21bb4274 Bijlage 2 behorende bij 21bb4272 over Cliëntervaringsonderzoek 2020
Tekst van het document
1.
Cliëntervarings onderzoek Ervaringen van Rotterdamse cliënten met jeugdhulp 2020
Onderzoek en Business Intelligence
Colofon Gemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) Datum: Auteur(s):
22 januari 2021 Petra van de Looij-Jansen en Staf van Zeele m.m.v Tamara van Batenburg-Eddes
Vragen:
onderzoek@rotterdam.nl
2
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding
7
1.1
Achtergrond en doel
7
1.2
Onderzoeksvragen
7
1.3
Uitvoering van het onderzoek
7
1.4
(Non)-respons
8
1.5
Leeswijzer
8
Beschrijving respondenten
9
2.1
Achtergrondkenmerken
9
2.2
Kenmerken van de hulp
10
Tevredenheid met de hulp
11
3.1 Tevredenheid algemeen
11
3.2 Waar zijn cliënten (on)tevreden over?
12
Toegang van de hulp
14
4.1 Toeleiding
14
4.2 Wachttijd
14
1.3 Toegankelijkheid
16
Uitvoering van de hulp
17
5.1
Uitvoering van de hulp
17
5.2
Samenwerking
18
5.3
Inzet van het sociale netwerk
20
5.4
Passende hulp
20
Ervaren effect van de hulp
22
6.1
Effect van hulp op kind in het algemeen
22
6.2
Effect van hulp op zelfredzaamheid van kind
22
6.3
Effect van hulp op zelfredzaamheid ouder
23
6.4
Effect van hulp op omgeving van kind
24
Belangrijkste bevindingen
25
7.1
Inleiding
25
7.2
Tevredenheid met de hulp
25
7.3
Toegang tot de hulp
25
7.4
Uitvoering en inhoud van de hulp
25
7.5
Ervaren effect van de hulp
26
7.6
4
Algemene conclusie
26
Bijlage A Steekproeftrekking
27
Bijlage B Cijfers vorige metingen
29
6
1 Inleiding 1.1
Achtergrond en doel
De gemeente Rotterdam voert jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek uit onder cliënten die jeugdhulp of een jeugdbeschermings/jeugdreclasseringsmaatregel ontvangen. Het doel van dit onderzoek is een beeld te krijgen van de tevredenheid van cliënten met de toegang tot jeugdhulp, de ervaren kwaliteit van de jeugdhulp en het ervaren effect van de jeugdhulp. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om
1.3
De onderzoekspopulatie bestaat uit alle cliënten woonachtig in Rotterdam1 die in 2019 jeugdhulp hebben ontvangen. De volgende groepen zijn daarbij onderscheiden: 1. Basishulp: jeugdhulp uitgevoerd door wijkteams Hulp die wordt geleverd door de jeugd- en
jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek uit te voeren. De
gezinscoaches vanuit het wijkteam. Het gaat om alle
Jeugdwet verwijst voor de grondslag hiervan naar de Wmo
hulp die in de context van de jeugdige, dus binnen
. De afdeling Jeugd van het Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling heeft de afdeling Onderzoek en Business Intelli-
gezin, school en directe omgeving, plaatsvindt. 2. Specialistische hulp: jeugdhulp uitgevoerd door zorgaanbieders
gence (OBI) gevraagd om een cliëntervaringsonderzoek
Hulp die kan bestaan uit (verschillende vormen van) in-
over de jeugdhulp in 2019 uit te voeren. OBI heeft in 2016,
tensieve ambulante hulpverlening, intensieve, gespeci-
2017 en 2019 min of meer vergelijkbare cliëntervarings-
aliseerde pedagogische thuishulp, daghulp (semi-resi-
onderzoeken uitgevoerd. In tegenstelling tot eerdere
dentiële zorg), de dag- en nachthulp (residentiële zorg)
onderzoeken zijn cliënten die jeugdbescherming of jeugd-
en de pleegzorg waarbij een jongere in het gezin van
reclassering krijgen in het huidige onderzoek niet meege-
pleegouders blijft. Artsen verwijzen voor dit type hulp
nomen. De reden daarvoor is dat er bij JBRR on-
cliënten door of wijkteams doen voor deze hulp een be-
duidelijkheden waren rondom het waarborgen van de pri-
stelling bij een zorgaanbieder.
vacy van hun cliënten.
1.2
Onderzoeksvragen
De onderzoeksvragen zijn als volgt geformuleerd: 1. In hoeverre zijn cliënten die jeugdhulp ontvangen tevreden over de hulp? 2. Wat vinden cliënten van de toegang (toeleiding en toegankelijkheid) van de hulp? 3. Wat vinden cliënten van de kwaliteit (uitvoering en inhoud) van de hulp? 4. Welke effecten ervaren cliënten van de hulp? 5. Zijn er verschillen in tevredenheid met de toegang, kwaliteit en ervaren effecten in vergelijking met eerdere cliëntervaringsonderzoeken?
Uitvoering van het onderzoek
Onder een steekproef van hierboven genoemde cliëntgroepen is een telefonische enquête uitgezet. Een toelichting op de steekproeftrekking is beschreven in bijlage I. Voor de start van het onderzoek is nadrukkelijk rekening gehouden met de privacy-vereisten. De cliënten hebben voorafgaand aan de enquête een brief ontvangen van de gemeente. In deze brief is het onderzoek aangekondigd en de afmeldingsprocedure omschreven voor cliënten niet aan het onderzoek mee willen werken. Ook heeft de enquêteur voorafgaand aan het interview aan de telefoon nogmaals om medewerking gevraagd. Om de respons te stimuleren zijn 25 cadeaubonnen van 20 euro verloot onder alle cliënten die aan het onderzoek hebben deelgenomen. De vragenlijst die voor het cliëntervaringsonderzoek is gebruikt, is gebaseerd op de modelvragenlijst van de VNG2
1
Jeugdigen waarvoor de gemeente Rotterdam verantwoordelijk is, op basis van het woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet.
2
https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/publicaties/modelvragenlijst-clientervaringsonderzoek-jeugd-mcjo
en is grotendeels vergelijkbaar met de vragenlijst die eer-
Generalistische basis GGZ. Gestreefd is naar een repre-
der is gebruikt voor het cliëntervaringsonderzoek.
sentatieve verdeling van cliënten over de percelen.
