21bb6230 Bijlage 1 behorende bij 21bb6218 over Ontwerpbestemmingsplan Tweebosbuurt Zuid-Oost
Tekst van het document
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN TWEEBOSBUURT ZUID-OOST
26 januari 2021
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN TWEEBOSBUURT ZUID-OOST
concept ontwerp ontwerp vaststelling
2 juli 2020 26 januari 2021
direct
pers
creatief
oonli
jk vlot
betrokken atisch
pragm
kundig
held
er
dyna
misc
h
BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl
INHOUDSOPGAVE I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.
2.
3.
4.
INLEIDING........................................................................................................................... 11 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................... 11
1.2
Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11
1.3
Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11
1.4
Gekozen planopzet ................................................................................................................. 13
BELEIDSKADER .................................................................................................................... 15 2.1
Nationaal beleid ...................................................................................................................... 15
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 17
2.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 19
2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 21
BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................. 23 3.1
Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 23
3.2
Projectbeschrijving ................................................................................................................. 24
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................... 27 4.1
Water ...................................................................................................................................... 27
4.2
Milieuzonering ........................................................................................................................ 29
4.3
Geluid ...................................................................................................................................... 30
4.4
Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 31
4.5
Externe veiligheid ................................................................................................................... 32
4.6
Bodem ..................................................................................................................................... 33
4.7
Archeologie ............................................................................................................................. 33
4.8
Flora en fauna ......................................................................................................................... 34
4.9
Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 36
4.10 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 37 5.
6.
JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................ 39 5.1
Inleiding .................................................................................................................................. 39
5.2
De opzet van de planregels..................................................................................................... 39
UITVOERBAARHEID ............................................................................................................. 43 6.1
Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 43
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 43
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
-9-
- 10 -
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding De gemeente Rotterdam heeft overeenstemming bereikt met Vestia over de herontwikkeling van de Tweebosbuurt. De vernieuwing van de Tweebosbuurt is noodzakelijk omdat de woningen verouderd zijn en niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd. De herontwikkeling is grotendeels mogelijk binnen de ruimte die het bestemmingsplan “Afrikaanderwijk” biedt. Voor een aantal delen geldt echter dat een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Het betreft hier onder andere de ontwikkeling van de twee meest zuidelijke woonblokken, die bekend staan onder R en P3. Dit document voorziet in een herziening van het bestemmingsplan voor deze blokken.
1.2
Ligging en begrenzing Het plangebied betreft het meest zuidelijke deel van de Tweebosbuurt, nabij de kruising van de Hilledijk en de Putselaan. Beide vormen, tezamen met de Tweebosstraat en de Martinus Steijnstraat ook de grens van het plangebied.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).
1.3
Vigerend bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich geheel binnen het bestemmingsplan “Afrikaanderwijk”. Dit bestemmingsplan is op 16 augustus 2011 vastgesteld door de gemeenteraad en onherroepelijk sinds 28 februari 2012. Binnen het plangebied bevinden zich nu de bestemmingen ‘Wonen - 1’, ‘Gemengd - 1’, ‘Groen’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Zowel de begrenzing van deze bestemmingen als de inhoudelijke juridische regeling, is gericht op de bestaande situatie. Daarmee is sprake van een conserverend bestemmingsplan, al is de locatie ook voorzien van een aanduiding ‘Wijzigingsgebied - 4’ die B&W de mogelijkheid biedt de stedenbouwkundige situatie te wijzigen. De wijzigingsvoorwaarden zijn echter niet toereikend voor de gewenste nieuwe situatie.
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 11 -
De bestemming ‘Wonen - 1’ is in hoofdzaak bedoeld voor al dan niet gestapelde woningen, plat afgedekt (met de daarbij behorende inpandige bergingen / garageboxen). De woningen mogen bestaan uit maximaal vier bouwlagen. Wat betreft het gebruik van de woningen zijn bedrijven aan huis toegestaan, mis de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. De panden die gelegen zijn aan de zijde van de Putselaan (het uiterste zuiden van het plangebied), zijn voorzien van de bestemming ‘Gemengd - 1’. Ook deze panden zijn bestemd voor woningen (tot maximaal vier bouwlagen), maar hier zijn ook bedrijven (t/m categorie 1), detailhandel, kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. De bestemming is daarmee ruimer dan de woonbestemming. Beide bestemmingen tezamen zijn gelegen rond een binnenterrein wat is voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Zoals deze bestemming reeds aangeeft zijn deze gronden in hoofdzaak bedoeld voor het gebruik als tuin. De bouwmogelijkheden zijn hier zeer beperkt. Wel zijn hier aan- en uitbouwen toegestaan tot maximaal 3 meter diep en een hoogte die is beperkt tot het vloerniveau (+30 cm) van de eerste verdieping. Verder zijn uitstekende delen aan gebouwen toegestaan, niet dieper dan 2,5 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld. Tot slot zijn de gronden buiten het woonblok voorzien van de bestemming ‘Verkeer Verblijfsgebied’.
