21bb9477 Brief Jeugdhulp Rijnmond over Publicatie landelijk rapport 2021 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’ en het regiorapport voor de regio Rotterdam - Rijnmond van de Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd en de Inspectie Justitie & Veiligheid
Tekst van het document
8
Samen werken aan veiligheid in Rotterdam: een onderzoek bij JBRR, Enver en de wijkteams
20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
bereiken van de 18-jarige leeftijd. Daarnaast blijkt het in de praktijk moeilijk om tot maatwerk te komen voor deze jeugdigen.
Voorbeeldcasus Jeugdige (15) woonde bij ouders thuis, samen met jonger kind. Sinds twee jaar vindt fors geweld plaats in de thuissituatie tussen ouders. Ook de jeugdige heeft fors geweld naar moeder gepleegd. De jeugdige vertoonde al agressief gedrag sinds groep 4, dit is steeds ernstiger geworden. In het vrijwillig kader is veel hulp ingezet, niets bleek toereikend. In februari is de jeugdige uit huis geplaatst wegens forse mishandeling van moeder, in de crisisopvang. De crisisopvang wilde dat de jeugdige zo snel mogelijk naar huis ging, met inzet van ambulante spoedhulp. De ouders bleven aangeven het niet te zien zitten, zij zijn bang voor de jeugdige. Na twee weken escaleerde het thuis, de jeugdige is in de crisisopvang en mag niet meer volledig naar huis. De jeugdbeschermer gaat met hulp van de zorgbemiddelingstafel op zoek naar een 24-uursvoorziening voor de jeugdige.
Wachtlijsten, schaarste, opnamestops “Ik merk, net als collega’s in het team, dat de wachtlijsten oplopen bij iedere nieuwe aanmelding. Iedereen heeft hier last van. Dat het zo heftig is, is iets van het laatste half jaar. Daarvoor wel wat wachtlijsten van één of twee maanden, nu hebben we het over vier of vijf maanden. Dat is niet te doen.” jeugdbeschermer
Een aantal specifieke vormen van hulp is onvoldoende beschikbaar als gevolg van wachtlijsten en opnamestops. Dit leidt tot zeer lange wachttijden voor gespecialiseerde jeugdhulp en specialistische J-GGZ 9 (waaronder traumatherapie, ambulante behandeling, speltherapie), bijvoorbeeld ook voor hulp aan kinderen in (complexe) echtscheidingssituaties (zoals Kinderen uit de Knel), interculturele begeleiding en behandeling van hechtingsproblematiek. Een kind kan langer dan een jaar op een wachtlijst staan voor traumatherapie, terwijl het inzetten van een alternatief geen reële optie is door een opnamestop wegens het bereiken van het budgetplafond voor ambulante hulp. Uit de praktijktoets komt verder – zoals hierboven benoemd - een tekort aan residentieel aanbod naar voren (JenO, LVB en GGZ). Een bijkomend probleem voor deze kinderen is bijvoorbeeld dat GGZ-behandeling (waaronder traumabehandeling) niet kan starten, zolang de situatie van het kind op dat moment niet stabiel is. De problematiek van het kind verergert tijdens het wachten. Voor sommige vormen van hulp geldt een budgetplafond voor aanbieders van ambulante hulp, als gevolg van financiële tekorten. Dit betreft specialistische jeugdhulp en jeugd-GGZ. Hierdoor kan de jeugdbeschermer niet de meest passende hulp inzetten wanneer het budgetplafond is bereikt.
Voor de specialistische ambulante jeugdhulp, waaronder de jeugd-GGZ, heeft de regio sinds juli 2020 ook een zorgbemiddelingstafel. De inspecties zijn in de praktijktoets geen casuïstiek tegengekomen die via die tafel heeft geleid tot tijdige inzet van passende hulp.
9
Verwijzing naar factsheet J-GGZ
21 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Voorbeeldcasus Een gezin met drie kinderen (3, 4 en 6 jaar) met een verleden met huiselijk geweld. De kinderen hebben in hun leven op zeven plekken gewoond. Beide ouders hebben in het verleden in detentie gezeten. De kinderen wonen momenteel bij hun moeder en de kinderen hebben omgang met de vader. Gezien het verleden is het van belang dat de kinderen traumabehandeling krijgen. De kinderen zijn hiervoor aangemeld bij J-GGZ, maar zij wezen de kinderen zes weken na de aanmelding af omdat de situatie onvoldoende stabiel werd bevonden. Na acht weken kon de jeugdbeschermer bij een andere aanbieder aanmelden voor intensieve thuisbegeleiding en videohome training. Maar de jeugdbeschermer is van oordeel dat de kinderen ook echt traumahulp nodig hebben, omdat zij steeds weer getriggerd worden in de trauma’s. De jeugdbeschermer heeft vervolgens zelf een hulpverlener gezocht en gevonden die de kinderen kan helpen met hun trauma’s.
Knelpunten bij het organiseren van maatwerk bij meervoudig complexe problematiek De regio Rijnmond heeft een zorgbemiddelingstafel voor jeugdhulp met verblijf en gezinsopnamen. Deze zorgbemiddelingstafel komt wekelijks bijeen. Vertegenwoordigers van zorgaanbieders en de gecertificeerde instellingen bespreken met elkaar jeugdigen die moeilijk te plaatsen zijn en zoeken naar een passende oplossing voor de jeugdige. De inspecties hebben verschillende casussen onderzocht die zijn besproken aan de zorgbemiddelingstafel. Aan de zorgbemiddelingstafel bespreken verwijzer en zorgaanbieders met elkaar de mogelijkheden, maar dit leidt niet altijd direct tot een oplossing. Casussen komen meerdere keren terug op de zorgbemiddelingstafel zonder dat passende hulp of een maatwerkoplossing tot stand komt. Dit heeft verschillende oorzaken: o
Ontbreken doorzettingsmacht Aan de zorgbemiddelingstafel is geen partij die doorzettingsmacht heeft om te bepalen welke instelling de noodzakelijke hulp gaat bieden (al dan niet in de vorm van maatwerk of in samenwerking met een andere aanbieder). Daar waar problemen ontstaan bij het oppakken van dossiers door zorgaanbieders kan de zorgbemiddelingstafel wel escaleren naar de contractmanager van de GRJR.
o
Contra-indicaties Instellingen geven op basis van contra-indicaties aan niet de juiste hulp te kunnen bieden, juist bij jeugdigen met meervoudig complexe problemen.
Voorbeeldcasus De jeugdige is 17 en heeft een licht verstandelijke beperking (LVB). De jeugdige is 5 als hij uit huis wordt geplaatst en heeft sindsdien op heel veel plekken gewoond. De jeugdige verbleef vorig jaar op een Jeugd en Opvoedhulp-groep voor jeugdigen zonder LVB-expertise. Dat ging mis vanwege de verstandelijke beperking. De jeugdige werd vervolgens afgewezen door verschillende zorgaanbieders, omdat zij geen passend aanbod hebben. De jeugdige werd verplaatst naar een LVB-groep en zou daar therapie krijgen. De therapie is echter niet gestart, het beschikbare aanbod is niet passend. De jeugdige moest van de groep weg omdat hij zich agressief gedroeg. De jeugdige verblijft nu bij vader, waar de jeugdige eerder nooit contact mee had. De jeugdbeschermer zoekt een beschermd wonen plek met veel begeleiding voor de jeugdige. Dat is in Rotterdam niet beschikbaar. Mogelijk verhuist de jeugdige naar Brabant voor een passend aanbod. De jeugdige moet volgens de jeugdbeschermer de mogelijkheid krijgen de noodzakelijke therapie te volgen.