1.4
Er zijn totaal 1.234 respondenten (ouders en kinderen) te-
(Non)-respons
lefonisch benaderd. In totaal zijn 513 interviews afgeno-
Respons
men. De respons komt hiermee op 42%. De respons per
Vooraf is bepaald om een netto-respons over te houden van 250 cliënten die basishulp krijgen van het wijkteam en 250 cliënten die specialistische jeugdhulp krijgen. Voor de steekproef van cliënten met specialistische hulp zijn zes percelen onderscheiden: 1) Pleegzorg, 2) combinatie van Opname en Langdurig verblijf, 3) Steun, hulp of behandeling, 4) Ambulante hulpverlening in de thuissituatie, 5) Ambulante hulp voor jeugd met een beperking en 6)
Tabel 1
categorie jeugdhulp is in tabel 1 weergegeven. Non-respons Cliënten kunnen om verschillende redenen uiteindelijk niet bereikt worden, maar we weten niet goed welke cliënten dit zijn en in welke mate deze non-respons samenhangt met bijvoorbeeld tevredenheid met hulp.
Aantal respondenten en responspercentage per categorie jeugdhulp Basishulp
Specialistische hulp
Totaal
Aantal ouders
227
196
423
Aantal jongeren
33
57
90
Totaal
260
253
513
Respons (% van totaal benaderde cliënten
49%
36%
42%
door veldwerkbureau)
Non-respons na de telefonische enquête heeft vooral te
een verantwoorde vergelijking met deze eerdere meting te
maken met het niet kunnen bereiken van mensen omdat
maken, zijn de resultaten uit 2018 gewogen naar perceel
het telefoonnummer niet meer in gebruik was of omdat ze
(verhouding 2019).3 Een overzicht van resultaten uit voor-
de telefoon niet opnamen. In bijlage A is meer informatie
gaande metingen zijn te vinden in bijlage B.
over de (non)-respons te vinden. In het rapport vindt u citaten van respondenten. Deze zijn
1.5
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 geeft een
opgenomen ter illustratie van de gevoerde gesprekken maar geven niet altijd de meest gedeelde mening weer.
beschrijving van de respondenten. Achtereenvolgens komen de resultaten van de volgende thema’s aan de orde: tevredenheid hulp (hoofdstuk 3), toegang naar hulp (hoofdstuk 4), uitvoering en inhoud van hulp (hoofdstuk 5) en effect van hulp (hoofdstuk 6). Het laatste hoofdstuk geeft de belangrijkste bevindingen weer. De resultaten zijn naar type hulp gepresenteerd. De resultaten zijn verder vergeleken met de meting uit 2018. Om
3
8
De wijze waarop de steekproef voor specialistische hulp in 2019 is getrokken, wijkt af van de wijze waarop de steekproef is getrokken in 2018. In de steekproef voor 2019 is uitgegaan van een representatieve verdeling van cliënten over de percelen, terwijl de steekproef voor 2018 een gelijke verhouding van cliënten
over de percelen inhield. Om de resultaten van beide onderzoeken met elkaar te vergelijken zijn de resultaten uit 2018 gewogen naar perceel, waarbij de verhouding uit 2019 is toegepast.
2 Beschrijving respondenten 2.1
Achtergrondkenmerken
Tabel 2.1 geeft een aantal achtergrondkenmerken weer
Het percentage cliënten met een Nederlandse achtergrond
van de cliënten die deelnamen aan het onderzoek. De on-
varieert van 39% bij cliënten basishulp tot 43% van de cli-
derzoeksgroep bestaat uit meer jongens dan meisjes, dit
enten met specialistische hulp. Het aandeel niet-westerse
geldt zowel voor basishulp als voor specialistische hulp. Dit
cliënten varieert van 54% bij specialistische hulp tot 57%
is in lijn met zowel landelijke als Rotterdamse cijfers waar-
bij basishulp. Van Rotterdamse jeugdzorgcliënten heeft
uit blijkt dat jongens vaker jeugdhulp ontvangen dan meis-
42% een Nederlandse achtergrond, 9% een overig wes-
jes4.
terse en 49% een niet-westerse achtergrond. We zien dat
De leeftijd van de kinderen varieert van 49% onder de 12 jaar bij cliënten met specialistische hulp tot 53% bij cliënten
in de groep respondenten naar verhouding wat meer nietwesterse cliënten zitten en wat minder westerse cliënten.
met basishulp. Dit komt redelijk overeen met de leeftijd van
In de meeste gevallen was de ouder de respondent. Ver-
Rotterdamse populatie jeugdzorgcliënten. Uit gegevens
geleken met basishulp kwam het bij cliënten met specialis-
van het CBS blijkt namelijk dat 52% van de jeugdigen die
tische hulp vaker voor dat de jongere zelf de vragen heeft
jeugdzorg ontvangen jonger is dan 12 jaar5.
beantwoord.
Tabel 2.1. Kenmerken respondenten (%) Basishulp (n=260)
Geslacht kind
Jongen
64%
62%
36%
38%
53%
49%
47%
51%
Nederlands
39%
43%
Overig westers
4%
3%
Niet-westers
57%
54%
Laag (geen, lager onderwijs)
10%
15%
Midden 1 (lbo, mavo)
14%
18%
Midden 2 (mbo, havo, vwo)
49%
55%
Hoog (hbo, wo)
26%
11%
Volgt geen opleiding
6%
7%
Basisonderwijs
36%
34%
VMBO/MBO
25%
29%
Havo/vwo of HBO/WO
8%
6%
Speciaal BAO/VSO/PRO
25%
24%
Meisje Leeftijd kind
< 12 jaar ≥ 12 jaar
(Migratie)achtergrond kind
Opleidingsniveau ouder
Opleidingsniveau kind
4
Specialistische hulp (n=253)
CBS, Jeugdhulp 2018; Anschütz e.a. Jeugdstelsel in de groei, OBI/Gemeente Rotterdam, 2018.
5
Anschütz e.a. Jeugdstelsel in de groei, OBI/Gemeente Rotterdam, 2018.
Woonsituatie kind
Bij (één van de) ouders
97%
86%
Pleeggezin
0%
5%
Instelling
1%
3%
2%
6%
Ouder
87%
77%
Jongere
13%
23%
Overig Wie beantwoordt vragen
2.2
Kenmerken van de hulp
Tabel 2.2 geeft enkele kenmerken van de hulp weer. Cliën-
Bij ongeveer zes op de tien cliënten met basishulp of spe-
ten met basishulp van het wijkteam kregen in 2019 ook
cialistische hulp duurt de hulp langer dan een jaar. Bij on-
vaak hulp van een zorgaanbieder. Andersom kregen cliën-
geveer een derde van de cliënten met basishulp ontvangen
ten met specialistische hulp ook vaak nog hulp van het
ook ouders en/of broers/zussen hulp, bij cliënten met spe-
wijkteam.
cialistische hulp is dit 23%.
