CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb4928 Bijlage 3 behorende bij 21bb4923 over Mantelzorgers in Rotterdam 2007-2020 Resultaten uit de Omnibusenquête

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 16. De voortgangsrapportage informele zorg.7.757 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Mantelzorgers in Rotterdam 2007 - 2020 Resultaten uit de Omnibusenquête 2020 Onderzoek en Business Intelligence

1

Colofon Gemeente Rotterdam, Afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) Datum: Oktober 2020 Auteur(s): P.A. de Graaf Opdrachtgever: Gemeente Rotterdam, Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling Projectnummer: 5239-2020-d Vragen:

2

onderzoek@rotterdam.nl

Samenvatting en conclusies Het onderstaande betreft de meting van mantelzorg in de

uit 2007, 2009, 2011, 2013, 2015 en 2017 en de Om-

Omnibusenquête 2020 van OBI, die deels in de eerste

nibusenquête uit 2019.

maanden van 2020 en deels in juni en juli is afgenomen. Daarnaast wordt naar mantelzorg ook gevraagd in de en-

Rotterdam telde begin 2019 naar schatting zo’n 81.000

quêtes voor de Gezondheidsmonitor en die voor het Wijk-

mantelzorgers van 13 tot en met 85 jaar. Zij geven langer

profiel, waarvan uitkomsten ook beschikbaar zijn en door

dan drie maanden of meer dan acht uur per week hulp

deze en gene gebruikt worden. Door verschillende formu-

aan iemand in het eigen netwerk die een beperking heeft.

leringen, definities en andere onderzoekstechnische ver-

In een ruimere definitie, waarbij iedereen die zichzelf be-

schillen komen deze verschillende enquêtes tot verschil-

schouwt als mantelzorger wordt meegeteld, waren het er

lende uitkomsten. Hierbij wordt in dit rapport eveneens

zo’n 89.000. De lichte afname van het aandeel mantel-

stilgestaan.

zorgers sinds vorig jaar (85.000) Rotterdammers die de vragenlijst sinds de lockdown in verband met de Coronapandemie van half maart hebben ingevuld. Bij vergelijking met eerdere jaren is enige voorzichtigheid

Bij de hier gepresenteerde cijfers en vergelijkingen met

geboden: de metingen van sinds 2019 zijn met een

eerdere metingen is wel enige voorzichtigheid geboden.

andere enquête verricht dan de eerdere metingen, en die

Sowieso zijn enquêtegegevens over de interpretatie van

enquêtes zijn niet in alle opzichten identiek qua opzet en

een begrip als ‘mantelzorg’ altijd al niet zo “hard”. Dit jaar

respons. Bovendien lijkt de meting van 2017 een uit-

komt daar nog bij, dat een deel van de enquête is afge-

schieter.

nomen vóór, en een deel ná de lockdown in verband met de Corona-pandemie van half maart. Het is niet na te

Als aan de mantelzorgers wordt gevraagd in welke mate

gaan, in hoeverre eventuele veranderingen in het mantel-

men zich belast voelt, blijkt dat ongeveer 19.000 mantel-

zorggedrag ook van invloed zijn geweest bij de beant-

zorgers (23% van alle mantelzorgers) zich zwaar- of over-

woording van de vragen: heeft iemand die in de nieuwe omstandigheden tijdelijk mantelzorger is geworden de vragen beantwoord naar de “normale” oude omstandigheden, of naar de nieuwe? (En anderzijds: misschien is de mantelzorg ook wel, al dan niet tijdelijk, toegenomen

belast voelen, waaronder bijna 3.000 overbelaste mantelzorgers (3%). Het aantal zwaar- of overbelaste mantelzorgers is daarmee sinds 2019 (18.000) weer met zo’n 1.000 afgenomen. Relatief lijkt hun aandeel binnen het totaal van alle mantelzorgers steeds verder toe te nemen:

door de veranderde omstandigheden; maar ook dán geldt

van 17% in 2015 via 20% in 2017 en 21% in 2019 naar

die zelfde vraag.)

23% in 2020. Dit is inclusief het aantal overbelaste mantelzorgers, dat weer iets afnam, en zich de laatste

Niettemin lijkt de omvang van de mantelzorg in Rotter-

vier metingen ontwikkelde van 3.000 (3%) via 2.000 (2%)

dam als de waarschijnlijk te hoge meting uit 2017 buiten

en 3.000 (4%) naar (afgerond wederom:) 3.000 (3%).

beschouwing wordt gelaten redelijk constant; wat ook niet

Uitkomsten over nadere kenmerken van zwaar- of over-

verwonderlijk is, want al te grote veranderingen gaan ook

belaste mantelzorgers dienen echter slechts als indicatief

niet zo snel; zeker ook bij tot op grote hoogte moeilijk

te worden beschouwd, omdat het hier slechts 81 respon-

vermijdbare activiteiten als mantelzorg.

denten betreft. Onder de Rotterdamse mantelzorgers bevinden zich rela-

In opdracht van het Cluster Maatschappelijke Ontwikke-

tief wat meer mensen vanaf 45 jaar, samenwonende vol-

ling zijn in de Omnibusenquête 2020 van de afdeling

wassenen zonder kinderen, mensen zonder betaald werk

Onderzoek & Business Intelligence wederom vragen op-

en autochtone Rotterdammers. Zwaar- of overbelaste

genomen over mantelzorg. In dit rapport worden de ant-

mantelzorgers komen vooral voor onder de 65-plussers.

woorden op deze vragen besproken en vergelijkingen

Opvallend is, dat er dit jaar nauwelijks verschil is te zien

gemaakt met de resultaten uit de Vrijetijdsonderzoeken

tussen mannen en vrouwen.

3

Ruim twee derde van de mantelzorgers (68%) geeft

ontvangen de zorgontvangers nu weer minder vaak be-

langer dan twee jaar mantelzorg, en ruim één op de vijf

roepsmatige hulp naast de mantelzorg.

(21%) doet dit zelfs al 10 jaar of langer. De aandelen mantelzorgers die al 2 jaar of langer, of zelfs al 6 jaar of

Van de mantelzorgers die geen beroepsmatige hulp

langer, mantelzorg geven, lijken de laatste jaren wat toe

krijgen, is 17% zwaar- of overbelast; van de overige

te nemen.

mantelzorgers is dat 25%. Hoe dat laatste verschilt per soort beroepsmatige hulp, is door de kleine aantallen

De helft van de mantelzorgers (52%) heeft de zorg voor

respondenten moeilijk te zeggen. Van de mantelzorgers

een ouder op zich genomen. Daarnaast zorgt meer dan

die worden geholpen door de thuiszorg is 25% zwaar- of

een kwart (29%) voor een partner of kind en bijna één op

overbelast, maar dat betreft een meting op slechts 145

de zeven (14%) voor een ander familielid.

respondenten. Bij de andere soorten beroepsmatige hulp

Overigens is het aandeel dat voor ouders zorgt sinds de

is dat aantal nóg veel kleiner.

lockdown in verband met de Corona-pandemie van half maart flink afgenomen, en die voor partners en andere

Vergelijkingen met landelijke of andere Rotterdamse uit-

familie wat toegenomen.

komsten (Gezondheidsmonitor; Wijkprofiel) zijn, vooral door verschillen in definitie en vraagstelling, slechts glo-

