CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb6508 Bijlage 1 behorende bij 21bb6513 over Ontwerpbestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 16. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Oude Noorden en Agniesebuurt’.37.316 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

40

Binnen bedrijfsbestemmingen en maatschappelijke bestemmingen zijn laboratoria toegestaan. Voorheen waren binnen deze bestemmingen ook hoog-risico biologische laboratoria zonder meer toegestaan. Dit is vanuit het oogpunt van veiligheid niet wenselijk, daarom zijn hoog-risico biologische laboratoria nu in beginsel niet toegestaan. Daartoe is in de Algemene gebruiksregels in 43.1 een verbodsbepaling opgenomen, zie ook paragraaf 4.3.18 Hoog-risico biologische laboratoria. 4.3.3

Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden, auto-ontsluitingen en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.3.4

Horeca

In de "Horecanota Rotterdam" worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan. Horeca definitie en afbakening Het bedrijfschap Horeca en Catering deelt horeca in vier bedrijfsgroepen in, te weten de drankensector, fastfoodsector, restaurantsector en hotelsector. Voor de definitie van een horecabedrijf zoals in de horecanota bedoeld wordt, is aangesloten bij het begrip 'openbare horeca-inrichting' uit de Rotterdamse APV. Binnen een openbare horeca-inrichting kan een ondernemer verschillende activiteiten ontplooien op het gebied van etenswarenverstrekking, het schenken van (alcoholhoudende) drank en het aanbieden van amusement. Beleidsonderwerpen die wel voor de horecabranche gelden of sterke raakvlakken hebben maar niet binnen de horecanota expliciet beschreven worden, zijn de hotelsector, de kwaliteitseisen ten aanzien van terrassen (nota kwaliteitseisen voor terrassen) en het programma gericht op het tegengaan van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en uitgaansgeweld. Vergunningvrij exploiteren Rotterdam biedt een groot aantal bedrijven, waarbij horeca ondergeschikt is aan de primaire detailhandelfunctie en bedrijven waar het exploiteren van horeca een minimale weerslag heeft op de omgeving, de mogelijkheid om vergunningvrije horeca te exploiteren.

Dit betreft bijvoorbeeld het koffiehoekje in de supermarkt, de bakkerij waar ook een gebakje gegeten kan worden en het restaurant in ouderenhuisvesting. Vergunningvrij betekent dat geen vergunning hoeft te worden aangevraagd en derhalve ook geen leges verplicht zijn. De exploitatie van de volgende inrichtingen kan zonder vergunning plaatsvinden: 1. inrichtingen die geopend zijn tussen 07.00 en 22.00 uur, geen (zwak of sterk) alcoholische drank schenken, geen versterkt geluid ten gehore brengen, geen vergunningplichtig terras exploiteren (gevelzitplaats wel mogelijk) en geen speelautomaten hebben. 2. bedrijfskantines, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik zijn; 3. inrichtingen in musea, crematoria, begraafplaatsen en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering; 4. inrichtingen in ziekenhuizen, ouderenhuisvesting en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend gericht zijn op de bewoners/patiënten en hun bezoekers; 5. horeca in tuincentra en congrescentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering en uitsluitend gericht zijn op hun bezoekers. Exploitatievergunning nodig Voor alle overige inrichtingen, waar horeca de primaire bedrijfsfunctie betreft, is een exploitatievergunning vereist.

De horeca-exploitatievergunning wordt afgegeven voor de inpandige m² alsmede voor de eventuele m² terras en heeft een looptijd van vijf jaar. Voor de beoordeling van de aanvraag van de exploitatievergunning geldt dat het bestemmingsplan van de betreffende locatie leidend is. Of een vergunning wordt toegewezen, hangt daarnaast onder andere af van afwegingen die ten aanzien van het beleid worden gemaakt (horecagebiedsplannen). Daarnaast wordt beoordeeld of het pand bouwtechnisch en geluidstechnisch geschikt is voor de door de ondernemer aangevraagde

41

activiteiten. Voor het proces en vereisten van de vergunningverlening wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van de horecanota 2012-2016. Terrassen Binnen de bestemmingen Verkeer - Verblijfsgebied en Verkeer - Wegverkeer zijn tevens terrassen toegestaan ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming. 4.3.5

Hotels

Hotels vallen niet onder horeca, maar zijn alleen toegestaan binnen de bestemming Hotel. De twee hotels aan de Schiekade, aan beide kanten van de Roo-Valkstraat, hebben deze bestemming gekregen. Onder een hotel wordt verstaan: Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 4.3.6

Leidingen

In het plangebied is een planologisch relevante hoogspanningsleiding gelegen. Het bestemmingsplan gebruikt ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder. Tevens zijn in het plan meerdere belangrijke transportleidingen voor drinkwater gelegen. 4.3.7

Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn. In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk - 1" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie. In de bestemming "Maatschappelijk - 2" zijn alleen de niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. 4.3.8

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het

42

geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc.

Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.3.9

Seksinrichtingen

Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat. Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob. Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan.

Binnen dit bestemmingsplan zijn twee seksinrichtingen met vergunning aanwezig. Het gaat om Zaagmolenstraat 84b en Benthuizerstraat 45b. In de regels is opgenomen dat deze seksinrichtingen zijn toegestaan. 4.3.10 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar

43

regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat. Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn. 4.3.11 Uitsterfregeling belwinkels De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig gebied als problematisch ervaren. Voor belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat deze dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd. Daarom is het beleid gericht op het beperken van het aantal belwinkels in Rotterdam. Net als in de vorige bestemmingsplannen maakt dit bestemmingsplan belwinkels alleen mogelijk op de adressen waar deze nu aanwezig zijn. Bij deze adressen is op de verbeelding de nadere aanduiding 'belwinkel' opgenomen.

Het gaat om de volgende adressen: -

Bergweg 270;

-

Bergweg 280;

-

Bergweg 300;

-

Zwaanshals 266;

-

Zwart Janstraat 45B

4.3.12 Verkeers- en verblijfsgebied De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen. De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.3.13 Voorzieningen van openbaar nut Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3. In dit bestemmingsplan is een aantal voorzieningen van openbaar nut als "Bedrijf - Nutsvoorziening" bestemd.

44

4.3.14 Water, waterstaat en waterkeringen De Noordsingel en de Karnemelksehaven hebben de bestemming Water - 1 gekregen. De bestemming Water - 2 is gebruikt voor het Noorderkanaal en de Rotte, omdat dit water onderdeel uitmaakt van het provinciale netwerk van recreatieve vaarwegen. Een belangrijk verschil tussen deze bestemmingen is dat in Water - 2 bruggen alleen zijn toegestaan waar dit met een functieaanduiding is aangegeven. De onderhoudstroken langs de hoofdwatergangen, waarop de Keur van het Hoogheemraadschap van toepassing is, zijn met een dubbelbestemming Waterstaat - Waterstaatkundige functie op de verbeelding aangegeven. De regionale waterkering langs de Rotte is op de verbeelding aangegeven met een dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (artikel 67 lid 11) is het verboden (behoudens ontheffing) bouwwerken op te richten of houtgewassen te planten binnen een strook van 5 meter (gemeten vanuit de insteek van het talud) langs hoofdwatergangen respectievelijk boezemwatergangen, ten behoeve van het onderhoud van genoemde watergangen.

Een belanghebbende met bouwvoornemens in een keurstrook (zoals aangegeven op de verbeelding) wordt geadviseerd om contact op te nemen met genoemd hoogheemraadschap over antwoord op de vraag of voor het bouwproject in kwestie ontheffing verleend kan worden van het bouwverbod in de Keur. Voor de uitvoering van werken binnen de voor Waterstaat - Waterkering bestemde zone zoals aangegeven op de verbeelding, is onverminderd de bepalingen van het bestemmingsplan terzake, vergunning vereist van het Hoogheemraadschap. 4.3.15 Woonschepen Aan het Gordelpad liggen in het Noorderkanaal verschillende woonschepen. De woonschepen zijn mogelijk gemaakt binnen de bestemming Water - 2. De zone waar de woonschepen mogen liggen heeft op de verbeelding de functieaanduiding 'woonschepenligplaats' gekregen. De aangrenzende tuinen vallen in de bestemming Tuin - 2. Op grond van jurisprudentie moeten woonschepen als bouwwerk worden aangemerkt. Het Rijk is bezig met de voorbereiding van wetgeving om deze jurisprudentie in wettelijke regels om te zetten. De 'Wet verduidelijking voorschriften woonboten' (die naar verwachting binnenkort in werking treedt) geeft aanleiding om een aantal regels in het bestemmingsplan op te nemen. Met de regels is aansluiting gezocht met aangrenzende (vastgestelde) bestemmingsplannen.

Het opnemen van een regeling voor woonschepen is geen nieuwe ontwikkeling, maar slechts een planologische regeling. Die regeling is nodig omdat enerzijds woonschepen als bouwwerk moeten worden aangemerkt en anderzijds de gemeentelijke regelingen inzake woonschepen zijn komen te vervallen. In aansluiting op de regels van omliggende bestemmingsplannen geldt voor het maximale oppervlak van een woonschip 140 m2 en de maximale bouwhoogte 6 meter. Zowel binnen de tuin- als waterbestemming is in totaal één bijgebouw tot 20 m² per woonschip toegestaan. Bebouwing die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezig is en deze maten overschrijdt mag in stand blijven. Wordt deze bebouwing gesloopt, dan dient de nieuwe bebouwing te voldoen aan de hierboven genoemde regels. Erfafscheidingen bij woonschepen De woonschepen liggen direct aangemeerd aan het Gordelpad. Het Gordelpad is openbaar toegankelijk gebied. De gemeente wenst een verdere verdichting met wandwerking langs dit openbaar toegankelijk gebied, het Gordelpad, tegen te gaan. Daarom bedraagt de bouwhoogte van een erfafscheiding maximaal 1 meter. Erfafscheidingen die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan legaal aanwezig waren en niet aan de deze norm voldoen, mogen in stand mogen totdat deze worden gesloopt, en ter plaatse een nieuwe erfafscheiding wordt opgericht.