Tabel 2.2. Kenmerken van de hulp (%) Basishulp wijkteam (n=260)
Specialistische hulp (n=253)
Hulp wijkteam en/of
(Alleen) wijkteam
63%
0%
zorgaanbieder
(Alleen) zorgaanbieder
0%
35%
Wijkteam èn zorgaanbieder
37%
65%
< 3 maanden
9%
10%
3-6 maanden
11%
10%
6-12 maanden
23%
21%
langer dan een jaar
58%
59%
Wie ontvangt nog meer hulp
Ouders
16%
12%
(meerdere antwoorden mogelijk)
Broers/zussen
17%
11%
Omgeving gezin (buren, fa-
0%
1%
School
1%
1%
Pleeggezin/ouders
0%
2%
Niemand
71%
80%
Duur hulp
milie, vrienden)
10
3 Tevredenheid met de hulp 3.1 Tevredenheid algemeen Op de vraag of cliënten over het algemeen tevreden zijn
basishulp is slechts een lichte fluctuatie die niet statistisch
met de hulp die ze krijgen, antwoordt 92% van de cliënten
significant is.
die basishulp ontvangen bevestigend, bij de cliënten die
Wanneer we wat specifieker kijken naar de spreiding van
specialistische hulp ontvangen is dat 86% (zie tabel 3.1).
het rapportcijfer dan valt op dat het merendeel van de cli-
Het gemiddelde rapportcijfer dat zij geven varieert van 7,4
enten de hulp een voldoende geeft: 92% van de cliënten
bij cliënten met specialistische hulp tot 7,6 bij cliënten met
met basishulp en 88% van de cliënten met specialistische
basishulp.
hulp (zie figuur 3.1).
De algemene tevredenheid van beide cliëntgroepen is in 2019 vergelijkbaar met voorgaande meting(en). Bij de Tabel 3.1 Tevredenheid met de hulp 2019
2018
2016
2015
Algemene tevredenheid (% ja) Basishulp
92%
89%
84%
94%
Specialistische hulp
86%
86%
-
-
Basishulp
7,6
7,6
7,3
7,9
Specialistische hulp
7,4
7,4
-
-
Rapportcijfer (gemiddelde)
Figuur 3.1 Rapportcijfer in categorieën, naar type hulp (%)
0
Basishulp
Specialistische hulp
10
7
20
30
40
30
12
50
60
70
62
28
rapportcijfer < 6
60
rapportcijfer 6 of 7
rapportcijfer 8 of hoger
80
90
100
3.2 Waar zijn cliënten (on)tevreden over?
Cliënten is gevraagd over welke specifieke onderdelen van
Cliënten vinden dat ‘de communicatie’ goed is, vinden de
de hulp ze tevreden of ontevreden zijn. Cliënten benoemen
hulpverleners betrokken en serieus, ervaren de samenwer-
het meest dat ze tevreden zijn over het feit dat de hulpver-
king met de hulpverlening als positief, waarderen de ‘per-
lener goed luistert (zie figuur 3.2). Cliënten met basishulp
soonlijke benadering’ en loven de persoon van de hulpver-
en cliënten met specialistische hulp geven ook relatief vaak
lener (vriendelijk, aardig, begripvol, ruimdenkend, oplos-
aan dat ze tevreden zijn over de kennis en ervaring van de
singsgericht). Een andere categorie antwoorden die minder
hulpverlener. Ook zijn zij relatief vaak tevreden over het ef-
frequent wordt genoemd heeft te maken met de bereik-
fect van de hulp. Vooral cliënten met basishulp noemen het
baarheid en flexibiliteit van de hulpverleners.
regelen van praktische zaken als onderdeel van de hulp waar ze tevreden over zijn. Cliënten noemen ook andere onderdelen van de hulp waar ze tevreden over zijn. Het gaat vooral om ‘alliantie-aspecten’, oftewel aspecten die te maken hebben met de werkrelatie tussen hulpverleners en het kind en/of de opvoeders.
Figuur 3.2 Onderdelen van de hulp waar cliënten tevreden over zijn (%)
0
10
20
30
40
50
60
Hulpverlener luistert goed
53
Effect van de hulp
31
Hulp kon snel starten
23
Regelen bij praktische zaken
Overal ontevreden over/nergens tevreden over
35
27
25
34
6 5 4
8
Basishulp
12
80 78
Kennis en ervaring hulpverlener
Anders
70
Specialistische hulp
58
90 81
Figuur 3.3 Onderdelen van de hulp waar cliënten ontevreden over zijn (%)
0
10 5
Wisselende hulpverleners 3
Geen klik met hulpverleners
20
50
60
70
80
6 7
Onvoldoende betrekken cliënt
6
14
8 12 12
Lange wacht- en doorlooptijden 7 8
Weinig effect van de hulp Gebrekkige expertise hulpverlener
3 3
Geen tijdige doorverwijzing
2 1
Anders
40
8
Geen goede communicatie
Hoge kosten, die niet vergoed worden
30
0
2 6
11
overal tevreden over/nergens ontevreden…
62
Basishulp
68
Specialistische hulp
Cliënten is ook gevraagd over welke onderdelen van de
Daarnaast zijn er diverse minder frequent genoemde rede-
hulp ze minder tevreden zijn (zie figuur 3.3). Cliënten met
nen van ontevredenheid genoemd, waaronder slechte be-
basishulp en specialistische hulp benoemen relatief vaak
reikbaarheid, hulpverlener houdt niet alles anoniem, niet
dat ze ontevreden zijn over lange wacht- en doorlooptijden
prettig dat hulpverlener thuiskwam, niet prettig dat er vi-
(12%). Cliënten met specialistische hulp zijn ook relatief
deo-opnames werden gemaakt tijdens de gesprekken en
vaak ontevreden over de communicatie (14%), significant
hulpverleners die langs elkaar heen werken.
vaker dan cliënten met basishulp (7%). Naast de genoemde onderdelen noemen cliënten ook andere onderdelen van de hulp waar ze ontevreden over zijn. Relatief vaak gaat het dan om de passendheid van de hulp of ondersteuning. Het ervaren gebrek aan passendheid heeft deels betrekking op het gevoel van cliënten dat ze te veel zelf moeten doen en er te weinig door de hulpverleners werd gedaan. Andere ervaringen van niet-passendheid hebben betrekking op een te korte duur van de ondersteuning of dat het hulpaanbod niet adequaat was en niet paste bij wat zij nodig dachten te hebben We zagen eerder dat ‘alliantie-aspecten’ een rol spelen bij de tevredenheid van hulp. Ze zijn echter ook een bron van ontevredenheid met de hulp. Cliënten ervaren dat er niet wordt geluisterd, dat ze niet ‘serieus’ worden genomen, dat afspraken niet worden nagekomen. Of het wordt cliënten niet duidelijk wat de aanpak van hun situatie gaat zijn.