Van de mantelzorgers die voor ouders zorgen is een

baal mogelijk. Zo wordt in het Wijkprofiel zelfs van een

kwart zwaar- of overbelast. Het zwaarst lijkt mantelzorg

andere definitie van ‘mantelzorg’ uitgegaan, waardoor

voor een partner of kind: één op de drie is dan zwaar- of

deelnamepercentages niet vergelijkbaar zijn met de hier

overbelast.

gepresenteerde. Ook met de vierjaarlijkse enquête voor de Gezondheidsmonitor bestaan methodologische ver-

Naast de mantelzorg wordt er aan bijna driekwart van de

schillen. Laatstgenoemde enquête wordt overigens ook

zorgontvangers (73%) ook hulp door beroepsmensen of

landelijk afgenomen; vergelijking suggereert, dat Rotter-

instellingen geboden. Dit geldt overigens voor respon-

dammers minder vaak mantelzorgers zijn, en dat Rotter-

denten van vóór en van sinds de lockdown in precies de

damse mantelzorgers relatief ongeveer even vaak

zelfde mate. In de meeste gevallen betreft het thuiszorg

zwaar- of overbelast zijn als landelijk (al zijn voor die ver-

(41%) en/of verpleeg- of verzorginstelling (19%) en/of

gelijking nog pas gegevens over 2016 beschikbaar).

zorg in een ziekenhuis (17%). Vergeleken met vorig jaar

4

Inhoudsopgave Inleiding

7

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020

9

2.1 Omvang van de mantelzorg

9

2.2 De belasting van mantelzorgers

10

2.3 Kenmerken van mantelzorgers

10

2.4 De duur van de zorgperiode

12

2.5 De relatie tussen mantelzorger en zorgontvanger

13

2.6 Beroepsmatige hulp

13

Mantelzorg volgens andere bronnen

15

3.1 Mantelzorg volgens de Gezondheidsmonitor en het Wijkprofiel 15 3.2 Mantelzorg landelijk

16

Onderzoeksopzet; vergelijkbaarheid

17

A.1

Enquête, respons en representativiteit in het kort

17

A.2

Vrijetijdsonderzoek en Omnibusenquête; weging

17

De vragen in de vragenlijst

19

De betekenis van de percentages

21

C.1

Percentages

21

C.2

Vergelijkingen

21

C.3

Gemiddelden

22

5

6

Inleiding In de Omnibusenquête 2020 van de afdeling Onderzoek &

Een verantwoording van onderzoeksopzet, respons en re-

Business Intelligence (OBI) zijn in opdracht van het Cluster

presentativiteit van de Omnibusenquête 2020 en een over-

Maatschappelijke Ontwikkeling vragen opgenomen over

zicht van de vragen over mantelzorg in de enquête zijn als

mantelzorg: niet beroepsmatige langdurige, het gebruike-

bijlagen opgenomen. De vragen zijn identiek aan die van de

lijke overstijgende zorg aan iemand uit de eigen directe om-

vorige twee metingen; alleen is sinds 2019 geprobeerd om

geving. Daarmee is een reeks tweejaarlijkse metingen

de eerste vraag wat respondentvriendelijker te formuleren.

voortgezet die voorheen in oneven jaren via de Vrijetijdsonderzoeken van OBI werd verricht, en in 2019 is voortgezet via de Omnibusenquête. De antwoorden op deze vragen en vergelijkingen met de resultaten uit de Vrijetijdsonderzoeken uit 2007, 2009, 2011, 2013, 2015 en 2017 en de Omnibusenquête uit 2019 treft u aan in dit rapport. Naast deze vragen over mantelzorg zijn ook vragen over informele hulp (onbetaald werk op eigen houtje) en vrijwilligerswerk (onbetaald werk voor een organisatie) in de Omnibusenquête 2020 opgenomen. Hierover bestaat een afzonderlijke rapportage. De Omnibusenquête is een enquête onder Rotterdammers van 16 tot en met 85 jaar; het Vrijetijdsonderzoek werd afgenomen onder Rotterdammers van 13 tot en met 85 jaar. Voor een zo goed mogelijke vergelijkbaarheid met de eerdere metingen heeft voor de aantallen of percentages mantelzorgers een bijschatting van mantelzorgende 13- tot en met 15-jarigen plaatsgevonden op basis van het percentage mantelzorgers in deze leeftijdscategorie in 2017. Voorts heeft voor die vergelijkbaarheid een weging van de resultaten plaatsgevonden die vergelijkbaar is met de weging bij het Vrijetijdsonderzoek. Vorig jaar was een identieke procedure daarbij niet mogelijk vanwege de kleinere omvang van de steekproef van de Omnibusenquête.

Dit jaar zijn de vragen over mantelzorg aan een twee keer zo grote steekproef voorgelegd, wat resulteerde in 2.203 respondenten (wat een respons van 31% betekende). Ter vergelijking: vorig jaar waren dat er 1.012, terwijl dat er bij het Vrijetijdsonderzoek van 2017 1.871 waren. In hoofdstuk 2 worden de resultaten van de vragen in de enquête besproken. Hoofdstuk 3 bevat een kort overzicht van landelijke onderzoeksuitkomsten over mantelzorg en lokale uitkomsten volgens de Gezondheidsmonitor en het Wijkprofiel.

Inleiding – Hoofdstuk 1

7

8

Inleiding - Hoofdstuk 1

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 sinds vorig jaar komt overigens geheel voor rekening van de

2.1 Omvang van de mantelzorg

Rotterdammers die de vragenlijst sinds de lockdown in verDe gebruikelijke definitie die voor mantelzorg wordt gehanteerd luidt: mantelzorg is de hulp bij het dagelijks functioneren, die vrijwillig en onbetaald wordt verleend aan mensen uit het sociale netwerk die vrij ernstige fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen hebben, en die minstens drie maanden of minstens acht uur per week wordt gegeven. Deze definitie sluit aan bij die die tot voorkort ook werd gehanteerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau, en is ingegeven door de gedachte dat mantelzorgbeleid pas nodig is als relatief lang of intensief hulp wordt verleend. Met

band met de Corona-pandemie van half maart hebben ingevuld. Bij vergelijking met eerdere jaren is enige voorzichtigheid geboden: de metingen van sinds 2019 zijn met een andere enquête verricht dan de eerdere metingen (de Omnibusenquête respectievelijk de Vrijetijdsonderzoeken van OBI), en die enquêtes zijn niet in alle opzichten identiek qua opzet en respons. Bovendien lijkt de meting van 2017 een uitschieter.

nadruk moet gezegd worden dat het in die definitie gaat om

Bovendien zijn enquêtegegevens over de interpretatie van

langer dan drie maanden óf meer dan acht uur per week.

een begrip als ‘mantelzorg’ altijd al niet zo “hard”. Dit jaar

Mensen die hier niet aan voldoen, verlenen geen mantel-

komt daar nog bij, dat een deel van de enquête is afge-

zorg, maar gebruikelijke zorg.

nomen vóór, en een deel ná de lockdown in verband met de

In een ruimere definitie kunnen ook mensen worden meegeteld die zichzelf als mantelzorger beschouwen, maar noch aan de maanden- noch aan de ureneis voldoen.

hoeverre eventuele veranderingen in het mantelzorggedrag ook van invloed zijn geweest bij de beantwoording van de vragen: heeft iemand die in de nieuwe omstandigheden

In 2020 konden volgens de “strenge” definitie naar schatting circa 81.000 Rotterdammers van 13 tot en met 85 jaar als mantelzorger beschouwd worden, en volgens de “ruime” circa 9.000 Rotterdammers méér; samen 89.000. (Zie figuur 2.1.) De lichte afname van het aandeel mantelzorgers

Figuur 2.1:

Corona-pandemie van half maart. Het is niet na te gaan, in

tijdelijk mantelzorger is geworden de vragen beantwoord naar de “normale” oude omstandigheden, of naar de nieuwe? (En anderzijds: misschien is de mantelzorg ook wel, al dan niet tijdelijk, toegenomen door de veranderde omstandigheden; maar ook dán geldt die zelfde vraag.

