[22bb003746] Bijlage 2 behorende bij 22bb3743 over de Monitor Lage Inkomens 2022
Tekst van het document
Monitor lage inkomens Rotterdam 2022 Onderzoek en Business Intelligence
1
Colofon Gemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI)
2
Datum: Auteur(s):
4 april 2022 Frans Moors Ludo van Dun
Vragen:
onderzoek@rotterdam.nl
Inhoud Samenvatting
5
Inleiding
9
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
11
Inkomensverdeling
11
Omvang en ontwikkeling van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
14
Bron van inkomsten
15
Werkende armen
19
Huishoudenstype
20
Minderjarige kinderen
22
Sekse
25
Leeftijd
27
Migratieachtergrond
29
Opleidingsniveau
31
Gebied en buurt
32
Problematische schulden
36
In- en uitstroom uit de armoede
40
Inleiding
40
In- en uitstroom 2011-2020
40
Achtergronden van instroom
41
Achtergronden van uitstroom
42
Gebruik van inkomensondersteuning
45
Inleiding
45
AOW- en Jeugdtegoed
46
4.2.1
Afgegeven beschikkingen
46
4.2.2
Bereik en benutting
47
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
48
Bijzondere bijstand
49
4.4.1
Individuele inkomenstoeslag (IIT)
50
4.4.2
Premiebijdrage collectieve zorgverzekering
50
Maatwerkbudget
50
Jeugdfonds Sport & Cultuur
51
4.6.1
51
Aantal aanvragen en toekenningen
Meedoen in Rotterdam (PM)
53
Samenvatting
54
3
4
Samenvatting De Monitor lage inkomens Rotterdam biedt inzicht in de ‘staat van de armoede’ in de stad, en bestaat uit vier delen: •
Een beschrijving van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid (huishoudens met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum). In deze rapportage noemen we deze doelgroep ook wel huishoudens met een laag inkomen. Naast deze beschrijving worden ook de ontwikkelingen in de doelgroep op de korte termijn (2019-2020) en de lange termijn (2011-2020).
•
Een overzicht van de Rotterdamse huishoudens met problematische schulden volgens de definitie van het CBS in oktober 2020;
•
•
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
In de periode 2019-2020 is het aantal huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum gestegen met 400; een stijging van 1%. Het percentage huishoudens met een laag inkomen op het totaal aantal Rotterdamse huishoudens bleef gelijk op 18,5%. Het aantal personen met een laag inkomen daalde met 400; dat is een daling van 0,5%. Het percentage Rotterdammers dat moet rondkomen van een laag inkomen daalde daarmee van 14,8 naar 14,6%. Over de langere termijn bezien is dit percentage gedaald van 17,6% in 2014 naar 14,6% in 2020.
Een analyse van de in- en uitstroom uit de doelgroep in de periode 2019-2020;
Van de huishoudens met een laag inkomen hebben
Een beschrijving van het gebruik van gemeentelijke inkomensondersteunende voorzieningen in het kader van het armoedebeleid over 2021 en de ontwikkelingen hierin voor de periode 2020-2021.
32.800 huishoudens dit al vier jaar of langer. In vergelijking met 2019 steeg het aantal met 400 huishoudens; een stijging van 1%. Het aandeel langdurig lage inkomens op het totaal aantal huishoudens in Rotterdam bleef stabiel op 12,5%. In deze huishoudens wonen 49.600 personen.
De eerste twee delen zijn gebaseerd op de meest recente gegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van CBS, peildatum 1 januari 2020. Deze cijfers zijn dus nog van de periode vóór het uitbreken van de coronapandemie. Het derde deel is gebaseerd het dashboard ‘Schuldenproblematiek in beeld’ van het CBS.1 De meest recente cijfers betreffen oktober 2020. Het vierde deel is gebaseerd op registratiegegevens van de gemeente Rotterdam en andere instanties die de diverse regelingen uitvoeren, en betreffen het jaar 2021. In deze samenvatting worden de belangrijkste bevindingen van deze deelonderzoeken beschreven.
1
1.
Over de lange termijn bezien steeg het percentage huishoudens met een langdurig laag inkomen van 11,5% in 2014 naar 12,5% in 2020. De langdurige armoede blijft in vergelijking met het voorgaande jaar stabiel, maar laat op de lange termijn een stijging zien Het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen binnen de doelgroep van het armoedebeleid bleef stabiel op 60%. Op de langere termijn nam dit aandeel toe van 51% in 2014 naar 60% in 2020.
Het dasboard is te raadplegen op https://dashboards.cbs.nl/v3/SchuldenproblematiekInBeeld/
5
De doelgroep van het armoedebeleid bestaat vooral uit bijstandsgerechtigden en pensioengerechtigden; 12% is ‘werkende arme’. Van de huishoudens in de doelgroep heeft rond de helft een bijstandsuitkering of andere sociale voorziening, en rond 30% een inkomen uit AOW en/of pensioen. Van de huishoudens in de doelgroep heeft 12% een inkomen uit werk in loondienst of als zelfstandige. Het percentage bijstandsgerechtigden en ouderen met een laag inkomen steeg in de afgelopen jaren, terwijl het percentage werkenden met een laag inkomen daalde. Op de lange termijn daalde de armoede onder werknemers en zelfstandigen, terwijl de armoede onder de uitkerings- en pensioengerechtigden steeg. Het aantal werknemers en zelfstandigen met een laag inkomen daalde in de periode 2019-2020. Het percentage werknemers met een laag inkomen steeg met een half procent naar 3,0%, terwijl het percentage bij de zelfstandigen daalde van 9,0 naar 7,5%. Op de lange termijn bezien is het aandeel werknemers met een laag inkomen gedaald van 4% in 2011 naar 3% in 2020. Het percentage zelfstandigen met een laag inkomen daalde in die periode van 15% in 2011 naar 8%. Het totaalpercentage ‘werkende armen’ daalde daarmee van 5% in 2011 naar 3% in 2020. Dat betekent dat in 2020 rond 12.000 Rotterdammers tot de ‘werkende armen’ moeten worden gerekend.
Alleenstaande ouders met uitsluitend minderjarige kinderen hebben de grootste kans op armoede…. Van de eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen heeft 38% een laag inkomen, bij een gemiddelde van 19%. …maar laten ook de grootste daling in het armoedepercentage sinds 2011 zien. In de periode 2019-2020 zette deze daling door. In de periode 2019-2020 daalde het armoedepercentage onder dit gezinstype van 39% naar 38%. Het percentage lage inkomens onder tweeoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen is veel lager dan onder de alleenstaande ouders.
6
Het percentage lage inkomens onder de tweeoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen daalde van 8% in 2019 naar 7% nu. Het aantal minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen daalde in de periode 2019-2020 met 6% naar 18.900. Daarmee daalde het percentage kinderen in een huishouden met een laag inkomen van 17,2% naar 16,6%. Kinderen in een eenoudergezin hebben de grootste kans armoede: 38% van hen woont in een eenoudergezin met een laag inkomen, tegen 7% van de minderjarige kinderen in een tweeoudergezin. In de periode 2011-2020 daalde het percentage kinderen in een eenoudergezin met een laag inkomen van 48% naar 38%. Het percentage kinderen in een tweeoudergezin daalde in dezelfde periode van 12 naar 8%. Kinderen met een vluchtelingenachtergrond hebben de grootste kans op armoede. Meer dan de helft van de kinderen uit Syrië, Somalië, Sierra Leone, Guinee en Congo leeft in een gezin met een laag inkomen. Maar ook kinderen met een Antilliaanse of Marokkaanse migratieachtergrond hebben een bovengemiddelde kans op armoede: van hen leeft respectievelijk 30% en 29% in een gezin met een laag inkomen. In vergelijking met 2019 bleven de armoedepercentages van de verschillende migrantengroepen stabiel.
Op de langere termijn is te zien dat het aandeel lage inkomens vanaf 2011 bij de meeste migrantengroepen sneller daalt dan bij de huishoudens met een Nederlandse achtergrond. Een uitzondering hierop vormen de huishoudens met een Surinaamse (een lichte daling) of Kaapverdische achtergrond (een lichte stijging). Het aandeel lage inkomens onder de jongeren (tot 25 jaar) en ouderen (vanaf 65 jaar) bleef stabiel. Het percentage daalde bij de 45 tot 65-jarigen, maar steeg bij de 25- tot 45-jarigen. Op de langere termijn zien we een substantiële daling van het percentage lage inkomens onder de 25-65 jarigen. Onder de jongeren en ouderen blijven de percentages relatief stabiel. Daarbij moet worden aangetekend dat de langdurige armoede onder jongeren laag is, terwijl deze bij de ouderen juist relatief hoog is.