De bouwhoogte van de nieuwe erfafscheiding dient te voldoen aan de norm van maximaal 1 meter bouwhoogte.

45

4.3.16 Wonen De bestemming Wonen geldt voor grote delen van de woongebieden van het Oude Noorden en Agniesebuurt. De bestemming maakt geen onderscheid tussen gestapelde en niet-gestapelde of eengezinswoningen. Op een aantal locaties zijn binnen de bestemming ook andere functies toegestaan. Deze zijn met aanduidingen op de verbeelding weergegeven. Daar waar het karakter van de buurt een meer gemengde functie heeft, bijvoorbeeld langs de doorgaande wegen of het winkelgebied, wordt vaker de bestemming Gemengd gebruikt. 4.3.17 Werken aan huis In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

4.3.18 Hoog-risico biologische laboratoria Op basis van de parapluherziening Biologische Veiligheid zijn hoog-risico biologische laboratoria vanuit het oogpunt van veiligheid gereguleerd. Het gaat daarbij om hoog-risico biologische laboratoria die onder de werking van het bij dit plan als bijlage bij de regels gevoegde “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond” vallen en genoemd zijn in artikel 4.4 onder k, categorie 4, onderdeel C van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. In de algemene gebruiksregels, art 43.1 onder a is daartoe een verbodsbepaling opgenomen. Wanneer er gewerkt wordt met genetisch gemodificeerde organismen zijn dat alle categorieën van fysische inperking op inperkingsniveaus III en IV, zoals genoemd in Bijlage 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Kort gesteld zijn het laboratoria met biologische veiligheidsklasse 3 of hoger. Na nadere afweging is het wel mogelijk om een hoog-risico laboratorium toe te staan. Op grond van art 45.3 onder kunnen burgemeester en wethouder hiervan met een omgevingsvergunning afwijken. Bij de afweging wordt een advies van de GGD/VRR betrokken. Deze instanties geven een advies op basis van het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond”.

Aan de hand van het beleidskader kan worden beoordeeld of de risico's van een hoog-risico biologisch laboratorium voldoende beheersbaar zijn bij calamiteiten en of een hoog-risico biologisch laboratorium al dan niet wenselijk is op de voorgenomen locatie. Benadrukt wordt dat de verbodsbepaling alleen betrekking heeft op nieuwe hoog-risico laboratoria in de zin van nieuwvestiging of een uitbreiding van een bestaand hoog-risico laboratorium. Binnen het plangebied zijn geen hoog-risico laboratoria aanwezig.

46

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2

Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3

Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het Oude Noorden en Agniesebuur is het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

47

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Aan de noordkant en oostkant van het plangebied ligt boezemwater, het Noorderkanaal en de Rotte. Ook de met de Rotte in verbinding staande Karnemelksehaven in het zuiden van het plangebied is boezemwater. In de wijken OudeNoorden en Agniesebuurt is er geen oppervlaktewater. Tussen deze wijken ligt de Noordsingel, die samen met de Bergsingel een hoofdwaterloop vormt. Vanuit het Noorderkanaal wordt water de singel ingelaten, en met een gemaal op het Noordplein wordt water uit de singel naar de Rotte gepompt. 5.3.2

Grondwater

Er liggen grondwaterpeilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij vrijwel elke peilbuis groter dan de vereiste 0,80 meter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Er zijn soms klachten over wateroverlast, maar er is geen verband tussen deze klachten en de ontwateringsdiepte. Verspreid over het grootste deel van het plangebied komen panden met houten paalfunderingen voor. Als het grondwater te laag staat is er bij deze funderingen risico op paalrot. 5.3.3

Waterkering

Langs het Noorderkanaal en de Rotte/Karnemelksehaven zijn boezemkades gelegen (regionale waterkeringen). De waterkeringen zelf zijn bestemd met de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' gekregen, en de beschermingszones aan weerszijden van de waterkeringen zijn voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. 5.3.4

Riolering

Het bestemmingsplangebied valt bijna helemaal (behalve de zuidoosthoek) binnen rioleringsdistrict 6 Noorden. In het plangebied ligt een gemengd stelsel, wat betekend dat het huishoudelijk afvalwater samen met het regenwater via rioolgemaal Noordplein afgevoerd wordt naar de afvalwaterzuivering Kralingseveer. Vanwege het sterk verharde karakter van het plangebied wordt vrijwel alle neerslag via het rioolstelsel afgevoerd. Het gebied is gevoelig voor grote neerslagpieken. Bij hevige neerslag kan het rioolwater via een koppelleiding naar district 9 afvoeren. Ook kan een neerslagoverschot via een overstortbemaling rechtstreeks naar de Nieuwe Maas worden afgevoerd. Binnen het plangebied zijn langs de Noordsingel vier vuilwateroverstorten aanwezig.

