[22bb003747] Bijlage 3 behorende bij 22bb3743 over de Armoedeverkenning 2022
Tekst van het document
Armoedeverkenning 2022
1
Onderzoek en Business Intelligence
Colofon Gemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) Datum:
14 april 2022
Auteur(s):
Frans Moors
Vragen:
onderzoek@rotterdam.nl
2
Inhoud 1.
Inleiding
4
2.
Psychologisch kapitaal
6
2.1
Zelfregie
6
2.2
Initiatiefgeneigdheid
7
2.3
Veerkracht: beoordeling van de eigen gezondheid
8
2.4
Veerkracht: vraagverlegenheid
10
Cultureel kapitaal
11
3.1
Opleidingsniveau
11
3.2
Taalbeheersing
12
Sociaal kapitaal
14
4.1
Sociale steun
14
4.2
Variatie in netwerken
15
4.3
Deelname aan sociale en culturele activiteiten
16
4.4
Vrijwilligerswerk
17
4.5
Mantelzorg
19
3.
4.
5.
20
Maatschappelijk kapitaal 5.1
6.
Toegankelijkheid van voorzieningen
20
Economisch kapitaal: rondkomen van het inkomen 6.1
Rondkomen van een laag inkomen
23 24
7.
Tevredenheid over de kwaliteit van leven
26
8.
Meedoen
26
9.
Concluderend: verschillen in beschikking over menselijk kapitaal 27
10.
De ervaren invloed van corona
30
3
1. Inleiding
In april 2020 werd de eerste Armoedeindex Rotterdam gepubliceerd. Het was een aanzet om een instrument te ontwerpen dat (de ontwikkeling van) armoede in de stad zou kunnen meten, waarbij een groot aantal indicatoren die armoede bepalen en beïnvloeden zouden kunnen worden
basis van de sociale index die nu deel uitmaakt van het Rotterdamse Wijkprofiel. De sociale index is gebaseerd op vier thema’s: zelfredzaamheid, samenredzaamheid, participatie en binding. Met name het thema zelfredzaamheid is voor dit onderzoek relevant, omdat het
meegenomen. Het uitgangspunt hierbij was dat armoede niet alleen wordt bepaald door gebrek aan economisch kapitaal, maar ook door tekortkomingen in andere vormen van kapitaal. Het gaat dan om sociaal, psychologisch en cultureel en maatschappelijk kapitaal.
gemeentelijke armoedebeleid in eerste instantie streeft naar optimale zelfredzaamheid, die als basis dient voor een volwaardige deelname aan de samenleving. In de sociale index wordt zelfredzaamheid gedefinieerd als de verzameling van hulpbronnen (kapitaalsoorten) die een individu ter beschikking staan om aan de samenleving te
De kapitaaltheorie
kunnen (blijven) deelnemen in de brede zin van het
De kapitaaltheorie gaat ervan uit dat de mens verschillende vormen van menselijk kapitaal of ‘hulpbronnen’ kan aanwenden om een volwaardig bestaan
woord.1 In de index worden de indicatoren voor zelfredzaamheid en de mate van aanwezigheid van hulpbronnen gebruikt zoals weergegeven in de tabel op de
te leiden. Beleid om armoede te bestrijden zou zich dan ook niet alleen moeten richten op het versterken van financiële redzaamheid (het economisch kapitaal), maar ook op het versterken van de andere kapitaalvormen: psychologisch, cultureel, sociaal en maatschappelijk kapitaal. Dat betekent tevens dat onderzoek naar armoede zich niet moet beperken tot inkomensarmoede, maar ook de andere vormen van kapitaal in het onderzoek moet betrekken. Uitgaande van de diverse vormen van menselijk
volgende pagina. Daarnaast zijn er indicatoren in het wijkonderzoek die iets zeggen over de mate waarin de Rotterdammer het gevoel heeft ‘mee te doen’ in de stad, en een algemeen oordeel over de kwaliteit van leven. De gegevens om deze indicatoren te meten, worden tweejaarlijks verzameld met het Wijkonderzoek: een enquête onder een representatieve steekproef van
kapitaal werd daarom een armoedeindex ontwikkeld die inzicht kan bieden in de ontwikkeling van armoede in brede zin. Hoewel de eerste versie van de index bruikbare informatie opleverde over het verband tussen inkomensarmoede en achterstand op andere vormen van menselijk kapitaal, werd deze minder bruikbaar geacht als instrument voor beleidsverantwoording, wat oorspronkelijk in de bedoeling lag. Daarom is ervoor gekozen om deze
Rotterdammers vanaf 15 jaar. De gegevens uit het
tweede meting in een andere vorm te presenteren en daarmee ook een andere titel mee te geven: de Armoedeverkenning.
oordeel over ‘meedoen’ in de samenleving en de kwaliteit
Wijkonderzoek worden in dit onderzoek gebruikt om te onderzoeken in welke mate de Rotterdammers met een laag inkomen in meer of mindere mate beschikken over de genoemde hulpbronnen, en of, en op welke manier, de mate van aanwezigheid van de diverse hulpbronnen met elkaar samenhangen. De mate van aanwezigheid van de diverse kapitaalvormen wordt gerelateerd aan het eigen van leven. Door de uitkomsten van het meest recente wijkonderzoek (2021) te vergelijken met die van 2017 en 2019, wordt daarnaast inzicht gegeven in de ontwikkeling
De basis voor de Armoedeverkenning: het wijkonderzoek
van de diverse kapitaalvormen in de afgelopen vijf jaar. In
De indicatoren die de aanwezigheid van de diverse vormen
de navolgende hoofdstukken worden per kapitaalvorm de
van kapitaal meten, worden geput uit het tweejaarlijks
scores op de verschillende indicatoren beschreven. In
gehouden Wijkonderzoek, een enquête die de basis vormt
hoofdstuk 2 komt het psychologische kapitaal aan de orde,
voor het Wijkprofiel. Om de mate van aanwezigheid en de
en in de daaropvolgende hoofdstukken achtereenvolgens
ontwikkeling van de verschillende kapitaalvormen te
het cultureel, sociaal, maatschappelijk en economisch
kunnen vaststellen werd enkele jaren geleden de monitor
kapitaal. In hoofdstuk 7 en 8 komen de tevredenheid over de kwaliteit van leven en over ‘meedoen’ aan de
Sociaal Domein ontwikkeld. Deze monitor stond aan de
1
Notitie ‘De sociale index in het wijkprofiel’, gemeente Rotterdam 2018
4
Rotterdamse samenleving aan de orde. In hoofdstuk 9
een laag inkomen is in dit onderzoek voor
volgt de synthese van de scores op de verschillende
eenpersoonshuishoudens gesteld op 1250 euro per maand
kapitaalvormen en worden de conclusies geformuleerd.