Bijna 40% van de huishoudens met een laag inkomen heeft een hoofdkostwinner met niet meer dan basisonderwijs. Nog eens 40% heeft geen hoger onderwijs dan Mbo 3 afgerond. Wie uitsluitend basisonderwijs heeft afgesloten, loopt veruit de grootste kans op en laag inkomen: 45%. Bekijken we de langjarige trend, dan zien we dat in de periode 2011-2020 het aandeel lage inkomens onder hoofdkostwinners met uitsluitend basisonderwijs tot 2016 relatief sterk steeg; daarna laat het percentage een geleidelijke daling zien. Het aandeel hoofdkostwinners met uitsluitend Vmbo of Mbo 1 blijft relatief hoog, terwijl het aandeel bij de gediplomeerden Vmbo-g/t daalde. Bij gediplomeerden Mbo 2 tot en met 4 bleef het aandeel redelijk stabiel, terwijl het voor gediplomeerden HAVO/VWO, HBO en academisch onderwijs juist daalde. Het hoogste percentage lage inkomens vinden we in Feijenoord, Delfshaven, Charlois en Kralingen-Crooswijk. In deze gebieden woont bijna de helft van alle Rotterdamse huishoudens met een laag inkomen. Er is weinig dynamiek in het percentage lage inkomens per gebied. De afname van het percentage huishoudens met minimaal een jaar een laag inkomen zien we in de gebieden met de hoogste armoedepercentages: Feijenoord en Delfshaven. Bekijken we de ontwikkeling per buurt, dan valt de substantiële daling van het percentage lage inkomens in Katendrecht en in de Afrikaanderwijk op.
Aan de andere kant zien we een meer dan gemiddelde toename van het percentage lage inkomens in de Tarwewijk en in de Provenierswijk. Het feit dat de langdurige armoede in deze buurten nauwelijks toeneemt, suggereert een instroom van ‘nieuwe‘ huishoudens met een laag inkomen in deze wijken, waar het verloop relatief groot is. In oktober 2020 hadden 50.900 Rotterdamse huishoudens een geregistreerde problematische schuld. Dat is 15,5% van alle huishoudens in Rotterdam. Onlangs publiceerde het CBS voor het eerst gegevens over het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden per gemeente. Het percentage huishoudens met een problematische schuld bleef op de langere termijn stabiel: in 2015 had 16,1% een problematische schuld tegen
15,5% in 2020. Uit de gegevens blijkt dat kostwinners van huishoudens met een problematische schuld vaker: - een niet-westerse migratieachtergrond hebben; - tussen de 25 en 45 jaar zijn; - lager of middelbaar opgeleid zijn; - een bijstandsuitkering hebben; - alleenstaand ouder zijn.
2. In- en uitstroom uit de armoede Het percentage personen en huishoudens met een laag inkomen in Rotterdam schommelt al jaren rond de 20%. Toch is er sprake van dynamiek: ieder jaar is sprake van in- en uitstroom in deze groep. Aan de hand van gegevens van het CBS is een analyse gemaakt van de omvang van de in- en uitstroom in de periode 2011-2020, en de achtergronden hiervan. De belangrijkste bevindingen zijn puntsgewijs: In 2020 stroomden 21.000 personen in de groep lage inkomens, terwijl 23.100 personen de groep lage inkomens verlieten. In de periode 2019-2020 daalden de instroom en de uitstroom, maar daalde de uitstroom iets sterker. Veruit de belangrijkste oorzaak van instroom is inkomensdaling… Van de instromers in 2020 maakte 62% een inkomensdaling door. Rond een derde hiervan had in het voorgaande jaar een inkomen tussen 110 en 120% van het wettelijk sociaal minimum, en bevond zich dus al ‘aan de rand’ van een laag inkomen. Ruim 35% verdiende meer dan 150% van het sociaal minimum in 2018, dus maakte een forse inkomensachteruitgang door. … en veruit de belangrijkste oorzaak van uitstroom is inkomensstijging. Van de uitstromers maakte 69% een inkomensstijging door. Rond een derde van hen heeft in het jaar na uitstroom een inkomen tussen 110% en 120% van het sociaal minimum, nog eens 16% tussen de 120 en 130%. Rond een derde klimt naar een inkomen van 150% WSM of meer.
Uitstroom uit de doelgroep van het armoedebeleid gebeurt dus in de meeste gevallen door een stijging van het inkomen. Inkomensstijging wordt niet alleen veroorzaakt door werkaanvaarding: de belangrijkste voorspeller voor uitstroom is, met transitie van uitkering naar werk, verandering in positie binnen het huishouden. In de meeste gevallen gaan alleenstaanden samenwonen.
7
3. Gebruik van inkomensondersteuning In het derde deel van de monitor wordt inzicht gegeven in het gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen, gericht op de doelgroep van het armoedebeleid. In de onderstaande tabel staan de gegevens over het gebruik van
regelingen laat een stijging zien; alleen het aantal verstrekkingen in het kader van het Jeugdcultuurfonds en het Maatwerkbudget daalde substantieel. Het aantal kwijtscheldingen afvalstoffenheffing bleef nagenoeg gelijk.
de diverse voorzieningen op een rij, en wordt het vergeleken met de voorgaande jaren. Het gebruik van de meeste
Kindtegoed
2020-2021
2020-2021
+/-
+/- %
10.800
300
3%
2018
2020
2020
2021
11.200
11.000
10.500
Jeugdtegoed
9.200
8.700
8.700
9.200
500
6%
AOW-tegoed
10.000
10.700
10.400
10.900
500
5%
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
43.000
39.900
39.000
38.700
-300
-1%
Bijzondere bijstand
33.500
36.700
37.700
39.600
1.900
5%
Individuele Inkomenstoeslag
21.600
27.600
26.900
28.100
1.200
4%
Meedoen in Rotterdam
5.200
7.000
6.600
Jeugdfonds Sport & Cultuur - cultuur
1.800
2.500
2.500
2.200
-300
-12%
Jeugdfonds Sport & Cultuur - sport
5.200
6.100
5.700
6.400
700
12%
Premiebijdrage VGZ
40.300
40.400
40.500
41.100
600
1%
Maatwerkbudget wijkteams
1.900
2.100
1.400
1.200
-200
-14%
Om een indicatie te geven van het bereik van de regelingen, is het gebruik afgezet tegen de geschatte omvang van de respectievelijke doelgroepen. In de onderstaande tabel staat het percentuele gebruik weergegeven. Bij dit percentage hoort een aantal kanttekeningen, waardoor de per-
daadwerkelijke gebruik. Deze kanttekeningen zijn uitgebreid beschreven in hoofdstuk 3. Bijzondere bijstand en het maatwerkbudget zijn in deze tabel buiten beschouwing gelaten, omdat ze geen duidelijk afgegrensde doelgroep hebben.
centages niet meer dan een ruwe indicatie geven van het
Soort voorziening 2018
2020
2020
2021
2020-2021 (in procentpunt)
Kindtegoed
89%
100%
100%
114%
+14
Jeugdtegoed
122%
130%
95%
102%
+7
AOW-tegoed
60%
63%
61%
59%
-2
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
99%
91%
93%
96%
+3
Individuele Inkomenstoeslag
36%
45%
46%
54%
+7
Meedoen in Rotterdam
24%
35%
33%
Jeugdfonds Sport & Cultuur - cultuur
8%
13%
12%
12%
-/-
Jeugdfonds Sport & Cultuur - sport
24%
30%
29%
35%
+6
Premiebijdrage VGZ
38%
37%
38%
35%
+1
*)
8
Bereik
De sterke daling van het gebruik van het Jeugdtegoed wordt veroorzaakt door de uitbreiding van doelgroep tot huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum
Inleiding De Monitor Lage Inkomens Rotterdam wil inzicht bieden in ‘de staat van de armoede’ in de stad, en bestaat uit vier delen: •
Een beschrijving van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid (huishoudens met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum). In deze rapportage noemen we deze doelgroep ook wel huishoudens met een laag inkomen. Naast deze beschrijving worden ook de ontwikkelingen in de doelgroep op de korte termijn (2019-2020) en de lange termijn (2011-2020).
•
Een overzicht van de Rotterdamse huishoudens met problematische schulden volgens de definitie van het CBS in oktober 2020;
•
•
Een analyse van de in- en uitstroom uit de doelgroep in de periode 2019-2020; Een beschrijving van het gebruik van gemeentelijke inkomensondersteunende voorzieningen in het kader van het armoedebeleid over 2021 en de ontwikkelingen hierin voor de periode 2020-2021.
jaarlijks in groep lage inkomens stroomt of er juist aan ontsnapt?