Schatting van het aantal mantelzorgers van 13 tot en met 85 jaar in Rotterdam; 2007 - 2020. 2007

2009

2011

2013

2015

2017

2019

2020

Mantelzorgers die ≥ 3 maanden of ≥ 8 uur per week hulp bieden (“strenge” definitie)

68.000 (14%)

73.000 (15%)

69.000 (13%)

87.000 (17%)

86.000 (17%)

101.000 (19%)

85.000 (16%)

81.000 (15%)

Mantelzorgers die < 3 maanden en < 8 uur per week hulp bieden

13.000 ( 3%)

11.000 ( 2%)

11.000 ( 2%)

15.000 ( 3%)

14.000 ( 3%)

16.000 ( 3%)

5.000 ( 1%)

9.000 ( 2%)

Mantelzorgers volgens de “ruime” definitie

81.000 (17%)

83.000 (17%)

79.000 (15%)

102.000 (20%)

100.000 (19%)

116.000 (22%)

90.000 (17%)

89.000 (16%)

Geen mantelzorgers, ook niet volgens de “ruime” definitie

408.000 (83%)

409.000 (83%)

432.000 (85%)

415.000 (80%)

423.000 (81%)

416.000 (78%)

446.000 (83%)

459.000 (84%)

Totaal (bevolking 13 t/m 85 jaar, stand op 1 januari)

489.000 (100%)

492.000 (100%)

511.000 (100%)

516.000 (100%)

523.000 (100%)

532.000 (100%)

536.000 (100%)

549 .000 (100%)

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 – Hoofdstuk 2

9

In deze rapportage beperken we ons tot de circa 81.000

(37%) zich niet of nauwelijks belast voelt; zie figuur 2.2. De

mantelzorgers volgens de “strenge” definitie.

rest voelt zich daarentegen wel in mindere of meerdere mate belast door de (extra) zorg die ze geven. 20% van de mantelzorgers voelt zich (tamelijk of zeer) zwaar belast, en

2.2 De belasting van mantelzorgers

3% voelt zich zelfs overbelast.

Als aan de mantelzorgers zelf “rechtstreeks” wordt gevraagd hoe belast men zich voelt, blijkt dat ruim één op de drie Figuur 2.2:

2020

Hoe belast men zich alles bij elkaar genomen voelt; 2013 - 2020.

37%

2019

33%

2017

40%

16%

4% 3%

47%

12%

6% 4%

41%

2015

46%

2013

44%

niet of nauwelijks belast

38%

14%

37%

36%

enigszins belast

tamelijk zwaar belast

4%2%

11%

2%3%

15%

2%3%

zeer zwaar belast

overbelast

Met deze definitie van ‘zwaar- of overbelaste mantelzorgers’

2.000 (2%) en 3.000 (4%) naar (afgerond wederom:) 3.000

(volgens de “strenge” definitie) wordt aangesloten bij de de-

(3%).

finitie zoals die wordt gehanteerd bij de monitoring voor het Programma Langer Thuis dat er voor gaat zorgen dat het in Rotterdam gemakkelijker wordt voor ouderen en mensen

2.3 Kenmerken van mantelzorgers

met een beperking om zelfstandig te (blijven) wonen. Het

10

aantal zwaar- of overbelaste mantelzorgers volgens dit pro-

In deze paragraaf worden de kenmerken van de mantel-

gramma betreft in 2020 dus 19.000 (23% van alle 81.000

zorgers en van de zwaar- of overbelaste mantelzorgers be-

Rotterdamse mantelzorgers), waaronder bijna 3.000 over-

sproken. Allereerst toont figuur 2.3 per bevolkingscategorie

belaste mantelzorgers (3% van alle 81.000 Rotterdamse

de aantallen mantelzorgers en zwaar- of overbelaste

mantelzorgers).

mantelzorgers als percentage.

Het aantal zwaar- of overbelaste mantelzorgers is daarmee

Onder de mantelzorgers bevinden zich relatief wat meer

sinds 2019 (18.000) weer met zo’n 1.000 afgenomen. Rela-

mensen vanaf 45 jaar, samenwonende volwassenen zonder

tief lijkt hun aandeel binnen het totaal van alle mantelzorgers

kinderen, Rotterdammers zonder betaald werk en autoch-

steeds verder toe te nemen: van 17% in 2015 via 20% in

tone Rotterdammers. Zwaar- of overbelaste mantelzorgers

2017 en 21% in 2019 naar 23% in 2020. Dit is inclusief het

komen vooral voor onder de 65-plussers. Opvallend is, dat

aantal overbelaste mantelzorgers, dat weer iets afnam, en

er dit jaar nauwelijks verschil is te zien tussen mannen en

zich de laatste vier metingen ontwikkelde van 3.000 (3%) via

vrouwen.

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 Hoofdstuk 2

Figuur 2.3:

(Zwaar- of overbelaste) mantelzorgers per persoonskenmerk en gebied; 2020. Percentage mantelzorgers

Geslacht Leeftijd

Huishoudenspositie

Betaald werk Huishoudensinkomen

Opleidingsniveau

Etniciteit

Gebied

Man

14%

Perc. zwaar- of overbelaste mantelzorgers 3%

Vrouw

15%

3%

1.047

16 tot 25 jaar

7%

1%

274

25 tot 45 jaar

7%

2%

639

45 tot 65 jaar

23%

5%

636

65 t/m 75 jaar

26%

6%

375

Ouder dan 75 jaar

(22%)

(6%)

175

Alleenwonend

16%

4%

434

Inwonend kind

9%

2%

207

Samenwonend zonder kinderen

19%

4%

732

Samenwonend met kind(eren)

13%

3%

476

Eén-oudergezin met kind(eren)

16%

2%

104

Ja

13%

3%

1.140

Nee

18%

5%

959

Sociale minima

17%

5%

311

Minimum tot modaal

23%

5%

298

Modaal tot 2 x modaal

16%

4%

448

Meer dan 2 x modaal

14%

3%

501

Laag (geen startkwalificatie)

15%

4%

498

Midden

16%

3%

708

Hoog (HBO, WO)

14%

3%

863

Autochtoon

19%

4%

1.212

Westerse migratieachtergrond

12%

2%

249

Niet-westerse migratieachtergrond

10%

3%

619

Rotterdam Centrum

( 8%)

(2%)

146

Delfshaven

10%

(2%)

223

Overschie

(17%)

(6%)

63

Noord

(10%)

(2%)

189

Hillegersberg-Schiebroek

(19%)

(3%)

185

Kralingen-Crooswijk

(19%)

(5%)

165

Feijenoord

15%

1%

224

IJsselmonde

(16%)

(2%)

165

Pernis

(32%)

(12%)

15

Prins Alexander

16%

5%

330

Charlois

(17%)

(6%)

193

Hoogvliet

(16%)

(4%)

114

Hoek van Holland

(17%)

(0%)

27

Rozenburg

(19%)

(8%)

41

15%

3%

2.099

Totaal

Aantal respondenten 1.033

N.B.: Gegevens die zijn gebaseerd op minder dan 200 waarnemingen zijn tussen haakjes geplaatst en zijn slechts indicatief.