4 Toegang van de hulp 4.1 Toeleiding Aan cliënten met basishulp of specialistische hulp is ge-
een zorgaanbieder terecht. Opvallend is dat het aandeel
vraagd hoe ze bij respectievelijk het wijkteam of zorgaan-
cliënten met specialistische hulp dat aangeeft via school of
bieder terecht zijn gekomen. Cliënten konden meerdere
schoolmaatschappelijk werk bij een zorgaanbieder terecht
verwijzers noemen. Figuur 4.1 laat de verwijzers zien.
te zijn gekomen, is toegenomen van 13% in 2018 naar
Cliënten die basishulp van het wijkteam krijgen, komen het
26% in 2019.
meest via school of schoolmaatschappelijk werk bij het wijkteam terecht. Daarnaast komen ze relatief vaak via de huisarts of specialist bij het wijkteam. Cliënten met specialistische hulp komen het meest via de gemeente, via school of schoolmaatschappelijk werk of via de huisarts bij Figuur 4.1 Verwijzer naar wijkteam (basishulp) of zorgaanbieder (specialistische hulp) (%)
0
5
10
15
20
25
Via school of SMW
16
Via jeugdbescherming / jeugdreclassering
40 36
18
7
3
12
Via iemand van gemeente of wijkteam Via schoolarts/CJG
35
26
Via huisarts Via specialist
30
32
6
3 4
11
Anders
11
6 5
Weet ik niet
Basishulp
7
Specialistische hulp
4.2 Wachttijd Cliënten is gevraagd hoe lang de tijd was tussen het mo-
een wachttijd van drie maanden of langer, bij de basishulp
ment van aanmelding bij wijkteam of zorgaanbieder en de
was dit 21% (zie figuur 4.2).
start van de hulp. Cliënten met specialistische hulp hadden
14
te maken met een langere wachttijd voor hulp dan cliënten
Gemiddeld was de tijd tussen het moment van aanmelding
met basishulp. Ruim een derde (37%) had te maken met
en de start van de hulp 2,5 maanden bij cliënten met
specialistische en 1,3 maanden bij cliënten met basishulp.
maanden) en voor basishulp is deze gedaald (2018: 1,7
De gemiddelde wachttijd voor cliënten met specialistische
maanden).
hulp is ten opzichte van vorig jaar gestegen (2018: 2,3
Figuur 4.2 Wachttijd in categorieën (%)
0
10
20
30
40
Basishulp
50
60
70
80
90
79
Specialistische hulp
15
63
< 3 maanden
21
3 tot 6 maanden
100
6
16
≥ 6 maanden
Cliënten met basishulp en cliënten met specialistische hulp
De mate waarin men (heel) tevreden is over de wachttijd is
zijn overwegend tevreden met de tijd tussen moment van
bij cliënten met basishulp fors gestegen (85%) ten opzichte
aanmelding en de start van de hulp. Ongeveer een op de
van 2018 (71%). Bij cliënten met specialistische hulp is
tien cliënten is (heel) ontevreden over de wachttijd (zie fi-
deze tevredenheid ongeveer hetzelfde gebleven (2018:
guur 4.3).
69%).
Figuur 4.3 Tevredenheid over wachttijd (%)
0
20
40
Basishulp
60
80
85
Specialistische hulp
71
Heel tevreden of tevreden
8
17
Neutraal
100
8
12
Ontevreden of heel ontevreden
120
1.3 Toegankelijkheid De meerderheid van de cliënten weet waar hij of zij terecht
antwoorden van de cliënten met specialistische hulp ver-
kan als hulp nodig is (zie figuur 4.4).
schillen in 2019 niet veel van die in 2018.
Cliënten met basishulp geven in 2019 (72%) vaker aan dat hun kind snel wordt geholpen dan in 2018 (57%). Ook geven zij vaker aan dat hun kind de hulp kan krijgen die het nodig heeft (77% in 2019 tegenover 64% in 2018). De
Figuur 4.4 Toegankelijkheid (% vaak/altijd)
90 80
79
77
72
70
77 67
69
60 50 40 30 20 10 0 Ik weet waar ik terecht kan als mijn kind hulp nodig heeft
mijn kind wordt snel geholpen Basishulp
16
Specialistische hulp
Ik kan de hulp krijgen die mijn kind nodig heeft
5 Uitvoering van de hulp 5.1
Uitvoering van de hulp
Cliënten zijn het meest positief over de respectvolle behan-
69%) als in 2018 (resp. 54% en 57%). Opvallend is verder
deling door hulpverleners (zie figuur 5.1). Cliënten met ba-
dat cliënten met basishulp op een aantal onderdelen flink
sishulp zijn (significant) vaker positief over de respectvolle
positiever zijn geworden over de uitvoering van de hulp
behandeling dan cliënten met specialistische hulp. Het
aan het kind. Dit geldt voor het kennisniveau van de hulp-
minst positief zijn cliënten over de samenwerking van de
verleners (van 68% naar 82% in 2019) en de informatiever-
verschillende organisaties rond de hulp van het kind. Toch
strekking over de hulp (van 70% naar 85% in 2019). De
vinden zowel de cliënten met basishulp als met specialisti-
verschillen tussen 2019 en 2018 zijn bij cliënten met speci-
sche hulp de samenwerking vaker goed in 2019 (beide
alistische hulp minder groot.
Figuur 5.1 Uitvoering van de hulp aan het kind (% vaak/altijd)
0
10
20
30
40
50
60
70
Het kind wordt goed geholpen bij zijn/haar vragen en problemen
80 73
De verschillende organisaties werken goed samen om het kind te helpen
90 80
69 69
Het kind krijgt voldoende informatie over de hulp
85
77
Beslissingen over de hulp worden samen met het kind genomen
80 78
De hulpverleners weten genoeg om het kind te kunnen helpen
82 80
Het kind voelt zich serieus genomen door de hulpverleners
83
Het kind wordt respectvol behandeld door de hulpverleners Basishulp
100
87
90
97
Specialistische hulp
De ouders of verzorgers is gevraagd om de uitvoering van
geldt dat voor vijf van de zeven stellingen. Voor de stelling
de hulp niet alleen voor het kind maar ook voor henzelf te
‘Beslissingen over de hulp worden samen met ouder/ver-
beoordelen. Ook zij ervaren vaak een respectvolle behan-
zorger genomen’ is het oordeel hetzelfde gebleven, terwijl
deling (zie figuur 5.2).
voor de stelling ‘Ouder/verzorger wordt respectvol behan-
De verschillen tussen cliënten met basishulp en cliënten met specialistische hulp zijn niet groot. Ten opzichte van 2018 zijn in 2019 cliënten met basishulp het vaker eens met alle stellingen. Voor cliënten met specialistische hulp
deld’ het oordeel is gedaald (van 93% in 2018 naar 90% in 2019).
Figuur 5.2 Uitvoering van de hulp aan de ouder (% vaak/altijd)
0
20
40
60
80
De ouder of verzorger wordt goed geholpen bij zijn vragen en problemen.