Het gebruik en bereik van inkomensondersteunende voorzieningen Het derde hoofdstuk biedt inzicht in het gebruik van de diverse inkomensondersteunende maatregelen voor huishoudens met een laag inkomen in Rotterdam. Het gaat dan om: •
Kind- en Jeugdtegoed
•
AOW-tegoed
•
Individuele Inkomenstoeslag
•
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
•
Bijzondere bijstand
•
Meedoen in Rotterdam
•
Jeugdfonds Sport & Cultuur
•
Maatwerkbudget wijkteams
•
Collectieve zorgverzekering
Doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid In het eerste hoofdstuk wordt de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid beschreven. Onder de doelgroep verstaan we de particuliere huishoudens in Rotterdam met een inkomen dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum. Naast een overzicht van de meest recente cijfers, wordt inzicht geboden in de langjarige ontwikkeling van de doelgroep voor de periode 2011-2020. Daarnaast worden gegevens gepresenteerd over het aantal huishoudens met problematische schulden in Rotterdam in de periode 2015-2020; het CBS heeft hierover recentelijk gegevens beschikbaar gemaakt. In- en uitstroomanalyse In het tweede hoofdstuk van deze rapportage wordt een analyse gepresenteerd van de in- en uitstroom uit de doelgroep op basis van microdata van CBS: wat is de omvang en wat zijn de kenmerken van de groep huishoudens die
9
10
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid In dit hoofdstuk wordt de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid beschreven. Onder de doelgroep verstaan we de particuliere huishoudens in Rotterdam met een inkomen dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum. Deze groep huishoudens wordt beschreven op basis van de meest recente inkomensgegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS)2. Deze worden vergeleken met de jaarlijkse cijfers vanaf 2011, en met die over 2018, zodat de lange- en korte-termijntrends binnen de doelgroep over in beeld worden gebracht. In de navolgende paragrafen komen de volgende onderwerpen aan de orde: -
de inkomensverdeling in de stad;
-
de omvang van de doelgroep van het armoedebeleid en de ontwikkeling daarin; kenmerken van de doelgroep van het armoedebeleid naar: bron van inkomsten; gezinsvorm; sekse van het gezinshoofd; aantal minderjarige kinderen; leeftijd van het gezinshoofd;
-
-
2
migratieachtergrond van het gezinshoofd;
De meest recente CBS-cijfers zijn van peildatum 1 januari 2020. Ze betreffen het aantal particuliere huishoudens met het hele jaar inkomen, exclusief studentenhuishoudens. Inwoners van tehuizen en inrichtingen, huishoudens met een onvolledig jaarinkomen en huishoudens van studenten met uitsluitend studiefinanciering als inkomen zijn dus buiten beschouwing gebleven. De inkomens die in de monitor worden beschreven betreffen de inkomens over het gehele jaar. Dat betekent dat
-
opleidingsniveau van het gezinshoofd ; buurt en deelgemeente.
In de verschillende paragrafen worden deze kenmerken, voor zover mogelijk, met elkaar in verband gebracht en verder uitgediept. In het hele rapport worden de huishoudens met een inkomen tot 110% WSM ook wel aangeduid als ‘huishoudens met een laag inkomen’. Voordat wordt ingegaan op de doelgroep van het armoedebeleid, wordt in de navolgende paragraaf eerst aandacht besteed aan de inkomensverdeling van alle Rotterdamse huishoudens.
Inkomensverdeling Hoewel de inkomensgrens voor voorzieningen in het kader van het lokale armoedebeleid formeel ligt op 110% WSM, is er in de afgelopen jaren voor gekozen om bepaalde voorzieningen ook voor een bredere doelgroep beschikbaar te maken. In de navolgende figuur staat het huishoudensinkomen van alle Rotterdamse huishoudens, ingedeeld in groepen van percentages ten opzichte van het sociaal minimum. Leesvoorbeeld: in de laatste staaf is te zien dat in 2020 40.300 huishoudens een inkomen hadden tot 100% WSM en 54.800 huishoudens een inkomen hadden tot 110% WSM. De aantallen in de figuur zijn cumulatief.
als op enig peilmoment het aantal huishoudens met een minimuminkomen zou worden gemeten, dit aantal hoger zou zijn door de toevoeging van huishoudens die gedurende het jaar op het minimum terechtkwamen, juist een hoger inkomen zijn gaan verdienen of die om andere redenen maar tijdelijk op het minimum waren geraakt.
11
Figuur 2.1
Inkomen van Rotterdamse huishoudens in relatie tot het wettelijk sociaal minimum 2011-2020 (aantallen x 1.000, cumulatief)
201
202
199
199
202
205
209
213
217
221
77
78
81
80
78
79
79
77
75
74
66
68
70
70
69
70
69
67
66
65
54
56
58
58
57
58
57
56
55
55
36
40
42
42
41
42
41
41
40
40
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Tot 101%
Tot 110%
Tot 120%
Tot 130%
Boven 130%
Bron: CBS/bewerking OBI
In de figuur is te zien dat in vergelijking met 2019 het aan-
aantallen geïndexeerd. Daardoor is te zien dat de groep
tal huishoudens met een inkomen tot 130% WSM daalde, terwijl het aantal huishoudens met een inkomen daarboven steeg. In de onderstaande figuur is de ontwikkeling van de
huishoudens tot 100% op de lange termijn de sterkste stijging laat zien. In de periode 2019-2020 zien we over alle inkomensgroepen een vergelijkbare daling.
Figuur 2.2
Ontwikkeling van het aantal huishoudens met een inkomen tot 130% WSM 2011-2020 (geïndexeerd: 2011=100)
120 115 110 105 100 95 90 85 2011
2012
2013 Tot 101%
12
2014
2015 Tot 110%
2016
2017
Tot 120%
2018 Tot 130%
2019
2020
In de navolgende figuur staan de inkomstenbronnen van de Rotterdamse huishoudens in zes categorieën. De verdeling wordt vergeleken met de andere G4-gemeenten en heel Nederland. In vergelijking met heel Nederland en de
andere grote steden heeft Rotterdam het hoogste aandeel bijstandsgerechtigden en het laagste aandeel zelfstandigen.
Huishoudens naar bron van inkomen in Rotterdam, de andere G4-steden en in Nederland (%) – 1-1-2020
Figuur 2.3
Nederland
53%
10%
4% 5%
Rotterdam
53%
9%
4%
Den Haag
52%
12%
Amsterdam
56%
Utrecht 10%
20%
30%
40%
50%
22%
9%
22%
4%
64% 0%
11%
4%
13%
28%
60%
8%
18%
10%
4% 6%
16%
70%
80%
Werknemer
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Sociale voorziening (wo. Bijstand)
Pensioenuitkering
90%
100%
Bron: CBS, bewerking OBI
Het aandeel werkenden steeg in de periode 2011-2020 van 60% naar 62%; dit komt uitsluitend door de stijging van
het aandeel zelfstandigen. De daling van het aandeel inactieven zien we vooral bij de pensioengerechtigden. In de onderstaande figuur staat dit verbeeld.
Figuur 2.4 Huishoudens naar bron van inkomen in Rotterdam (2011 en 2020)
2020
53%
2011
53%
9%
7%
4%
4%
11%
11%
Werknemer
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Sociale voorziening (wo. Bijstand)
Pensioenuitkering
22%
24%
13
Omvang en ontwikkeling van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid In de periode 2019-2020 steeg het aantal huishoudens met
procentpunt. In de onderstaande tabel staat een overzicht
een laag inkomen met 400; het percentage huishoudens met een laag inkomen bleef gelijk op 18,5%. Het aantal personen in deze huishoudens daalde met 400. Daarmee daalde het percentage Rotterdammers met een laag inkomen licht van 14,8% naar 14,6%; een daling van een twee
van aantal en percentage lage inkomens vanaf 2014. Tegelijkertijd is de ontwikkeling in de periode 2019-2020 weergegeven.
Tabel 2.1
Particuliere huishoudens en personen met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam 2011-2020 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2019-2020
Aantal huishoudens
57.800
57.000
57.900
57.400
55.600
54.200
54.600
+ 400
Procent
20,8%
20,4%
20,4%
20,0%
19,2%
18,5%
18,5%
-0,0
Aantal personen
99.200
96.000
97.000
94.400
90.400
87.400
87.000
- 400
Procent
17,6%
16,9%
16,9%
16,3%
15,4%
14,8%
14,6%
-0,2
Bron: CBS, bewerking OBI
2020 gelijk. Het percentage Rotterdammers met een langdurig laag inkomen ligt nu op 9,2%. Inmiddels heeft 60% van alle huishoudens met een laag inkomen dat inkomen al vier jaar of langer. In de groep huishoudens met een langdurig laag inkomen zijn vrouwen, 65-plussers, bijstandsgerechtigden en laagopgeleiden oververtegenwoordigd.