Deze gronden zijn primair bedoeld als verblijfsgebied met bijbehorende bouwwerken zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers, abri's en gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer.
plangebied
Afbeelding 2: Uitsnede plankaart van het nu geldende bestemmingsplan “Afrikaanderwijk”.
Daarnaast is sprake van de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie” en “Waterstaat Waterkering”. Die dubbelbestemmingen zijn bedoeld om de archeologische potentie van de
- 12 -
ondergrond, of de waterkerende functie te beschermen tegen ingrepen die mogelijk van negatieve invloed kunnen zijn. Op grond van deze planregeling zijn de huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden niet toereikend voor de beoogde realisatie van de blokken R en P3. Ook niet met gebruikmaking van de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. 1.4
Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling en de beoogde buitenruimte te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 13 -
- 14 -
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.
2.1
Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Deze visie vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt de visie de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse documenten, zoals de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De SVIR geeft daarmee een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen, zoals kustfundament, grote rivieren en primaire waterkeringen, waarvoor kaderstellende uitspraken zijn opgenomen. Deze zijn zodanig geformuleerd, dat ze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.
Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen opgenomen in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Naast de in het Barro opgenomen nationale belangen is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze ladder is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) In september 2011 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tezamen met de gemeente Rotterdam en andere partners (corporaties, kennis-/zorginstellingen en ondernemers) een handtekening gezet onder het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid.
Met deze ondertekening geven deze partijen uitwerking aan het advies, dat de commissie Deetman/Mans eerder dat jaar in opdracht van het Rijk opstelde. Deze commissie stelde dat Rotterdam-Zuid een omvangrijke stapeling van sociaaleconomische problemen in het zwakste deel van de woningmarkt in Nederland kent. Om een structurele verbetering te realiseren is een krachtige coalitie van deze partijen nodig. In het NPRZ staat de ambitie beschreven hoe Rotterdam-Zuid er in 2030 uit moet zien. De doelstelling hierbij is dat het gemiddelde van de wijken op Rotterdam-Zuid in 2030 vergelijkbaar wordt met het gemiddelde van de vier grote steden. Dit houdt voor de fysieke
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 15 -
pijler onder meer in, dat het de ambitie is om de wijken meer divers te maken: qua woningaanbod, bevolkingssamenstelling, voorzieningen en inkomensniveau. Door het creëren van aantrekkelijke woonmilieus worden de mensen die het sociaal en economisch beter krijgen (en nu vaak verhuizen) voor Zuid behouden. Hiervoor zijn investeringen nodig in de woningvoorraad en in de randvoorwaarden die de aantrekkelijkheid van het wonen bepalen. Uitgangspunt voor deze aantrekkelijke woonmilieus voor heel Zuid zijn de drie typen woonmilieus die in potentie aanwezig zijn: centrumstedelijk, rustig stedelijk en groenstedelijk wonen. Voor de Tweebosbuurt is het de ambitie om een rustig stedelijk woonmilieu te ontwikkelen. Nota Belvedère In 1999 is de Nota Belvedère verschenen. Doel van de nota is de cultuurhistorische identiteit meer richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte. Deze doelstelling wordt in de nota geconcretiseerd in een breed scala van te ondernemen acties op Rijks-, regionaal- en lokaal niveau. In het kader van de nota is een landsdekkend overzicht gemaakt van de cultuurhistorisch meest waardevol geachte steden en gebieden: de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland (ook wel Belvedèrekaart genoemd). Rotterdam wordt aangemerkt als een 'in cultuurhistorisch opzicht belangrijke stad'.
De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is de Erfgoedwet. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. Er waren verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Die wetten en regels zijn nu vastgelegd in één wet. De Erfgoedwet geldt sinds 1 juli 2016. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen: • Monumentenwet 1988. • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten. • Wet tot behoud van cultuurbezit. • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied. • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen. • Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. De uitgangspunten uit dat verdrag blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Ook beschermt de Erfgoedwet het maritieme archeologische erfgoed beter. In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet- en regelgeving plaatsgevonden.
Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste: gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan zit toe op de herontwikkeling van een klein deel van de Tweebosbuurt. De woningen binnen het plangebied worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwe woningen in een iets gewijzigde stedenbouwkundige opzet. Om de woningen te kunnen realiseren is een aanpassing van het bestemmingsplan “Afrikaanderwijk” noodzakelijk, aangezien deze nu specifiek de bestaande situatie vastlegt. - 16 -
Omdat de vernieuwing mede toeziet op grotere woningen, is binnen het plangebied per saldo sprake van een afname van het aantal woningen. Hoewel het daarmee niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt, wordt in § 2.4 wel getoetst aan de 'ladder' voor duurzame verstedelijking. De ontwikkeling heeft verder geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Barro. Gesteld wordt dat de ontwikkeling past binnen het nationale beleid. 2.2
Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta. • Naar een nieuwe economie: the next level. • Naar een levendige meerkernige metropool. • Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven.
Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stadsen dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied.
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 17 -
Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.
De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied is - 18 -
hiermee niet in strijd. De woningen passen binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Rotterdam, die is aanvaard door het college van Gedeputeerde Staten. Daarnaast maakt de herontwikkeling deel uit van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Gezien dit programma en de urgentie om de sociaal-economische problemen op te lossen, staat de vraag naar deze ontwikkeling niet ter discussie. Omdat voor de herontwikkeling geen nieuw ruimtebeslag wordt geclaimd, past de herontwikkeling van het plangebied binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid (zie ook § 2.4). 2.3
Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. Werkgelegenheid ontwikkelt zich namelijk alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsumenten. Vandaar dat extra wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke groenstedelijke, rustig stedelijke en centrumstedelijke woonmilieus. Bijzondere architectuur en herontwikkeling van erfgoed worden daarbij ingezet als katalysator. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmeting dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP-gebieden, waaraan prioriteit wordt gegeven bij de uitwerking. Het plangebied ligt op de grens van het VIP-gebied "Woonmilieu Kop van Zuid". Speerpunt hierbij is de realisatie van rustig en centrum-stedelijk wonen aan het water en in gemengde wijken.
De beoogde kwaliteitsslag van het woon- en werkmilieu straalt uit op de bestaande stedelijke omgeving waaronder dus ook de Tweebosbuurt. Hierdoor zal (ook) het sociaaleconomisch klimaat van de stad verbeteren, selectieve migratie worden tegengegaan en de bevolkingssamenstelling evenwichtiger worden. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: • Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen, o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat, en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.
• Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 19 -
•
o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen, o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk, o goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken, o toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en o woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.
De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. Het betreft tevens een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Cultuurhistorische verkenningen Feijenoord en Afrikaanderwijk Voor de Feijenoord is in juli 2010 een cultuurhistorische verkenning vastgesteld, waarin de kenmerkende cultuurhistorische waarden voor het gehele stadsdeel zijn beschreven. Voor de Afrikaanderwijk is een dergelijke verkenning opgesteld in 2017. Deze ‘Cultuurhistorische Verkenning Afrikaanderwijk’ (CV) vormt een belangrijke basis voor de Nota’s van Uitgangspunten die zullen worden gemaakt voor de nieuwbouw in de Tweebosbuurt. In het omgaan met de cultuurhistorische waarde van de wijk wordt daarbij gekeken naar de hele Tweebosbuurt en de omliggende Afrikaanderwijk. Zodoende kan een goede en complete afweging worden gemaakt over de incorporatie van de CV op blokniveau. Stedenbouwkundige kenmerken die daarbij als waardevol worden gezien, zijn reeds gebruikt als uitgangspunt in de Volumestudie en zullen ook als eis worden meegenomen in de randvoorwaarden voor de nieuwbouw.
Dit zijn kenmerken zoals een pandsgewijze opbouw van de blokken bestaande uit ensembles van meerdere panden, bijzondere hoekpanden, bakstenen gevels, gebruik van ornamenten. Stedenbouwkundige verkenning Tweebosbuurt - Parkstad zuid Parkstad is een van de grootste binnenstedelijke ontwikkelingen in Rotterdam en vormt de ontbrekende schakel tussen de Kop van Zuid, Feijenoord en de Afrikaanderwijk, waardoor dit deel van Rotterdam Zuid omgevormd wordt van een lappendeken aan buurten tot een coherent en divers stadsdeel. Een verbindend stratenpatroon, een reeks buurtparken en het gesloten bouwblok als bouwsteen moeten ervoor zorgen dat de Afrikaanderwijk en Feijenoord zowel ruimtelijk als functioneel sterk met elkaar worden verbonden. Met het stedenbouwkundig plan Parkstad is de ambitie neergezet om de verbinding te maken tussen de bestaande stedenbouwkundige structuur en de nieuwbouw. Daarbij is besloten voor sloopnieuwbouw van de Tweebosbuurt omdat deze ingreep essentieel wordt geacht voor het waarmaken van de beoogde ambities. Een van de belangrijkste kenmerken van de stedenbouwkundige visie voor Parkstad is dat straten uit de Afrikaanderwijk worden doorgetrokken over de dijk en aansluiten op de Laan op Zuid, waarmee het huidige isolement van de Tweebosbuurt wordt doorbroken.