22 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
o
Onvoldoende beschikbaarheid hulp Het ontbreken van voldoende passende hulp maakt dat de zorgbemiddelingstafel niet direct tot de inzet van passende hulp leidt. Zorgaanbieders willen wel hulp bieden, maar hebben geen behandelplekken beschikbaar. De zorgbemiddelingstafel heeft een enorme toename van aanvragen voor jeugdigen met een LVB en forse psychiatrie gezien, een toename die samenhangt met het wegvallen van structuur als gevolg van de coronamaatregelen. “De rek is eruit, we kunnen niet verder ambulantiseren. Daarbij speelt ook mee dat er niet voldoende ambulante behandelcapaciteit is.” Medewerker zorgbemiddeling
o
Resultaatgerichte financiering en hoofd- en onderaannemerschap De gemeenten binnen de Gemeenschappelijke Regeling werken resultaatgericht. Dit houdt in dat een gecertificeerde instelling (GI) vaststelt dat er hulp en zorg nodig is en welke doelen en resultaten behaald moeten worden. Vervolgens bepaalt de jeugdhulpaanbieder hoe ze invulling geven aan de hulp om de doelen en resultaten te behalen. Als de jeugdhulpaanbieder (delen van) de hulp niet zelf kan bieden, schakelt hij een onderaannemer in. Soms werkt de resultaatgerichte financiering en het werken met een hoofd- en onderaannemer belemmerend bij het accepteren van een jeugdige met meervoudig complexe problematiek. Resultaatgerichte financiering kan leiden tot de perverse prikkel dat de hoofdaannemer liever kiest voor een jeugdige met minder complexe problematiek dan voor een jeugdige met complexe problemen, waarvoor meer inzet nodig is met mogelijk minder resultaat.
Veel stappen in het traject om te komen tot passende hulp Het traject dat een jeugdbeschermer moet doorlopen om tot het juiste arrangement en vervolgens tot de passende (specialistische) hulp voor een jeugdige of zijn gezin te komen wordt als complex ervaren. Zeker wanneer het ingekochte aanbod geen mogelijkheden biedt (omdat hulp niet is ingekocht of omdat deze als gevolg van wachtlijsten of budgetplafonds niet beschikbaar is). Dan is het de bedoeling dat de jeugdbeschermer samen met zorgbemiddeling optrekt om passende hulp te organiseren. Bij ambulante hulp speelt zorgbemiddeling een minder grote rol. Dan vraagt zorgbemiddeling de jeugdbeschermers om af te stemmen met het lokale team, omdat er veel zorg in de gemeenten ook lokaal is ingekocht. De bedoeling is dan dat het wijkteam het verder regelt, zodat de jeugdbeschermers daar niet veel tijd aan kwijt zijn. In de praktijk hebben de inspecties voorbeelden gehoord van jeugdbeschermers die andersom redeneren, (zelf) naar de passende hulp op zoek gaan en daar dan vervolgens een hoofdaannemer bij zoeken. Het is formeel niet de bedoeling dat jeugdbeschermers zelf op zoek gaan, maar dat zij dit via zorgbemiddeling van JBRR laten lopen. De reden hiervoor is dat zorgbemiddeling (via de hoofdaannemer) zicht houdt op de kwaliteit van de hulp die wordt ingezet.
Daarnaast is een hoofdaannemer zelf verantwoordelijk voor (de kwaliteit van) zijn onderaannemers, waardoor hij niet kan worden verplicht een onderaannemer aan te nemen. Het uitgangspunt is dat de aanbieder moet leveren, en wat de aanbieder niet kan wegens onvoldoende specialisme, moet via een onderaannemer geregeld worden.
Lange wachttijden voor en tijdens intakeprocedures
“Ik wilde voor de jeugdige een persoonlijkheidsonderzoek laten afnemen. Er was een goede ingang, waar eerder geen hulpverlening van de grond kwam. Ik had de jeugdige gelijk aangemeld bij de organisatie waar de kortste wachtlijst was. De intake was in januari maar het onderzoek kon pas in juni.” jeugdreclasseerder
23 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Een jeugdige die is aangemeld bij een zorgaanbieder, krijgt niet altijd direct hulp. Het duurt vaak enkele weken voordat de intake plaatsvindt. Zorgaanbieders geven soms aan dat hulp is gestart, maar dan is er alleen een intakegesprek geweest en moet het kind/gezin vervolgens wachten of krijgt het overbruggingshulp. Na de aanmelding kan het ook gebeuren dat na weken of zelfs maanden het bericht komt dat de zorgaanbieder geen passend aanbod heeft, of dat de situatie van de jeugdige/in het gezin niet stabiel genoeg wordt bevonden om de behandeling te starten. Na het intaketraject volgt dan een afwijzing. Pas na de afmelding bij de ene zorgaanbieder kan de jeugdbeschermer een nieuwe aanmelding doen bij een andere aanbieder. De aanvraag voor hulp voor een jeugdige start dan opnieuw bij de volgende aanbieder.
Voorbeeldcasus Het kind staat op de wachtlijst voor videohometraining bij een jeugdhulpaanbieder (wachtlijst is 3 maanden), maar het duurde een aantal maanden voordat het arrangement was doorgezet. Na twee/drie maanden krijgt de jeugdbeschermer het bericht dat het kind op wachtlijst staat en daarna duurde het nog drie maanden voordat de hulp kon starten.
Voorbeeldcasus Een gezin met twee kinderen, waarvan de oudste seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoont. Deze jeugdige is geplaatst in een gesloten setting, maar dit bleek niet passend te zijn. De jeugdige is weer terug naar huis gegaan, wat niet goed ging/verliep. De jeugdige is vervolgens meerdere keren zes keer overgeplaatst van gesloten naar een open instelling en andersom. Op dit moment verblijft de jeugdige in een open instelling, waarvoor de jeugdige gemotiveerd is. Deze plek is niet ingekocht door de gemeente en bevindt zich buiten de regio. De jeugdbeschermer is momenteel bezig de financiering rond te krijgen via onderaannemerschap.
(Beperkte) inhoudelijke of financiële bemoeienis van gemeenten op casusniveau De inspecties benoemen in het rapport uit 2019 dat de gecertificeerde instelling de wettelijke taak heeft te bepalen of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De Jeugdwet schrijft voor dat de GI hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd en anderzijds dat de gemeente als financier dient te weten welke jeugdhulp nodig wordt geacht (en dus moet worden ingekocht). 10 Dit overleg is niet bedoeld om te komen tot overeenstemming over de bepaling van de jeugdhulp door de GI, de GI heeft hierin de eindverantwoordelijkheid. Goede samenwerking en gezamenlijke besluitvorming op casusniveau tussen gecertificeerde instelling moet gericht zijn op tijdige inzet van de passende hulp voor de jeugdige. Het administratieve en bureaucratische proces mag niet vertragen, of ertoe leiden dat de noodzakelijke hulp aan een jeugdige wordt onthouden. Het overleg dient plaats te vinden met inachtneming van de privacywetgeving en de regels omtrent het beroepsgeheim.