Voorts suggereert figuur 2.3 dat mantelzorg wat vaker voor-

Omdat de aantallen respondenten per gebied ieder jaar

komt in Hillegersberg-Schiebroek en Kralingen-Crooswijk,

klein zijn, is voor een betrouwbaarder beeld in figuur 2.4 de

maar door de kleine aantallen respondenten per gebied zijn

mantelzorg per gebied weergegeven in 2019 plús 2020.

de meeste verschillen niet significant (d.w.z.: het verschil kan ook door het aan de steekproeftrekking inherente toeval komen).

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 – Hoofdstuk 2

11

Figuur 2.4:

(Zwaar- of overbelaste) mantelzorgers per gebied; 2019 plus 2020. Percentage mantelzorgers

Gebied

Rotterdam Centrum

(13%)

Perc. zwaar- of overbelaste mantelzorgers (5%)

Aantal respondenten

Delfshaven

12%

2%

Overschie

(16%)

(6%)

353 83

Noord

11%

1%

295

Hillegersberg-Schiebroek

20%

5%

278

Kralingen-Crooswijk

20%

4%

234

Feijenoord

14%

2%

324

IJsselmonde

15%

2%

257

Pernis

(27%)

(6%)

19

Prins Alexander

18%

4%

503

196

Charlois

13%

4%

269

Hoogvliet

(17%)

(2%)

159

Hoek van Holland

(35%)

(8%)

41

Rozenburg

(21%)

(8%)

53

15%

3%

3.084

Totaal

N.B.: Gegevens die zijn gebaseerd op minder dan 200 waarnemingen zijn tussen haakjes geplaatst en zijn slechts indicatief.

Op deze manier bezien, lijkt het dat mantelzorg in Rotter-

deze gegevens gebaseerd op slechts 352 respondenten die

dam wat vaker voorkomt in Hillegersberg-Schiebroek en

zorg verlenen, en zelfs maar 81 respondenten die zwaar- of

Kralingen-Crooswijk.

overbelast zijn; zij zijn dus niet erg “hard”, en zeker voor wat betreft de zwaar- of overbelaste mantelzorgers slechts indi-

En ten slotte woont 28% van de mantelzorgers, en zelfs 32%

catief.

van de zwaar- of overbelaste mantelzorgers, in het zelfde huis als de zorgontvanger. Die percentages zijn echter niet

2.4 De duur van de zorgperiode

erg “hard”, want gebaseerd op slechts 352 respectievelijk 81 respondenten.

In figuur 2.5 is weergegeven hoe lang mantelzorgers al zorg verlenen aan de zorgontvangers. Zo is te zien dat ruim twee derde van de mantelzorgers (68%) langer dan twee jaar

In de rest van dit hoofdstuk worden kenmerken van de zorg,

mantelzorg geeft en ruim één op de vijf (21%) dit zelfs al 10

de zorger en de zorgontvanger besproken. Voor 2019 zijn

jaar of langer doet.

Figuur 2.5:

12

Duur van de zorgperiode van mantelzorgers; 2007 - 2020.

2020 4%

11%

2019 4%

13%

17%

30%

21%

27%

17%

21%

13%

22%

2017

7%

14%

13%

33%

14%

19%

2015

5%

13%

15%

34%

15%

17%

2013

5%

12%

14%

35%

14%

19%

2011

5%

14%

32%

17%

17%

2009

5%

17%

15%

28%

17%

19%

2007

5%

17%

16%

27%

15%

20%

15%

0 tot 3 maanden

3 maanden tot 1 jaar

1 tot 2 jaar

2 tot en met 5 jaar

6 tot 10 jaar

10 jaar of langer

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 Hoofdstuk 2

De aandelen mantelzorgers die al 2 jaar of langer, of zelfs

Figuur 2.6 geeft de aard van de relatie tussen de mantel-

al 6 jaar of langer, mantelzorg geven, lijken de laatste jaren

zorger en de zorgontvanger weer; per soort zorgontvanger

wat toe te nemen.

eerst voor alle mantelzorgers, en daaronder ook voor de zwaar- of overbelaste mantelzorgers.

2.5 De relatie tussen mantelzorger en zorgontvanger

Figuur 2.6:

Aard van de relatie tussen zorgontvanger en mantelzorger; 2007 - 2020.

Partner

Kind

Ouder

Overige familie

Buur of vriend(in)

Overig / onduidelijk

2007

2009

2011

2013

2015

2017

2019

2020

alle mantelzorgers

19%

19%

20%

14%

19%

16%

18%

20%

zwaar- of overbelast

24%

30%

12%

23%

28%

28%

33%

30%

alle mantelzorgers

10%

11%

7%

9%

10%

10%

8%

9%

zwaar- of overbelast

13%

26%

19%

17%

18%

14%

3%

12%

alle mantelzorgers

48%

46%

51%

54%

48%

45%

55%

52%

zwaar- of overbelast

45%

42%

67%

49%

45%

40%

50%

53%

alle mantelzorgers

21%

24%

25%

24%

20%

25%

19%

14%

zwaar- of overbelast

18%

14%

11%

19%

12%

26%

20%

13%

alle mantelzorgers

21%

20%

18%

12%

13%

16%

12%

17%

zwaar- of overbelast

15%

6%

13%

7%

9%

15%

7%

12%

alle mantelzorgers

3%

3%

4%

1%

1%

1%

2%

2%

zwaar- of overbelast

0%

1%

5%

1%

0%

0%

5%

0%

N.B.: Het aantal zwaar- of overbelaste mantelzorgers in de steekproeven is dusdanig laag (in 2019 zelfs slechts 34!) dat uitkomsten daarover slechts een indicatieve waarde hebben.

De helft van de mantelzorgers (52%) heeft de zorg voor een

Van de mantelzorgers die voor ouders zorgen is een kwart

ouder op zich genomen. Daarnaast zorgt meer dan een

zwaar- of overbelast. Het betreft hier een meting bij slechts

kwart van de mantelzorgers (29%) voor een partner of kind

182 respondenten; bij de andere zorgontvangers is dit

en bijna één op de zeven (14%) voor een ander familielid.

aantal nóg kleiner. Het zwaarst lijkt mantelzorg voor een

Aangezien men aan meer dan één persoon mantelzorg kan

partner of kind: één op de drie is dan zwaar- of overbelast.

geven, tellen de percentages in de tabel op tot meer dan 100%.

2.6 Beroepsmatige hulp

Overigens is het aandeel dat voor ouders zorgt sinds de lockdown in verband met de Corona-pandemie van half

Naast de mantelzorg wordt er aan bijna driekwart van de

maart flink afgenomen, en die voor partners en andere

zorgontvangers (73%) ook hulp door beroepsmensen of in-

familie wat toegenomen.

stellingen geboden. Dit geldt overigens voor respondenten van vóór en van sinds de lockdown in precies de zelfde

Mantelzorgers die zwaar- of overbelast zijn, lijken in verge-

mate. Omdat zorgontvangers van meerdere instanties zulke

lijking met de totale groep mantelzorgers vooral vaker voor

hulp kunnen ontvangen, tellen de percentages in de tabel

een partner te zorgen, maar het betreft hier slechts een klein

op tot meer dan 100%. Zie figuur 2.7.

aantal respondenten. Ook hier tellen de percentages in de tabel op tot meer dan 100%.