Binnen dit recept van straten en gesloten bouwblokken maken we een verschil in bebouwingsbeeld tussen de Tweebosbuurt als onderdeel van de Afrikaanderwijk, en Parkstad, de nieuwbouw aan weerszijden van de Laan op Zuid. In de Tweebosbuurt is gekozen voor een ‘reconstructie van het gesloten bouwblok’, terwijl in Parkstad ruimte is voor een ‘herinterpretatie van het - 20 -
gesloten bouwblok’. Nieuwbouw in de Tweebosbuurt gaat uit van een receptuur dat past bij de oude stadswijk, met relatief lage blokken met in de basis vier lagen, gesloten hoeken en een duidelijke openbare ruimte van stadsstraten. Daardoor blijft het kenmerkende karakter van de Tweebosbuurt als oude stadswijk intact. In Parkstad komt meer diversiteit in de vorm een verschillende hoogteopbouw van de blokken, met torens als hoogte accenten, en meer variatie in openbare ruimte door de aanleg van buurtparken. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om binnen het plangebied een woningontwikkeling mogelijk te maken waarbij wordt voldaan aan de behoefte naar meer kwalitatief hoogwaardige woningen in dit deel van Rotterdam (zie § 2.4). De vraag naar deze woningen staat dan ook niet ter discussie en de ontwikkeling leidt er toe, dat de woningvoorraad in deze buurt meer gevarieerd wordt. Aangezien dit bestemmingsplan de vertaling betreft van een deel van de die stedenbouwkundige uitwerking, kan gesteld worden dat aan de cultuurhistorische uitgangspunten wordt voldaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de gemeenteraad op 29 november 2018 heeft ingestemd 1 met de sloop van de bestaande bebouwing. 2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening, in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, in werking getreden. Met deze aanpassing zijn drie leden van artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. In deze leden worden eisen gesteld aan de toelichting op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt opgenomen in de toelichting van het wijzigings- of het uitwerkingsplan. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Vooropgesteld wordt dat in de planregels van het huidige bestemmingsplan “Afrikaanderwijk” geen limiet is opgenomen ten aanzien van het toegestane aantal woningen. Daarom wordt in het kader van de ladder gekeken naar het werkelijke aantal in de huidige situatie; dit zijn nu 201 woningen. In het nieuwe bestemmingsplan wordt wel een limiet opgenomen. Dit betreffen maximaal 175 woningen, waardoor sprake is van een netto afname van 26 woningen.
De beoogde ontwikkeling leidt bovendien niet tot een nieuw ruimtebeslag, ondanks de iets gewijzigde stedenbouwkundige opzet. Daar waar de nieuwe stedenbouwkundige structuur iets afwijkt van de huidige bouwvlakken, is thans ook sprake van verharding. Daarnaast maakt de herontwikkeling deel uit van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Gezien dit programma en de urgentie om de sociaal-economische problemen op te lossen, staat de vraag naar deze ontwikkeling niet ter discussie. Van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 Bro, is geen sprake. Dat er behoefte is aan de beoogde woningen blijkt uit de meest actuele provinciale Woningbehoefteraming (WBR2019). Deze provinciale prognose is bedoeld als “neutrale” kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. WBR2019 is een scenarioberekening van een demografisch model, waarbij (o.a.) wordt gerekend met ‘binnenlands migratiesaldo nul’ per gemeente. Op basis van deze raming blijkt de 1
Raadsbesluit 29 november 2018, nr 18bb10066
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 21 -
woningbouwproductie ten opzichte van de afgelopen jaren flink naar boven is bijgesteld. Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt evenwel dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel óók veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter, vandaar dat in het Rotterdamse coalitieakkoord het opschroeven van de woningbouwproductie een belangrijk beleidsvoornemen is. Gezien het bovenstaande wordt gesteld dat geen sprake is van strijdigheid met het Rijks- en provinciaal beleid op het gebied van de ‘ladder voor duurzame verstelijking’. De realisatie van minder woningen ten opzichte van wat op dit moment binnen het plangebied aanwezig is, maakt dat de ontwikkeling past binnen het nationaal en provinciaal beleid.
- 22 -
3.
BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de bestaande situatie en het huidig gebruik.