Het aantal huishoudens dat langdurig (vier jaar of langer) op een laag inkomen is aangewezen, laat in de periode 2019-2020 een lichte stijging zien. Het percentage langdurig lage inkomens bleef gelijk op 12,5%. Na een relatief sterke stijging in de periode 2014-2017, is dit percentage daarna al enkele jaren stabiel. Het aantal personen in deze huishoudens bleef in de periode 2019-
Tabel 2.2
Particuliere huishoudens en personen met vier jaar of langer een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam in 2020 (aantallen x 1.000) 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
20192020
Aantal huishoudens
29.200
29.800
31.100
31.700
32.000
32.400
32.800
+ 400
Procent alle huishoudens
11,5%
11,2%
12,2%
12,4%
12,5%
12,5%
12,5%
+ 0,0
51%
52%
54%
55%
58%
60%
60%
+ 0,0
47.900
48.200
49.600
49.900
49.600
49.600
49.600
+0
Procent alle personen
9,2%
9,2%
9,5%
9,5%
9,4%
9,3%
9,2%
- 0,1
% alle personen met een inkomen tot 110% WSM
48%
50%
51%
53%
55%
57%
57%
+ 0,0
% alle huishoudens met een inkomen tot 110% WSM
Aantal personen
Bron: CBS, bewerking OBI
14
Vergelijken we de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen met de andere G4-steden en Nederland, dan zien we dat Rotterdam van de vier grote steden het hoogste aandeel lage inkomens heeft. Rotterdam en Den Haag aan de ene kant, en Amsterdam en Utrecht aan de andere kant laten een vergelijkbare ontwik-
Den Haag zien we een stijging van het percentage in de periode 2011-2013, waarna in 2017 een daling inzet. Vanaf 2019 is er weer sprake van stabilisatie. In Amsterdam en Utrecht is er in de periode 2011-2013 stabiliteit, waarna er een lichte daling inzet.
keling zien, zij het op een ander niveau. In Rotterdam en
Figuur 2.5
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM in de G4 en Nederland (2011-2020)
25%
18,5%
20%
16,5% 15%
16,1%
10%
11,2% 10,2%
5%
0% 2011
2012
2013
Nederland
2014 Amsterdam
2015
2016 Den Haag
2017 Utrecht
2018
2019
2020
Rotterdam
Bron: CBS, bewerking OBI
Bron van inkomsten In de navolgende tabel staan gegevens over de bron van inkomsten van de Rotterdamse huishoudens met een inko-
kelijk inkomen uit werk (15%) of een werkloosheids-of arbeidsongeschiktheidsuitkering (7%). Onder de langdurig
men tot 110% WSM.3 De groep huishoudens bestaat voor bijna de helft uit bijstandsgerechtigden of ontvangers van een andere sociale voorziening. Nog eens 31% heeft een AOW en/of een pensioen. Het overige deel heeft hoofdza-
lage inkomens zijn de bijstandsgerechtigden en gepensioneerden nog wat sterker vertegenwoordigd: 84% van de langdurig lage inkomens bestaat uit deze twee categorieën.
3
De bron van inkomen is gebaseerd op het hoogste inkomen bezien over het hele jaar. (Een huishouden dat bijvoorbeeld
drie maanden werk had, maar de rest van het jaar een bijstandsuitkering, wordt als ‘bijstandsuitkering’ aangemerkt..
15
Tabel 2.3
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar bron van inkomen (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Loon
3.900
7%
3%
900
3%
1%
Zelfstandige (incl. DGA*)
2.500
5%
10%
500
1%
2%
Werkloosheidsuitkering
700
1%
26%
0
0%
2%
Bijstandsuitkering
22.400
41%
87%
14.300
44%
68%
Uitkering sociale voorziening overig **)
4.500
8%
63%
2.500
8%
41%
Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid
3.100
6%
27%
1.600
5%
15%
Pensioenuitkering
17.100
31%
26%
13.000
40%
20%
300
1%
28%
100
0%
8%
54.600
100%
19%
32.800
100%
13%
Overig (studiefinanciering/vermogen) ROTTERDAM
*) Een DGA is een directeur-grootaandeelhouder van een BV; deze worden gerekend onder de zelfstandigen
**) Het betreft hier onder meer de uitkering voor oudere werklozen, voor jonggehandicapten en uitkeringen in het kader van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen en de Toeslagenwet.
In de navolgende grafiek staat het aandeel lage inkomens op korte en lange duur weergegeven per inkomensbron. Daarin wordt duidelijk dat het percentage lage inkomens onder bijstandsgerechtigden en ontvangers van een andere sociale voorziening veruit het grootst is; dat geldt zo-
Figuur 2.6
wel voor de hele groep lage inkomens als voor de langdurig lage inkomens. Bij werkenden is het percentage lage inkomens relatief klein; bij de zelfstandigen zien we wel een relatief groot aandeel kortdurende armoede. Ook bij de AOW- en pensioengerechtigden is het percentage lage inkomens bovengemiddeld.
Percentage huishoudens met een (langdurig) laag inkomen per inkomensbron (Rotterdam, 1-1-2020)
Loon
3% 1%
Zelfstandige
10% 2%
Werkloosheidsuitkering
2%
26%
Bijstandsuitkering
68%
Uitkering sociale voorziening overig
41%
Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Pensioenuitkering Overig (studiefinanciering/vermogen)
ROTTERDAM
27%
15% 20%
28%
8%
13%
26%
19%
Tenminste 1 jaar Bron: CBS, bewerking OBI
16
4 jaar en langer
63%
87%
Ontwikkeling 2019-2020 In de grafiek op de volgende pagina staat de ontwikkeling van het aandeel lage inkomens naar bron van inkomen in de periode 2019-2020. Meest opvallend is de daling van Figuur 2.7
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
het aandeel zelfstandigen dat op een laag inkomen is aangewezen. Het aandeel met een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering steeg enigszins.
Ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen naar bron van inkomen in procentpunt (2019-2020)
87%
63%
27%
26% 3%
26%
28% 19%
10%
2019
2020
Ontwikkeling op de lange termijn (2011-2020) Het aandeel lage inkomens onder werknemers nam in de afgelopen jaren relatief sterk af: in 2011 had nog 4,3% van de werkenden in loondienst een laag inkomen, tegen 2,5% in 2020. In vergelijking met 2019 is dit aandeel nog eens met 0,3 procentpunt gedaald. Het aandeel lage inkomens
Op de kortere termijn is er een stijging van het aandeel lage inkomens onder ontvangers van een werkloosheidsen pensioenuitkering te zien. Dit is weergegeven in de navolgende figuur. Omdat het hoge percentage bijstandsgerechtigden het zicht op de ontwikkeling bij de andere inko-
onder zelfstandigen daalde op de lange termijn het sterkst: van 18% in 2011 naar 10% in 2020. Onder de gepensioneerden zien we juist de grootste stijging op de lange termijn: van 23% in 2011 naar 26% in 2020.
mensbronnen ontneemt, staan in de rechter figuur de gegevens van de overige inkomensbronnen nogmaals, maar nu zonder die van de bijstandsuitkeringen.
17
Figuur 2.8
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een laag inkomen naar bron van inkomen, Rotterdam 2011-2020 (linker figuur met bijstandsuitkering, rechter figuur zonder bijstandsuitkering)
100%
35% 30%
80%
25% 60%
20% 15%
40%
10% 20% 5% 0%
0% 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Werknemer
Werknemer
Zelfstandige
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Pensioenuitkering
Pensioenuitkering
Sociale voorziening (bijstand)
In vergelijking met de andere grote steden en Nederland is in Rotterdam het aandeel werkenden in de populatie lage
Figuur 2.9
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar bron van inkomen in de G4 en Nederland, in procenten, 2020
Rotterdam
7%
Amsterdam
9%
9%
6%
32%
43%
Den Haag
8%
8%
8%
29%
46%
Utrecht
Nederland
18
inkomens het kleinst, terwijl het aandeel bijstandsgerechtigden het hoogst ligt. Dat is te zien in de onderstaande figuur.
12%
9%
32%
6%
5%
9%
7%
6%
8%
49%
26%
45%
34%
42%
Werknemer
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Pensioenuitkering
Sociale voorziening (bijstand)
Het aandeel lage inkomens onder de verschillende inkomensbronnen is in de grote steden ook verschillend verdeeld. Het aandeel in Rotterdam is het hoogst, maar de werkenden in Amsterdam, en dan met name de zelfstandigen, behoren relatief vaker tot de lage inkomens. Ditzelfde geldt voor de gepensioneerden. Kort gezegd is in Rotter-
‘werkende armen’ presenteren we hier ook gegevens over werkende personen met een inkomen tot 110% WSM. In de navolgende tabel is in de laatste kolom te zien dat in 2020 7.800 werknemers en 4.500 zelfstandigen een inkomen hadden tot 110% WSM. Dat is afgerond 3% van alle werkende Rotterdammers. Het aandeel lage inkomens on-
dam de ‘werkende armoede’ relatief kleiner, terwijl de ‘uitkeringsarmoede’ groter is.
der werknemers steeg in vergelijking met 2019 licht, terwijl dat van de zelfstandigen daalde. De langjarige trend laat zien dat het aantal werkenden met een laag inkomen sinds 2013 relatief sterk daalde.; de daling onder zelfstandigen is sterker dan die bij de werknemers.