Jeugdbeschermers en zorgbemiddeling ervaren over het algemeen geen inhoudelijke of financiële bemoeienis van gemeenten bij de inzet van de noodzakelijke hulp. Zorgbemiddeling benoemt wel dat bij een aantal gemeenten onderhandeld moet worden om de hulp geregeld te krijgen, maar dat het doorgaans lukt als zorgbemiddeling aangeeft deze hulp nodig te vinden.
10 Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 684, F; Kamerstukken Eerste Kamer,
vergaderjaar 2013–2014, 33 684, F p.45 e.v.
24 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Als het budgetplafond is bereikt, moet de zogenaamde ‘discretionaire’ aanvraag worden voorgelegd aan de gemeente. Dit werkt vertragend. Het gebeurt dat gemeenten in discussie gaan over de prijs, omdat ze dan letterlijk ‘het prijskaartje’ zien. Van zorgbemiddeling wordt gevraagd dit extra inhoudelijk onderbouwen. Zorgbemiddeling houdt hierbij in de gaten dat geen privacygevoelige informatie met de gemeenten wordt gedeeld.
25 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
5 Conclusie 5.1 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer heeft en dat voor elk kind met een maatregel tijdig een gedragen koers is uitgezet. De inspecties hebben in maart 2021 een praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties stellen vast dat de regio Rijnmond op een enkele uitzondering na aan de norm voldoet. Bevorderend is dat de regio in 2019 een extra investering heeft gedaan voor de uitvoering van de wettelijke taken door de GI’s. Daarnaast is de keuze gemaakt dat de regionale GI (JBRR) de focus legt op de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen boven de uitvoering van preventieve jeugdbescherming. De samenwerking op casusniveau tussen gezin, jeugdbescherming, lokaal team en andere betrokkenen in de regio (teamtafel) is een positief voorbeeld voor andere jeugdbeschermingsregio’s. De teamtafels leiden ertoe dat jeugdbeschermers er ook in zeer complexe casussen in slagen om tijdig tot een gedragen koers te komen.
Vervolg GI’s Over de landelijk werkende instellingen (LJenR en WSS) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport.
5.2 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ontvangt. De inspecties hebben maart 2021 een praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties stellen vast dat de jeugdbeschermingsregio Rijnmond niet aan de norm voldoet. De doorbraakaanpak in de regio heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Bij aanvang van de monitoring had de regio een analyse gemaakt van kinderen die wachtten op passende hulp en van de onderliggende knelpunten. Hierop is niet tijdig een onorthodoxe, actiegerichte aanpak gevolgd om de kinderen alsnog de passende hulp te bieden, maar zijn bestaande structuren ingezet om tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel te komen. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de noodzakelijke hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd, de jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Een ondertoezichtstelling bijvoorbeeld, wordt hooguit voor een jaar uitgesproken.
De inspecties vinden het niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten. Dit beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten en kan leiden tot verergering van de problematiek. Een maatregel kán worden verlengd, maar de inspecties vinden het vanuit het perspectief van ouders en jeugdigen niet acceptabel wanneer deze verlenging het gevolg is van niet tijdige inzet van hulp. Het is de inspecties gebleken dat de bestaande samenwerking in de regio nog onvoldoende leidt tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Bepaalde vormen van hulpaanbod zijn onvoldoende beschikbaar en/of toegankelijk, de wachtlijsten zijn lang. Dit is een hardnekkig probleem met ernstige gevolgen voor jeugdigen, waar zowel de IGJ als de Ombudsman in verschillende rapporten eerder op de gevolgen hebben gewezen.
26 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Verder is het de inspecties gebleken dat het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel zodanig gecompliceerd is, dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. De jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel of machtiging uithuisplaatsing, wordt niet zonder vertraging ingezet. De oorzaken hiervoor hangen enerzijds samen met de stappen die de jeugdbeschermer moet zetten om tot een arrangement te komen. Anderzijds spelen het ontbreken van doorzettingsmacht bij complexe casuïstiek, contra-indicaties, het werken met hoofd- en onderaannemers en resultaatgerichte financiering hierin een belemmerende rol. Resultaatgerichte financiering kan leiden tot de perverse prikkel dat de hoofdaannemer liever kiest voor een jeugdige met minder complexe problematiek dan voor een jeugdige met complexe problemen, waarvoor meer inzet nodig is met mogelijk minder resultaat. In een beperkte mate leidt overleg met gemeenten over de financiering van hulp tot vertraging.
5.3 Vervolg passende hulp: Verscherpt toezicht Gelet op het voorgaande kunnen de inspecties er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende gemeente, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de gemeenten, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties zullen in de regio Rijnmond hiertoe verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten. Concreet verwachten de inspecties per direct dat de regio’s zorgen dat elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp krijgt. Hiervoor is nodig: Gemeenten Maak mogelijk dat de GI de noodzakelijk geachte hulp zonder vertraging kan inzetten. Dat wil zeggen dat de inzet van hulp onverwijld plaatsvindt. o Neem bureaucratische belemmeringen weg. o Heroverweeg resultaatgestuurde financiering van specialistisch jeugdhulpaanbod. o Stel geen budgetplafonds in voor specialistisch hulpaanbod.
Jeugdhulpregio, GI’s, zorgaanbieders en lokale teams gezamenlijk Scherp gezamenlijk de doorbraakaanpak aan op basis van de analyse van de inspecties en zet deze in voor kinderen met een maatregel die nu wachten op passende hulp. Daarnaast verwachten de inspecties in de periode van het verscherpt toezicht: Dat (betrokken partijen in) de jeugdhulpregio’s in deze periode tot een gezamenlijke aanpak komen, waarvan zij aannemelijk kunnen maken dat dit op de korte termijn leidt tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. De inspecties zien tot slot dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. De inspecties spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
27 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bijlage Reactie van de accounthoudende wethouder namens de jeugdbeschermingsregio
28 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
29 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
30 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
31 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
32 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Duidelijk. Onafhankelijk. Eerlijk. www.igj.nl
33 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd Landelijk rapport 2021 vervolgtoezicht
Utrecht, juli 2021
Voorwoord
Dit rapport gaat over kinderen die een jeugdbeschermingsmaatregel hebben. Het kan zijn dat zij door de rechter onder toezicht zijn gesteld. Het kan ook zijn dat ze vanwege een strafbaar feit een jeugdreclasseringsmaatregel kregen opgelegd. Dit doet een rechter niet zomaar. De zorgen zijn dan groot. In beide situaties hebben jeugdbeschermers bij een gecertificeerde instelling de zware taak om deze kinderen te begeleiden. Achter al deze maatregelen zitten lange en persoonlijke verhalen. In dit rapport noemen we bijvoorbeeld K., een baby van acht maanden oud met ouders die beiden verslaafd zijn aan drugs. En Q., die met haar vijf jaar zag dat haar moeder werd geslagen en misbruikt. Of drie jonge kinderen die al meerdere keren geweld meemaakten en inmiddels op zeven verschillende plekken hebben gewoond. En de veertienjarige M. Hij heeft een zedendelict gepleegd en is uit huis geplaatst. Deze verhalen maken indruk en laten je voelen waar het bij dit onderwerp écht om gaat. Een jeugdbeschermingsmaatregel gaat niet over regels of procedures maar gaat over kinderen die het recht hebben om te worden beschermd. Wanneer we ons laten doordringen in welke situaties deze kinderen zich bevinden, voelen we een enorm besef van urgentie. We gunnen deze kinderen een jeugdbeschermer die samen met hen en hun ouders bespreekt wat nodig is om de problemen op te lossen.