en voor meerpersoonshuishoudens op 1750 euro per maand. Als deze grens wordt aangelegd, heeft 18,8% van
In de onderstaande tabel staat een overzicht van de
de respondenten waarvan het inkomen bekend is, een laag
indicatoren die voor de meting van de aanwezigheid van
inkomen. Dit komt dicht bij de feitelijke verdeling: van alle
de verschillende kapitaalvormen wordt gebruikt. Deze
Rotterdamse huishoudens heeft 18,5% een inkomen tot
worden gemeten over de respondenten met een laag
110% van het wettelijk sociaal minimum, de formele
inkomen en met een inkomen daarboven. De grens voor
inkomensgrens voor het gemeentelijk armoedebeleid.2
Tabel 1
Vormen van menselijk kapitaal en indicatoren die in het onderzoek worden gebruikt
Vorm van ‘menselijk kapitaal’ 3
Indicator
Psychologisch kapitaal
Zelfregie Initiatiefgeneigdheid Veerkracht – ervaren gezondheid Veerkracht – vraagverlegenheid Rondkomen van het inkomen
Economisch kapitaal
Hoogte van het inkomen Arbeidsmarktpositie Taalbeheersing
Cultureel kapitaal
Opleidingsniveau Sociaal kapitaal4
Ervaren sociale steun Variatie sociaal netwerk Sportactiviteit, alleen of met anderen Actief als vrijwilliger Actief als mantelzorger
Maatschappelijk kapitaal5
2
Zie Monitor Lage Inkomens 2022, p. 14
3
Voor het wijkprofiel worden ook objectieve indicatoren verzameld op wijkniveau, die voor dit onderzoek minder geschikt zijn. De voor het armoedebeleid relevante ‘harde indicatoren’ worden beschreven in de Monitor Lage Inkomens, die tegelijk met deze Armoedeverkenning verschijnt
4
Toegankelijkheid van voorzieningen in de wijk
levensbeschouwelijke bijeenkomsten. Dat betekent dat de totaalscore voor sociaal kapitaal niet kan worden vergeleken met de vorige metingen. De methode om dit te ondervangen, is beschreven in paragraaf 4. 5
In de vorige Wijkonderzoeken was ook ‘Deelname aan sociaal-culturele activiteiten’ in de indicatoren voor sociaal kapitaal meegenomen, maar de meeste vragen die deze indicator meten zijn vanwege de coronapandemie niet meegenomen in de enquête in 2020. Er is nu alleen gevraagd naar sportactiviteit en bezoek aan kerk, moskee of andere
5
In de vorige Wijkonderzoeken waren ook ‘Deelname aan maatschappelijke organisaties’ en ‘Bekendheid van maatschappelijke voorzieningen’ meegenomen, maar de vragen die deze indicator meten zijn vanwege de coronapandemie niet meegenomen in de enquête in 2020. Dat betekent dat de totaalscore voor maatschappelijk kapitaal niet kan worden vergeleken met de vorige metingen. De methode om dit te ondervangen, is beschreven in paragraaf 5
2.1 Zelfregie
2. Psychologisch kapitaal
De mate van zelfregie wordt in het wijkonderzoek gepeild
Onder psychologisch kapitaal verstaan we de mate van
aan de hand van de Personal Mastery scale van Pearlin en
zelfregie, initiatiefgeneigdheid en veerkracht. In de
Schooler. Dit is een schaal van zes stellingen. De
onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op de
beantwoording op de stellingen is voor de lage en niet lage
operationalisering van deze begrippen in het
inkomens uitgewerkt in de onderstaande figuur.
Wijkonderzoek, en worden de scores van de respondenten met een laag inkomen en niet-laag inkomen geanalyseerd.
Zelfregie: de beantwoording van zes stellingen 12% 22% 41%
43%
49%
53% 72%
71%
14% 20%
74%
82%
67% 45% 28%
27% 12%
26%
21%
12%
58% 44%
12%
7%
Laag Hoger Laag Hoger Laag Hoger Laag Hoger Laag Hoger Laag Hoger inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen inkomen Er is weinig wat ik kan doen om belangrijke dingen in mijn leven te veranderen
Ik heb vrij weinig controle over de dingen die mij overkomen.
(Helemaal) eens
Ik voel me vaak hulpeloos bij het omgaan met de problemen van het leven.
Sommige van mijn problemen kan ik met geen mogelijkheid oplossen.
Niet eens, niet oneens
(Helemaal) oneens
Bijna alles waar ik mijn zinnen op heb gezet, kan ik doen.
Wat er in de toekomst met mij gebeurt, heb ik zelf in de hand.
Weet niet/geen mening
Uit de figuur wordt duidelijk dat de lage inkomens op alle
Zelfregie
stellingen hun zelfregie lager beoordelen dan de hogere
5
inkomens; deze verschillen zijn statistisch significant. Het verschil is vooral groot bij de stelling: “Ik voel me vaak
4
hulpeloos bij het omgaan met de problemen van het
3
leven”: ruim een vijfde van de Rotterdammers met een
2
laag inkomen is het eens met deze stelling, tegen 7% van
1
de Rotterdammers met een hoog inkomen.
0 Laag inkomen
Hoger inkomen
Als we de scores op de stellingen vertalen naar één 2017
schaalscore van 1 tot en met 5, zien we dat de lagere inkomens een totaalscore hebben van 3,3 op zelfregie, en
2021
Om te kijken welke aspecten van invloed zijn op de eigen
niet-lage inkomens een score van 3,8.6 Ook hier is het
beoordeling van zelfregie, is een regressieanalyse
verschil significant. Ten opzichte van de vorige meting zijn
uitgevoerd. In deze analyse is de schaalscore op zelfregie
de schaalscores voor zelfregie voor beide
in relatie gebracht met ervaren gezondheid, soort inkomen
inkomensklassen onveranderd. Dit staat verbeeld in de
(betaald werk of geen betaald werk), sekse, leeftijd,
onderstaande figuur. 6
2019
niet in de berekening meegenomen. Deze berekeningswijze geldt voor alle schaalscores.
De gemiddelde score is berekend door eerst de positieve stellingen te draaien, en vervolgens de scores op te tellen en te delen door het aantal stellingen. Respondenten die op één of meer van de stellingen niet of ‘weet niet’ antwoorden, zijn
6
opleidingsniveau, inkomenshoogte, huishoudenstype en
beantwoording van de vragen staat uitgewerkt in de
migratieachtergrond.7 Daaruit blijkt dat ervaren gezondheid
navolgende figuur. De initiatiefgeneigdheid bij de
veruit het sterkst van invloed is op het gevoel van zelfregie.
Rotterdammers met een laag inkomen ligt duidelijk lager
Ook het opleidingsniveau, het hebben van betaald werk en
20% zegt (bijna) nooit het initiatief te nemen om actief met
hoogte van het inkomen zijn relatief sterk van invloed,
iets bezig te zijn, tegen 10% van de hogere inkomens. Ook
maar veel minder sterk dan de ervaren gezondheid.
is het aandeel Rotterdammers met een laag inkomen dat zegt (bijna) nooit initiatief te nemen tot contact groter dan bij de Rotterdammers met een hoog inkomen.
2.2 Initiatiefgeneigdheid In het Wijkonderzoek worden twee vragen gesteld om de initiatiefgeneigdheid van de Rotterdammer te peilen. De
Initiatiefgeneigdheid: de beantwoording van twee vragen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
25%
20% Laag
32%
38%
45%
11%
9%
Hoog
Laag
4% Hoog
Hoe vaak neemt u het initiatief om actief met iets bezig te zijn? (Bijna) nooit
Hoe vaak neemt u zelf het initiatief tot contact met de mensen waar u veel om geeft?
Soms
(Heel) vaak
Als we de scores op de twee vragen vertalen naar één
Initiatiefgeneigdheid
schaalscore, zien we dat de lagere inkomens een
5
totaalscore hebben van 3,8 op initiatiegeneigdheid, en nietlage inkomens een score van 4,1. Ook hier is het verschil
4
significant. In vergelijking met de vorige meting is de
3
schaalscore voor de lage inkomens licht gestegen, en voor
2
de hogere inkomens gelijk gebleven. Dit staat weergegeven in de figuur hiernaast.