Werkende armen In de voorgaande paragraaf werden de inkomens op huishoudensniveau bekeken. Om wat dieper in te gaan op de
Tabel 2.4
Werkende personen met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam, 2011-2020 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Inkomen als werknemer
x 1 000
12,5
12,9
11,8
11,3
9,5
9,1
8,5
8,5
8,7
7,8
Inkomen als zelfstandige
x 1 000
6,9
7,7
7,8
7,2
6,9
6,3
6,3
5,7
5,7
4,5
Totaal: inkomen als werkende
x 1 000
19,3
20,6
19,6
18,5
16,4
15,4
14,8
14,1
14,3
12,3
Inkomen als werknemer
% personen
3,8%
3,9%
3,7%
3,6%
2,9%
2,8%
2,5%
2,5%
2,5%
3,0%
Inkomen als zelfstandige
% personen
15,2%
16,6%
16,7%
14,9%
13,7%
12,0%
11,4%
9,6%
9,0%
7,5%
Totaal: inkomen als werkende
% personen
5,2%
5,5%
5,3%
5,0%
4,4%
4,1%
3,8%
3,5%
3,5%
3,0%
Bron: CBS, bewerking OBI
In de onderstaande figuur is de langjarige trend te zien van het percentage werknemers en zelfstandigen met een laag inkomen. Daaruit wordt duidelijk dat het percentage lage
Figuur 2.10
inkomens onder zelfstandigen, na een piek in 2013, in de periode 2013-2020 sterk daalde. Het percentage onder werknemers was in de periode 2011-2014 redelijk stabiel, om na 2014 te gaan dalen. In vergelijking met 2019 zien we in 2020 een lichte stijging.
Percentage werkenden met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam, 2011-2020
18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
% werknemers met laag inkomen % zelfstandigen met laag inkomen % alle werknemers en zelfstandigen met laag inkomen
19
Huishoudenstype Bij ruim tweederde van de huishoudens met een laag inkomen gaat het om alleenstaanden zonder kinderen. Nog eens 15% is alleenstaand met kinderen. Onder alleenstaanden en eenoudergezinnen zien we de hoogste perTabel 2.5
centages lage inkomens. Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben ook veruit het vaakst een langdurig laag inkomen. In de onderstaande tabel staat een volledig overzicht per huishoudenstype.
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM: huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Alleenstaand < 65 jr
24.700
45%
26%
13.700
42%
18%
Alleenstaand 65+
12.300
22%
33%
9.800
30%
27%
Paar zonder kinderen < 65 jr
2.300
4%
5%
1.000
3%
3%
Paar zonder kinderen 65+
3.400
6%
16%
2.400
7%
11%
Eenoudergezin alleen minderjarige kinderen
6.200
12%
38%
3.400
10%
24%
Eenoudergezin overig
1.600
3%
11%
700
2%
5%
Paar alleen minderjarige kinderen
2.800
5%
7%
1.300
4%
4%
Paar overig
1.100
2%
5%
400
1%
2%
300
1%
8%
100
0%
3%
54.600
100%
19%
32.800
100%
13%
Overige meerpersoonshuishoudens ROTTERDAM Bron: CBS, bewerking OBI
Het percentage lage inkomens onder eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen is veruit het hoogst: 38%
uitsluitend minderjarige kinderen en alleenstaande 65-plussers zien we het hoogste percentage langdurig lage inko-
van hen heeft een laag inkomen, ruim een kwart een langdurig laag inkomen. Deze percentages liggen bij de paren met uitsluitend minderjarige kinderen aanmerkelijk lager, op respectievelijk 8% en 4%. Bij eenoudergezinnen met
mens. In de onderstaande figuur staat het aandeel huishoudens met een (langdurig) laag inkomen weergegeven per huishoudenstype.
Figuur 2.11
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen per huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2020)
40% 38%
30% 20%
33% 26%
27% 24% 19%
18%
16%
10%
11% 5%
0%
3%
Minstens 1 jaar
20
11% 5%
13% 8%
4%
4 jaar of langer
5%
2%
8% 3%
Ontwikkeling 2019-2020 Bij alle huishoudenstypen bleef het aandeel lage inkomens gelijk.
Figuur 2.12
Ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen per huishoudenstype (2019-2020)
45% 40% 35%
38%
30%
33%
25% 26%
20% 19%
15% 16%
10% 11%
5%
7%
5%
5%
8%
0%
2019
2020
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkelingen op de lange termijn (2011-2020) Als we het percentage lage inkomens van de verschillende gezinstypen over de langere termijn bekijken, zien we dat dit voor de eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen nog steeds op het hoogste niveau ligt, maar dat dit wel relatief sterk is gedaald: van 48% in 2011 naar 38%
in 2020. Ook bij de paren met minderjarige kinderen is de daling vanaf 2014 opvallend. Het percentage lage inkomens onder alleenstaande en samenwonende 65-plussers laat juist een stijging zien. In de navolgende grafiek staat de langjarige ontwikkeling weergegeven.
21
Figuur 2.13
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een laag inkomen per huishoudenstype Rotterdam 2011-2020
60%
50% Eenoudergezin alleen minderjarige kinderen 40% Alleenstaand 65+ 30% Alleenstaand < 65 jr
20%
Paar zonder kinderen 65+ Paar met uitsluitend minderjarige kinderen
10%
Paar zonder kinderen < 65 jr
0% 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Bron: CBS, bewerking OBI
Minderjarige kinderen 18% van de kinderen in Rotterdam maakt deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Het gaat dan in totaal om 20.100 kinderen. Ruim 60% van deze kinderen maakt deel uit van een eenoudergezin. We zagen al in de voorgaande paragraaf dat het armoederisico voor kinderen in een eenoudergezin veruit het hoogst is: van hen leeft 38% in een huishouden met een laag inkomen. Voor ruim een vijfde (22%) van de kinderen in dit huishoudenstype geldt
22
dat zij langdurig in een huishouden met een dergelijk inkomen leven. Kinderen in een tweeoudergezin wonen veel minder vaak in een huishouden met een laag inkomen: 10% van hen leeft in een gezin met een laag inkomen, en 4% leeft in een dergelijk gezin dat al vier jaar of langer een laag inkomen heeft. In de onderstaande tabel staat een overzicht van de cijfers: hierin is onderscheid gemaakt naar leeftijd van de kinderen.
Tabel 2.6
Minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, per huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2020) Een ouder
Twee ouders
Totaal
0 t/m 3 jaar
2.500
1.900
4.300
4 t/m 11 jaar
6.000
3.500
9.500
12 t/m 17 jaar
3.700
2.000
5.700
Totaal minderjarige kinderen
12.200
7.400
19.600
Procent huishoudenstype
64%
36%
100%
Procent alle minderjarige kinderen
39%
9%
17%
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkeling 2019-2020 In de periode 2019-2020 daalde het aantal minderjarige kinderen in huishoudens met een laag inkomen van 20.800 naar 20.100; een daling van 3,4%. Het betekent dat het percentage Rotterdamse minderjarige kinderen in een
Figuur 2.14
huishouden met een laag inkomen daalde van 18,4% naar 17,7%. De daling komt uitsluitend op het conto van de kinderen in een eenoudergezin; het aandeel van kinderen in een tweeoudergezin bleef stabiel op 10%.
Ontwikkeling van het percentage minderjarige kinderen in eenouder- en tweeoudergezinnen met een laag inkomen (2019-2020)
45% 40% 35%
38,2%
30% 25% 20% 15%
16,6%
10% 8,4%
5% 0% Minderjarige kinderen in een eenoudergezin
Minderjarige kinderen in een tweeoudergezin 2019
Alle huishoudens met minderjarige kinderen 2020
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkeling op de lange termijn Zoals we ook al in de voorgaande paragraaf zagen, is er op de langere termijn een daling van het percentage kinderen in eenoudergezinnen met een laag inkomen: van
tweeoudergezinnen is sprake van een daling percentage, maar minder sterk: van 12% naar 8% in dezelfde periode. In de onderstaande figuur staat de ontwikkeling weergege-
48% in 2011 naar 38% in 2020. Ook bij de kinderen in
ven.