48

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

Op acht locaties waar nu geen bebouwing aanwezig is maakt het bestemmingsplan nieuwbouw van woningen mogelijk. Vier van deze locaties zijn (bijna) geheel verhard, de andere vier locaties zijn (bijna) geheel onverhard. Als onverhard terrein wordt verhard of bebouwd dan neemt de mogelijkheid voor regenwater om de bodem in te gaan af. De kans op wateroverlast bij hevige neerslag neemt daardoor toe. Om de kans op wateroverlast niet te laten toenemen moeten ontwikkelingen die voor een toename van verhard oppervlak zorgen in principe voor compensatie zorgen in de vorm van extra oppervlaktewater.Voor het plangebied geldt dat de hoeveelheid oppervlaktewater die als compensatie moet worden gerealiseerd 5% moet zijn van de toename van verhard oppervlak. Voor verhardingstoenames kleiner dan 500 m2 is de aanleg van watercompensatie niet nodig. Drie van de acht nieuwbouwlocaties zorgen als deze worden ontwikkeld voor meer dan 500 m2 toename van verharding: Hartenruststraat (1.056 m2), Wolstraat (2.136m2) en Jensiusstraat 54-60 (556 m2). Als er concrete bouwplannen zijn voor deze locaties dan moet de initiatiefnemer in overleg treden met het hoogheemraadschap over de watercompensatie. 5.4.2

Grondwater

Vanwege de kleine toename van het verhard oppervlak worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterveiligheid Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkering (langs de Nieuwe Maas). Deze primaire waterkering is ontworpen om een waterhoogte te keren met een terugkeertijd van gemiddeld eens per 100.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks (bij een dijkdoorbraak) zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire waterkering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied bij een dijkdoorbraak zal overstromen, waarbij de waterstand op het maaiveld kan oplopen tot circa 1,20 meter. Bij deze overstromingsdiepte is er kans op slachtoffers, en is bij een overstroming evacuatie noodzakelijk. 5.4.4

Riolering

Afvalwater De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van vooral het aantal woningen en een afname van winkels, kantoren, bedrijven, scholen en andere functies. Omdat woningen voor aanzienlijk meer afvalwater zorgen dan de andere functies krijgt het riool er bij volledige omzetting naar woningen een flinke hoeveelheid afvalwater meer te verwerken. Maar een transformatie van andere functies naar woningen zal geleidelijk gaan, en lang niet op alle plekken waar dit mogelijk is gemaakt. Problemen met de capaciteit van het rioolstelsel zijn daarom niet te verwachten.

49

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1

Plangebied

Binnen de gemengde bestemmingen is (meestal alleen op de begane grond) verandering van functies mogelijk. Bij 'Gemengd - 1' kan dit ook om transformatie van niet-woonfuncties naar woningen en vice versa gaan. Bij maximale transformatie naar woningen kunnen er 1.180 woningen bijkomen in plaats van andere functies. Ook maakt het bestemmingsplan nieuwbouw van circa 100 woningen mogelijk op zes locaties verspreid over het plangebied. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd.

Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Het college heeft, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een

50

m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie hieronder), vanwege het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt geen grote negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit ligt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan als afzonderlijk besluit ter inzage, en is als bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.

Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën).

Motivering: Het bestemmingsplan maakt nieuwbouw van en transformatie naar woningen mogelijk. Bij transformatie naar woningen zal het aantal verkeersbewegingen (en daarmee het effect op het milieu) ongeveer gelijk blijven, omdat sommige huidige functies minder verkeer genereren dan woningen (zoals bedrijven en kantoren) en andere huidige functies voor aanzienlijk meer verkeersbewegingen dan woningen zorgen (zoals detailhandel en horeca). Het aantal nieuwe woningen dat wordt toegevoegd is (met 100 woningen op 6 locaties) beperkt. Momenteel vinden in de omgeving alleen vergelijkbare kleine woningbouwontwikkelingen plaats. Omdat in het plangebied en de omgeving sprake is van een beperkte toename van verkeersbewegingen verdeeld over een groot aantal wegen is van een significante cumulatie geen sprake. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen is niet aan de orde bij de nieuwe woningen, evenmin is er sprake van grootschalige verontreiniging. Andere vormen van hinder zijn niet aan de orde en ook van een toename van risico op ongevallen is geen sprake. 2.