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 – Hoofdstuk 2

13

Figuur 2.7:

Aard van de beroepsmatige hulp aan de zorgontvangers; 2007 - 2020.

Geen beroepsmatige hulp

Thuiszorg Verpleeg- of verzorginstelling1

Ziekenhuis1

Verpleegkundige

Geestelijke gezondheidszorg

Maatschappelijk werk

Dagopvang of dagbehandeling

Overig / onduidelijk 1

):

2007

2009

2011

2013

2015

2017

2019

2020

alle mantelzorgers

33%

35%

18%

21%

28%

28%

20%

27%

zwaar- of overbelast

28%

34%

13%

15%

27%

24%

24%

20%

alle mantelzorgers

45%

49%

44%

39%

33%

37%

43%

41%

zwaar- of overbelast

48%

44%

42%

35%

38%

30%

41%

46%

alle mantelzorgers

-

-

19%

22%

17%

18%

16%

19%

zwaar- of overbelast

-

-

17%

22%

12%

26%

18%

16%

alle mantelzorgers

-

-

20%

17%

21%

18%

18%

17%

zwaar- of overbelast

-

-

34%

25%

29%

13%

21%

24%

alle mantelzorgers

16%

14%

11%

10%

11%

10%

10%

9%

zwaar- of overbelast

17%

8%

13%

13%

19%

8%

5%

12%

alle mantelzorgers

8%

8%

14%

10%

12%

8%

6%

8%

zwaar- of overbelast

6%

14%

19%

17%

17%

13%

8%

10%

alle mantelzorgers

7%

8%

4%

6%

6%

5%

9%

7%

zwaar- of overbelast

10%

12%

3%

8%

3%

8%

20%

13%

alle mantelzorgers

10%

11%

8%

7%

6%

7%

8%

7%

zwaar- of overbelast

15%

18%

15%

9%

16%

7%

12%

8%

alle mantelzorgers

14%

2%

6%

10%

5%

8%

10%

10%

zwaar- of overbelast

15%

4%

8%

15%

4%

4%

14%

8%

De categorieën ‘Ziekenhuis’ en ‘Verpleeg- of verzorginstelling’ zijn sinds 2011 nieuwe antwoordcategorieën.

N.B.: Het aantal zwaar- of overbelaste mantelzorgers in de steekproeven is dusdanig laag (in 2019 zelfs slechts 34!) dat uitkomsten daarover slechts een indicatieve waarde hebben.

In de meeste gevallen betreft de beroepsmatige hulp thuiszorg (41%) en/of verpleeg- of verzorginstelling (19%) en/of zorg in een ziekenhuis (17%). Vergeleken met vorig jaar ontvangen de zorgontvangers nu weer minder vaak beroepsmatige hulp naast de mantelzorg. Zwaar- of overbelaste mantelzorgers lijken vergeleken met andere mantelzorgers wat vaker voor mensen te zorgen die naast de mantelzorg ook nog beroepsmatige hulp krijgen. Het betreft hier echter slechts een klein aantal respondenten. Van de mantelzorgers die geen beroepsmatige hulp krijgen, is 17% zwaar- of overbelast; van de overige mantelzorgers is dat 25%. Hoe dat laatste verschilt per soort beroepsmatige hulp, is door de kleine aantallen respondenten moeilijk te zeggen. Van de mantelzorgers die worden geholpen door de thuiszorg is 25% zwaar- of overbelast, maar dat betreft een meting op slechts 145 respondenten. Bij de andere soorten beroepsmatige hulp is dat aantal nóg veel kleiner.

14

Mantelzorg volgens de Omnibusenquête 2020 Hoofdstuk 2

Mantelzorg volgens andere bronnen Er zijn veel definities van mantelzorg en diverse criteria die

De definitie van ‘mantelzorg’ via de vragen in de Gezond-

bepalen wat wel of geen mantelzorg is. Verschillen in ge-

heidsmonitor lijkt identiek aan die uit de nu voorliggende

meten percentages mantelzorgers kunnen daarnaast ook

rapportage; de formuleringen in de inleidende toelichting zijn

worden toegeschreven aan verschillen in de introductie van

echter niet identiek, en de leeftijdsafbakening verschilt ook.

het onderwerp, de precieze vraagstelling, de veldwerk-

De percentages uit de Gezondheidsmonitor zijn dus niet

methode, leeftijdsafbakening en de context van de vragen-

helemaal vergelijkbaar met de hier gepresenteerde, al is het

lijst. Dat maakt het lastig tot onmogelijk om uitkomsten van

wel opvallend dat de mantelzorg in Gezondheidsmonitor

verschillende onderzoeken naar de omvang van mantelzorg

(10% in 2016) en die in VTO en Omnibusenquête (17% in

te vergelijken. De vergelijkingen met landelijke en andere

2015; 19% in 2017; 16% in 2019; 15% in 2020) zo fors ver-

Rotterdamse uitkomsten in dit hoofdstuk zijn dan ook

schillen.

slechts globaal.

Een andere enquête in Rotterdam waarin mantelzorg aan de orde komt, is het Wijkonderzoek: de enquête voor het

3.1 Mantelzorg volgens de Gezondheidsmonitor en het Wijkprofiel

Wijkprofiel. In de jongste uitgave daarvan (Wijkprofiel 20202) is te zien (onder ‘Samenredzaamheid Objectief’ of ‘Participatie Objectief’) dat het percentage Rotterdammers dat

In Rotterdam komt mantelzorg ook in andere enquêtes wel

mantelzorg verricht in 2019 net als in 2017 en 2015 15% zou

eens aan de orde; in het bijzonder in die voor de Gezond-

bedragen. Deze percentages betreffen Rotterdammers van

heidsmonitor van de GGD Rotterdam-Rijnmond en die voor

15 jaar en ouder, waarbij ‘mantelzorg’ op dit moment nog

het Wijkprofiel.

steeds verleende mantelzorg betreft, ongeacht de duur en de intensiteit. Ook zijn de vragen naar het verrichten van

Uit de vierjaarlijkse enquête voor de Gezondheidsmonitor

mantelzorg anders ingeleid en anders geformuleerd. De

die in 2016 is gehouden, bleek dat (net als in 2012) 10% van

percentages uit het Wijkprofiel zijn dus niet vergelijkbaar

de Rotterdammers van 19 jaar en ouder mantelzorg

met de hier gepresenteerde, al is het wel opvallend dat het

verrichtte, wat neerkomt op 48.400 mantelzorgers. 15% van

Wijkprofiel iets minder mantelzorg suggereert dan het VTO

hen voelde zich daarbij zwaar- of overbelast; in 2012 was dit

en Omnibusenquête terwijl de definitie ruimer is.

17%1. Figuur 3.1 geeft de verschillen samenvattend weer.

Figuur 3.1:

Definitie ‘mantelzorgers’ volgens VTO / Omnibusenquête (2017, 2019 en 2020), Gezondheidsmonitor (2016) en Wijkprofiel (2017 en 2019).

Leeftijdsafbakening Periode Duur en intensiteit Uitkomst

VTO / Omnibusenquête

Gezondheidsmonitor

Wijkprofiel

13 tot en met 85 jaar nu of in de afgelopen twaalf maanden langer dan 3 maanden of meer dan 8 uur per week

19 jaar en ouder nu of in de afgelopen twaalf maanden minimaal 3 maanden of minimaal 8 uur per week

15 jaar en ouder op dit moment nog steeds

2017: 19%; 2019: 16%; 2020: 15%

2016: 10%

2017: 15%; 2019: 15%

---

N.B.: Daarnaast spelen toelichtingen, formuleringen, veldwerkmethode en context van de vragenlijst ook een rol.