23
Figuur 2.15
Percentage minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, per huishoudenstype, Rotterdam 2011-2020
60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2011
2012
2013
Kinderen in een eenoudergezin
2014
2015
2016
2017
Kinderen in een tweeoudergezin
2018
2019
2020
Alle minderjarige kinderen
Bron: CBS, bewerking OBI
Tenslotte staat in de onderstaande tabel een overzicht van het aantal en percentage kinderen in een huishouden met een laag inkomen per gebied. De tabel is gesorteerd naar
Tabel 2.7
het percentage kinderen in een huishouden met een laag inkomen in het betreffende gebied.
Aantal en percentage minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, per gebied, Rotterdam, 1-1-2020 Aantal
Feijenoord
24,5%
Charlois
21,5%
Delfshaven
20,4%
IJsselmonde
19,8%
Kralingen-Crooswijk
18,1%
Rotterdam Centrum
17,9%
Noord
17,0%
Rozenburg
11,8%
Hoogvliet
11,6%
Prins Alexander
10,1%
Hillegersberg-Schiebroek
9,7%
Overschie
8,4%
Hoek van Holland
8,1%
Pernis
6,9%
Totaal
16,6%
Bron: CBS, bewerking OBI
24
% minderjarige kinderen in een gezin met een laag inkomen
In de onderstaande tabel staat het aandeel minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen naar herkomstland, van de landen waarvan minimaal 2% behoort tot de lage inkomens. Van de minderjarige kinderen in een huishouden met minstens een jaar een laag inkomen is een kwart van Nederlandse origine. Rond een vijfde
tiende een Turkse achtergrond. Kinderen met een Marokkaanse of Antilliaanse achtergrond behoren vier keer zo vaak tot een langdurig arm huishouden dan kinderen met een Nederlandse achtergrond. Bij de langdurig arme huishoudens valt verder het hoge aandeel kinderen met een vluchtelingenachtergrond op: de helft van de kinderen van
heeft een Marokkaanse achtergrond, en nog eens een
Syrische of Somalische komaf leeft in een huishouden dat langdurig op een laag inkomen is aangewezen.
Tabel 2.8
Minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, naar herkomst (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Nederland
4.800
25%
10%
2.500
24%
5%
Marokko
3.800
21%
29%
2.500
24%
20%
Overig niet-westers
2.800
15%
23%
1.500
15%
15%
Antillen/Aruba
1.700
8%
30%
900
9%
21%
Turkije
1.500
9%
16%
900
9%
10%
EU-MOE-landers
1.200
6%
14%
500
5%
7%
Suriname
1.000
6%
14%
600
6%
9%
Syrië
900
4%
69%
200
2%
50%
Somalië
600
3%
59%
400
4%
49%
Overig westers
400
2%
10%
200
2%
6%
Kaapverdië
300
2%
15%
200
2%
10%
18.900
100%
17%
10.500
100%
10%
Total Bron: CBS, bewerking OBI
Het percentage lage inkomens is vooral hoog onder kinderen uit vluchtelingenlanden als Syrië, Somalië, Sierra Leone, Guinee en Congo. Rond de helft van de kinderen uit
deze herkomstlanden leeft in een huishouden met een laag inkomen.
Sekse Ruim de helft (55%) van de gezinshoofden van de doelgroep van het armoedebeleid is vrouw. Bij de langdurig armen is het aandeel vrouwen nog hoger: bij 59% van de
Tabel 2.9
huishoudens met vier jaar of langer een laag inkomen staat een vrouw aan het hoofd.
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM: huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Man
24.400
45%
14%
13.700
42%
9%
Vrouw
30.100
55%
24%
19.100
58%
17%
Totaal
54.600
100%
19%
32.800
100%
13%
Bron: CBS, bewerking OBI
25
Uit de figuur hierna wordt duidelijk dat huishoudens met een vrouw aan het hoofd bijna twee keer zo vaak tot de lage inkomens behoren dan huishoudens met een man als
Figuur 2.16
gezinshoofd. Van alle Rotterdamse vrouwen met een zelfstandig huishouden heeft 24% een laag inkomen, tegen 14% van de mannen.
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar sekse (Rotterdam, 1-12020)
30% 25% 24% 20% 19% 17%
15% 14%
13%
10% 9% 5% 0% Man
Vrouw
Rotterdam
Minstens 1 jaar
4 jaar en langer
Bron: CBS, bewerking OBI
Op de korte termijn daalde het aandeel lage inkomens bij beide vrouwen licht, en bleef die bij de mannen stabiel. Ook op de lange termijn laat het aandeel bij vrouwen vanaf
Figuur 2.17
2014 een daling zien, terwijl dit bij de mannen relatief stabiel blijft. Deze ontwikkeling is te zien in de onderstaande figuur.
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM, naar sekse van de hoofdkostwinner, Rotterdam 2011-2020
30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2011
2012
2013
2014
2015 Mannen
Bron: CBS, bewerking OBI
26
2016 Vrouwen
2017
2018
2019
2020
Leeftijd Dat leeftijd een belangrijke rol speelt bij het risico op lang-
winners in de huishoudens met een langdurig laag inko-
durige armoede zien we in de onderstaande tabel: het percentage huishoudens met een laag inkomen loopt op per leeftijdscategorie: meer dan driekwart van de hoofdkost-
men is 45 jaar of ouder. Een kwart van de 65-plussers leeft in een huishouden met een laag inkomen. Opvallend is dat van de 75-plussers ruim een vijfde langdurig een laag inkomen heeft.
Tabel 2.10
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar leeftijd (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
< 25 jr
1.500
3%
16%
100
0%
2%
25-45 jr
15.600
29%
14%
6.900
21%
8%
45-55 jr
8.900
16%
17%
5.100
16%
10%
55-65 jr
11.100
20%
22%
7.400
23%
15%
65-75 jr
9.600
18%
25%
6.900
21%
18%
75+
7.900
15%
25%
6.500
20%
21%
Total
54.600
100%
19%
32.800
100%
13%
Bron: CBS, bewerking OBI
In de onderstaande figuur staat het aandeel lage inkomens
verschillende leeftijdsklassen verdeeld; alleen de 65-plus-
per leeftijdsklasse. Bij de jongeren tot 25 jaar zien we dat
sers hebben duidelijk vaker een laag inkomen dan de 65-
het percentage langdurig lage inkomens relatief klein is.
minners.
Het aandeel lage inkomens is redelijk gelijkmatig over de
Figuur 2.18
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar leeftijdsklasse (Rotterdam 2020)
30%
25%
26%
25% 22%
20%
21% 19%
15%
17%
16%
15% 14%
10% 10% 8%
5% 2% 0% < 25 jr
25-45 jr
45-55 jr Minstens 1 jaar
55-65 jr
65-75 jr
75+
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
27
Het aandeel lage inkomens onder hoofdkostwinners tot 45 jaar laat op de langere termijn een daling zien; tussen 2016 en 2019 verscherpte die daling nog eens, om in 2020 te stabiliseren. Ook de daling bij de hoofdkostwinners tussen
Figuur 2.19
45 en 65 jaar zet door. Bij de jongeren en de 65-plussers bleef het percentage lage inkomens op de lange termijn redelijk stabiel. De trend staat weergegeven in de onderstaande figuur.
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar leeftijd van de hoofdkostwinner (Rotterdam 2011-2020)
30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2011
2012
2013
2014
tot 25 jaar
2015
25 tot 45 jaar
2016
2017
45 tot 65 jaar
2018
2019
2020
65 jaar of ouder
Bron: CBS, bewerking OBI
Zoomen we in op de 65-plussers, dan zien we dat het percentage lage inkomens onder ouderen met een migratieachtergrond vele malen hoger is dan dat van de ouderen van Nederlandse origine. Bij Turkse,
Nederlandse ouderen op 16% ligt. Ook het risico op langdurige armoede ligt voor de ouderen van buitenlandse origine aanmerkelijk hoger; vooral bij Antilliaanse, Turkse en Marokkaanse ouderen. De gegevens zijn
Marokkaanse en Antilliaanse ouderen ligt het aandeel lage inkomens tussen 63 en 68%%, terwijl dit bij de
bijeengebracht in de onderstaande tabel en figuur.