1 0 Laag inkomen 2017
7
Deze variabelen worden gebruikt in alle hierna beschreven regressieanalyses
7
Hoger inkomen 2019
2021
Uit de regressieanalyse blijkt dat met name de ervaren gezondheid en sekse sterk van invloed zijn op initiatiefgeneigdheid: respondenten die zich gezond voelen en vrouwen nemen duidelijk vaker initiatief tot activiteiten en contacten. De hoogte van het inkomen is een veel minder sterk verklarende factor dan deze twee factoren.
2.3 Veerkracht: beoordeling van de eigen gezondheid In de sociale index wordt veerkracht onder andere
worden belemmerd. In de onderstaande figuur is de
uitgedrukt met een score op gezondheid. In het
beantwoording van de eerste vraag te zien. Hieruit blijkt
wijkonderzoek wordt de Rotterdammers gevraagd hoe ze
dat 45% van de Rotterdammers met een laag inkomen de
over het algemeen hun gezondheid beoordelen en of ze
gezondheid als ‘matig’ of ‘slecht’ beoordeelt, tegen 14%
door gezondheidsproblemen in hun dagelijkse activiteiten
van de Rotterdammers met een hoger inkomen.
"Hoe zou u over het algemeen uw gezondheid noemen?"
Hoger inkomen
17%
Laag inkomen
9%
0%
27%
42%
12%
10%
35%
20%
30%
Uitstekend
12%
31%
40%
50%
60%
Zeer goed
Goed
Matig
70%
2%
14%
80%
90%
100%
Slecht
Bron: Wijkonderzoek 2021
Vervolgens is aan alle respondenten gevraagd of ze door
te worden door gezondheidsproblemen, tegen 18% van de
lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen worden
respondenten met een hoger inkomen. De beantwoording
belemmerd in hun dagelijkse activiteiten. Van de
staat weergegeven in de onderstaande figuur.
respondenten met een laag inkomen zegt 40% belemmerd
"Wordt u in door uw gezondheidsproblemen belemmerd in uw dagelijkse activiteiten?"
Hoger inkomen
Laag inkomen
18%
40%
8
De gezondheidsbeleving laat een sterk verband zien met het opleidingsniveau en het soort inkomen. Lager opgeleiden en uitkeringsgerechtigden ervaren hun gezondheid slechter dan hoger opgeleiden en werkenden. Vooral arbeidsongeschikten en bijstandsgerechtigden
voelen zich minder gezond: ruim driekwart van de arbeidsongeschikten vindt haar gezondheid matig tot slecht, en meer dan de helft van de bijstandsgerechtigden. Bij de gepensioneerden bedraagt dit percentage 34%.
Gezondheidsbeleving, naar bron van inkomen Betaald werk Huisman/huisvrouw Bijstand Arbeidsongeschikt Werkloos/werkzoekend AOW/Pensioen Anders
19% 8% 4%
37%
32%
10%
22% 28%
49%
12% 13%
37% 43%
17%
Uitstekend
28%
35%
14%
Zeer goed
Goed
De gezondheidsbeleving van de lage inkomens is ten opzichte van de vorige meting voor beide inkomensklassen licht verbeterd. Het aandeel Rotterdammers dat zich door
5% 17%
39%
18%
12% 6%
25%
47%
16%
5%
8%
42%
30%
Matig
6% 6% 9%
Slecht
de gezondheidstoestand belemmerd voelt in de dagelijkse bezigheden bleef in beide inkomensklassen nagenoeg gelijk. Dat is te zien in de onderstaande figuur.
Ervaren gezondheid
Ervaren belemmeringen door gezondheidstoestand
5 60% 50%
4
40% 3
30% 20%
2
10% 1 Laag inkomen 2017
0%
Hoger inkomen 2019
Laag inkomen 2017
2021
9
Hoger inkomen 2019
2021
Wijkonderzoek worden twee vragen gesteld om de vraagverlegenheid in beeld te brengen. De beantwoording staat weergegeven in de onderstaande figuur, uitgesplitst naar de Rotterdammers met een laag en niet-laag inkomen.
2.4 Veerkracht: vraagverlegenheid Onder ‘vraagverlegenheid’ verstaan we het feit dat mensen het soms moeilijk vinden om hulp aan anderen te vragen en/of te accepteren. Het kan een belemmering zijn in het tijdig vinden van ondersteuning bij problemen. In het
Vraagverlegenheid: de beantwoording van twee stellingen
45%
41%
56%
60%
33%
23%
23%
13%
Laag
Hoog
Laag
Hoog
Ik heb weinig vertrouwen in instanties en hulpverleners Ik vind het moeilijk om hulp te vragen aan buren, vrienden of familie (Helemaal) eens
Niets een, niet oneens
(Helemaal) oneens
Weet niet/geen mening
Rotterdammers met een laag inkomen hebben minder
Uit de regressieanalyse blijkt dat met name de ervaren
vaak vertrouwen in instanties en hulpverleners dan
gezondheid sterk van invloed is op de vraagverlegenheid:
Rotterdammers met een hoger inkomen. Ze vinden het ook
respondenten die zich in hun dagelijkse activiteiten
vaker moeilijk om hulp te vragen aan buren, vrienden of
belemmerd voelen door hun gezondheidstoestand tonen
familie. De score op vraagverlegenheid is in vergelijking
een grotere vraagverlegenheid dan gemiddeld.
met de vorige meting voor beide inkomensklassen gelijk gebleven. Dat is te zien in de volgende figuur. Psychologisch kapitaal: de belangrijkste punten
Vraagverlegenheid •
5,0
Rotterdammers met een laag inkomen scoren in vergelijking met de hogere inkomens lager op alle aspecten van zelfregie. Ze voelen zich vooral vaker hulpeloos bij het omgaan met de
4,0
problemen van het leven •
3,0
Rotterdammers die hun gezondheid matig of slecht vinden, ervaren ook minder regie over hun leven
2,0
•
Rotterdammers met een laag inkomen zijn minder initiatiefrijk
•
Rotterdammers met een laag inkomen voelen zich minder vaak gezond
1,0
•
Vooral arbeidsongeschikten en bijstandsgerechtigden voelen zich door hun matige gezondheid belemmerd in hun
0,0 Laag inkomen 2017
activiteiten
Hoger inkomen 2019
2021
10
3. Cultureel kapitaal
3.1 Opleidingsniveau
Indicatoren voor de mate van bezit van cultureel kapitaal zijn in dit onderzoek het opleidingsniveau en de mate van taalbeheersing.
Allereerst staat in de onderstaande tabel het opleidingsniveau van de Rotterdammers, zoals zelf gerapporteerd in het Wijkonderzoek, uitgesplitst naar de lage en niet-lage inkomens.
Tabel 3.1
Hoogste afgeronde opleiding naar hoogte van het inkomen Laag inkomen
Hoger inkomen
Alle respondenten
Geen onderwijs
7%
1%
2%
Lager onderwijs (basisschool, speciaal onderwijs)
14%
3%
5%
Lager beroepsonderwijs (LBO) of praktijkonderwijs
11%
5%
6%
MAVO, VBO of VMBO
12%
6%
7%
MBO (middelbaar beroepsonderwijs)
23%
18%
18%
MULO of MMS
3%
3%
3%
HAVO
7%
5%
5%
HBS, VWO, lyceum, atheneum of gymnasium
2%
3%
3%
HBO (hoger beroepsonderwijs)
10%
27%
24%
Wetenschappelijk onderwijs (universiteit)
7%
29%
25%
Anders
1%
0%
1%
Wil niet zeggen
4%
1%
1%
100%
100%
100%
Totaal Bron: Wijkonderzoek 2021
Uit de tabel wordt duidelijk dat bijna 70% van de lage
verdeeld (laag is tot MBO, midden is MBO en voortgezet
inkomens geen hoger opleidingsniveau heeft dan MBO.
onderwijs, hoog is vanaf HBO). Daarin zien we dat het
Daarentegen heeft bijna de helft van de hogere inkomens
verschil tussen de hoge en lage inkomens relatief groot is:
HBO- of academisch onderwijs afgemaakt. In de
20% van de lage inkomens heeft hoger onderwijs
onderstaande figuur is het opleidingsniveau in drie klassen
afgemaakt, tegen 60% van de hoge inkomens.