Plaats van het project (de kwetsbaarheid van het miieu in het gebied waarop het project effect kan hebben), bijvoorbeeld een natuurgebied.

Motivering: De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas en Boezems Kinderdijk, beiden op circa 9 km afstand tot het bestemmingsplangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van tenminste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreffen de gebieden Nieuwkoopse Plassen & De Haek, de Biesbosch en Solleveld & Kapittelduinen). De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000 gebieden. Dit blijkt uit de berekening van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, vanwege de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen (zie paragraaf 6.8.2). Het resultaat van de berekening is dat er geen bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden is van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar (oftewel geen significante bijdrage). Het meest nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, op circa 1 kilometer ten zuiden van het bestemmingsplangebied. Het meest nabijgelegen Belangrijk Weidevogelgebied is Polder Schieveen, op circa 4,4 kilometer ten noordwesten van het bestemmingsplangebied. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze NNN-gebieden.

Daarvoor zijn deze ontwikkelingen te beperkt van omvang en liggen ze op te grote afstand van deze gebieden. 3.

Kenmerken van het potentiele effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid).

Motivering: Er worden geen (grote) negatieve effecten op het milieu verwacht. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Het bestemmingsplan zorgt niet voor een significante toename van verkeer, en draagt daarmee ook niet in betekenende mate bij aan een toename van geluid en luchtverontreiniging. Het bestemmingsplan leidt niet tot een verandering ten opzichte van de huidige situatie bij bodemverontreiniging en externe veiligheid. Ook zijn op voorhand geen significante effecten op beschermde soorten te verwachten.

51

Conclusie Uit de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen (grote) negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet noodzakelijk.

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1

Plangebied

Bedrijven in of nabij het plangebied Het Oude Noorden en de Agniesebuurt worden in de Rotterdamse systematiek voor milieuzonering getypeerd als gemengd woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Dit zijn eveneens activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking en het gegeven dat deze bedrijven soms gebruik gaan maken van het verblijfsgebied worden deze bedrijven niet als passend in een woonwijk gezien. Daarom hebben de huidige bedrijven die deze activiteiten uitoefenen een maatbestemming gekregen, en zijn nieuwe bedrijven niet toegestaan. Bedrijven in milieucategorie 3 (of hoger) zijn in het plangebied niet aanwezig en worden niet toegestaan.

Er is nergens in het plangebied een plek aanwezig waar bedrijven in milieucategorie 3 een redelijke afstand tot woningen kunnen hebben. Op het adres Zaagmolenkade 117 is een bierbrouwerij gevestigd (Brouwerij Noordt). Een bierbrouwerij valt onder milieucategorie 4.2. Gezien de beperkte omvang van deze brouwerij is echter bij de vergunningverlening in 2014 door de milieudeskundige aangegeven dat deze activiteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met een bedrijf in milieucategorie 2. Op het adres Vijverhofstraat 68-70 is een koffiebranderij gevestigd (Man met bril koffie). Een koffiebranderij (van gemiddelde omvang) valt vanwege geurhinder onder milieucategorie 5.1. Gezien de

52

beperkte omvang van deze koffiebranderij is echter bij de vergunningverlening in 2016 door de milieudeskundige aangegeven dat deze activiteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met een bedrijf in milieucategorie 2. In het Zomerhofkwartier, dat niet in het bestemmingsplan wordt meegenomen, staat het geldende bestemmingsplan Agniesebuurt bedrijven in milieucategorie 3.2 toe. De locaties waar het nieuwe bestemmingsplan transformatie naar woningen mogelijk maakt liggen op meer dan 50 meter afstand van de bestemmingen waar bedrijven in milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. Dit wordt in gemengd gebied als een acceptabele afstand gezien. Er zijn verder buiten het plangebied geen bedrijven gelegen die van invloed zijn op ontwikkelingslocaties in het plangebied. Overige activiteiten in of nabij het plangebied Sporthal De Snelleman aan de Woelwijkstraat wordt gezien als een activiteit in milieucategorie 3.1. In gemengd gebied wordt een afstand van 30 meter als een acceptabele afstand gezien tussen een activiteit in milieucategorie 3.1 en woningen. Op de begane grond aan Het Zwaanshals is transformatie naar woningen mogelijk binnen 30 meter vanaf de sporthal. De sporthal is echter ontworpen als een geheel met woningen aan twee kanten, en is dus goed geïsoleerd.

Een onacceptabele overlast op de mogelijke nieuwe woningen ( waarboven thans woningen zijn gelegen) wordt daarom niet verwacht. 6.3.2

Conclusie

In Oude Noorden en Agniesebuurt en in de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt staat op een groot aantal locaties woningen toe waar deze nu niet aanwezig zijn. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het

53

opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het gaat in veruit de meeste gevallen alleen om de begane grond van bestaande bebouwing, waar nu bijvoorbeeld winkels, kantoren of bedrijven aanwezig zijn. Deze locaties zijn met rood op de onderstaande kaart aangegeven (locatie 194 is de enige locatie waar het om 2 bouwlagen gaat). Bij geel gaat het om 3 bouwlagen, blauw is 4 bouwlagen, groen 5 bouwlagen en bij paars gaat het om 9 bouwlagen.