Tabel 2.11
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM, hoofdkostwinner 65+ naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar 4 jaar en langer Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
8.000
46%
16%
6.000
46%
13%
700
4%
65%
500
4%
52%
Suriname
2.200
13%
51%
1.700
13%
42%
Kaapverdië
700
4%
54%
500
4%
43%
Turkije
1.300
8%
68%
1.000
8%
55%
Marokko
1.200
7%
63%
800
6%
48%
Overig westers
500
3%
43%
500
4%
36%
EU-MOE-landers
1.000
6%
23%
700
5%
19%
Overig niet-westers
1.800
10%
46%
1.300
10%
37%
Rotterdam
17.500
100%
25%
13.100
100%
20%
Nederland Antillen/Aruba
Bron: CBS, bewerking OBI
28
Figuur 2.20
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen van 65-plussers naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2020)
80% 70% 60%
68%
65%
50%
52%
40%
63% 55%
51%
55% 48%
42%
43%
43% 36%
30% 20%
37% 25% 20%
23% 19%
16% 13%
10%
46%
0%
Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
Migratieachtergrond In de voorgaande paragrafen kwam al aan de orde dat in de groep lage inkomens Rotterdammers met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd. De groep inko-
het hoogst bij de Rotterdammers van Marokkaanse en Antilliaanse origine: van hen heeft respectievelijk 36% en 31% een laag inkomen, terwijl dit bij de Rotterdammers
mens tot 110% WSM bestaat voor ruim 60% uit Rotterdammers met een migratieachtergrond. De grootste herkomstgroepen zijn traditioneel de Rotterdammers met een Surinaamse, Marokkaanse, Turkse of overige niet-westerse achtergrond. Het aandeel lage inkomens ligt veruit
met een Nederlandse achtergrond op 12% ligt. De kans op langdurige armoede ligt bij de Marokkaanse groep drie keer zo hoog als bij de Nederlandse groep. In de navolgende tabel en figuur staan de betreffende cijfers weergegeven.
Tabel 2.12
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2020) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Nederland
18.800
34%
12,3%
11.900
36%
8,3%
Antillen/Aruba
3.500
7%
30,9%
1.900
6%
22,1%
Suriname
6.700
12%
25,5%
4.300
13%
17,9%
Kaapverdië
1.800
3%
23,0%
1.000
3%
15,5%
Turkije
4.700
9%
27,1%
2.800
9%
17,9%
Marokko
5.500
10%
36,0%
3.300
10%
24,5%
EU-MOE-landen
3.500
7%
14,3%
1.800
5%
9,7%
Overig westers
1.600
3%
19,0%
900
3%
14,5%
Overig niet-westers
8.600
16%
28,9%
4.900
15%
20,3%
Totaal
54.600
100%
18,5%
32.800
100%
12,5%
Bron: CBS, bewerking OBI
29
Figuur 2.21
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar herkomst (Rotterdam, 1-1-2020)
40%
36%
35%
31%
30% 25% 15%
25%
23%
22% 18%
20%
29%
27%
26%
16%
19%
15%
14%
12%
13%
10%
8%
10%
20%
19%
18%
5% 0%
Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
In vergelijking met 2019 zien we ongeacht de herkomst een daling van het aandeel lage inkomens. De scherpste daling zien we bij de categorie ‘overig niet-westers’. De ontwikkeling op de lange termijn staat weergegeven in de
Figuur 2.22
onderstaande figuur. In de periode 2011-2020 zien we de grootste afname van het aandeel lage inkomens bij de categorie ‘overig niet-westers’, overig westers en onder EUMOE-landers.
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar migratieachtergrond van de hoofdkostwinner, Rotterdam 2011-2020
45%
40% Marokko
35%
Antillen/Aruba 30% Overig niet-westers Turkije Suriname Kaapverdië
25%
20% Overig westers 15%
EU-MOE-landers Nederland
10% 2011
2012
Bron: CBS, bewerking OBI
30
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Opleidingsniveau4 Rond 40% van de huishoudens met een laag inkomen heeft een hoofdkostwinner die niet meer dan basisonderwijs heeft gehad. Nog eens de 40% heeft niet meer dan Mbo 3. Tabel 2.13
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar opleidingsniveau (Rotterdam, 1-1-2020) Tenminste 1 jaar
4 jaar of langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Basisonderwijs
20.300
38%
45,0%
14.800
46%
33,9%
Vmbo-b/k, mbo1
9.000
17%
28,5%
5.600
17%
18,7%
Vmbo-g/t, avo onderbouw
2.900
6%
21,4%
1.700
5%
14,1%
Mbo 2 en Mbo 3
9.000
17%
17,3%
4.800
15%
10,5%
Mbo 4
4.000
7%
11,4%
1.900
6%
6,1%
Havo, vwo
2.700
5%
14,5%
1.300
4%
7,8%
Hbo-, wo-bachelor
3.400
6%
6,5%
1.400
4%
3,2%
Hbo-, wo-master, doctor
1.700
3%
4,0%
600
2%
1,8%
ROTTERDAM
53.100
100%
18,5%
32.100
100%
12,4%
langdurig laag inkomen. Rond een kwart van de Rotterdammers met een VMBO-diploma heeft een laag inkomen.
Wie alleen basisonderwijs heeft afgesloten, loopt veruit de grootste kans op en laag inkomen: 45%. Ruim een derde van de kostwinners met alleen basisonderwijs heeft een
Figuur 2.23
50%
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar opleidingsniveau (Rotterdam, 1-1-2020)
45%
45% 40% 35% 30%
34% 29%
25% 20% 15% 10%
19%
21% 19%
17% 15%
14% 11%
12%
11% 6%
8%
7% 3%
5%
4%
2%
0%
Tenminste 1 jaar
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
4
Gegevens over opleidingsniveau zijn niet van alle huishoudens voorhanden. Door weging kan de verdeling over de hele populatie worden benaderd. De randtotalen wijken hierdoor af van de totalen in de andere paragrafen.
31
Bekijken we de langjarige trend, dan zien we dat het aan-
hoog, terwijl het risico voor Vmbo-g/t vanaf 2017 daalde.
deel lage inkomens onder hoofdkostwinners met alleen ba-
Bij gediplomeerden Mbo 2 tot en met 3 bleef het aandeel
sisonderwijs tot 2016 relatief sterk steeg. In de periode
redelijk stabiel, terwijl het voor gediplomeerden MBO 4,
daarna is er sprake van een lichte daling. Het aandeel
HAVO/VWO, HBO en academisch onderwijs stabiel bleef
hoofdkostwinners met alleen Vmbo of Mbo 1 blijft relatief
of daalde.
Figuur 2.24
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar het opleidingsniveau van de hoofdkostwinner (Rotterdam 2011-2020)
50% 45% Basisonderwijs 40% 35% 30%
Vmbo-b/k, mbo1
25%
Vmbo-g/t, avo onderbouw
20% Mbo2 en mbo3 15% Havo, vwo Mbo4
10%
Hbo-, wo-bachelor 5% Hbo-, wo-master, doctor 0% 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Bron: CBS, bewerking OBI
Gebied en buurt Het hoogste percentage lage inkomens vinden we in Feij-
huishoudens met een laag inkomen. Het percentage lage
enoord, Delfshaven, Kralingen-Crooswijk en Charlois. In
inkomens is veruit het grootst in Feijenoord: 27%.
deze gebieden woont bijna de helft van alle Rotterdamse
32
Tabel 2.14
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM per gebied (Rotterdam, 1-1-2020) Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Stadscentrum
2.600
5%
15%
1.500
5%
11%
Delfshaven
8.000
15%
23%
4.800
15%
17%
Overschie
1.300
2%
16%
800
3%
10%
Noord
4.700
9%
18%
2.800
9%
13%
Hillegersberg-Schiebroek
2.600
5%
13%
1.500
5%
8%
Kralingen-Crooswijk
4.800
9%
20%
3.000
9%
15%
Feijenoord
8.700
16%
26%
5.500
17%
19%
IJsselmonde
5.000
9%
18%
3.000
9%
12%
100
0%
6%
100
0%
x
Prins Alexander
6.800
12%
15%
4.300
13%
10%
Charlois
6.800
13%
22%
3.700
11%
14%
Hoogvliet
2.100
4%
14%
1.300
4%
8%
Hoek van Holland
400
1%
9%
200
1%
6%
Rozenburg
500
1%
9%
200
1%
5%
54.800
100%
19%
32.600
100%
13%
Pernis
Total
In de volgende figuur staat het percentage huishoudens met een (langdurig) inkomen tot 110% WSM per gebied.
Figuur 2.25
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen per gebied (Rotterdam, 1-1-2020)
26% 23% 22% 20%
19%
18% 17% 14%
19%
18% 16%
15% 12%
15%
15%
13% 10%
10%
14%
13%
13%
11% 8%
8%
9% 6%
9% 5%
6%
0%
Tenminste 1 jaar
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
33
In vergelijking met 2019 blijft de ontwikkeling van het percentage huishoudens met een laag inkomen binnen de marges van min 1 of plus 1 procentpunt; er is dus sprake van weinig dynamiek. Voor de volledigheid staat in de onderstaande figuur de ontwikkeling per gebied, uitgedrukt in
Figuur 2.26
procentpunten. Opvallend is de relatief sterke afname van het percentage huishoudens met minimaal een jaar een laag inkomen in de gebieden met de hoogste armoedepercentages: Feijenoord en Delfshaven.