Opleidingsniveau
Hoger inkomen
15%
Laag inkomen
25%
60%
46%
0%
10%
20%
34%
30% Laag
40%
50%
Midden
Bron: Wijkonderzoek 2021
11
Hoog
60%
20%
70%
80%
90%
100%
3.2 Taalbeheersing bijvoorbeeld de huisarts, in het ziekenhuis, op school of bij een gemeenteloket. De beantwoording staat uitgewerkt in de onderstaande figuur, waarbij onderscheid is gemaakt naar lage en niet lage inkomens.
In het Wijkonderzoek wordt aan de respondenten gevraagd of ze veel, een beetje of geen moeite hebben met het lezen, spreken en schrijven van de Nederlandse taal. Daarnaast is gevraagd of de respondenten in de twaalf maanden vóór het onderzoek taalhulp nodig hadden bij
Respondenten die 'een beetje' of 'veel' moeite hebben met het lezen, spreken, of het schrijven in het Nederlands en/of gebruik maakten van een taalhulp
38% 32%
30%
14% 11%
15%
11% 6%
Laag inkomen
Hoger inkomen
Moeite met lezen van de Nederlandse taal
Laag inkomen
Hoger inkomen
Laag inkomen
Hoger inkomen
Moeite met spreken van de Moeite met schrijven van de Nederlandse taal Nederlandse taal
Laag inkomen
Hoger inkomen
Taalhulp nodig gehad
Van de respondenten met een laag inkomen geeft een 30 tot 38% aan moeite te hebben met het lezen, spreken of schrijven van het Nederlands. Bij de niet-lage inkomens
percentage Rotterdammers met een laag inkomen dat moeite heeft met de beheersing van de verschillende aspecten van het Nederlands. Daaruit blijkt dat onder de
bedraagt dit niet meer dan 14%. Uiteraard heeft de mate van taalbeheersing alles te maken met de migratieachtergrond van de Rotterdammer. In de onderstaande grafiek staat een overzicht van het
Rotterdammers met een Kaapverdische, Turkse, Marokkaanse of andere niet-westerse achtergrond de beheersing van het Nederlands het meest problematisch is.
12
80%
Respondenten met een laag inkomen dat 'een beetje' of 'veel' moeite hebben met het lezen, spreken of schrijven in het Nederland, en/of taalhulp hebben gehad, maar migratieachtergrond
70% 60% Moeite met Nederlands lezen
50% 40%
Moeite met Nederlands spreken
30%
Moeite met Nederlands schrijven
20% 10%
Recentelijk taalhulp nodig gehad
0%
De score op taalbeheersing is in vergelijking met de vorige meting nog wat afgenomen. Dat staat weergegeven in de onderstaande figuur.
Cultureel kapitaal: de belangrijkste punten •
Nog geen 20% van de Rotterdammers met een laag inkomen heeft hoger onderwijs genoten, tegen meer dan de helft van
Taalbeheersing
de Rotterdammers met een hoger inkomen
5,0 •
4,0
Rotterdammers met een niet-westerse achtergrond hebben vaak een minder hoge opleiding dan de Rotterdammers van Nederlandse origine. Het opleidingsniveau van de meer traditionele migrantengroepen uit Suriname, de Antillen,
3,0
Turkije, Marokko en de Kaapverdische eilanden is gemiddeld lager dan dat van de meer recente migranten uit niet-
2,0
westerse landen
1,0 •
Een kwart tot rond 30% van de Rotterdammers met een laag inkomen heeft moeite met het lezen, spreken of schrijven van
0,0 Laag inkomen
Hoger inkomen
de Nederlandse taal. Dit is bij 10% van de hogere inkomens
Alle respondenten
het geval. Vooral Rotterdammers met een Kaapverdische, Marokkaanse, Turkse of andere niet-westerse achtergrond
2017
2019
2021
beheersen de taal vaak minder goed
13
4. Sociaal kapitaal Als indicatoren voor de mate van sociaal kapitaal zien we de mate van sociale steun die wordt ervaren, het type contacten dat iemand heeft (het sociaal netwerk), vrijwilligerswerk en mantelzorg. In de voorgaande wijkonderzoeken werd ook gevraagd naar deelname aan maatschappelijke organisaties en deelname aan sociaal-
4.1 Sociale steun In de navolgende figuur staat allereerst de beantwoording op zeven stellingen die betrekking hebben op de ervaren sociale steun, uitgewerkt naar laag en hoger inkomen. Daaruit blijkt dat de Rotterdammers met een laag inkomen alle stellingen vaker negatief beantwoorden dan de hogere inkomens. Er is minder vaak het gevoel dat er een betekenisvol netwerk aanwezig is, maar daarnaast is er ook minder vaak vertrouwen in professionele hulpverleners
culturele activiteiten; in verband met de coronapandemie zijn deze vragen in de enquête van 2021 niet gesteld. Dat betekent dat de schaalscores op deze thema’s niet goed vergelijkbaar zijn. Om dit te ondervangen zijn de scores voor 2017 en 2019 opnieuw berekend, met het weglaten van de in 2021 verwijderde vragen.
en vindt men het vaker moeilijk om hulp te vragen aan buren, vrienden of familie.
Sociale steun: de beantwoording van zeven stellingen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Laag
Hoog
Laag
Hoog
Laag
Hoog
Laag
Hoog
Laag
Hoog
Er zijn slechts Zelfs van je naaste Vaak voel ik me in Er is niemand die Ik ken voldoende speciaal weinig mensen met familieleden kan je de steek gelaten mensen die ik om belangstelling voor hulp of advies kan wie ik echt kan weinig je heeft vragen praten belangstelling meer verwachten
(Helemaal) eens
Niet eens, niet oneens
(Helemaal) oneens
Laag
Hoog
Ik heb weinig vertrouwen in instanties en hulpverleners
Laag
Hoog
Ik vind het moeilijk hulp te vragen aan buren, vrienden of familie
Weet niet/geen mening
Als we de scores op de stellingen vertalen naar één
De score op ervaren sociale steun is in vergelijking met de
schaalscore, zien we dat de lagere inkomens een
vorige meting voor beide inkomensklassen gedaald. Dat is
totaalscore hebben van 3,5 op ervaren sociale steun, en
te zien in de onderstaande figuur.
niet-lage inkomens een score van 4,0. Ook hier is het verschil significant.
14
Uit een regressieanalyse blijkt dat ervaren gezondheid en
Ervaren sociale steun
opleidingsniveau verreweg het sterkst van invloed zijn op
5,0
de mate waarin sociale steun wordt ervaren. Ook leeftijd
4,0
en inkomenshoogte hebben invloed, maar in minder sterke
3,0
mate: ouderen ervaren minder sociale steun dan jongeren, en de score neemt af per leeftijdsklasse.