6.4.1

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

54

Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied

Stedelijk- -gebied

Aantal rijstroken

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

Zonebreedte

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 decibel (dB). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (snelwegen worden altijd als buitenstedelijk gezien) en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. De geluidswetgeving kent het begrip 'vervangende nieuwbouw'. Bij vervangende nieuwbouw kan voor binnenstedelijke wegen een 5 dB hogere geluidsbelasting op de gevel worden toegestaan dan bij nieuwbouw, bij buitenstedelijke wegen kan een 10 dB hogere geluidsbelasting worden toegestaan. De reden voor deze hogere geluidsbelastingen is dat bij terugbouwen op (ongeveer) dezelfde plek de afstand en oriëntatie t.o.v. de geluidsbron (bv. de weg) vastliggen, zodat de geluidsbelasting op de gevel moeilijker kan worden teruggebracht. Voor vervangende nieuwbouw gelden de aanvullende eisen dat vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur óf een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden. Bij het wijzigen van een niet-geluidsgevoelige functie (bv.

een winkel of bedrijf), dat op de begane grond is gelegen van een gebouw met daarboven en vaak ook daarnaast woningen, naar een woning is sprake van vervangende nieuwbouw. De situering t.o.v. de geluidsbron kan niet veranderen, de stedenbouwkundige functie of structuur wordt niet ingrijpend gewijzigd en er is geen sprake van een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden. Dit laatste blijkt uit het feit dat het aantal nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt slechts een klein percentage is van het totale aantal woningen in het plangebied. Bovendien is de gemiddelde woningbezetting in de afgelopen decennia gedaald. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd (Onderzoek Geluid). Ook zijn er aanvullende onderzoeken uitgevoerd naar locatie 159 (meer bouwlagen), locatie 193 en locatie 194 (nieuwe locaties). Deze drie oplegnotities zijn eveneens als bijlage opgenomen. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn aangegeven in de onderstaande tabel. Er zijn in totaal 194 locaties onderzocht. Niet alle locaties die zijn onderzocht hebben een bestemming gekregen die wonen (of een andere geluidsgevoelige bestemming) toestaat.

Het gaat hierbij om locaties waarvan nog niet duidelijk is of, danwel onder welke voorwaarden, realisatie van woningen wenselijk is. Deze locaties zijn niet in de tabel opgenomen, het gaat om de volgende locaties: 8, 15, 16, 38, 90, 132, 165, 168, 169, 170 en 183. Bij de meeste locaties gaat het om vervangende nieuwbouw. Bij de locaties waarbij het om nieuwbouw gaat is dit met een * achter het locatienummer aangegeven. Tabel Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige objecten per zoneplichtige weg Locatie

Weg

Hoogte rekenpunt [m]

Hoogste berekende Hogere geluidsbelasting (dB) waarde (dB)

1.

Schiekade

1,5

63

63

2.

Schieweg Schiekade Bergweg

1,5 1,5 1,5

55 64 65

55 64 65

3.

Schieweg Schiekade Bergweg

1,5 1,5 1,5

50 51 52

50 51 52

4.

Bergweg

1,5

65

65

55

5.

Bergweg

1,5

64

64

6.

Bergweg

1,5

63

63

7.

Bergweg Noordsingel (tram)

1,5 1,5

63 55

63 55

9.

Noordsingel (tram)

1,5

57

57

10.

Noordsingel (tram)

1,5

57

57

11.

Noordsingel (tram)

1,5 4,5 7,5 10,5

57 58 57 57

57 58 57 57

12, t/m 14.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

17.

Schiekade

1,5

64

64

18 t/m 20

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

21.

Noordsingel (tram)

1,5

53

53

22.

Noordsingel (tram)

1,5

51

51

25.

Noordsingel (tram)

1,5

53

53

26.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

27.

Noordsingel (tram)

1,5 4,5 7,5

52 53 53

52 53 53

28.

Noordplein Noordsingel (tram)

1,5 1,5

56 57

56 57

29.

Noordsingel (tram)

1,5

56

56

30.

Noordsingel (tram)

1,5

56

56

31.

Noordsingel (tram)

1,5

56

56

32.

Noordsingel (tram)

1,5

54

54

33 en 34.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

36.

Noordplein

1,5

56

56

37 t/m 50 (37* en 40*)

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

51.

Noordsingel (tram)

1,5

58

58

52.

Bergweg Noordsingel (tram)

1,5 1,5

52 56

52 56

53.

Bergweg Noordsingel (tram)

1,5 1,5

57 56

57 56

54.