En juist omdat deze kinderen vaak al zoveel hebben meegemaakt is het fijn als één iemand ze een tijd begeleidt, zodat zij elkaar leren kennen en kunnen vertrouwen. Dit lukt niet als er steeds iemand anders komt aan wie zij hun verhaal moeten vertellen. Ook gunnen we hen dat snel duidelijk is welke hulp zij nodig hebben om hun problemen op te lossen. En áls dan het besluit genomen is welke hulp er moet komen, is het belangrijk dat zij niet te lang op deze hulp moeten wachten. Sterker nog, de kans is groot dat de problemen tijdens dat wachten alleen maar groter worden. De vergelijking met de intensive care blijft opgaan. De jeugdbescherming is de intensive care voor de meest kwetsbare kinderen. In Nederland kan iemand die acute medische zorg nodig heeft terecht op de intensive care. Het is zo afgesproken dat daar altijd bedden beschikbaar zijn. Een kind dat acute jeugdbescherming en jeugdhulp nodig heeft, zou er ook zeker van moeten kunnen zijn dat deze hulp tijdig beschikbaar is. Het is onze opdracht als inspecties om te kijken of de jeugdhulp in ons land goed en veilig is. Dit is de rapportage over het vervolgtoezicht in 2021 na ons rapport Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd uit 2019. In het najaar van 2020 schreven we dat verbeteringen voor kinderen die nu een maatregel hebben niet langer konden wachten. We vroegen om een actiegerichte doorbraakaanpak.
We hebben in de afgelopen periode gezien dat er door alle betrokken partijen hard gewerkt wordt voor deze kinderen. In alle jeugdbeschermingsregio’s zien we verbetering.
Pagina 3 van 48
Maar in de ene regio is meer vooruitgang geboekt dan in de andere. Deels komt dit door gemaakte keuzes en een actiegerichte vooruitstrevende aanpak en anderzijds heeft het te maken met structurele problemen die moeilijk het hoofd te bieden zijn. Realiteit is dat het hele systeem zo onder druk staat dat een regio die nu in staat is om tijdig een vaste jeugdbeschermer, een gedragen koers en passende hulp te bieden, binnenkort een regio kan zijn waar dit niet lukt. Het is een wankel evenwicht: de regio die vandaag “groen” is kan morgen “rood” zijn. Ondanks de ingezette verbeteringen blijft de jeugdbescherming enorm kwetsbaar. Alle mensen die een taak hebben binnen de jeugdbescherming vinden het belangrijk dat deze kinderen goed geholpen worden en zetten zich maximaal in. We verwachten met dit rapport in handen, de aanbevelingen die we doen en de eerder getoonde betrokkenheid van alle partijen, dat ieder kind in de jeugdbescherming de komende tijd ervaart dat er tijd, ruimte en hulp voor hen is. Dat ze belangrijk zijn. Korrie Louwes, Hoofdinspecteur Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Hans Faber, Hoofdinspecteur Inspectie Justitie en Veiligheid
Pagina 4 van 48
Samenvatting
Dit rapport is een vervolg op eerdere rapportages over tijdige hulp aan kinderen en ouders die te maken hebben met jeugdbescherming en jeugdreclassering (hierna: jeugdbescherming). De jeugdbescherming is de intensive care voor de meest kwetsbare kinderen in de samenleving. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd en de overheid grijpt - via de jeugdbeschermer - direct in op het gezin. Dat gebeurt na een besluit van de kinderrechter. De jeugdbeschermer heeft slechts beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Het is niet acceptabel dat deze beperkte tijd wordt gevuld met wachten. Dit leidt tot verergering van de problematiek bij jeugdigen en beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten. In oktober 2020 hebben de inspecties gevraagd om een onorthodoxe, actiegerichte doorbraakaanpak.
De doorbraakaanpak moest leiden tot tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel, tijdig een uitgezette gedragen koers en tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. De inspecties richten zich op alle betrokken partijen in de jeugdbeschermingsregio: de accounthoudende regio voor de jeugdbescherming, de gemeenten in de regio, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders. De inspecties hebben de uitkomsten van de doorbraakaanpak in alle jeugdbeschermingsregio’s uitgebreid aan de hand van vele casussen getoetst. Dit rapport bevat de overstijgende bevindingen van de inspecties. Gelijktijdig met dit landelijke rapport publiceren de inspecties elf regiorapporten. Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Sinds 2019 is veel verbeterd bij de gecertificeerde instellingen (GI’s) voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Tegelijkertijd blijft de vitale functie van jeugdbescherming zeer kwetsbaar.
Jeugdbescherming Brabant, Jeugdbescherming Gelderland, De Jeugd- en Gezinsbeschermers, en het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering zijn er met de jeugdhulpregio’s niet in geslaagd om samen voorwaarden te creëren waardoor elke jeugdige met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers heeft. Voor deze instellingen bepalen de inspecties het vervolgtoezicht na een bestuurlijk gesprek. Briedis is per 1 juni 2021 failliet verklaard. De inspecties houden daar toezicht op de overdracht van jeugdigen met een maatregel naar andere GI’s en richten zich hierbij op de continuïteit van hulp aan deze jeugdigen. In Zeeland en Brabant is de situatie na de verdiepende praktijktoets verder verslechterd als gevolg van het faillissement van Briedis, de beëindiging van het contract van de Zeeuwse gemeenten met Intervence en een tijdelijke opnamestop bij Jeugdbescherming Brabant en de William Schrikker Stichting. De inspecties volgen de situatie in deze regio’s intensief. Elk kind tijdig passende hulp De jeugdbeschermingsregio’s Friesland en Overijssel zijn er grotendeels in geslaagd om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig van passende hulp te voorzien. De inspecties sluiten het toezichttraject op deze norm in deze regio’s af.
Pagina 5 van 48
De jeugdbeschermingsregio’s Gelderland, Groningen & Drenthe, Limburg, Utrecht & Flevoland en Zeeland, zijn er niet in geslaagd om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig van passende hulp te voorzien. De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht. De jeugdbeschermingsregio’s Brabant, Noord-Holland/Amsterdam, Rijnmond, Zuid West zijn er niet in geslaagd om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig van passende hulp te voorzien. De inspecties hebben niet voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties zullen hiertoe in deze regio’s verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten. Daarmee intensiveren de inspecties hun activiteiten in deze regio’s. Intensief toezicht en nauw contact met de betrokken regio’s moet eraan bijdragen dat op korte termijn, alsnog elk kind met een beschermingsmaatregel tijdig passende hulp krijgt.