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met (langdurig) een laag inkomen per gebied in procentpunt (2019-2020)
Rotterdam
Rozenburg Feijenoord Kralingen-Crooswijk Hoek van Holland Rotterdam Centrum Noord Delfshaven Pernis Prins Alexander Overschie IJsselmonde Hoogvliet Charlois Hillegersberg-Schiebroek -0,8
-0,6
-0,4
Minstens 1 jaar
-0,2
0
0,2
0,4
0,6
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
34
In de volgende figuur is de ontwikkeling per buurt te zien. De grafiek is gesorteerd naar de mate waarin het aandeel
wijk. Aan de andere kant zien we een meer dan gemiddelde toename van het percentage in de Tarwewijk en in
huishoudens met een inkomen tot 110% WSM in de buurt daalde. Opvallend is substantiële daling van het percentage lage inkomens in Katendrecht en in de Afrikaander-
de Provenierswijk. Het feit dat de langdurige armoede in deze buurten nauwelijks toeneemt, suggereert een instroom van ‘nieuwe‘ huishoudens met een laag inkomen in deze wijken, waar het verloop relatief groot is.
Figuur 2.28
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met (langdurig) een inkomen tot 110% WSM per buurt in pro centpunten (2019-2020)
35
Problematische schulden Onlangs publiceerde het CBS voor het eerst gegevens
sprake van problematisch schulden. Dat is 15,5% van alle
over het aantal huishoudens met problematische schulden
huishoudens in Rotterdam. In de onderstaande grafiek staat een overzicht van de ontwikkeling vanaf 2015.
per gemeente5. De meest recente cijfers betreffen oktober 2020. In dat jaar was er bij rond 51.000 huishoudens
Figuur 2.29
Aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden in Rotterdam
50.830
51.910
2015
2016
48.380
2017
50.840
50.360
51.340
50.990
2018
2019
2020-1
2020-10
Bron: CBS
Kenmerken van de huishoudens met een problematische schuld In de volgende grafieken worden de kenmerken van de huishoudens met problematische schulden afgezet tegen de huishoudens zonder schulden. Uit de grafieken komt naar voren dat kostwinners van huishoudens met een problematische schuld vaker:
5
Volgens CBS is er is sprake van een huishouden met geregistreerde problematische schulden als tenminste één persoon in het huishouden voldoet aan ten minste één van de volgende criteria op 1 januari van het betreffende verslagjaar: • Volgt een WSNP‐traject; • Volgt een bij BKR geregistreerd minnelijk traject; • Heeft een bij BKR geregistreerde betalingsachterstand; • Is in het Centraal Curatele en Bewindregister (CCBR) opgenomen op grond van verkwisting en/of problematische schulden; • Heeft ten minste zes maanden de zorgpremie niet betaald;
- een niet-westerse migratieachtergrond hebben; - tussen de 25 en 45 jaar zijn; - lager of middelbaar opgeleid zijn; - een bijstandsuitkering hebben; - alleenstaand ouder zijn.
•
•
•
•
36
Heeft een betalingsachterstand van een Wet Mulder‐ boete (boete voor lichte verkeersovertreding) bij het CJIB heeft waarvan de tweede aanmaning ten minste twee maanden openstaat, of zich al in een ernstigere wanbetalersfase bevindt. Daarnaast moet het openstaande bedrag in totaal minimaal 50 euro zijn Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan bij de Belastingdienst; Heeft langer dan 15 maanden een schuld van totaal minimaal 50 euro voor overige belastingaanslagen openstaan bij de Belastingdienst; Heeft een belastingschuld bij de Belastingdienst die in de 12 maanden voor het peilmoment oninbaar is geleden; Heeft een betalingsachterstand bij de DUO van 3 maanden of langer en van minimaal 270 euro.
Figuur 2.30
Figuur 2.31
Problematische schulden naar migratieachtergrond
Problematische schulden naar leeftijdsklasse
8,8 12%
15% 17
65 jaar of ouder 55 tot 65 jaar
31% 61%
24,6
22
15,8 45 tot 55 jaar
15,9 54%
24,2
27%
35 tot 45 jaar
15,5 25 tot 35 jaar
Met geregistreerde problematische schulden
Zonder geregistreerde problematische schulden
Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Nederlands
23,6
20
4,4
8,3
Met geregistreerde problematische schulden
Zonder geregistreerde problematische schulden
16 tot 25 jaar
Figuur 2.32
Figuur 2.33
Problematische schulden naar opleidingsniveau
Problematische schulden naar primaire bron van inkomen
8,1
3,4
13,4
Overig zonder inkomen
6,9 38,6
45,1
6,6
22,1
22,2
3,5
Studenten/scholieren
Pensioenuitkering
8,4 8,8 36,4
10,7
AO- of ziektewetuitkering Bijstandsuitkering
40,3
41,5
45,8
WW-uitkering
24,9 Loon/winst als zelfstandige
Met geregistreerde Zonder geregistreerde problematische schulden problematische schulden Laag
Middelbaar
Hoog
Met geregistreerde problematische schulden
Zonder geregistreerde problematische schulden
Loon als werknemer
37
Figuur 2.34 Problematische schulden naar huishoudenstype
2 23
23
1 8 Overig huishouden
18 Eenouderhuishouden
23
13
40
Paar met kinderen
50
Paar zonder kinderen
Eenpersoonshuishouden
Met geregistreerde problematische schulden
38
Zonder geregistreerde problematische schulden
39
In- en uitstroom uit de armoede Inleiding Het percentage personen en huishoudens met een inkomen tot 110% WSM (verder: met een laag inkomen) schommelt al jaren rond de 20%. Toch is er sprake van dynamiek: ieder jaar is er instroom en uitstroom in de groep lage inkomens. Om een beeld te schetsen van deze dynamiek is op basis van CBS-gegevens nagegaan hoeveel personen en huishoudens jaarlijks in- en uit de doelgroep van het armoedebeleid stromen, en wat de achtergrond van deze stromen zijn. De gegevens zijn geanalyseerd over de periode 2012-2020.
Figuur 3.1
In- en uitstroom 2011-2020 In de onderstaande figuur zijn de in- en uitstroomcijfers over de jaren 2012-2020 uitgezet. Daarin is te zien dat tot 2014 de instroom groter was dan de uitstroom. Vanaf dat jaar zijn in- en uitstroom (nagenoeg) gelijk, of is de uitstroom groter dan de instroom. In 2020 stroomden rond 23.100 personen uit de groep personen met een laag inkomen, terwijl 21.000 personen instroomden. Daarmee ligt de instroom 1% lager dan in 2019, terwijl de uitstroom daalde met 6%.
In- en uitstroom uit de groep Rotterdammers met een laag inkomen (2011-2020) 23.100
2020
21.000 24.600
2019
21.300 24.100
2018
21.600 24.700 23.700
2017
25.000 25.900
2016
28.700
2015
25.500 27.600 27.600
2014
26.100
2013
29.400 25.000
2012
28.400
Uitstroom
40
Instroom
In de navolgende figuur is de langjarige trend nog wat be-
vanaf 2013 de uitstroom groter is dan de instroom; deze
ter te zien. Vanaf 2013 daalt de instroom, om in de periode
ontwikkeling stokt in de periode 2015-2016, om in de peri-
2015-2016 te stabiliseren; daarna treedt de daling verder
ode 2016-2018 weer door te zetten. In de periode 2019-
in. De uitstroom daalde in de periode 2015-2016 na een
2020 neemt het verschil tussen in- en uitstroom af met
constante stijging vanaf 2012; in de periode 2019-2020
1.200 personen; het saldo bedraagt in 2020 3.300 perso-
stabiliseerde de uitstroom. Aan het saldo is te zien dat
nen.
Figuur 3.2
In- en uitstroom uit de groep Rotterdammers met een laag inkomen (2011-2020)
35.000 30.000 23.100
25.000 20.000
21.000
15.000 10.000 5.000
-2.100
0 -3.300
-5.000 2012
2013
2014
2015
Instroom
Achtergronden van instroom
2016
Uitstroom
2017
2018
2019
2020
Saldo
terdammers die in 2019 niet tot de doelpopulatie behoorden. Dat kan zijn omdat ze niet heel 2018 een inkomen
Om de oorzaken van instroom in beeld te brengen, zoo-
hadden, of behoorden tot een studentenhuishouden of wa-
men we in op de personen die in de periode 2019-2020 in-
ren geïnstitutionaliseerd. Van 12% werden over 2019 geen