Bergweg

1,5

66

66

55.

Bergweg

1,5

65

65

56.

Bergweg

1,5

65

65

57.

Bergweg Rodenrijselaan

1,5 1,5

65 51

65 51

58.

Bergweg

1,5

65

65

56

59.

Bergweg

1,5

65

65

60

Bergweg

1,5 4,5 7,5

52 53 54

52 53 54

61 t/m 68

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

Zaagmolenstraat

1,5

51

51

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

Zaagmolenstraat

1,5

53

53

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

88.

Zaagmolenstraat Benthuizerstraat

1,5 1,5

53 50

53 50

89.

Zaagmolenstraat

1,5 4,5 7,5 10,5 1,5 4,5 7,5 10,5

49 51 51 51 47 48 49 49

49 51 51 51 geen geen 49 49

69. 70 en 71. 72. 73 t/m 87.

Benthuizerstraat

91.

Zaagmolenstraat

1,5

51

51

92.

Noordplein Linker Rottekade

1,5 1,5

49 55

49 55

93.

Linker Rottekade Zaagmolendrift

1,5 1,5

56 53

56 53

94.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

95.

Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5

62 57

62 57

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

99.

Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5

61 66

61 66

100.

Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5

63 58

63 58

101.

Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5

60 66

60 66

-

< of gelijk aan 48

geen

96 t/m 98.

102 t/m 104. alle wegen 105.

Rijksweg A20

1,5

53

53

106.

Rijksweg A20 Zaagmolenstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

50 64 65

50 64 65

107.

Zaagmolenstraat Benthuizerstraat

1,5 1,5

64 57

64 57

108.

Zaagmolenstraat Benthuizerstraat

1,5 1,5

67 54

67 54

109 t/m 112. Zaagmolenstraat

1,5

67

67

57

113.

Zaagmolenstraat

1,5

66

66

114 t/m 118. Zaagmolenstraat

1,5

67

67

119.

Zaagmolenstraat

1,5

66

66

120.

Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5

51 67

51 67

121.

Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5

52 66

52 66

122.

Linker Rottekade Crooswijksestraat Zaagmolendrift Zaagmolenstraat

1,5 1,5 1,5 1,5

51 50 67 57

51 50 67 57

-

< of gelijk aan 48

geen

Zaagmolenstraat

1,5

49

49

131 en 132.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

133.

Bergweg

1,5

65

65

134.

Rijksweg A20 Zaagmolenstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

52 63 64

52 63 64

135.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

52 64

52 64

136.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

50 64

50 64

137.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

51 64

51 64

138.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

51 64

51 64

139.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

51 64

51 64

140.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

50 49

50 49

141.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat

1,5 1,5

50 51

50 51

142.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

143.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

52 63 61

52 63 61

144.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

51 63 54

51 63 54

145.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

51 63 51

51 63 51

124 t/m 129. alle wegen (124*) 130.

58

146.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

50 63 49

50 63 49

147.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

50 62 51

50 62 51

148.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat

1,5 1,5

50 63

50 63

149.

Benthuizerstraat

1,5

62

62

150.

Zaagmolenstraat Benthuizerstraat

1,5 1,5

67 63

67 63

151.

Zaagmolenstraat

1,5 4,5 7,5 10,5 1,5 4,5 7,5 10,5

64 < 48 < 48 < 48 63 56 56 56

64 geen geen geen 63 56 56 56

Benthuizerstraat

152.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

153.

Rijksweg A20

1,5

49

49

154.

Rijksweg A20

1,5

49

49

155.*

Rijksweg A20

1,5 4,5 7,5

48 50 53

geen 50 53

-

< of gelijk aan 48

geen

1,5 4,5 7,5 10,5 13,5 16,5 1,5 4,5 7,5 10,5 13,5 16,5 1,5 4,5 7,5 10,5 13,5 16,5

50 52 52 52 52 52 51 51 52 52 52 53 49 50 51 51 51 51

50 52 52 52 52 52 51 51 52 52 52 53 49 50 51 51 51 51

156 t/m 158. alle wegen (158*) 159.*

Zaagmolendrift

Linker Rottekade

Crooswijksestraat

160.*

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

161.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

52 57 65

52 57 65

59

162.

Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg

1,5 1,5 1,5

52 50 66

52 50 66

163.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

52 66

52 66

164.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

52 66

52 66

166.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

51 64

51 64

167.

Rijksweg A20

1,5

51

51

171.

Rijksweg A20

1,5

50

50

172.

Rijksweg A20

1,5 4,5 7,5

53 56 57

53 56 57

173.

Rijksweg A20

1,5

52

52

174.

Rijksweg A20

1,5

56

56

175.

Rijksweg A20

1,5

57

57

176.

Rijksweg A20

1,5

58

58

177.

Rijksweg A20

1,5

57

57

178.

Rijksweg A20

1,5

51

51

179.