De betrokken regio’s delen het nut en de noodzaak van extra maatregelen en zullen hun inspanningen de komende periode kracht bij zetten. Aanbevelingen Dit rapport en de elf afzonderlijke regiorapporten bevatten aanbevelingen aan de jeugdbeschermingsregio’s waarin de gemeenten, GI’s, zorgaanbieders en lokale teams samenwerken. Daarnaast doen de inspecties aanbevelingen aan het Rijk. Deze richten zich op het in beeld brengen van vraag en aanbod en vervolgens op de garantie van een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdbescherming, jeugdreclassering en specialistische jeugdhulp voor jeugdigen met een maatregel.
Pagina 6 van 48
Inhoud
Voorwoord Samenvatting Inhoud 1 1.1 1.2
Inleiding Voorgeschiedenis Dit onderzoek
8 8 9
2 2.1 2.2
Kinderen en ouders in de jeugdbescherming Waarom is tijdig passende hulp voor hen noodzakelijk? Wat is nodig om de ontwikkelingsbedreiging/recidiverisico af te wenden?
12 12 14
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2
Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Grote stappen gezet … … maar kwetsbaarheid blijft Werken met ‘de minimale variant’ Verloop en verzuim
15 16 19 19 19
4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.2 4.2.1
21 23 23 24 26
4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5
Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp De doorbraakaanpak Successen van de doorbraakaanpak Knelpunten doorbraakaanpak Structurele problemen Onvoldoende residentieel hulpaanbod voor jeugdigen met de meest complexe problemen Onvoldoende specialistisch ambulant (GGZ) hulpaanbod : wachtlijsten Onvoldoende bovenregionale samenwerking Knelpunten in de toeleiding naar passende hulp Knelpunten bij zorgaanbieders
5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.2
Conclusies en aanbevelingen Conclusies 30 Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Elk kind met een maatregel tijdig passende hulp Aanbevelingen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
26 26 27 28 29 30 30 31 32
Overzicht bevindingen per regio Overzicht bevindingen per regio Gecertificeerde instellingen werkend in meerdere regio’s Samenvattingen per jeugdbeschermingsregio Gehanteerde normen
Pagina 7 van 48
1
Inleiding
Jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn te beschouwen als de intensive care van de samenleving voor de meest kwetsbare kinderen. Wanneer de ontwikkeling van een jeugdige ernstig bedreigd wordt en een afname van de bedreiging niet van de grond komt, krijgen gezinnen te maken met jeugdbescherming. De overheid zet na de uitspraak van de kinderrechter een jeugdbeschermer naast de ouder(s). De jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de gezaghebbende ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de hulp zonder vertraging wordt ingezet. Het is niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten. Wachten verergert de problematiek en beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de juiste stappen te zetten om tot verbetering van de situatie te komen. 1.1
De bescherming van kwetsbare kinderen: een overheidstaak Ieder kind heeft recht op bescherming tegen mishandeling. Hieronder vallen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling, verwaarlozing en (seksueel) misbruik. Zowel in het gezin als daarbuiten. De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen. Ook moet de overheid zorgen voor opvang en behandeling van kinderen die hiervan slachtoffer zijn (artikel 19 IVRK).
Voorgeschiedenis In het najaar van 2019 oordeelden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de inspecties) in het rapport en signalement met de titel Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd respectievelijk Jeugdbeschermingsketen in gevaar dat de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering op dat moment werd uitgevoerd niet acceptabel was. De inspecties stelden dat de overheid onvoldoende haar verantwoordelijkheid nam om kinderen die ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd te beschermen. Daarnaast constateerden zij dat de jeugdbeschermingsketen maximaal onder druk stond door structurele problemen zoals personeelsverloop bij de jeugdbescherming, financiële tekorten en wachttijden voor passende hulp. De inspecties vroegen om directe actie die zou leiden tot hulp zonder vertraging voor kwetsbare kinderen. Hierop zetten de inspecties een intensief toezicht traject in. In 2020 en 2021 volgden de inspecties de activiteiten die moeten leiden tot een directe verbetering op de korte termijn en structurele verbetering op de langere termijn. In de voortgangsrapportage van oktober 2020 deden de inspecties verslag van de eerste bevindingen.
De inspecties zagen dat er voor de lange termijn een positieve beweging in gang was gezet, maar stelden tegelijkertijd vast dat er onvoldoende was gebeurd voor de kinderen die nu een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel hebben en nog geen hulp krijgen. Om die reden vroegen de inspecties aan de jeugdbeschermingsregio’s om, samen met de gecertificeerde instellingen, zorgaanbieders, lokale teams en gemeenten om een doorbraak te forceren voor alle kinderen met een jeugdbeschermings- of reclasseringsmaatregel door middel van een onorthodoxe actiegerichte doorbraakaanpak.
Pagina 8 van 48
Deze doorbraakaanpak moest leiden tot tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel, een tijdig uitgezette gedragen koers en een tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Daarmee geeft de jeugdbeschermer op een adequate manier invulling aan de maatregel die de rechter heeft uitgesproken. 1.2
Dit onderzoek Monitoring Van oktober 2020 tot en met februari 2021 monitorden de inspecties de doorbraakaanpak van elke jeugdbeschermingsregio door frequent gesprekken te voeren met door de regio aangewezen contactpersonen. Aanvullend zijn andere onderzoeksactiviteiten ingezet. In Zeeland voerden de inspecties bijvoorbeeld tussentijds een verdiepende praktijktoets uit wegens de (beoogde) beëindiging van het contract met de gecertificeerde instelling Intervence. Verdiepende praktijktoets In maart 2021 hebben de inspecties tijdens de verdiepende praktijktoets getoetst of kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp hebben. Dit is gedaan door middel van dossiertoetsen en gesprekken met kinderen, ouders en jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders. Aanvullend en op maat hebben de inspecties in een aantal regio’s gesprekken gevoerd met jeugdhulpregio’s en/of zorgaanbieders. De normen waarop de inspecties hebben getoetst staan in bijlage 5. In dit rapport staan de geaggregeerde resultaten en conclusies van de monitoring en de verdiepende praktijktoetsen in de regio’s.
In dit rapport gebruiken de inspecties deze begrippen: Accounthoudende regio: Voor elke gecertificeerde instelling is binnen de jeugdbeschermingsregio een accounthoudende jeugdhulpregio aangewezen die naar andere jeugdhulpregio’s acteert bij risico’s van discontinuïteit. Gecertificeerde instelling (GI): Nederland kent 15 gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Dit zijn de bevoegde instanties voor het uitvoeren van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De opdracht aan de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering op basis van de Jeugdwet is om te bepalen welke hulp het kind nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De in te zetten hulp moet verantwoord zijn, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Jeugdhulpregio: In 2015 is de jeugdhulp gedecentraliseerd naar gemeenten. Een aantal vormen van jeugdhulp kan niet op gemeentelijk niveau uitgevoerd worden wegens de benodigde deskundigheid, de beperkte omvang van sommige doelgroepen en de schaal waarop sommige gespecialiseerde voorzieningen zijn
Pagina 9 van 48
georganiseerd. Daarom zijn er jeugdhulpregio’s, waarbinnen gemeenten gezamenlijk hulp organiseren. Jeugdbeschermingsregio: De inspecties zijn bij het toezicht in de regio’s uitgegaan van de gebieden waarbinnen een regionale gecertificeerde instelling werkzaam is en benoemen deze gebieden in het rapport als ‘jeugdbeschermingsregio’. Voor de meeste jeugdbeschermingsregio’s komen deze grenzen overeen met de provinciegrenzen van één of twee provincies. In Noord- en Zuid-Holland zijn twee regionale gecertificeerde instellingen werkzaam. Lokale teams: Wijkteams of jeugdteams die een rol spelen bij het toeleiden van inwoners naar verschillende vormen van hulp, waaronder jeugdhulp. Lokale teams bieden in veel gemeenten ook zelf laagdrempelige hulp. Zorgaanbieders: Aanbieders van (specialistische) jeugdhulp, zoals jeugd- en opvoedhulp, jeugd-GGZ en hulp aan jeugdigen met een licht verstandelijke beperking.