Recentere cijfers zijn voor deze vergelijking niet beschik-

in 2021 afgenomen, en de enquête voor de volgende Ge-

baar; het Wijkonderzoek voor het volgende Wijkprofiel wordt

zondheidsmonitor in het najaar van 2020.

Mantelzorg volgens andere bronnen – Hoofdstuk 3

15

3.2 Mantelzorg landelijk De gegevens over mantelzorg in de Gezondheidsmonitor van de GGD Rotterdam-Rijnmond komen uit een enquête die ook landelijk wordt afgenomen. Volgens deze enquête zou in 2016 14% van de Nederlanders van 19 jaar of ouder mantelzorg verlenen. De mantelzorg moet daarbij al minimaal 3 maanden duren, of het moet gaan om minimaal 8 uur zorg per week. 14% van hen geeft aan zich door die zorg ‘tamelijk zwaar belast’, ‘zeer zwaar belast’ of ‘overbelast’ te voelen. Vergelijking suggereert dan, dat Rotterdammers minder vaak mantelzorgers zijn (10% in 2016, tegen landelijk 14%), en dat Rotterdamse mantelzorgers relatief ongeveer even vaak zwaar- of overbelast zijn als landelijk (15% in 2016, tegen landelijk 14%). Recentere cijfers zijn voor deze vergelijking niet beschikbaar; deze enquête wordt immers pas in het najaar van 2020 weer opnieuw afgenomen.

Noten 1.

Zie: Onderzoek en Business Intelligence (Netty van Veelen e.a.): Feitenkaart mantelzorg. Gezondheidsmonitor; Rotterdam, november 2017.

2.

Gegevens in het Wijkprofiel stammen uit een enquête die in het voorgaande jaar is afgenomen; het percentage mantelzorgers in het Wijkprofiel 2020 betreft dus het percentage mantelzorgers in (het Wijkonderzoek uit) 2019. Zie: https://wijkprofiel.rotterdam.nl.

16

Mantelzorg volgens andere bronnen - Hoofdstuk 3

Onderzoeksopzet; vergelijkbaarheid A.1

Enquête, respons en representativiteit in het kort

Als gevolg van het grote aantal opdrachtgevers aan, en onderwerpen in de Omnibusenquête is de enquête dit jaar opgesplitst in vijf vragenlijsten: een aantal onderwerpen kwam slechts op de zogenoemde A-lijst aan de orde, een aantal alleen op de B-lijst, enzovoorts, en sommige op meerdere lijsten. De respons voor de C- en de D-lijst (de lijsten met de vragen over mantelzorg) bedroeg 30% respectievelijk 31%: in totaal 2.203 respondenten, waarvan er 2.099 bruikbaar waren. De enquête kon naar eigen keuze schriftelijk dan wel via internet worden ingevuld. Van die laatste mogelijkheid heeft ongeveer de helft van de respondenten gebruik gemaakt. Voorts heeft aanvullend mondeling veldwerk plaatsgevonden onder Rotterdammers uit de steekproef met een nietwesterse migratieachtergrond, om op die manier de respons onder deze van oudsher slecht responderende groep te verhogen. Een respons zoals hierboven weergegeven is niet slecht voor enquêtes in een stad als Rotterdam; het CBS kampt bijvoorbeeld bij haar landelijke enquêtes in de grote steden vaak met een slechtere en selectievere respons, en overal kampen markt- en opinieonderzoeksbureaus met een lage en dalende responsbereidheid. Die dalende trend is dankzij een aantal veranderingen in de aanpak bij de Omnibusenquête de laatste jaren in ieder geval gekeerd.

Op zich is de representativiteit ook belangrijker dan de omvang van de respons, die natuurlijk nog altijd groot genoeg is om uitspraken te kunnen doen. Die representativiteit is wederom acceptabel, al kent de respons een zekere selectiviteit die voor een belangrijk deel maatschappelijk verklaarbaar en moeilijk tot niet te voorkomen is, en waarmee bij de interpretatie van resultaten rekening moet worden gehouden. Kort samengevat valt over de respons te zeggen dat traditiegetrouw Rotterdammers vanaf 65 jaar over-, en Rotterdammers onder de 45 jaar ondervertegenwoordigd zijn, en dat het zelfde geldt voor Rotterdammers zonder respectievelijk met een migratieachtergrond. Daarnaast zal er ook een ondervertegenwoordiging zijn van Rotterdammers met een lagere economische status (lage opleiding, laag inkomen) en waarschijnlijk ook van Rotterdammers die zich minder betrokken voelen bij de stad en/of “de gemeente”, en/of in andere opzichten maatschappelijk ontevreden zijn. De respons is echter nog altijd acceptabel; kwantitatief zowel als kwalitatief. Bovendien zijn sommige over- en ondervertegenwoordigingen gecorrigeerd doordat een weging van de resultaten heeft plaatsgevonden; zie hierover in de volgende paragraaf.

A.2

Vrijetijdsonderzoek en Omnibusenquête; weging

De meting van mantelzorg in de Omnibusenquête is bedoeld als vervolg op de metingen daarvan in eerdere Vrijetijdsonderzoeken (VTO’s) van OBI. De Omnibusenquête is in opzet vergelijkbaar met het voormalige VTO, doch kleiner van opzet, en gericht op een iets andere leeftijdscategorie: de vragenlijst is op basis van een steekproef uit de bevolkingsadministratie verspreid onder in totaal 7.200 Rotterdammers van 16 tot en met 85 jaar (terwijl dat er in 2019 overigens 3.600 waren). De steekproef voor het VTO 2017 was bijna twee keer zo groot, en bestond uit Rotterdammers van 13 tot en met 85 jaar. Voor een zo goed mogelijke vergelijkbaarheid met de eerdere metingen vindt voor de aantallen of percentages mantelzorgers daarom sinds 2019 een bijschatting van 13- tot en met 15-jarige mantelzorgers op basis van het percentage mantelzorgers in deze leeftijdscategorie in 2017. Voorts heeft voor die vergelijkbaarheid een weging van de resultaten plaatsgevonden die vergelijkbaar is met de weging bij het VTO, al was een identieke procedure niet mogelijk vanwege de kleinere omvang van de steekproef van de Omnibusenquête. Gewogen is uiteindelijk naar twee leeftijdsklassen (tot en vanaf 45 jaar), twee etniciteitsklassen (met en zonder migratieachtergrond) en twee gebiedsklassen (“Zuid” en overig Rotterdam).

Dit resulteerde in weegfactoren die varieerden van 178,53 (dat wil zeggen: iemand met de betreffende drie kenmerken staat voor 178,53 “soortgelijke” Rotterdammers) tot 376,49(iemand met de betreffende drie kenmerken staat voor 376,49“soortgelijke” Rotterdammers). Het feit dat de hoogste weegfactor slechts 2,1 keer zo groot is als de laagste betekent dat deze weging “stabiel” is: individuele respondenten hebben geen al te sterk onevenredige invloed op uitkomsten.