2,0 1,0 0,0 Laag inkomen
Hoger inkomen
2017
2019
Alle respondenten
2021
4.2 Variatie in netwerken In het Wijkonderzoek wordt gevraagd naar de frequentie
is uitgewerkt in de onderstaande tabel, waarbij
waarin de Rotterdammers gebruik maakt van het netwerk
onderscheid is gemaakt tussen de Rottermdammers met
van familie, vrienden en kennissen, buren, overige
een laag inkomen en een hoger inkomen.
buurtgenoten en internet. De beantwoording van de vraag
Variatie in netwerken: hoe vaak heeft u contact met... ?
Internet
Overige buurtgenote n
Buren
Vrienden of Familielede n kennissen
0%
25%
50%
75%
Laag Hoog Laag Hoog Laag Hoog Laag Hoog Laag Hoog
Vaak
Regelmatig
(Bijna) nooit
*) De vraag heeft betrekking op contacten met anderen die niet bij de respondent in huis wonen
15
100%
Hoewel Rotterdammers met een niet-laag inkomen
nooit contact te hebben via internetsites, tegen iets meer
frequenter gebruik maken van de diverse netwerken, is het
dan 20% van de hogere inkomens. Als we de scores op de
verschil tussen de lage en hogere inkomens relatief klein.
stellingen vertalen naar één schaalscore, zien we dat de
Vooral de frequentie van contact met buren en
lagere inkomens op een vijfpuntschaal een totaalscore
buurtgenoten is vergelijkbaar. Als het gaat om contacten
hebben van 3,4 op variatie in netwerken, en niet-lage
met familie of vrienden en kennissen, heeft een
inkomens een score van 3,6. In vergelijking met de vorige
meerderheid van beide groepen ‘vaak’ contact. Het
meting is de score op de aanwezigheid van netwerken
aandeel dat (bijna) nooit contact heeft met familie of
relatief sterk gedaald. We gaan ervan uit dat dit met het
vrienden is onder de lage inkomens ruim twee keer zo
verminderen van sociaal contact als gevolg van de
groot als onder de niet-lage inkomens. Het grootste
coronacrisis heeft te maken. De ontwikkeling van de score
verschil treedt op bij het gebruik van internet: bijna 40%
is te zien in de figuur.
van de Rotterdammers met een laag inkomen zegt (bijna) Uit een regressieanalyse blijkt dat het huishoudenstype, opleidingsniveau en sekse het meest van invloed zijn op
Variatie in netwerken
de frequentie waarvan van de netwerken gebruik wordt
5
gemaakt. Alleenstaanden zonder kinderen maken het
4,5
minst gebruik van gebruik van netwerken; hoger
4
opgeleiden en vrouwen maken frequenter gebruik van
3,5
netwerken dan lager opgeleiden en mannen. Leggen we
3
daarnaast een relatie met ervaren gezondheid, soort
2,5
inkomen (betaald werk of geen betaald werk), bron van
2
inkomen en inkomenshoogte, dan blijkt dat ook hier de
1,5
ervaren gezondheid de mate van netwerkgebruik sterk
1
beïnvloedt. Opvallend is dat etniciteit geen significante Laag inkomen 2017
2019
Hoger inkomen
invloed heeft op netwerkgebruik, maar de mate van
2021
taalbeheersing wel: Rotterdammers die de taal minder goed beheersen, geven aan minder contacten te hebben.
4.3 Deelname aan sociale en culturele activiteiten Ook de deelname aan sociale of culturele activiteiten kan
levensbeschouwelijke bijeenkomsten. In de onderstaande
een indicator zijn voor de aanwezigheid van sociaal
figuur is allereerst te zien dat bij de lage én de hogere
kapitaal, en voor de mate van participatie aan de
inkomens de sportactiviteit substantieel is toegenomen.
samenleving. In deze editie van het Wijkonderzoek zijn
Het percentage lage inkomens dat minimaal één keer per
bepaalde vragen vanwege de coronapandemie niet
week sport nam toe van 31% in 2019 naar 41% in 2021. Bij
gesteld, waaronder bezoek aan café, theater en
de hogere inkomens groeide dit van 54% naar 61%. We
evenementen. Wel is gevraagd naar sportactiviteit, alleen
veronderstellen dat de coronapandemie in deze
of met anderen en naar het bezoek aan
ontwikkeling een rol heeft gespeeld.
16
Sportieve activiteit, alleen of met anderen
11%
10%
4% 5%
4%
4% 6%
8% 4% 6%
9% 4% 6%
15%
19%
19%
7%
20%
6%
12%
6% 3% 6% Minder dan één keer per maand Eén keer per maand
12%
Twee of drie keer per maand Eén keer per week
21%
19%
2017
2019
26%
34%
35%
41%
2021
2017
2019
2020
Laag inkomen
Meerdere keren per week
Hoger inkomen
Bron: Wijkonderzoek 2021
Bij sportieve activiteiten hebben leeftijd, inkomensklasse
vraag hoe vaak de respondent een kerk, moskee, of
en opleidingsniveau de belangrijkste invloed: de sportieve
andere godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomst
activiteit neemt per leeftijdsklasse af, en met
bezoekt en of en hoe vaak een activiteit in een
inkomensklasse en opleidingsniveau toe.
wijkgebouw, bibliotheek of lokaal cultureel centrum wordt
In het wijkonderzoek waren in het vorige onderzoek twee
bezocht. In dit wijkonderzoek is deze tweede vraag niet
vragen opgenomen die een indicatie geven van de
meer gesteld. In de onderstaande figuur staat daarom
deelname aan georganiseerde sociale activiteiten: de
alleen de beantwoording op de eerste vraag weergegeven.
"Hoe vaak bezoekt u een kerk, moskee of andere godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomst?"
4.4 Vrijwilligerswerk Rotterdammers met een laag en niet-laag inkomen zijn
100%
even vaak actief als vrijwilliger: precies een kwart van beide groepen zegt onbetaald actief te zijn als vrijwilliger bij
75%
een of meer organisaties. Dit percentage is sinds de vorige
74%
86%
50%
meting onveranderd. Bijstandsgerechtigden zijn het vaakst actief: 42% van hen zegt zich onbetaald in te zetten voor
25% 0%
een organisatie. Hoewel hier niet specifiek naar is 17%
9%
gevraagd, is de veronderstelling dat activiteiten in het
Laag
Hoog
kader van Prestatie010 hierin een rol spelen.
Vaak
Regelmatig
(Bijna) nooit
17
Rotterdammers actief als vrijwilliger
42% 35% 31% 25% 23%
24%
24%
27% 24%
25% 21%
21%21%
20% 17%
17%
2019
2021
Rotterdammers met een laag inkomen besteden meer tijd
bijna 80% van de bijstandsgerechtigden die aan
aan vrijwilligerswerk dan Rotterdammers met een niet-laag
vrijwilligerswerk doen, hier meerdere keren per week mee
inkomen: bijna 60% van hen die vrijwilligerswerk doen,
bezig zijn, tegen rond een kwart van de betaald
zegt zich meerdere keren per week als vrijwilliger in te
werkenden. Ook de frequentie van het vrijwilligerswerk bij
zetten, tegen 30% van de hogere inkomens. Dit heeft sterk
arbeidsongeschikten, gepensioneerden en werkzoekenden
te maken met activiteit en inactiviteit op de arbeidsmarkt:
ligt duidelijk hoger dan bij de werkenden. In de
betaald werkenden doen veel minder frequent aan
onderstaande figuur is de frequentie uitgewerkt naar bron
vrijwilligerswerk dan uitkeringsgerechtigden en
van inkomen.