Pagina 10 van 48
Dit is een kaart van Nederland met daarin aangegeven de elf jeugdbeschermingsregio’s: Friesland, Groningen/Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht/Flevoland, NoordHolland/Amsterdam, Zuid-West, Rijnmond, Zeeland, Brabant en Limburg.
Pagina 11 van 48
2
Kinderen en ouders in de jeugdbescherming
De inspecties spraken met ouders, jeugdigen en jeugdbeschermers en bekeken vele dossiers. In totaal hebben de inspecties zicht gekregen op de situatie van 400 jeugdigen en gezinnen met een maatregel. Kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel zijn kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hun ouders zijn (tijdelijk of structureel) niet in staat om hen de bescherming of begeleiding te bieden die nodig is om gezond en veilig te kunnen opgroeien. Het lukt ook niet met steun van het sociale netwerk en met vrijwillige hulpverlening. Pas als alle mogelijkheden in het vrijwillig kader zijn uitgeput, komt het tot een kinderbeschermingsmaatregel, nadat ook de kinderrechter heeft bepaald dat hulp in het vrijwillig kader ontoereikend is gebleken en er geen afdoende alternatieven meer zijn. De overheid draagt de verantwoordelijkheid om deze kinderen zonder vertraging te beschermen tegen de bedreigingen in hun gezonde en veilige ontwikkeling, omdat ouders dit niet kunnen of omdat zij zelf de bedreiging vormen. Het gaat ook om jeugdigen met een jeugdreclasseringsmaatregel. Ook de problematiek van deze kinderen en hun ouders is vaak complex, waardoor deze kinderen dringend zorg en ondersteuning nodig hebben. Hiertoe legt een kinderrechter een jeugdige een jeugdreclasseringsmaatregel op.
De overheid draagt de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van deze jeugdige, gericht op het voorkomen van recidive, de re-integratie en het borgen van de veiligheid van de jeugdige en zijn omgeving. 2.1
Waarom is tijdig passende hulp voor hen noodzakelijk? De urgentie om in te grijpen in een gezin is groot op het moment dat de kinderrechter een jeugdbeschermingsmaatregel uitspreekt. De overheid grijpt in de privélevens van deze gezinnen in om de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen op te heffen, respectievelijk te voorkomen dat een jeugdige recidiveert in zijn strafbare gedrag. Deze urgentie maakt het noodzakelijk dat een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel integraal, deskundig en zonder vertraging wordt uitgevoerd. De noodzakelijke hulp moet onmiddellijk kunnen starten zodat concreet zicht is op verbetering. De opsomming in het kader hiernaast laat zich lezen als afzonderlijke casuïstiek. Maar de baby die in deze belaste omstandigheden wordt geboren, is zonder tijdige inzet van de juiste hulp aan zijn ouders en voor hemzelf een paar jaar later mogelijk het kind van 8 met forse trauma’s en gedragsproblemen. Het kind van 8 met forse trauma’s en gedragsproblemen, dat als gevolg van de eigen problematiek en die van haar ouder niet meer thuis kan wonen, loopt zonder passende plek het risico om verder in de tijd af te glijden naar criminaliteit, verslaving, wordt mogelijk loverboyslachtoffer of komt bij zware specialistische zorgvormen terecht.
In veel gevallen zien de inspecties in de onderzochte casuïstiek terug dat ouders zelf ook een belast verleden of een geschiedenis in de jeugdzorg hebben.
Pagina 12 van 48
Voorbeelden kinderen en ouders met een kinderbeschermings- of jeugd reclasseringsmaatregel
P. is vijf maanden oud en heeft ouders met ernstige psychiatrische problemen. Tijdens ruzies zijn zij soms gewelddadig. K. is een baby van acht maanden, zijn beide ouders zijn verslaafd aan drugs. B. is een peuter van 13 maanden, ze is uithuisgeplaatst, omdat haar ouders veel drank en drugs gebruiken. Ze was getuige van heftige ruzies. Ouders willen geen afspraken maken met hulpverleners. I. is een peuter van 2 jaar. Door kindermishandeling heeft ze kale plekken op haar hoofd en blauwe plekken op haar lichaam. De ouders van J. hebben veel meegemaakt. Hier kunnen ze niet goed mee omgaan. Hun relatie is gewelddadig. C. is 4 jaar. Zijn moeder is in het buitenland en zijn vader mishandelt hem. N. is 4 jaar. Hij heeft last van de scheiding van zijn ouders. N. laat zorgelijk gedrag op school zien en vraagt of hij in een ander gezin mag wonen. Zijn moeder heeft N. een jaar geleden bij vader afgezet en hem langere tijd niet gezien. Zijn vader heeft ernstige psychische problemen. Q. is 5 jaar en woont bij haar moeder. Haar moeder heeft veel nare dingen meegemaakt. Q. heeft gezien dat haar moeder seksueel werd misbruikt en geslagen. M., S. en E. zijn drie jonge kinderen, die meerdere situaties van huiselijke geweld meemaakten. Ze hebben al op zeven plekken gewoond. F. is 10 jaar, haar moeder is slachtoffer van de toeslagenaffaire. Beiden hebben last van psychische problemen.
Er zijn financiële problemen en daarmee samenhangende problemen, zoals een dreigende huisuitzetting. D. van 9 en S. van 10 jaar, zitten knel in de complexe scheiding van hun ouders. Ouders geven beide geen toestemming voor start van hulp of woonplek bij de andere ouder. De ouders van H. zitten in een zeer complexe scheiding. Omdat de vader van H. erg agressief is, draagt zijn moeder een aware knop Door haar (verslavings-)problematiek heeft de moeder van de elfjarige G. hem ernstig verwaarloosd. Het oudste kind Z. van 14, in een gezin van drie kinderen laat steeds meer zorgelijk gedrag zien (verslaving, criminaliteit). K. is een jongen van 12 jaar. Hij woont al langere tijd bij oma, maar oma kan de zorg niet meer aan. De problemen van K. vragen om specialistische behandeling. P. is een jongen van 12 jaar. P. zit klem tussen ouders door de complexe scheiding. P. heeft aangegeven niet meer te willen leven, de ouders worden het niet eens over behandeling van P. Y. is een meisje van 13 met een trauma. Zij is zeer seksueel grensoverschrijdend binnen haar gezin en naar andere kinderen. S. is een meisje van 14 met psychische problemen. Ze beschadigt zichzelf. Haar ouders mijden de zorg, waardoor S. buiten beeld en uit zorg blijft. M. is een jongen van 14. Hij is dader van een zedendelict en uithuisgeplaatst. Er zijn grote zorgen over alle aspecten van zijn ontwikkeling. F.