Onderzoeksopzet; vergelijkbaarheid – Bijlage A

17

18

Onderzoeksopzet; vergelijkbaarheid – Bijlage A

De vragen in de vragenlijst De volgende vragen gaan over mantelzorg Mantelzorg is de zorg die u geeft (of heeft gegeven) aan iemand uit uw omgeving, zoals uw partner, ouders, kind of vrienden, als deze persoon voor langere tijd ziek, hulpbehoevend of gehandicapt is. Het kan gaan om het doen van boodschappen, hulp in de huishouding, hulp bij lichamelijke verzorging (zoals wassen, aankleden, naar het toilet gaan enz.), of het geven van aandacht, steun of troost. Mantelzorg is meer dan de gebruikelijke zorg om een huishouden goed te laten lopen. De normale zorg van ouders aan hun kinderen is geen mantelzorg.

28.

Geeft of gaf u in de afgelopen 12 maanden meer dan 8 uur per week mantelzorg aan een familielid, vriend(in) of bekende?

 

ja, ik gaf mantelzorg, maar minder dan 8 uur per week (en ik geef die mantelzorg nu niet meer) ja, ik geef mantelzorg, maar minder dan 8 uur per week ja, ik gaf meer dan 8 uur per week mantelzorg, maar ik geef die mantelzorg nu niet meer ja, ik geef minstens 8 uur per week mantelzorg nee, ik geef/gaf geen mantelzorg

nee, ik geef / gaf geen mantelzorg

 

29.

Hoe lang bent u mantelzorger (geweest)?

      30.

0 tot 3 maanden 3 maanden tot 1 jaar 1 tot 2 jaar 2 tot en met 5 jaar 6 tot 10 jaar 10 jaar of langer

Woont / woonde diegene aan wie u mantelzorg geeft (gaf) bij u in huis?

  31.

➔ Ga door naar vraag 34

ja nee

Wat is / was uw relatie met diegene aan wie u mantelzorg geeft (gaf)? Degene aan wie ik de afgelopen 12 maanden mantelzorg heb gegeven is mijn … (U mag hier meerdere antwoorden aankruisen.)

     

partner kind (ook stiefkind of pleegkind) ouder (ook schoon-, stief- of pleegouder) andere familie overig (zoals vrienden, kennissen, buren) anders, namelijk:

De vragen in de vragenlijst – Bijlage B

19

32.

Krijgt / kreeg degene aan wie u mantelzorg geeft (gaf) professionele hulp? Zo ja, van wie? (U mag hier meerdere antwoorden aankruisen.)

         33.

Sommige mensen voelen zich erg belast door de verzorging van een ander. Zij vinden de zorg zwaar en moeilijk vol te houden. Voor andere mensen geldt dat minder. Alles bij elkaar genomen, hoe belast voelt u zich momenteel?

    

20

de verzorgde krijgt / kreeg geen professionele hulp thuiszorg verpleegkundige maatschappelijk werk dagopvang / dagbehandeling verpleeg- / verzorginstelling ziekenhuis geestelijke gezondheidszorg (bijvoorbeeld RIAGG) overige professionele hulp, namelijk:

niet of nauwelijks belast enigszins belast tamelijk zwaar belast zeer zwaar belast overbelast

De vragen in de vragenlijst – Bijlage B

De betekenis van de percentages C.1

Percentages

In de tabellen in dit rapport staan de uitkomsten in percentagevorm weergegeven. Dit is gedaan omdat percentages in populaties van verschillende grootte (bijvoorbeeld: de steekproef versus heel Rotterdam) onderling gemakkelijker te vergelijken zijn dan aantallen. Metingen via een steekproef leveren een schatting van de werkelijkheid. Het toevalskarakter van de steekproef heeft als consequentie, dat schatting en werkelijke waarde ten gevolge van het toeval kunnen afwijken. (Daarnaast zijn ook afwijkingen mogelijk ten gevolge van andere zaken dan het toeval, zoals onder- en oververtegenwoordigingen van bepaalde categorieën respondenten, bijvoorbeeld door selectieve non-respons.) Deze mogelijke afwijkingen ten gevolge van het toeval kunnen worden uitgedrukt in statistische betrouwbaarheidsmarges. Gangbaar hierbij is een uitdrukking in 95%-betrouwbaarheidsmarges. De 95%-betrouwbaarheidsmarge bij een steekproefpercentage en een steekproefgrootte geeft aan, hoe groot de afFiguur C.1:

wijking van de geschatte waarde met de werkelijke waarde zou kunnen zijn ten gevolge van het toeval. De betekenis van zo'n marge is, dat, indien de steekproef en de meting vele malen zouden worden herhaald, en steeds een 95%betrouwbaarheidsmarge zou worden bepaald, de werkelijke waarde zich in 95 van de 100 gevallen binnen de betrouwbaarheidsmarge zal bevinden. Een betrouwbaarheidsmarge (dus: de onnauwkeurigheid) is kleiner naarmate de steekproef groter is, maar verschilt ook met het gemeten percentage: percentages van rond de 50% hebben de grootste onnauwkeurigheid, en hoe verder het percentage van de 50% af zit, hoe kleiner de onnauwkeurigheid1. Dit betekent in het bijzonder ook, dat bij heel kleine percentages die zijn veroorzaakt door één of twee respondenten nog sprake kan zijn van een toevalstreffer, maar dat dit niet kan worden gezegd als het wat meer respondenten betreft. De volgende tabel geeft voor in steekproeven of delen daarvan gemeten percentages de betrouwbaarheidsmarges voor een meting van 50% (dus voor het ongunstigste geval), en ter illustratie ook voor een meting van 10- of 90%.

De 95%-betrouwbaarheidsmarges van gemeten percentages.

Bij een (deel-)steekproefomvang van: 50 100 150 200 250 500 2.203 (gebruikte deel van de enquête)

is 10% eigenlijk:

is 50% eigenlijk:

is 90% eigenlijk:

10% ± 8% 10% ± 6% 10% ± 5% 10% ± 4% 10% ± 4% 10% ± 3% 10% ± 1%

50% ± 14% 50% ± 10% 50% ± 8% 50% ± 7% 50% ± 6% 50% ± 4% 50% ± 2%

90% ± 8% 90% ± 6% 90% ± 5% 90% ± 4% 90% ± 4% 90% ± 3% 90% ± 1%

Voorbeeld: als in een steekproef(-deel) van 500 ondervraagden 50% een bepaald antwoord geeft, moet dit gelezen worden als 50% ± 4%, ofwel 46- à 54%. Bij kleinere of grotere gemeten percentages wordt deze marge kleiner.

worden, dat de grens tussen ‘significant’ en ‘niet-significant’ wat kleiner is dan het totaal van de beide betrouwbaarheidsmarges. Voorbeeld: iets is niet aantoonbaar toegenomen als het vorige keer 50% was en dit jaar 51%. Een stijging van 10- naar 12% daarentegen is wél significant.

C.2

In de volgende tabel zijn de marges aangegeven waarbinnen verschillen niet significant zijn voor drie gevallen: bij vergelijking van de uitkomsten voor twee deelgroepen van elk 250 respondenten, van twee uitkomsten voor deelgroepen van elk 750 respondenten en van twee uitkomsten voor twee deelgroepen van elk 2.000 respondenten (ongeveer de respons van de twee gebruikte vragenlijsten van de Omnibusenquête). Voor vergelijking van percentages voor deelgroepen van verschillende omvang gelden weer andere marges: van de uitkomsten van een χ2-toets is geen eenvoudig totaaloverzicht te geven2.