gepensioneerden. In de onderstaande figuur is te zien dat
Frequentie van vrijwilligerswerk, naar bron van inkomen Alle respondenten
Betaald werk Huisman/huisvrouw Bijstandsontvanger Arbeidsongeschikt Werkloos/werkzoekend AOW/Pensioen Anders 0%
25%
50%
Meerdere keren per week
Eén keer per week
Eén keer per maand
Minder dan één keer per maand
18
75%
100%
Twee of drie keer per maand
4.5 Mantelzorg
Sociaal kapitaal: de belangrijkste punten
Van alle Rotterdammers gaf 22% in het jaar voorafgaand
•
Rotterdammers met een laag inkomen ervaren minder
aan het onderzoek mantelzorg. Dit percentage ligt voor de
sociale steun en hebben minder vertrouwen in instanties en
Rotterdammers met een laag inkomen en een hoger
hulpverleners dan Rotterdammers met een hoger inkomen •
inkomen op een gelijk niveau. In vergelijking met de vorige meting is het percentage nagenoeg onveranderd. Rond
Rotterdammers die zich minder gezond voelen, ervaren ook minder sociale steun
•
70% geeft aan die mantelzorg op het moment van
Hoewel Rotterdammers met een laag inkomen minder
onderzoek nog steeds te doen. Ook hier zien we dat de
frequent gebruik maken van het netwerk van familie, vrienden
Rotterdammers met een laag inkomen meer tijd aan de
en kennissen, buren en buurtgenoten, is het verschil met de hogere inkomens niet groot. Wel zegt 40% van de
activiteit te besteden: gemiddeld 20 uur per week, tegen de
Rotterdammers met een laag inkomen voor hun contacten
Rotterdammers met een niet-laag inkomen gemiddeld 11
geen gebruik te maken van internet, tegen 20% van de
uur per week.
hogere inkomens •
Alleenstaanden, Rotterdammers die de taal minder goed beheersen en Rotterdammers die zich minder gezond voelen, hebben minder vaak contact in hun netwerk
•
Rotterdammers met een laag inkomen nemen vaker deel aan bijeenkomsten in kerk of moskee. Vooral Rotterdammers met een Turkse, Marokkaanse of Kaapverdische achtergrond nemen vaker deel aan deze activiteiten
•
Rotterdammers met een laag inkomen doen minder vaak aan sport, maar sportactiviteit alleen of met anderen is in vergelijking met het vorige onderzoek wel substantieel toegenomen. Dit zal onder andere met de coronapandemie te maken hebben
•
Meer dan 40% van de Rotterdammers met een bijstandsuitkering doet vrijwilligerswerk
•
Rotterdammers met een laag inkomen besteden meer tijd aan vrijwilligerswerk of mantelzorg dan Rotterdammers met een hoger inkomen
19
5. Maatschappelijk kapitaal
die beoordeling wordt gevraagd naar een totaaloordeel over het aanbod aan voorzieningen in en rond de
Onder maatschappelijk kapitaal verstaan we de mate
woonbuurt. De score op dit totaaloordeel beschouwen we
waarin maatschappelijke voorzieningen die ondersteuning
als een indicatie van de mate van toegang tot
kunnen bieden bij diverse vormen van problematiek
voorzieningen als onderdeel van het maatschappelijk
bekend en toegankelijk zijn. In het Wijkonderzoek 2021
kapitaal. In de onderstaande figuur staat het percentage
werd niet meer gevraagd naar de bekendheid van
respondenten dat de voorziening in (ruime) mate
voorzieningen. Dat betekent dat deze indicator niet kan
voldoende aanwezig vindt, uitgesplitst naar
worden meegenomen in de totaalscore voor de
inkomensniveau. Daaruit blijkt dat het oordeel over de
aanwezigheid van maatschappelijk kapitaal. Om dit te
aanwezigheid van de verschillende voorzieningen tussen
ondervangen zijn de scores voor 2017 en 2019 opnieuw
de lage en hogere inkomens niet ver uit elkaar loopt. De
berekend, met het weglaten van de in 2021 verwijderde
lage inkomens tonen zich wat tevredener over het aanbod
vragen.
van basis- en middelbare scholen, en plaatsen voor geloofsbeleving. Ze tonen zich juist wat minder tevreden
5.1 Toegankelijkheid van voorzieningen
over het aanbod aan speel- en sportplekken voor hun
In het Wijkonderzoek wordt voor zestien voorzieningen
kinderen in de buurt.
gevraagd in hoeverre de Rotterdammer vindt dat deze in voldoende mate in de buurt aanwezig zijn. Op basis van
20
Ruimte om Speel- en Buurthuis, Plaatsen voor gezamenlijke Voorzieninge Groen Speelplekken sportplekken ontmoetingsr n voor Middelbare geloofsbetuig dingen te Groen in uw vrijetijdsbeste voor jonge voor oudere uimte voor Binnensportv ouderen Basisscholen scholen doen ing jongeren oorzieningen Sportvelden kinderen kinderen ding buurt
Respondenten die vinden dat de voorziening (ruim) voldoende in de buurt aanwezig is (%) Hoger inkomen
87%
Laag inkomen
86%
46%
Laag inkomen
49%
Hoger inkomen
75%
Laag inkomen
77%
Hoger inkomen
29%
Laag inkomen
37%
Hoger inkomen
45%
Laag inkomen
47%
Hoger inkomen
56%
Laag inkomen
61%
Hoger inkomen
56%
Laag inkomen
52%
Hoger inkomen
50%
Laag inkomen Hoger inkomen Laag inkomen
47% 30% 38%
Hoger inkomen
54%
Laag inkomen
55%
Hoger inkomen
56%
Laag inkomen
59%
Hoger inkomen
66%
Laag inkomen
64%
Laag inkomen
77%
Openbaar De bank, het Medische postkantoor vervoer zorg
77%
Hoger inkomen
Hoger inkomen
92%
Laag inkomen
91%
Winkels
Hoger inkomen
Hoger inkomen
89%
Hoger inkomen Laag inkomen
73% 65%
Laag inkomen
86%
21
voorzieningen; rond de helft geeft echter aan (zeer) tevreden te zijn. Van de Rotterdammers met een hoger inkomen is 60% (zeer) tevreden.
Gevraagd naar een samenvattend oordeel over het aanbod van voorzieningen in de buurt, tonen Rotterdammers met een laag inkomen zich wat vaker neutraal of (zeer) ontevreden over het aanbod aan
Figuur 5.2
100% 90%
Tevredenheid over het aanbod aan voorzieningen in en rond de woonbuurt
5%
5%
11%
11%
29%
31%
56%
53%
Hoger inkomen
Alle respondenten
6% 14%
80% 70% 60%
37%
50% 40% 30% 20%
44%
10% 0% Laag inkomen (Zeer) tevreden
Neutraal
(Zeer) ontevreden
Het oordeel wordt vooral beïnvloed door inkomenshoogte,
Weet niet / geen mening
Maatschappelijk kapitaal: de belangrijkste punten
de mate waarin iemand zich belemmerd voelt door -
gezondheidsproblematiek en de buurt. De tevredenheid
De tevredenheid over het aanbod van voorzieningen in de buurt loopt bij de lage en hogere inkomens niet ver uit elkaar.
over het voorzieningenaanbod in de wijk is in vergelijking
Rotterdammers met een laag inkomen tonen zich wat
met de vorige in beide inkomensklassen licht gedaald. Dat
tevredener over het aanbod van basis- en middelbare
is te zien in de onderstaande figuur.