is 15 jaar en heeft een succesvolle behandeling in de JeugdzorgPlus achter de rug. Er is geen vervolgplek voor haar beschikbaar. B. is een jongen van 15 jaar. Hij is als kind mishandeld en heeft situaties met huiselijk geweld meegemaakt. B. ‘loopt over zijn ouders heen’ en laat zelfbepalend gedrag zien. B. heeft op wacht heeft gestaan bij beroving. R. is 16 jaar en slachtoffer van een loverboy. J. is een autistische jongen van 16 jaar die drugs gebruikt en verzuimt van school. J. is veroordeeld voor diefstal met geweld tegen personen. V. is een jongen van 16 en zeer agressief in zijn gezin. V. is uit huis geplaatst. L. is een meisje van 16 met een combinatie van complexe problemen en een geschiedenis in instellingen. Ze verblijft herhaaldelijk op de Zeer intensieve kortdurende observatie en stabilisatie afdeling (ZIKOS) van de JeugdzorgPlus . D. is een jongen van 17, lange hulpverleningsgeschiedenis, woonde vijf jaar op groepen. Er is geen vervolgplek voor hem. M. is een jongen 17 jaar, verdacht van poging tot doodslag.
Pagina 13 van 48
2.2
Wat is nodig om de ontwikkelingsbedreiging/recidiverisico af te wenden? Om de ontwikkelingsbedreiging of het recidiverisico af te wenden zijn deskundige jeugdbeschermers nodig. De vaardigheden van jeugdbeschermers moeten divers zijn om die jeugdigen en ouders die niet open staan voor hulp, hier tóch toe te bewegen en gemotiveerd te houden, ook als die hulp niet direct beschikbaar is. Jeugdbeschermers zetten hun bevoegdheden pas in wanneer dit echt nodig is. Het is van belang dat jeugdbeschermers direct na het uitspreken van de maatregel aan het werk kunnen met het gezin. En dat zij tijd en professionele ruimte hebben om met ouders en jeugdige aan de slag te gaan om vervolgens een goede inschatting te kunnen maken welke hulp het beste aansluit en zal helpen. De jeugdbeschermer heeft daarnaast ook tijd en ruimte nodig voor overleg met de gemeente, school, netwerk, specialisten en het lokale veld over wat nodig en mogelijk is. Nadat duidelijk is welke hulp nodig is voor het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging of het verminderen van recidiverisico, moet deze zonder vertraging kunnen worden ingezet.
Pagina 14 van 48
3
Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Feiten en cijfers - Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer Cijfers CBS Volgens de voorlopige cijfers van het CBS zijn in 2020 10.310 jeugdigen ingestroomd in de jeugdbescherming (OTS en voogdij). In 2020 zijn volgens het CBS 5.015 jeugdigen ingestroomd in de jeugdreclassering. Cijfers verdiepende praktijktoets Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer De inspecties hebben voor 354 jeugdigen beoordeeld of zij tijdig een jeugdbeschermer toegewezen hebben gekregen. Dit was voor 307 jeugdigen gelukt (87%). De inspecties hebben voor 400 jeugdigen beoordeeld of zij een vaste jeugdbeschermer hebben. Dit was het geval voor 367 jeugdigen (92%). Geëxtrapoleerd naar 2020 zou betekenen dat bijna 2.000 jeugdigen waarvan de maatregel in 2020 is gestart niet tijdig een vaste jeugdbeschermer hebben gekregen. Zo’n 1.400 jeugdigen hebben in 2020 in de eerste maanden van de uitvoering van de maatregel met meer dan één wisseling van de jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder te maken gehad, of zijn bij uitval van de jeugdbeschermer ondergebracht bij de bureaudienst of wachtlijstbeheer. Hierbij merken de inspecties op dat zij voor het overgrote deel zaken hebben getoetst die zijn gestart in de periode augustus 2020 – januari 2021 en geen voogdijzaken hebben onderzocht.
Bij langer lopende zaken zijn vaak veel verschillende jeugdbeschermers betrokken, zowel in het kader van preventieve jeugdbescherming als bij de uitvoering van een maatregel. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van personeelsverloop en verzuim. Elk kind tijdig een gedragen koers De inspecties hebben voor 283 jeugdigen beoordeeld of voor hen een koers is uitgezet. Dit was voor 262 jeugdigen gelukt (93%). De inspecties hebben voor 258 jeugdigen beoordeeld of de koers tijdig was. Dit was voor 230 jeugdigen gelukt (89%). De inspecties hebben voor 278 jeugdigen beoordeeld of de koers gedragen was. Dit is voor 249 jeugdigen gelukt (90%). Geëxtrapoleerd naar heel 2020 zou dit betekenen dat bijna 1.700 jeugdigen waarvan de maatregel in 2020 is gestart niet tijdig een gedragen koers hebben gekregen.
Pagina 15 van 48
De feiten en cijfers per regio staan in de afzonderlijke regiorapporten.
Deze kaart van Nederland gaat over de normen ‘Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer’ en ‘Elk kind tijdig een gedragen koers’. In de jeugdbeschermingsregio’s Friesland, Groningen/Drenthe, Overijssel, Utrecht/Flevoland, Amsterdam, Rijnmond, Zeeland en Limburg sluiten de inspecties het toezichttraject wat deze normen betreft af. In de regio’s Brabant, Noord-Holland en Gelderland voeren de inspecties een bestuurlijk gesprek met respectievelijk Jeugdbescherming Brabant, De Jeugd- en Gezinsbeschermers en Jeugdbescherming Gelderland. Ook met het Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering volgt een bestuurlijk gesprek. Afhankelijk van de uitkomsten van het gesprek bepalen de inspecties het vervolg. In de regio Zeeland vind er vanuit de inspecties intensief toezicht plaats.
Bijlage 1 bevat een overzicht van de conclusies per regio. Bijlage 3 bevat een samenvatting van de bevindingen van de landelijk werkende instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering: Briedis, Jeugd Veilig Verder, Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering en de William Schrikker Stichting. Bijlage 4 bevat een samenvatting van de bevindingen per regio.
Pagina 16 van 48
3.1
Grote stappen gezet …. Sinds 2019 is er veel verbeterd bij de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering en daar omheen. De inspecties zien dat een aantal regio’s heeft geïnvesteerd in de samenwerking rond en inrichting van jeugdbescherming en jeugdreclassering, waardoor de meeste GI’s erin slagen om tijdig een vaste jeugdbeschermer in te zetten voor jeugdigen met een maatregel. Zelfs al is de bezetting krap, en werkt de GI met een instroomteam of met wachtlijstbeheer, dan nog slagen jeugdbeschermers er vaak in om tijdig een gedragen koers uit te zetten met de jeugdige en zijn gezin. Jeugdbeschermers zetten zich – ondanks de ervaren langdurig hoge werkdruk – hier volop voor in. Jeugdbeschermers geven mooie voorbeelden van de manier waarop zij inzicht krijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en hoe ze deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, samenwerkende houding. Ook vertellen ze hoe ze het gezin motiveren tot het bereiken van een doel, al dan niet met de inzet van hulpverlening. Een tijdige start van de maatregel met een deskundige jeugdbeschermer die luistert naar het gezin, maar ook grenzen stelt, helpt om een gedragen plan op te stellen. In de praktijk zagen de inspecties dat zo’n snelle start en laagdrempelig contact ook helpt om ouders en jeugdigen gemotiveerd te krijgen en te houden voor het traject.