Vergelijkingen

Ook bij de vergelijking van percentages of verdelingen (bijvoorbeeld: tussen mannen en vrouwen, of tussen dit jaar en een vorig jaar) is het mogelijk dat een gemeten verschil slechts veroorzaakt is door het toevalskarakter van de steekproef of steekproeven. Het gemeten verschil heet in dat geval niet ‘significant’. Voor de bepaling of het verschil tussen twee gemeten percentages groot genoeg is om significant te zijn, bestaan wiskundige technieken: de zogeheten χ2-toets (‘chi-kwadraattoets’). In het algemeen kan gesteld

De betekenis van de percentages – Bijlage C

21

Figuur C.2:

De 95%-betrouwbaarheidsmarges voor het verschil tussen twee gemeten percentages in drie gevallen.

Bij een (deel-)steekproefomvang van in beide gevallen:

250 respondenten

750 respondenten

2.000 respondenten (ongeveer volledige respons)

verschilt 10% niet significant van verschilt 20% niet significant van verschilt 30% niet significant van verschilt 40% niet significant van verschilt 50% niet significant van verschilt 60% niet significant van verschilt 70% niet significant van verschilt 80% niet significant van verschilt 90% niet significant van

5,4% t/m 15,8% 13,5% t/m 27,4% 22,3% t/m 38,3% 31,6% t/m 48,7% 41,3% t/m 58,7% 51,3% t/m 68,4% 61,7% t/m 77,7% 72,6% t/m 86,5% 84,2% t/m 94,6%

7,2% t/m 13,2% 16,2% t/m 24,1% 25,5% t/m 34,7% 35,1% t/m 45,0% 45,0% t/m 55,0% 55,0% t/m 64,9% 65,3% t/m 74,5% 75,9% t/m 83,8% 86,8% t/m 92,8%

8,3% t/m 11,9% 17,6% t/m 22,5% 27,2% t/m 32,8% 37,0% t/m 43,0% 47,0% t/m 53,0% 57,0% t/m 63,0% 67,2% t/m 72,8% 77,5% t/m 82,4% 88,1% t/m 91,7%

Voorbeeld: (links halverwege:) als voor een deelgroep van 250 respondenten een percentage 50% wordt gemeten, dan verschillen andere groepen van zo’n grootte significant van die deelgroep als daarvoor minder dan 41,3% of méér dan 58,7% is gemeten. Bij kleinere of grotere gemeten percentages wordt deze marge kleiner. Voor vergelijking van percentages voor deelgroepen van verschillende omvang gelden altijd weer andere marges: van de uitkomsten van een χ2-toets is geen eenvoudig leesbaar en interpreteerbaar totaaloverzicht te geven.

In het algemeen moge de boodschap zijn, dat gemeten verschillen van slechts enkele %-punten niet als verschillen mogen worden beschouwd, maar evengoed door het toevalskarakter van de steekproeven kunnen zijn veroorzaakt.

C.3

2.

Gemiddelden

Voor de liefhebber: Als de gemeten aantallen van een verdeling in een steekproef van omvang n1 worden aangegeven met n11, ..., n1k, en die in een andere steekproef van omvang n2 met n21, ..., n2k, dan dienen we de twee steekproeven tezamen te beschouwen, en bedragen de gemiddelde verwachtingen per steekproef e1i = pi x n1 respectievelijk

Ook om te bepalen of het verschil tussen twee gemeten gemiddelden (bijvoorbeeld het verschil tussen twee rapportcijfers) significant is of slechts veroorzaakt is door het toevalskarakter van de steekproeven, kan een t-toets worden verricht. Hoewel ook hier het precieze resultaat van geval tot geval verschilt, en met name ook afhangt van de gemeten waarden en de spreiding rond de gemiddelden, geldt in de praktijk in het algemeen, dat verschillen in rapportcijfers van 0,2 en hoger significant zijn3. (Bij een meting over een deel van de steekproef - bijvoorbeeld: over alleen de Rotterdamse mannen - ligt deze grens hoger.)

e2i = pi x n2, waarbij de percentages pi = (n1i+n2i) / (n1+n2) de procentuele verdeling in de gezamenlijke steekproef weergeven. We kunnen nu een waarde voor de toetsingsgrootheid χ2 = Σ {(gemeten aantal - verwachte aantal)2 / (verwachte aantal)} bepalen door voor iedere groep de bijdrage {(gemeten aantal - verwacht aantal)2 / (verwacht aantal)} te berekenen: χ2 = Σ {(n1i-e1i)2 / e1i} + Σ {(n2i-e2i)2 / e2i}. Deze χ2 dient met (k-1) vrijheidsgraden te worden getoetst aan de hand van significantiegrenzen. (Doorgaans: voor een betrouwbaarheid van 95%.) Er is een significant verschil als χ2 groter is dan zo’n significantiegrens.

Noten 1.

Bij het berekenen van de betrouwbaarheidsmarge bij percentages kan worden uitgegaan van de volgende benaderende formule: absolute 95%-betrouwbaarheidsmarge bij p% = = 1,96 x √p(100-p) / √(n-1), waarbij n de omvang van de (deel-) steekproef is. Een gemeten percentage van 50% in het gebruikte deel van de Omnibusenquête 2020 heeft dus een betrouwbaarheidsmarge van 1,96 x √(50x50) / √2.202 = 2,1%. Evenzo heeft een gemeten percentage van 1% een betrouwbaarheidsmarge van 1,96 x √(1x99) / √2.202 = 0,4%. Bij alleen de 1.077 mannen in het gebruikte deel van de Omnibusenquête 2020 heeft een gemeten percentage van 50% evenwel een betrouwbaarheidsmarge van 1,96 x √(50x50) / √1.076 = 3,0%, en is bij een gemeten percentage van 1% de marge 1,96 x √(1x99) / √1.076 = 0,6%.

22

De betekenis van de percentages – Bijlage C

3.

Voor de liefhebber: Als de gemeten gemiddelden worden aangegeven met m1 respectievelijk m2, de bijbehorende gemeten standaarddeviaties met s1 respectievelijk s2 en de steekproefomvangen met n1 respectievelijk n2, dan is het verschil (m2-m1) met 95% zekerheid significant als t = |m2-m1| / (sx√(1/n1+1/n2)) > 1,96 waarbij s2 = ((n1-1)xs12+(n2-1)xs22) / (n1+n2-2). Als we eenvoudhalve mogen veronderstellen dat beide steekproefomvangen even groot zijn (zeg: n1 = n2 = n), dan is deze toetsingsformule te vereenvoudigen tot t = |m2-m1| x √n / √(s12+s22) > 1,96.

De betekenis van de percentages – Bijlage C

23

Kennis voor een sterk Rotterdams beleid Onderzoek en Business Intelligence is een afdeling binnen de gemeente Rotterdam. De afdeling verzamelt informatie en doet onderzoek voor het maken en uitvoeren van beleid door de gemeente Rotterdam. Het onderzoek gaat over onderwerpen als gezondheid, zorg, onderwijs, re-integratie, demografie, ruimtelijke ordening en veiligheid. Soms is de gemeentelijke organisatie het onderwerp, vaker gaat het over de stad en haar bewoners. Het doel is steeds om met deze verzamelde kennis het beleid en de bedrijfsvoering van de gemeente te verbeteren.

Auteur

Paul de Graaf (1957) is wiskundige en werkt sinds 1989 als onderzoeker bij de gemeente Rotterdam. Hij is de projectleider van de jaarlijkse Omnibusenquête. Daarnaast doet hij onder meer kwantitatief onderzoek over mobiliteit, onderwijs / opleidingsniveau, arbeidsmarkt en inkomensverdeling.

24

De betekenis van de percentages – Bijlage C

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=40a02eae-0292-4514-8d28-0930c86e0f18