78
De verschillende organisaties werken goed samen om de ouder of verzorger te helpen.
76 78
83
De ouder of verzorger krijgt voldoende informatie over de hulp.
85 82
Beslissingen over de hulp worden samen met de ouder of verzorger genomen.
86
De hulpverleners weten genoeg om de ouder of verzorger te kunnen helpen.
84 82
De ouder of verzorger voelt zich serieus genomen door de hulpverleners.
84
De ouder of verzorger wordt respectvol behandeld door de hulpverleners.
5.2
91
90
90
Basishulp
96
Specialistische hulp
Samenwerking
Minder dan een kwart van de cliënten krijgt of kreeg hulp
hulpverleners van wie het kind en de opvoeder hulp kre-
van meerdere hulpverleners (figuur 5.3). Dit geldt zowel
gen. Daarbij is geen significant verschil tussen basishulp
voor cliënten met basishulp als met specialistische hulp. In
en specialistische hulp (zie figuur 5.4). De tevredenheid
2018 lagen deze aandelen hoger. 75% tot 85% van de cli-
over de samenwerking tussen hulpverleners is vergelijk-
enten met basishulp of specialistische hulp is (heel) tevre-
baar met 2018.
den of neutraal over de samenwerking tussen de
Figuur 5.3 Hulp van meerdere hulpverleners (%)
40 35
35 30 25
26 23 19
20 15 10 5 0 2019
2018 Basishulp
18
100
Specialistische hulp
Figuur 5.4 Tevredenheid over de samenwerking tussen de hulpverleners (%)
0%
10%
20%
30%
Basishulp
Specialistische hulp
40%
50%
60%
70%
62
20
Neutraal
Wanneer cliënten tevreden zijn over de samenwerking, noemen ze vooral de goede onderlinge communicatie tussen de hulpverleners. Dat blijkt uit zaken als dat hulpverleners elkaar goed op de hoogte houden en dat ze onderling afstemmen.
Ze staan in contact met elkaar. Ze overleggen alles samen goed, waardoor de zorg alleen maar beter wordt. Daar ben ik heel tevreden over. Ze werken niet langs elkaar. Het overleg tussen de organisaties gaat goed. Als ze iets niet weten, komen ze er samen uit. Ze werken allemaal dezelfde richting op en daar ben ik blij mee.
Cliënten die ontevreden zijn over de samenwerking tussen hulpverleners geven aan dat er juist een gebrek is aan goede communicatie. Dat uit zich bijvoorbeeld in langs elkaar heen werken, geen goede overdracht bij wisseling van hulpverleners of het ontbreken van een gezamenlijk plan.
Er was geen goede overdracht. Als er iemand nieuw was, wist diegene niet de regels die op mijn kind van toepassing waren.
90%
23
55
Heel tevreden of tevreden
80%
100%
15
24
Ontevreden of heel ontevreden
Iedereen maakte een eigen plan en was alleen werkzaam voor zijn/haar eigen potje. Er was geen gezamenlijk plan.
5.3 Inzet van het sociale netwerk Iets meer dan de helft van de cliënten met basishulp (52%)
Van de cliënten die hulp en ondersteuning uit hun netwerk
en specialistische hulp (53%) krijgt naast jeugdhulp ook
ontvangen, krijgen bijna alle cliënten hulp van familie
nog hulp en ondersteuning uit zijn of haar sociale netwerk.
(94%), 41% krijgt hulp van vrienden en slechts een heel
Vergeleken met voorgaande jaren fluctueren deze percen-
klein deel krijgt hulp van buren (3%).
tages tussen 40-60%.
5.4 Passende hulp 87% van de cliënten met basishulp geven aan dat het kind
In vergelijking met 2018 geven cliënten met basishulp va-
voldoende of de juiste soort hulp heeft ontvangen (zie fi-
ker aan dat de hulp voldoende of de juiste hulp is. Bij cliën-
guur 5.5). Bij cliënten met specialistische hulp ligt dit per-
ten met specialistische hulp is er geen (significant) verschil
centage op 81%.
tussen 2019 en 2018.
Van de cliënten die aangeven dat ze de hulp niet passend vinden, valt het bij cliënten met basishulp op dat ze ongeveer even vaak aangeven dat ze meer hulp willen als andere hulp. Cliënten met specialistische hulp geven vaker aan andere hulp te willen.
Figuur 5.5 Voldoende of de juiste soort hulp (% ja)
100 87 81
81
82
80 60 40 20 0 Basishulp
Specialistische hulp 2019
Aan de groep cliënten die vinden dat ze onvoldoende of niet de juiste soort hulp krijgen, is gevraagd wat volgens hen de reden daarvan is. Redenen die genoemd worden zijn onder te verdelen in aspecten die met het hulpaanbod te maken hebben en aspecten die gerelateerd zijn aan de hulpverlener. Daarnaast benoemen cliënten dat ze geen verbetering zien en ze wijten dit aan onvoldoende of niet
20
2018
de juiste soort hulp. We lichten de redenen hieronder verder toe. Aspecten hulpaanbod Cliënten vinden dat ze niet de juiste hulp hebben gekregen omdat ze vinden dat andere, meer specialiseerde hulp nodig is, bijvoorbeeld hulp van een psycholoog of psychiater.
Ook zijn er cliënten die niet de hulp hebben gekregen waar ze om gevraagd hadden, bijvoorbeeld ondersteuning bij het verbeteren van de relatie in het gezin. En er zijn cliënten die de hulp te kort vonden duren. Ze hebben behoefte aan meer of frequentere hulp.
Ze hebben mij niet voldoende geholpen en ik merk geen positieve verandering bij mijn zoon. De hulpverleners zijn niet betrokken genoeg bij mijn kind. Ik had eigenlijk op school begeleiding moeten krijgen en dat heb ik niet gehad. Ik vind dat er niet veel verandering kan komen binnen een paar gesprekken. Het traject moest langer doorgaan, want het was veel te kort.
Aspecten gerelateerd aan de hulpverlener Cliënten noemen verschillende aspecten die te maken hebben met de hulpverlener: onvoldoende betrokkenheid bij de hulp, niet professioneel of onvoldoende expertise, onvoldoende of niet de juiste informatie, geen vertrouwensband/geen klik, wisselende hulpverleners, niet serieus genomen worden.
Ze hebben de ernst van de zaak niet goed ingeschat.
Ik voelde mij niet serieus genomen door het Wijkteam en er werd niet voldoende met mij gecommuniceerd.
Geen verbetering Cliënten vinden dat ze niet de juiste hulp of onvoldoende hulp hebben gekregen omdat ze geen verbetering of weinig effect van de hulp zien. Ook zijn er cliënten die spreken over een achteruitgang van de problematiek.