3.1
Omgeving en huidig gebruik De Afrikaanderwijk maakt ruim een eeuw deel uit van de Rotterdamse stadsgeschiedenis. Tot 1869 lagen de opgehoogde buitendijkse gronden ten noorden van de (Brede) Hilledijk in de gemeente Charlois. De uitgestrekte Hillepolder ten zuiden van deze dijk behoorde tot 1894 toe aan deze gemeente. Dit polderlandschap was sinds de middeleeuwen gekoloniseerd en voornamelijk voor agrarische doeleinden in gebruik. Meteen na de annexatie in 1869 en 1894 begon de verstedelijking. Rotterdam had namelijk grote behoefte aan extra ruimte voor nieuwe havens, pakhuizen en woningen omdat de historische binnenstad vol raakte. In de periode 1887-1905 werden achtereenvolgens de Rijnhaven en de Maashaven gegraven. De bedrijvigheid in de havens trok veel nieuwe arbeiders aan. De nieuwkomers kwamen vooral van de Zuid-Hollandse eilanden en de provincies Zeeland en Brabant waar op dat moment een landbouwcrisis heerste. De stadsuitbreiding had omstreeks de eeuwwisseling een gefragmenteerd en willekeurig karakter. Op Zuid lag het primaat bij de havenwerken. De woningbouw was een optelsom van stratenplannen en woningbouwprojecten, die zich tussen de goederenspoorlijnen voegden. De Woningwet van 1901 bracht hierin verandering. Op grond van deze wet moest Rotterdam een algemeen uitbreidingsplan voor de hele stad opstellen en in 1903 bracht ir. G.J.
de Jongh zijn eerdere havenontwerpen en stratenplannen samen tot één geheel. Voor de Afrikaanderwijk resulteerde dat in een - aan de polderstructuur ontleend - rechtlijnig stratenpatroon met een uitgespaard rechthoekig plein tot aan de Putselaan, een nieuwe hoofdroute (zie uitsnede uitbreidingsplan 1903). Hoewel dit gedeelte van het uitbreidingsplan niet officieel werd vastgesteld, lag het wel jarenlang ten grondslag aan de verstedelijking van de Afrikaanderwijk.
Afbeelding 3: Uitsnede Uitbreidingsplan 1903 (bron: Cultuurhistorische Verkenning Afrikaanderwijk)
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 23 -
Binnen het plangebied is op dit moment sprake van bestaande bebouwing. De binnen het plangebied aanwezige 201 woningen zijn deels in private eigendom. De bouwhoogte varieert van twee bouwlagen met kap tot vijf bouwlagen met een platte afdekking. Aan de kopse zijden (Putselaan en Martinus Steijnstraat) bevinden zich enkele bedrijfsruimten, mede bedoeld voor horeca. Maar het grootste deel van de bebouwing kent een woonfunctie. Binnen het nagenoeg gesloten bouwblok (alleen aan de Hilledijk, nabij de Putselaan ontbreekt een deel van de bebouwing) is sprake van een binnentuinen.
Afbeelding 4: Zicht op huidige bebouwing vanaf hoek Hilledijk/Putselaan (boven) en hoek Tweebosstraat/Martinus Steijnstraat (onder).
3.2
Projectbeschrijving In de toekomst behoren de Afrikaanderwijk en het ten oosten daarvan gelegen Parkstad ruimtelijk en functioneel bij elkaar. Maar er blijft toch een subtiel verschil tussen beide stadsdelen, met de historische Hilledijk als koppelstuk. Deze primaire waterkering is de oorzaak van de in het gebied voorkomende hoogteverschillen in het maaiveld. Onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp is om deze hoogteverschillen deels ‘uit te vlakken’, om zo fysieke barrières te slechten. De historische Hilledijk krijgt daarmee een hernieuwde rol tussen
- 24 -
de vernieuwde Tweebosbuurt en Parkstad; niet meer als scheidend, maar als verbindend element door het verlengen van bestaande straten over de dijk, als subtiele overgang tussen de verschillende karakters aan beide zijden van de dijk, maar ook als groene route door de wijk en richting Katendrecht en Hillesluis. Daarmee wordt de dijk als lint zichtbaar en voelbaar gehouden. Dit is direct de aanleiding voor het bestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost”; om voornoemde te bereiken is een iets gewijzigde stedenbouwkundige opzet aan de orde. Dit bestemmingsplan voorziet hierin en geeft daarmee invulling aan het op 29 november 2018 genomen raadsbesluit tot sloop van de bestaande bebouwing (zie voetnoot 1).
R
P3
Afbeelding 5: Blokken R en P3 als onderdeel van het toekomstige zuidelijk deel van de Tweebosbuurt en Parkstad.