scholen en plaatsen voor geloofsbeleving. Ze tonen zich juist wat minder tevreden over het aanbod aan speel- en sportplekken voor hun kinderen in de buurt
Tevredenheid over aanbod voorzieningen in de wijk 5 4,5 4 3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 Laag inkomen Hoger inkomen
2017
2019
Alle respondenten
2021
22
6. Economisch kapitaal: rondkomen van het inkomen Onder economisch kapitaal verstaan we de mate waarin
komen, tegen nog geen 10% van de lage inkomens.
de respondenten er in slagen rond te komen van hun
Andersom zegt 17% van de lage inkomens (heel) moeilijk
inkomen. In de onderstaande figuur staat de
of niet rond te kunnen komen, tegen 1% van de hogere
beantwoording van de vraag weergegeven naar de hoogte
inkomens. Het aandeel lage inkomens dat niet of (heel)
van het inkomen. Daarin is te zien dat de lage inkomens er
moeilijk rondkomt is ten opzichte van de vorige meting met
naar eigen zeggen veel minder gemakkelijk in slagen rond
één procentpunt gedaald naar 17%. In de onderstaande
te komen dan de hogere inkomens. Ruim 60% van de
grafiek staat een vergelijking tussen de resultaten van
hoge inkomens zegt (heel) gemakkelijk rond te kunnen
2017 en 2019.
Figuur 6.1
‘Rondkomen’ van Rotterdammers met een laag en niet-laag inkomen (%)
50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 Heel gemakkelijk
Gemakkelijk
Redelijk
Moeilijk
Laag inkomen
Heel moeilijk
Niet
Hoger inkomen
Bron: Wijkonderzoek 2020
Naast hoogte van het inkomen heeft vooral het gezinstype
moeilijker hebben om rond te komen van hun inkomen dan
en de bron van inkomen invloed op de beantwoording van
de andere gezinstypen: 5 tot 6% zegt heel moeilijk tot niet
de vraag. Als we eerst kijken naar het huishoudenstype,
rond te komen. In de volgende grafiek staat een overzicht.
dan zien we dat alleenstaanden en eenoudergezinnen het Komt heel moeilijk of niet rond
6% 5% 3% 2%
23
Als we kijken naar de bron van inkomen, zien we dat de
bijstandsgerechtigden hebben het moeilijker: van deze
werkenden en gepensioneerden er het best in slagen rond
laatsten zegt rond een vijfde ‘heel moeilijk’ of ‘niet’ rond te
te komen. Uitkeringsontvangers, en dan vooral de
kunnen komen.
Komt moeilijk of niet rond
22% 15% 11%
9%
2%
2%
4%
6.1 Rondkomen van een laag inkomen In figuur 6.2 was te zien dat de lage inkomens er veel minder in slagen om rond te komen dan de hogere inkomens. Ook binnen de groep lage inkomens slagen werkenden en gepensioneerden er naar eigen oordeel
een kwart van de uitkeringsgerechtigden zegt (heel) moeilijk of niet rond te komen, tegen rond 8% van de gepensioneerden en 12% van de werkenden met een laag inkomen.
beter in rond te komen dan uitkeringsgerechtigden. Rond
Komt moeilijk of niet rond (Rotterdammers met een laag inkomen)
24%
25%
24%
18% 12% 8%
24
12%
Ook binnen de groep lage inkomens slagen de alleenstaanden en eenoudergezinnen er het minst vaak in om rond te komen, maar is het verschil met de andere huishoudenstypen veel minder groot. Paren zonder
kinderen slagen er het best in rond te komen, maar deze groep bestaat voor een groot deel uit gepensioneerden. We zagen eerder dat deze groep er beter in slaagt om rond te komen.
Komt moeilijk of niet rond (Rotterdammers met een laag inkomen)
17%
17%
16% 13%
Alleenstaand
Eenoudergezin
Paar zonder kinderen
Economisch kapitaal: de belangrijkste punten
-
47%t van de Rotterdammers met een laag inkomen zegt (heel) moeilijk of niet rond te kunnen komen, tegen nog geen tiende van de Rotterdammers met een hoger inkomen
-
Het percentage lage inkomens dat (heel) moeilijk of niet rond kan komen daalde van 48% in 2019 naar 47% in 2021
-
Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben veel vaker moeite met rondkomen dan de andere huishoudenstypen
-
Werkenden en gepensioneerden slagen er veel vaker in rond te komen van hun inkomen dan uitkeringsgerechtigden
25
Paar met kind(eren)
7. Tevredenheid over de kwaliteit van leven inkomen. Het aandeel tevredenen bij de lage inkomens daalde sinds de vorige meting van 64 naar 59%. De respondenten met een laag inkomen gaven nu vaker een neutraal antwoord. Bij de hogere inkomens zien we eenzelfde trend, maar daar is de daling wat minder sterk. In de onderstaande figuur staat hiervan een overzicht.
Aan het eind van de enquête voor het wijkonderzoek wordt de samenvattende vraag gesteld hoe tevreden de respondent is over de kwaliteit van zijn of haar leven.8 In onderstaande tabel is te zien dat Rotterdammers met een laag inkomen minder vaak (zeer) tevreden zijn over de kwaliteit van leven dan Rotterdammers met een hoger
Oordeel over de kwaliteit van leven 13%
11%
11%
25%
22%
28%
60%
64%
59%
2017
2019
2021
3% 9%
3% 10%
3% 12%
87%
87%
85%
2017
2019
2021
Laag inkomen (Zeer) tevreden
Hoger inkomen Neutraal
(Zeer) ontevreden
Weet niet/geen mening
Bron: Wijkonderzoek 2021
Uit de regressieanalyse blijkt dat gezondheidsbeleving en
naar laag en niet-laag inkomen. Rond 65% van de
inkomenshoogte verreweg het sterkst het oordeel over de
Rotterdammers is het (helemaal) eens met de uitspraak.
kwaliteit van leven bepalen.
Voor de lage inkomens ligt dit percentage rond 55%, bij de hogere inkomens rond 65%. Bij beide inkomensklassen
8. Meedoen
daalde het aandeel ‘eens’ enigszins. Bij de lage inkomens stijgt het aandeel dat het (helemaal) oneens is met de
De respondenten werd gevraagd in hoeverre ze het eens
stelling van 2% in 2019 naar 9% in 2021. In de volgende
zijn met de uitspraak: “Ik ben tevreden over de manier
grafiek worden de resultaten over 2017, 2019 en 2021
waarop ik meedoe in de Rotterdamse samenleving”. De
vergeleken.
beantwoording staat in de onderstaande tabel, uitgesplitst
8
De vraag luidt letterlijk: “Alles overwegende (uw activiteiten buitenshuis, uw contacten met familie en vrienden, uw
gezondheid en welbevinden en dergelijke) hoe tevreden bent u dan over de kwaliteit van uw leven?”
26
"Ik ben tevreden over de manier waarop ik meedoe in de Rotterdamse samenleving"
2%
2%
9%
20%
22%
23%
61%
59%
56%
2017
2019
2021
9%
5%
6%
18%
21%
23%
71%
68%
65%
2017
2019
2021
Laag inkomen (Helemaal) eens
Hoger inkomen Neutraal
(Helemaal) oneens
Weet niet/geen mening
9. Concluderend: verschillen in beschikking over menselijk kapitaal Als we de scores op de verschillende indicatoren voor
het onderstaande beeld. Op alle indicatoren scoren de
menselijk kapitaal en de ontwikkelingen daarin sinds de
hogere inkomens hoger, behalve op de bekendheid van
vorige meting bij elkaar brengen in één grafiek, ontstaat
voorzieningen.