GI’s hebben in een aantal regio’s geïnvesteerd in het werven van personeel en in het behoud van de huidige medewerkers. GI’s hebben inwerkprogramma’s voor nieuwe medewerkers, intervisie groepen en bieden deskundigheidsbevordering. Van bestuurders hoorden de inspecties dat ze het belangrijk vinden dat jeugdbeschermers weer trots kunnen zijn op hun werk. Het beroep van jeugdbeschermer is een vak dat veel van de professional vraagt. Daar moet de werkgever aandacht voor hebben en regelmatig bij stil staan. Het werk is intensief, soms zwaar, maar het is ook leuk, mooi en dankbaar werk, dat maatschappelijke waardering verdient.
Aandachtpunt: spreken met kinderen De inspecties zien dat jeugdbeschermers niet altijd met de kinderen spreken. Als een kind erg jong is of niet kán spreken, is dit navolgbaar. Jeugdbeschermers kiezen er soms ook voor om een kind niet te spreken omdat dit te belastend voor het kind zou zijn, of omdat andere professionals al met het kind spreken. De inspecties vinden dat er nooit een goede reden is het kind niet te spreken, zeker bij ingrijpende beslissingen over het kind, zoals bijvoorbeeld een uithuisplaatsing. De inspecties verwachten dat jeugdbeschermers altijd zoeken naar manieren om de ‘stem van het kind’ een plek te geven in hun overwegingen. Een heel klein kind hoeft niet geïnterviewd te worden, maar kan misschien in de ruimte waar de ouders een gesprek hebben in een hoekje spelen. Aanwezigheid bij gesprekken is bijna altijd mogelijk en voor kinderen belangrijk in het proces. De jeugdbeschermer kan het kind helpen om te begrijpen wat er gebeurt en om iets van de situatie te mogen vinden. Het gevoel van controle, regie en inspraak waar dat mogelijk is, is voor kinderen belangrijk om ingrijpende stappen als een uithuisplaatsing te kunnen verwerken.
Pagina 17 van 48
Goede voorbeelden
Jeugdbeschermingsregio Overijssel heeft Jeugdbescherming Overijssel (JbOV) voldoende financiële ruimte geboden door tarieven volgens de benchmark te hanteren, zodat JbOV kan voldoen aan de wettelijke taken en in staat is om voldoende medewerkers te werven. JbOV heeft een doorlopende vacature voor nieuwe jeugdbeschermers, zodat verzuim of verloop snel opgevangen wordt. De mensen ‘op de bank’ krijgen een training en volgen het inwerkprogramma. Ze zijn meteen inzetbaar wanneer dat nodig is.
Bureau Jeugdzorg Limburg (BJZ Limburg), JbOV, Samen Veilig Midden Nederland (SVMN), Jeugdbescherming Regio Rijnmond (JBRR) sturen op de processen en op tijdigheid. Jeugdbeschermers ervaren dit als ondersteunend, ook in hun relatie met jeugdigen, ouders en ketenpartners brengt dit voorspelbaarheid en structuur.
GI’s werken met een inwerkprogramma voor nieuwe medewerkers. Ondanks de vaak hoge werkdruk en krappe budgetten, maken zij tijd vrij om nieuwe medewerkers goed in te werken en te begeleiden. Ook medewerkers die lang in dienst zijn, hebben mogelijkheden om te reflecteren op het werk en om elkaar te ontmoeten.
JB Gelderland, JBRR, JbOV en Jeugdbescherming west (JBw) bieden jeugdbeschermers de mogelijkheid om met een dubbele bezetting te werken in het kader van het inwerkprogramma of bij zeer complexe casussen.
JBRR werkt met systeemgerichte teamtafels die kort na de zitting plaatsvinden. Bij deze teamtafel zijn het gezin, de jeugdbeschermer, het lokale team en eventuele andere betrokkenen aanwezig om gezamenlijk de koers uit te zetten. Het lukt met een enkele uitzondering om gezinnen aan tafel te krijgen, kennis te maken en al te starten met het uitzetten van een plan om te komen tot passende hulp. Ook ouders in een complexe scheiding komen aan tafel. Dit is opvallend, omdat het in veel delen van het land niet lukt.
Een aantal GI’s slaagt erin om de vaste jeugdbeschermer naar de zitting te laten gaan waar de maatregel over een jeugdige wordt uitgesproken, zodat zij direct kennis kunnen maken met het gezin en de volgende stappen met hen kunnen doornemen.
Pagina 18 van 48
3.2
… maar kwetsbaarheid blijft Naast deze positieve ontwikkelingen en mooie voorbeelden zien de inspecties dat de vitale functie van jeugdbescherming zeer kwetsbaar blijft. Op een intensive care is altijd beschikbare ruimte nodig, altijd ook lege bedden voor onverwacht snelle instroom. Voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel mag worden verwacht dat er altijd een jeugdbeschermer beschikbaar is die meteen met hen en met hun gezin aan het werk kan. Niet alle regio’s slagen hierin. In het signalement Jeugdbeschermingsketen in gevaar uit 2019 signaleerden de inspecties dat de kwaliteit en de tijdigheid van de bescherming van een kind dat ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd mede afhankelijk is van de lokale context. Er is ongelijkheid in de bescherming van het kind, afhankelijk van waar hij woont. Deze ongelijkheid tekent zich ook in dit onderzoek van de inspecties af.
3.2.1
Werken met ‘de minimale variant’ Om een jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregel kwalitatief goed en tijdig uit te voeren, heeft een GI nodig dat het personeelsbestand op orde is en ruimte biedt voor onvoorziene situaties. Daarnaast is het belangrijk dat een GI kan investeren in de deskundigheid en het werkplezier van hun medewerkers. Dit vraagt (financiële) bewegingsruimte bij de GI. De meeste GI’s hebben deze bewegingsruimte en overcapaciteit niet. Zodra er een verhoogde instroom is, zijn er moeilijkheden om deze kinderen van een jeugdbeschermer te voorzien. Negen GI’s werkten op het moment van de praktijktoets hierdoor met wachtlijstbeheer, instroomteams, verdeellijsten, of ‘beperkt hulpaanbod’. De inspecties beoordelen het werken met deze ‘minimale varianten’ als niet wenselijk. Het doet geen recht aan de urgentie van de jeugdbeschermingsmaatregel. De inspecties hebben het werken met een ‘minimale variant’ in dit toezicht wel als voldoende beoordeeld, als de jeugdbeschermer daadwerkelijk met het gezin aan de slag gaat, in contact is met het gezin en samen met hen werkt aan een gedragen koers.
Briedis, Jeugdbescherming Brabant, Jeugdbescherming Gelderland, De Jeugd- en Gezinsbeschermers, en het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering zijn er met de jeugdhulpregio’s niet in geslaagd om samen voorwaarden te creëren waardoor elke jeugdige met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers heeft. In Zeeland en Brabant is de situatie na de praktijktoets verder verslechterd als gevolg van het faillissement van Briedis, de beëindiging van het contract van de Zeeuwse gemeenten met Intervence en een tijdelijke opnamestop bij JB Brabant en de William Schrikker Stichting.