Rijksweg A20 Bergweg

1,5 1,5

51 53

51 53

180.

Rijksweg A20

1,5

51

51

181.

Rijksweg A20

1,5

51

51

182.

Rijksweg A20

1,5 4,5 7,5 10,5

52 53 56 58

52 53 56 58

184.

Rijksweg A20

1,5

51

51

185.

Rijksweg A20

1,5

51

51

186.

Rijksweg A20

1,5

52

52

187.

Rijksweg A20

1,5

50

50

188.

Rijksweg A20

1,5

52

52

189.

Rijksweg A20

1,5

53

53

190.

Rijksweg A20

1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5

53 56 57 47 49 49

53 56 57 geen 49 49

Gordelweg

191.

Rijksweg A20

1,5

50

50

192.

alle wegen

-

< of gelijk aan 48

geen

60

193.*

Rijksweg A20

Bergweg

194.

Zaagmolenstraat

1,5 4,5 7,5 10,5 1,5 4,5 7,5 10,5

52 53 57 58 45 46 48 49

52 53 57 58 geen geen geen 49

1,5 4,5

67 67

67 67

Rijksweg A20 Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op 50 locaties de geluidsbelasting vanaf de Rijksweg A20 hoger is dan de voorkeurswaarde (48 dB). De maximaal toelaatbare geluidbelastingen van snelwegen op vervangende nieuwbouw (63 dB) wordt daarbij niet overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen van snelwegen op nieuwbouw (53 dB) wordt bij locatie 193 op de bovenste twee lagen aan de achterzijde overschreden. Omdat het bij deze locatie echter om één woning gaat, en omdat het toepassen van dove gevels bij de derde en vierde bouwlaag aan de achterzijde onwenselijk is, worden bij locatie 193 ook de norm van maximaal 63 dB voor vervangende nieuwbouw toegepast. Stedelijk e wegen Op 92 locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere stedelijke wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor vervangende nieuwbouw (68 dB) wordt niet overschreden. 30 km/uur wegen Voor 30 km/uur wegen geldt geen toetsingsplicht aan de normen van de Wet geluidhinder. Dit omdat door de lagere rijsnelheid de geluidsbelasting vanaf deze wegen al is beperkt. De geluidsbelasting vanaf 30 km/uur wegen is echter wel van belang bij de afwegingen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Daarom is bij de relevante 30 km/uur wegen (met ten minste 800 motorvoertuigen per etmaal) die direct langs de nieuwe situaties liggen de geluidsbelasting op de gevel berekend. De volgende wegen zijn relevante 30 km/uur wegen: de Noordsingel (m.u.v. de tram), 3e Pijnackerstraat, 1e Pijnackerstraat, Benthuizerstraat (deel ten zuiden van de Zaagmolenstraat), Jacob Catsstraat, Soetendaalsekade, Soetendaalseweg, Soetendaalseplein, Teilingerstraat, Zaagmolenkade, Zomerhofstraat, Zwaanshals, Banierstraat, Wateringhestraat en Vrouw Jannestraat. De meeste locaties hebben naast de geluidsbelasting van zoneplichtige wegen ook te maken met de geluidsbelasting vanaf een 30 km/uur weg. In veruit de meeste gevallen gaat het om een lage geluidsbelasting, die onder of iets boven de voorkeurswarde van 48 dB ligt. Op een aantal locaies is de geluidsbelasting vanaf een 30 km/uur weg 57 á 60 dB. Overal is de geluidsbelasting lager dan de geluidsbelasting van zoneplichtige wegen, en is deze acceptabel bij woningen in een stadswijk. De geluidsbelasting vanaf 30 km/uurwegen zorgt daarom niet voor een andere afweging, dan bij de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige wegen.

61

6.4.2

Railverkeer

De spoortrajecten ten zuiden en aan de noordkant van het plangebied zijn aangegeven op de landelijke Geluidplafondkaart. Het spoor aan de noordkant heeft een toetsingszone van maximaal 600 meter vanaf het spoor. Bij nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze zone moet de geluidsbelasting op de gevel worden berekend. Het bestemmingsplan maakt op 40 locaties binnen deze zone nieuwe woningen mogelijk. De toetsingszone van het spoor ten zuiden van het plangebied is maximaal 300 meter vanaf het spoor. Hier wordt 1 nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Bij deze 41 locaties is de geluidsbelasting van het treinverkeer op de gevels berekend. Hieruit blijkt dat nergens de voorkeurswaarde van 55 dB, die geldt voor railverkeerslawaai op woningen, wordt overschreden. Railverkeerslawaai vormt dus geen belemmering voor het bestemmingsplan, en er hoeven geen hogere toegestane geluidsbelastingen voor te worden vastgesteld. In de onderstaande conclusie wordt alleen ingegaan op wegverkeerslawaai. 6.4.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=ff3cf6cd-fa19-4f8a-97f4-546a15490e0e