De nieuwbouw in de Tweebosbuurt bestaat uit relatief lage blokken van in de basis vier lagen, gesloten hoeken, een pandsgewijze opbouw met een relatief kleine schaal, en een heldere openbare ruimte van stadsstraten. Hiermee blijft de oude stadswijk herkenbaar en wordt een verdere verbrokkeling van de historische structuur voorkomen. Een nieuw park aan de Hilledijk en een nieuwe dwarsstraat tussen de De la Reystraat en de Hilledijk vormen de aanvullingen op de oude structuur om lucht te geven in de lange smalle straten. Een afwisseling in bouwhoogte geeft ritmiek aan de gevelwand en zorgt daarmee voor een interessant en afwisselend straatbeeld. Een bouwplan moet voor beide blokken nog worden uitgewerkt en het bestemmingsplan is dan ook alleen bedoeld om daar de juridische kaders voor te bieden. Het plan voorziet hoofdzakelijk in een woonfunctie met eengezinswoningen die hun voordeur aan de straat krijgen. Niet-gebruiksfuncties als bergingen, techniekruimten, stallingen, opslag en dergelijke mogen niet leiden tot blinde gevels aan de straatgevel en liggen idealiter in het binnengebied of worden geïntegreerd in de bebouwing.
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 25 -
Blok P3 ligt op een prominente locatie en vormt vanaf de Putselaan één van de toegangen tot de Afrikaanderwijk en Parkstad. Vanwege deze beeldbepalende ligging, waar diverse zichtlijnen en loopstromen samenkomen, moet de plint hier een levendige uitstraling krijgen. Dit kan zowel gerealiseerd worden door commerciële/maatschappelijke functies als door een woonfunctie op de begane grond. Zoals aangegeven voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid om afwisselende bouwhoogtes te creëren. Zo zijn gebouwen van drie en vier bouwlagen zondermeer mogelijk tot een hoogte van 14 meter. Aan de kopse kant, de zijde van de Putselaan, is voor een bouwhoogte gekozen van 20 meter, zodat deze stedenbouwkundig goed aansluit bij de overige bebouwing langs deze doorgaande straat (o.a. de hoogte van het in aanbouw genomen Blok S). Het bestemmingsplan staat de realisatie van maximaal 175 woningen toe, waarvan 75 binnen blok P3 en 100 binnen blok R. De woningen kunnen bestaan uit grondgebonden eengezinswoningen of zogenaamde beneden-bovenwoningen. Daarover doet een bestemmingsplan geen uitspraak. Parkeren Vanaf 1 februari 2018 is de nieuwe parkeernorm in Rotterdam van kracht gegaan onder de naam ‘Beleidsregeling parkeernormen (Gemeente Rotterdam 2018)’. Het bestemmingsplan ligt in Zone A - Hoogstedelijk gebied.
Voor het ontwerp van het gebouw moet de nieuwe norm worden gehanteerd; binnen deze norm kan worden gekeken naar vrijstellingen die verder worden beschreven in het beleidsdocument. In de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De toetsing aan de parkeernormen vindt plaats op grond van het uiteindelijk te realiseren bouwplan.
- 26 -
4.
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.
4.1
Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt binnendijks en behoort tot het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016-2021. Dit programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling.
Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een wateradvies 2 opgesteld en vormt de basis van onderstaande waterparagraaf. Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt onderdeel uit van het peilgebied Y09.017 (Hillevliet), waar een vast peil wordt gehanteerd van 2,4 meter beneden NAP. In dit peilgebied is weinig oppervlaktewater aanwezig en de dichtstbijzijnde oppervlaktewaterlichamen bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. De gemiddelde ontwateringsdiepte (afstand maaiveld en grondwaterpeil) bedraagt ter hoogte van het plangebied 1,5 tot 2,5 meter. Het plangebied valt geheel in afvalwaterbemalingsdistrict nummer 28. Het rioolwater in dit district wordt via het gemaal Pretorialaan en een persleiding naar district 23 afgevoerd, waarna het wordt verpompt naar de AWZI Dokhaven. De bestaande riolering in het plangebied is van het type 'gemengd stelsel' met in de directe omgeving één overstort die uitkomt op de Nieuwe Maas.
De oudste aanwezige strengen zijn aangelegd in 1955 en de jongste in 1984. 2 I-bureau Gemeente Rotterdam, Projectbestemmingsplan Tweebosbuurt zuid-oost; wateradvies, juni 2020.
