman, toen directeur van de Rotterdamse Kunststichting, de voorganger van de RRKC, het begrip “Luis in de pels” gemunt. Daarmee benadrukte hij de noodzaak van onafhankelijkheid van de RKS en tot instandhouding van het kritisch vermogen Daarmee beklemtoonde hij ook de noodzaak om de kunsten in vrijheid te laten functioneren om te voorkomen dat de kunsten een verlengstuk van de politiek zouden worden. Iets waar in de 70-er jaren een aantal keren pogingen toe werden ondernomen. Ook toen leidde dat tot problematische verhoudingen tussen het ambtelijk apparaat en de RKS en het vertrek van directeur Hans Keller ( 1980).
De strijd om de macht zien we ook in de geschiedenis terug bij de RRKC en ook dit leidde eerder tot het vertrek van een directeur. Recent werd de RRKC, de erfopvolger van de RKS, de wacht aangezegd door de wethouder cultuur Kasmi ( D’66). Hij ervoer de onafhankelijkheid van de RRKC als een probleem en volgens zeggen heeft hem dat “herhaaldelijk in verlegenheid gebracht”. Nu werd die onafhankelijkheid van de RRKC ook vóór het aantreden van deze wethouder al door het uitdijend ambtelijk apparaat van de Dienst Kunst en Cultuur, als problematische ervaren en wel zodanig dat de persoonlijke verhoudingen met de RRKC al langer onder druk stonden. Voor het eerst is nu een wethouder gezwicht voor de druk van zijn ambtelijk apparaat en is de financiering van de RRKC per 1-1-2013 na een reeks bezuinigingen helemaal beëindigd. De RRKC wordt verweten dat zij die onafhankelijkheid over een langere periode al te zeer heeft benadrukt ( vastzitten in de groef heet dat in het jargon van Rijnconsult). De vraag is: Wat is daar mis mee? Geen woord over de kwaliteit van het werk en dat zou toch het hoofdcriterium moeten zijn voor beoordeling. Het feit dat onafhankelijkheid als problematisch wordt ervaren, doet de achterdocht toenemen. D’66, de partij van wethouder Kasmi afficheert zich als de partij voor een andere/ opener bestuurscultuur.
Hij zou dus die onafhankelijkheid als eerste moeten omarmen en daar ook hoge normen aan moeten verbinden. Dat de wethouder met zo’n standpunt een probleem heeft met zijn eigen omvangrijke ambtelijk apparaat, moet juist een aanbeveling zijn om daar de zaak op de schop te nemen in plaats van de RRKC op te heffen. Kijk dan ook naar het functioneren van het eigen ambtelijk apparaat en niet alleen naar de RRKC. Tenslotte: juist de gemeenteraad zou er alles aan de gelegen moeten zijn een onafhankelijk instituut als de RRKC in vrijheid te laten functioneren.
Voormalig adjunct-directeur Rotterdam Kunststichting.