De problematiek van mijn kind is niet verminderd en het is er niet beter op geworden.
Naast deze redenen noemen cliënten nog de lange wachttijden voor hulp.
Omdat er nog geen hulp is geboden door Jeugdzorg. De wachtlijsten zijn te lang. Het wijkteam heeft wel goed werk verricht, maar het was niet voldoende.
6 Ervaren effect van de hulp 6.1 Effect van hulp op kind in het algemeen Iets meer dan de helft tot twee derde van de cliënten met
Van de cliënten met basishulp of specialistische hulp geeft
basishulp of specialistische hulp is het telkens (zeer) eens
ruim 70% aan het eens te zijn met één of meerdere stellin-
met één van de vijf stellingen over een positief effect van
gen over effect van de hulp.
de hulp op hun kind (figuur 6.1). 67% van de cliënten met basishulp vindt dat het kind zich door de hulp beter voelt;
Er zijn weinig verschillen tussen deze meting en die van
voor specialistische hulp ligt dat percentage lager (59%).
2018.
De stelling ‘De problematiek van het kind is verminderd’ scoort bij beide groepen cliënten het laagst: 55% tot 53% is het daar (zeer) mee eens.
Figuur 6.1 Percentage cliënten dat het met de stellingen (zeer) eens is
80 70 60
67 59
60
63
62
59
58
57
55
53
50 40 30 20 10 0 Het kind voelt zich beter
Het gaat beter met het gedrag van het kind
Het gaat thuis beter
Basishulp
6.2
22
Het kind voelt zich De problematiek van veiliger het kind is verminderd
Specialistische hulp
Effect van hulp op zelfredzaamheid van kind
Cliënten scoren het meest positief op de stelling ‘Het kind
Met alle stellingen zijn de cliënten met basishulp in 2019
voelt zich beter gehoord’ (zie figuur 6.2). Voor deze laatste
het vaker (zeer) meer eens dan in 2018. Voor cliënten met
stelling en voor de stelling ‘Het kind zegt vaker wat het no-
specialistische hulp geldt dat slechts voor vier van de zes
dig heeft’ is er een significant verschil naar type hulp. Met
stellingen: met de stelling ‘het kind voelt zich beter ge-
de overige vier stellingen geven cliënten met basishulp
hoord’ en ‘het kind heeft meer vertrouwen in de toekomst’
eveneens vaker aan het (zeer) eens te zijn, maar de ver-
zijn in 2019 minder vaak cliënten het (zeer) mee eens dan
schillen zijn niet significant.
in 2018.
Figuur 6.2 Percentage cliënten dat het met de stellingen (zeer) eens is (%) 0
20
40
60
100
61
Het kind weet beter wat het wil
53
65
Het kind zegt vaker wat het nodig heeft
54
71
Het kind voelt zich beter gehoord
57
65
Het kind kan beter de problemen oplossen
56
64
Het kind kan beter voor zichzelf opkomen
55
64
Het kind heeft meer vertrouwen in de toekomst
53
Basishulp
6.3
80
Specialistische hulp
Effect van hulp op zelfredzaamheid ouder
Aan ouders of verzorgers is gevraagd welk effect de hulp
Het belangrijkste verschil met de meting uit 2018 is dat cli-
op henzelf heeft gehad. Aan de hand van drie stellingen is
enten met specialistische hulp in 2019 vaker aangeven dat
het effect op ouders/verzorgers in beeld gebracht. Het oor-
zij als ouder/verzorger voor zichzelf kunnen opkomen
deel over de effecten op ouders/verzorgers is voor alle
(50%) dan in 2018 (39%).
stellingen positiever bij cliënten met basishulp dan cliënten met specialistische hulp; voor de laatste stelling ‘vertrouwen in de toekomst’ is het verschil significant (zie figuur 6.3).
Figuur 6.3 Percentage ouders/verzorgers dat het met de stellingen (zeer) eens is (%)
100 80 67
63
58
60
56
53
50
40 20 0 Ouder/verzorger kan beter problemen oplossen
Ouder/verzorger kan voor zichzelf opkomen Basishulp
6.4
Ouder/verzorger heeft meer vertrouwen in de toekomst
Specialistische hulp
Effect van hulp op omgeving van kind
64% tot 70% van de cliënten geeft aan dat het beter gaat met het kind op de opvang, school, werk of dagbesteding en 59% tot 62% geeft aan dat de relatie van het kind met vrienden en anderen beter is geworden (zie figuur 6.4). Er is geen significant verschil naar type ontvangen hulp. Beide clientgroepen geven in 2019 vaker aan het (zeer) eens te zijn met beide stellingen dan in 2018. Figuur 6.4 Percentage ouders/verzorgers dat het met de stellingen (zeer) eens is
100
80 70 64
62
60
59
40
20
0 Het gaat beter met het kind op opvang, school, werk of dagbesteding Basishulp
24
Relatie van kind met vrienden en anderen is beter geworden
Specialistische hulp
7 Belangrijkste bevindingen 7.1
Inleiding
7.3
Toegang tot de hulp
Dit rapport geeft de ervaringen weer van Rotterdamse cli-
Cliënten die basishulp van het wijkteam krijgen, komen het
enten die in 2019 jeugdhulp kregen. Aan dit cliënterva-
meest via school of schoolmaatschappelijk werk bij het
ringsonderzoek namen twee groepen cliënten deel, name-
wijkteam terecht. Daarnaast komen ze relatief vaak via de
lijk cliënten die basishulp ontvangen van een wijkteam en
huisarts of specialist bij het wijkteam. Cliënten met specia-
cliënten die specialistische hulp ontvangen van een zorg-
listische hulp komen het meest via de gemeente, via
aanbieder. De ervaringen van cliënten met jeugdbescher-
school of schoolmaatschappelijk werk of via de huisarts bij
ming of jeugdreclassering ontbreken in het huidige onder-
een zorgaanbieder terecht.
zoek. De reden hiervoor is dat er onduidelijkheden waren rondom de privacy van cliënten bij JBRR, die niet tijdig op-
Cliënten met specialistische hulp hadden met een langere
gelost konden worden.
wachttijd voor hulp te maken dan cliënten met basishulp. Ruim een derde (37%) had te maken met een wachttijd
Bij totaal 513 cliënten is telefonisch een interview afgeno-
van drie maanden of langer, bij de basishulp was dit 21%.
men. In de meeste gevallen was dit een ouder/verzorger.