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 27 -
Binnen het plangebied zijn geen vuilwateroverstorten aanwezig. Vanwege de verhardingsgraad en het ontbreken van oppervlaktewater in of nabij het plangebied wordt vrijwel alle hemelwater via de riolering afgevoerd. Ter hoogte van de 2e Rosestraat en Hilledijk bevindt zich een primaire waterkering, waarvan de norm ten aanzien van het beschermingsniveau is vastgesteld op 1:3000. Het plangebied ligt nagenoeg geheel binnen de kern- en beschermingszone hiervan. Hierbij wordt opgemerkt, dat in de gevels van de huidige bebouwing aan de Hilledijk binnen de kernzone zijn gesitueerd. Bij een eventuele calamiteit zal het plangebied niet / nauwelijks overstromen.
Afbeelding 6: Aanwezige waterkering ter hoogte van plangebied (rood omkaderd).
Wateropgave Dit bestemmingsplan maakt sloop-/nieuwbouw van een bestaand woonblok mogelijk. Omdat het bouwplan op dit moment nog niet uitgewerkt is, is nog niet duidelijk of sprake is van een verhardingstoename als gevolg van deze herstructurering. Conform de beleidsregels van het waterschap moet per 100 m2 toe te voegen verharding 10 m2 nieuw oppervlaktewater aangelegd worden. Daarbij is voor de verhardingstoename een vrijstellingsgrens voor deze compensatieregel van 500 m2 voor stedelijk gebied. Omdat het plangebied vrijwel geheel binnen de beschermingszones van de waterkering ligt, kan een eventuele benodigde watercompensatie niet binnen het plangebied worden aangelegd. Een locatie voor het realiseren van een eventuele watercompensatie moet dus elders in het peilgebied worden gezocht. Omdat binnen het plangebied geen nieuw oppervlaktewater kan worden aangelegd is het streefbeeld uit herijking van het Waterplan 2 van Rotterdam voor het plangebied niet realiseerbaar. De door dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben dus geen invloed op de hoeveelheid of de kwaliteit van het oppervlaktewater. De beoogde gebouwen worden uitgevoerd met een gescheiden rioolstelsel. Daarnaast zal de bestaande gemengde riolering worden vervangen door een nieuw gescheiden rioolstelsel.
Het hemelwater wordt zoveel mogelijk afgekoppeld en via een drainageleiding worden afgevoerd naar de Hillevliet. Het is van belang om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen om diffuse verontreinigingen van water en bodem (in de toekomst) te voorkomen. Zink, lood, koper en PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. In het kader van de gehele ontwikkeling van Parkstad, waarvan het plangebied ook deel uit maakt, zijn diverse afspraken met de waterbeheerders gemaakt. Een van deze afspraken
- 28 -
betreft de verlegging / aanpassing van de primaire waterkering op een zodanige wijze, dat de beoogde ontwikkeling Parkstad gerealiseerd kan worden. Daarvoor is inmiddels ook een watervergunning (zie voetnoot 2). Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. Daarnaast is voor het gehele project “Parkstad” door het waterschap Hollandse Delta een watervergunning 3 verleend. 4.2
Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de milieugevoelige functie(s) en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk. Daarnaast kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het betreft hier een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven.
Ook gebieden die in de directe nabijheid van hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging in de omgeving van het plangebied, kan dit als zodanig aangemerkt worden. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. Op grond van de geldende bestemmingsplannen mogen in de directe omgeving van het plangebied hinder veroorzakende functies aanwezig zijn. Het betreft hier de activiteiten binnen de bestemmingen ‘Gemengd 1 tot en met 6’, zoals maatschappelijke voorzieningen, kantoren, detailhandel, dienstverlening, horeca en bedrijven tot en met categorie 2. In alle gevallen betreffen het activiteiten die op grond van de VNG-uitgave worden aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Dergelijke inrichtingen worden op grond van de geldende bestemmingsplannen toelaatbaar geacht in een woonomgeving. Zo zijn deze functies direct naast en/of onder woningen toegestaan. Voor de toekomstige woningen geldt dan ook, dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van deze activiteiten door de beoogde ontwikkeling niet belemmerd. Dit bestemmingsplan staat ook 1.200 m2 aan commerciële functies toe, waarvoor op grond van de VNG-uitgave een hindercontour geldt.
Het gaat hierbij onder meer om kantoren, 3 Waterschap Hollandse Delta, Watervergunning Parkstad_Nieuw_Zuid, juni 2018, kenmerk VG/U, dossiernummer
D0042417.
Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 29 -
dienstverlening, bedrijven, horeca (behorend tot maximaal categorie 1 als bedoeld in de Horecanota Rotterdam 2017-2021) en maatschappelijke voorzieningen. In alle gevallen gaat het echter om ten hoogste categorie 2-inrichtingen op grond van de VNG-uitgave. Deze worden binnen de Rotterdamse systematiek als passend ervaren in een gebied als Parkstad. De realisatie van deze inrichtingen leidt dan ook niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van de huidige woningen in de omgeving. Op grond van zowel de VNG-uitgave als de Rotterdamse systematiek wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. 4.3
Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen. Deze liggen binnen de toetsingszone van enkele gezoneerde (spoor)wegen en een gezoneerd industrieterrein. Vandaar dat ten aanzien van deze bronnen momenteel een akoestisch onderzoek 4 wordt uitgevoerd. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige wegen: 2e Rosestraat (+ tram), Putselaan, Stadionweg / Varkenoordseviaduct (+ tram), Colloseumweg en Laan op Zuid (+ tram). Daarnaast zijn ook de trambanen op de Beijerlandselaan relevant. Vandaar dat een toetsing aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder noodzakelijk is.
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat de voorkeurswaarde van 48 dB ter hoogte van het plangebied wordt overschreden vanwege het wegverkeer (inclusief tram) op de Stadionweg / Varkenoordseviaduct, 2e Rosestraat en Putselaan. De hoogst berekende geluidbelasting als gevolgen van deze wegen bedraagt respectievelijk 49, 58 en 58 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt daarbij niet overschreden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in het akoestisch onderzoek ook aandacht geschonken aan naastgelegen 30 km/h-weg Hilledijk. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de geluidsbelasting van deze wegen ten hoogste 51 dB bedraagt. Spoorweglawaai Ten oosten van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht. De bijbehorende geluidszone strekt zich uit tot over het plangebied, zodat in het eerder aangehaalde akoestisch onderzoek ook aandacht is besteed aan het aspect ‘spoorweglawaai’. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de maximaal berekende geluidsbelasting 59 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt dus overschreden; dit geldt niet voor de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. 4 dBvision, Bestemmingsplan Tweebosbuurt zuid-oost; Akoestisch onderzoek geluid op gevels, september 2020,
rapportnummer GEM103-31-024.
- 30 -
Industrielawaai Het plangebied ligt nagenoeg geheel binnen de geluidszone behorende bij het gezoneerde industrieterrein “Maas- / Rijnhaven”. Vandaar dat in het eerder aangehaalde akoestisch onderzoek aandacht is besteed aan het aspect ‘industrielawaai’. Hieruit blijkt, dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Deze wordt dus niet overschreden. Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbron niet aan de orde is. Conclusie Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat zowel voor het aspect ‘wegverkeerslawaai’ als voor ‘spoorweglawaai’ de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt hierbij niet overschreden. Omdat het treffen van geluidswerende voorzieningen vanuit stedenbouwkundig en financieel oogpunt niet doelmatig is, dient voor de realisatie van de voorziene woningen een ontheffing van de Wet geluidhinder verkregen te worden. Hierbij dient voldaan te worden aan de eisen uit het Rotterdamse ontheffingenbeleid, zoals de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en/of buitenruimte per woning. Aan deze voorwaarde kan niet bij alle woningen voldaan worden.
Het Rotterdamse ontheffingenbeleid kent echter de mogelijkheid om van deze voorwaarde af te wijken, indien wordt ingezet op een zo optimaal mogelijke leefomgeving. Van deze afwijking wordt gebruik gemaakt, omdat het hier een herstructureringsproject betreft waarbij bestaande woningen worden vervangen door kwalitatief betere woningen. Hierdoor is sprake van een beter akoestisch klimaat in de woning. Daarnaast neemt door deze herstructurering het aantal potentieel geluidgehinderden af, doordat het aantal woningen afneemt van 201 in de huidige situatie tot 175 in de nieuwe situatie. Tevens wordt opgemerkt, dat deze woningen bijdragen aan de doelstellingen uit het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Gesteld wordt, dat voldaan kan worden aan het Rotterdamse ontheffingenbeleid en een ontheffing van de Wet geluidhinder wordt verleend. Daarmee wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Het aspect ‘geluid’ staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg. 4.4
Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële Ontwerpbestemmingsplan “Tweebosbuurt zuid-oost” – Toelichting
- 31 -
regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied zijn 175 woningen voorzien; dit aantal valt ruimschoots onder de in de Regeling NIBM vastgestelde aantallen. Daarnaast is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een afname van het aantal wooneenheden. Vandaar dat de beoogde ontwikkeling als niet in betekenende mate kan worden aangemerkt. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand liggen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het plangebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte van het projectgebied lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat. 4.5
Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. Uit een uitgevoerd onderzoek naar het aspect ‘externe veiligheid’ 5 blijkt, dat in de omgeving van het plangebied enkele risicobronnen liggen.