Score op de verschillende indicatoren naar hoogte van het inkomen (2017-2021) 5,0 4,0 3,0 2,0 1,0
Laag inkomen 2017
Laag inkomen 2019
Laag inkomen 2021
Hoog inkomen 2017
Hoog inkomen 2019
Hoog inkomen 2021
27
De ontwikkeling in de scores wordt duidelijker als we alleen
coronapandemie, de ervaren sociale steun en het aantal
het verschil tussen de scores in 2019 en 2021 in beeld
contacten in het eigen netwerk relatief sterk daalde. Alleen
brengen. Ervan uitgaande dat alle scores zich op een
bij sociaal-culturele activiteiten zien we een substantiële
schaal van 1 tot 5 bevinden, zijn de verschillen tussen
stijging van de scores. Dit heeft vooral te maken met de
beide metingen uiterst klein. Het grootste verschil treedt op
toenemende sportieve activiteit, die kan worden verklaard
bij de ervaren sociale steun en de aanwezigheid van een
door de coronapandemie.
netwerk: we zagen eerder dat, waarschijnlijk mede door de
Verschil in score op de verschillende indicatoren 2019-2021 naar hoogte van het inkomen 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0 -0,1 -0,2 -0,3 -0,4
Laag inkomen
Hoger inkomen
Om vast te stellen hoe de scores op de indicatoren voor de
beoordeling van de eigen gezondheid en de score op
verschillende vormen van kapitaal verschillen voor de
zelfregie scoort bij de Rotterdammers met een laag
Rotterdammers met een laag inkomen en de
inkomen aanzienlijk lager. Het is verschil is relatief klein bij
Rotterdammers met een niet laag inkomen zijn alle scores
het oordeel over het aanbod aan voorzieningen in de wijk.
gestandaardiseerd en is voor de lage en niet-lage
Evenals in de vorige meting zien we dat de lage inkomens
inkomens berekend hoeveel ze afwijken van de
de kwaliteit van leven duidelijk minder goed beoordelen
gemiddelde score. De afwijking geeft aan hoe groot het
dan de niet-lage inkomens, maar dat het verschil in
verschil is in de (ervaren) aanwezigheid van de
tevredenheid over het ‘meedoen’ in de Rotterdamse
verschillende vormen van kapitaal. Kijken we eerst naar de
samenleving relatief klein is. In de figuur is ook een
verschillen in scores op de verschillende indicatoren, dan
vergelijking gemaakt tussen 2017, 2019 en 2021. Daaruit
valt allereerst op dat de lage en niet-lage inkomens veruit
wordt duidelijk dat op de meeste indicatoren de lage
het meest verschillen als het gaat om het eigen oordeel
inkomens in vergelijking met 2019 verder van het
over het kunnen rondkomen met het inkomen. Ook is het
gemiddelde zijn komen te liggen. De ontwikkeling in de
verschil relatief groot bij het opleidingsniveau. Ook de
scores is echter uiterst klein.
28
Afwijking van de gemiddelde score op de verschillende indicatoren naar hoogte van het inkomen (2017, 2019, 2021) 0,4 0,2
Laag inkomen 2017
0,0
Laag inkomen 2019
-0,2
Laag inkomen 2021
-0,4
Hoger inkomen 2017 -0,6
Hoger inkomen 2019
-0,8
Hoger inkomen 2021
-1,0 -1,2
Voegen we tenslotte de verschillende indicatoren
inkomen en een hoog inkomen, en zo ja, hoe
voor de vijf vormen van menselijk kapitaal bij
groot dit verschil is. Dit antwoord staat verbeeld in
elkaar, dan krijgen we een antwoord op de vraag
de onderstaande figuur. Er wordt daarbij een
in hoeverre de beschikking over menselijk kapitaal
vergelijking gemaakt tussen de scores in 2017,
verschilt tussen de Rotterdammers met een laag
2019 en 2021.
Afwijking van de gemiddelde score op de vijf vormen van menselijk kapitaal naar hoogte van het inkomen (2017, 2019, 2021) 0,40 0,20 0,00 -0,20 -0,40 -0,60 -0,80 -1,00 -1,20 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 2017 2019 2021 Psychologisch kapitaal
Economisch kapitaal
Cultureel kapitaal
Laag inkomen
Sociaal kapitaal
Hoger inkomen
29
Maatschappelijk kapitaal
Door het grote verschil in oordeel over rondkomen
10. De ervaren invloed van corona
met het inkomen is het verschil in economisch kapitaal tussen de lage en hogere inkomens het
In het Wijkonderzoek werd een aantal vragen
grootst. Ook het verschil in beschikking over
gesteld om de invloed van corona op het leven
cultureel kapitaal (opleidingsniveau en
van de Rotterdammer te peilen. De respondenten
taalbeheersing) is relatief groot. Het verschil
werd gevraagd welke invloed corona heeft op de
tussen de hoge en lage inkomens nam in
gezondheid, baan of bedrijf, inkomen, sociale
vergelijking met de vorige meting nog enigszins
contacten in de buurt en het vertrouwen in de
toe. Het verschil tussen de hoge en lage inkomens
overheid. In de onderstaande grafiek is de
in de beschikking over psychologisch, sociaal en
beantwoording van deze vragen uitgewerkt naar
maatschappelijk kapitaal is minder groot. Het
hoogte van het inkomen. Daaruit blijkt allereerst
verschil in de beschikking over sociaal kapitaal
dat een derde van de lage inkomens vindt dat
tussen beide inkomensklassen nam in vergelijking
corona invloed heeft gehad op het inkomen, tegen
met de vorige meting enigszins af.
17% van de hogere inkomens. Ook hebben de zeggen de lagere inkomens een negatieve invloed te hebben ervaren op hun gezondheid en baan of bedrijf, maar hier is het verschil met de hogere inkomens relatief klein. Het aandeel dat een negatieve invloed heeft ervaren op sociale contacten in de buurt en het vertrouwen in de overheid ligt bij de lage en hogere inkomens nagenoeg gelijk.
Ervaren invloed van corona op vijf leefgebieden 6% 11%
1% 12%
1%
7%
15%
8%
3% 7%
12%
9% 9%
6%
36%
43%
41% 47%
3% 11%
36%
39%
4%
6%
12%
12%
41%
40%
49% 73%
48%
44%
45%
37%
46%
47%
43%
42%
Laag inkomen
Hoger inkomen
Laag inkomen
Hoger inkomen
33% 17%
Laag inkomen
Hoger inkomen
Gezondheid
Laag inkomen
Hoger inkomen
Baan of bedrijf
Negatief
Laag inkomen
Hoger inkomen
Inkomen
Geen invloed
30
Sociale contacten in de buurt
Positief
Weet niet
Vertrouwen in de overheid
Kennis voor een sterk Rotterdams beleid Onderzoek en Business Intelligence is een afdeling binnen de gemeente Rotterdam. De afdeling verzamelt informatie en doet onderzoek voor het maken en uitvoeren van beleid door de gemeente Rotterdam. Het onderzoek gaat over onderwerpen als gezondheid, zorg, onderwijs, re-integratie, demografie, ruimtelijke ordening en veiligheid. Soms is de gemeentelijke organisatie het onderwerp, vaker gaat het over de stad en haar bewoners. Het doel is steeds om met deze verzamelde kennis het beleid en de bedrijfsvoering van de gemeente te verbeteren.
31