Gemiddeld was de tijd tussen het moment van aanmelding
De respons was 42%. Non-respons had vooral te maken
en de start van de hulp 2,5 maanden bij cliënten met speci-
met het niet kunnen bereiken van mensen omdat het tele-
alistische en 1,3 maanden bij cliënten met basishulp. De
foonnummer niet meer in gebruik was of omdat ze de tele-
gemiddelde wachttijd voor cliënten met specialistische hulp
foon niet opnamen.
is ten opzichte van vorig jaar gestegen (2018: 2,3 maan-
We lichten de meest belangrijke bevindingen uit het onderzoek in onderstaande paragrafen toe.
den) en voor basishulp is deze gedaald (2018: 1,7 maanden). Cliënten met basishulp zijn vaker tevreden ten opzichte van 2018, terwijl dit bij cliënten met specialistische hulp onveranderd is.
7.2
Tevredenheid met de hulp
Van cliënten met basishulp is 92% in algemene zin tevreden met de hulp; het gemiddelde rapportcijfer is een 7,6. Bij de cliënten met specialistische hulp is 86% in algemene zin tevreden; het gemiddelde rapportcijfer is een 7,4. Een minderheid van de cliënten geeft de hulp een onvoldoende: bij de cliënten met basishulp is dat 7% en bij cliënten met specialistische hulp is dat 12%. Genoemde resultaten wijken weinig af van de resultaten uit 2018.
De meerderheid van de cliënten weet waar hij of zij terecht kan als hulp nodig is. Er is echter een groep van 21-23% die aangeeft niet altijd te weten waar ze terecht kunnen. Cliënten met basishulp geven in 2019 (72%) vaker aan dat hun kind snel wordt geholpen dan in 2018 (57%). Ook geven zij vaker aan dat hun kind de hulp kan krijgen die het nodig heeft (77% in 2019 tegenover 64% in 2018). De antwoorden van de cliënten met specialistische hulp verschillen in 2019 niet veel van die in 2018.
Cliënten benoemen het meest dat ze tevreden zijn over het feit dat de hulpverlener goed luistert (81% basishulp, 78% specialistische hulp). Ze zijn ook relatief vaak tevreden over de kennis en ervaring van de hulpverlener (58%, 53%) en over het effect van de hulp (35%, 31%). Cliënten benoemen relatief vaak dat ze ontevreden zijn over lange wacht- en doorlooptijden (12%). Cliënten met specialistische hulp zijn ook relatief vaak ontevreden over de communicatie (14%), significant vaker dan cliënten met basishulp (7%).
7.4
Uitvoering en inhoud van de hulp
Cliënten zijn het meest positief over de respectvolle behandeling door hulpverleners. Het minst positief zijn ze over de samenwerking van de verschillende organisaties rond de hulp van het kind. Opvallend is wel dat zowel de cliënten met basishulp als met specialistische hulp hier in vergelijking met de vorige meting vaker positief over zijn.
Opvallend is verder dat cliënten met basishulp op een aan-
Bij de interpretatie van genoemde effecten merken we op
tal andere onderdelen flink positiever zijn geworden over
dat nog weinig bekend is over de effectiviteit van hulp in de
de uitvoering van de hulp aan het kind. Dit geldt voor het
praktijk6 7. Het is met andere woorden nog onduidelijk
kennisniveau van de hulpverleners (van 68% naar 82% in
welke effecten in de praktijk te verwachten zijn.
2019) en de informatieverstrekking over de hulp (van 70% naar 85% in 2019). Bij cliënten met specialistische hulp zijn de verschillen tussen 2019 en 2018 minder groot.
7.6
23% van de cliënten met basishulp en 19% van de cliënten
Cliënten met basishulp en specialistische hulp zijn in alge-
met specialistische hulp krijgt of kreeg hulp van meerdere
mene zin tevreden over de hulp die ze ontvangen. We zien
hulpverleners. In 2018 lagen deze aandelen hoger (respec-
positieve veranderingen in de uitvoering van hulp bij met
tievelijk 35% en 26%). De meerderheid van de cliënten is
name cliënten die basishulp ontvangen. Beide groepen cli-
(heel) tevreden over de samenwerking tussen de hulpver-
enten zijn positiever over de samenwerking van hulpverle-
leners van wie het kind en de opvoeder hulp kregen. Daar-
ners. Ze hebben met minder hulpverleners te maken en
bij is geen significant verschil tussen basishulp en specia-
ook voor de samenwerking tussen organisaties zien ze
listische hulp.
verbeteringen. Een substantieel deel van de cliënten met
13% van de cliënten met basishulp en 19% van de cliënten met specialistische hulp vindt de hulp niet passend, dat wil zeggen onvoldoende of niet de juiste soort hulp. In vergelijking met 2018 geven cliënten met basishulp vaker aan dat de hulp voldoende of de juiste hulp is. Bij cliënten met specialistische hulp is er geen (significant) verschil tussen
Algemene conclusie
specialistische hulp had te maken met een lange wachttijd en deze is ook toegenomen ten opzichte van 2018. Voor verschillende aspecten in de uitvoering van de hulp is er nog ruimte voor verbetering. Ook voor de effecten van hulp is voor een substantieel deel van de cliënten nog winst te behalen.
2019 en 2018.
7.5
Ervaren effect van de hulp
Cliënten ervaren verschillende effecten van de hulp. Iets meer dan de helft tot twee derde van de cliënten met basishulp of specialistische hulp is het telkens (zeer) eens met één van de vijf stellingen over een positief effect van de hulp op hun kind. Meest genoemde effecten hebben betrekking op effecten als dat het kind zich door de hulp beter voelt, beter gedraagt of dat het thuis beter gaat. Effecten op zelfredzaamheid van het kind en effecten op de omgeving van het kind zijn positiever in vergelijking met de meting uit 2018. Er is ook een groep cliënten die nog geen effect ervaren of juist een negatief effect.
6
Van Yperen et al. Het groeiend jeugdzorggebruik. Duiding en aanpak. Nederlands Jeugdinstituut, 2019.
7 Het relatief geringe aantal praktijkstudies naar de effectiviteit als
het gaat om de afname van problemen laat zien dat de gemiddelde effectgrootte van de jeugdzorg in de praktijk in termen van Cohens d – de internationale thermometer om de effectiviteit uit te drukken – ongeveer rond de .40 ligt. Bij geringe problematiek is de effectgrootte vaak klein; bij ernstige problematiek zien we vaak
26
grotere effectscores Een effectgrootte van .40 betekent dat ongeveer een op de vijf kinderen en jongeren met die jeugdzorg beter af is. Voor de rest geldt dat zij onvoldoende verbeteren in hun functioneren, of dat die verbetering ook zonder de jeugdzorg optreedt.
Bijlage A Steekproeftrekking Om een belbestand samen te stellen voor de telefonische
de 28) zorgaanbieders deel. De steekproef is ter controle
enquête, is een steekproef getrokken uit twee verschil-
voorgelegd aan de zorgaanbieders om te voorkomen dat
lende bestanden. Voor de basishulp en de specialistische
cliënten worden benaderd die gezien hun problematiek niet
jeugdhulp zijn bestanden van de gemeente Rotterdam ge-
geschikt zijn voor een telefonisch interview. De steekproef-
bruikt, respectievelijk GIDSO en Socrates (bestellingen
trekking wijkt af van die in 2018, omdat toen een gelijke
jeugdhulp). Vooraf is bepaald om een netto-respons over
verdeling is gemaakt over de hiervoor genoemde perce-
te houden van 250 cliënten die basishulp krijgen van het
len.9
wijkteam en 250 cliënten die specialistische jeugdhulp krijgen.
Een overzicht van de respons is op de volgende pagina weergegeven.
Voor de basishulp is een steekproef getrokken van 654 clienten uit het cliëntenbestand van de wijkteams (GIDSO). Bij de keuze van wijkteams is een selectie gemaakt van wijkteam die bij de vorige meting niet benaderd zijn (totaal 27 wijkteams). Er is eveneens gelet op een evenredige verdeling van de leeftijd van de cliënten. De steekproef is voorgelegd aan de desbetreffende wijkteams om te controleren of niet jongeren worden benaderd die anoniem in zorg zijn, jongeren met een geheim adres en jongeren die zonder medeweten van hun ouders hulp hebben gezocht (zorgvuldigheidscheck). Voor de specialistische hulp is een steekproef getrokken uit Socrates, het bestand met alle bestellingen van jeugdhulp. Uit dit cliëntenbestand is een steekproef getrokken van jongeren die volgens de begin 2018 nieuw ingevoerde systematiek een jeugdarrangement hebben toegewezen gekregen. Rekening is gehouden met een representatieve verdeling van cliënten over zes percelen (A Pleegzorg, B/C Combi Opname en Langdurig verblijf, D Steun, hulp of behandeling, E Ambulante hulpverlening in de thuissituatie, L1 Ambulante hulp voor jeugd met een beperking en L2 Generalistische basis GGZ)8 en leeftijdscategorie. De steekproefomvang was 1122 cliënten. Omdat relatief weinig jongeren zorg krijgen uit de percelen B en C hebben we deze percelen gecombineerd tot één perceel.
De twee grootste en de twee kleinste zorgaanbieders per perceel zijn geselecteerd voor deelname. Als er minder dan vier zorgaanbieders in een perceel zitten dan zijn alle zorgaanbieders in dat perceel meegenomen Totaal namen 15 (van
8
De volgende indeling is toegepast: 11% Pleegzorg, 9% Combi Opname en Langdurig verblijf, 9% Steun, hulp of behandeling, 44% Ambulante hulpverlening in de thuissituatie, 20% Ambulante hulp voor jeugd met een beperking, 7% Generalistische basis GGZ. 9 Om de resultaten van 2019 en 2018 met elkaar te kunnen vergelijken, zijn de resultaten van 2018 gewogen naar perceel (verhouding 2019).
Steekproeftrekking – Bijlage A
27
Responsoverzicht
Zorgvuldigheidscheck,bezwaren cliënten, geen/incompleet telnr
Steekproefgrootte basishulp n=654
Zorgvuldigheidscheck,bezwaren cliënten, geen/in-
Steekproefgrootte specialistische hulp n=1122
compleet telnr
n=121
n=340
Ingezette steekproef veldwerkbureau n=533
Ingezette steekproef veldwerkbureau Geen belpoging/niet ge-
n=782
probeerd n=81
Geen contact tot stand gekomen (incl nummer niet in
Geen contact tot stand ge-
gebruik)
komen (incl nummer niet in
n=218
gebruik) Bereikte cliënten
n=330
n=315
Bereikte cliënten n=371
Geen jeugdhulp volgens
Geen jeugdhulp volgens
respondent, (technische)
respondent, (technische)
non-respons
non-respons
n=55
n=118 Geslaagde interviews
Geslaagde interviews
n=260
n=253
49% tov ingezette steekproef
32% tov ingezette steekproef*
83% tov bereikte cliënten
68% tov bereikte cliënten * excl geen belpoging/niet geprobeerd
Bijlage B Cijfers vorige metingen Basishulp: indicatoren cliënttevredenheid, naar meting 2019
2018
2016
Algemene tevredenheid (ja, tevreden)
92%
89%
84%
Gemiddeld rapportcijfer
7,6
7,6
7,3
Gemiddelde wachttijd in maanden
1,3
1,7
1,6
Wachttijd > 3 maanden
21%
22%
16%
Tevredenheid over wachttijd ((heel) tevreden)
85%
71%
74%
Ik weet waar ik terecht kan als mijn hulp nodig heeft (vaak/altijd)
79%
75%
74%
Mijn kind wordt snel geholpen (vaak/altijd)
72%
57%
62%
Ik kan de hulp krijgen die mijn kind nodig heeft (vaak/altijd)
77%
64%
61%
Kind wordt goed geholpen bij zijn/haar vragen en problemen
80%
73%
70%
Verschillende organisaties werken goed samen om het kind te helpen
69%
54%
57%
Kind krijgt voldoende informatie over de hulp
85%
70%
63%
Beslissingen over de hulp worden samen met het kind genomen
80%
74%
52%
Hulpverleners weten genoeg om het kind te kunnen helpen
82%
68%
71%
Kind voelt zich serieus genomen door de hulpverleners
87%
80%
69%
Kind wordt respectvol behandeld door de hulpverleners
97%
94%
90%
Ouder/verzorger wordt goed geholpen bij zijn vragen en problemen
83%
74%
73%
Verschillende organisaties werken goed samen om ouder/verzorger te helpen
76%
52%
59%
Ouder/verzorger krijgt voldoende informatie over de hulp
85%
76%
77%
Beslissingen over de hulp worden samen met ouder/verzorger genomen
91%
88%
85%
Hulpverleners weten genoeg om ouder/verzorger te kunnen helpen
84%
68%
72%
Ouder/verzorger voelt zich serieus genomen door de hulpverleners
90%
79%
74%
Ouder/verzorger wordt respectvol behandeld door de hulpverleners
96%
91%
87%
Tevredenheid
Toegang
Uitvoering hulp (% vaak/altijd)
Cijfers vorige metingen – Bijlage B
29
Hulp van meerdere hulpverleners? (ja)
23%
35%
41%
Tevredenheid samenwerking tussen hulpverleners ((heel) tevreden)
62%
63%
66%
Inzet sociaal netwerk (ja)
52%
39%
61%
Voldoende of de juiste soort hulp (ja)
87%
81%
81%
Kind voelt zich beter
67%
63%
69%
Het gaat beter met het gedrag van het kind
60%
65%
61%
Het gaat thuis beter
63%
66%
66%
Kind voelt zich veiliger
58%
52%
58%
Problematiek van het kind is verminderd
55%
58%
-
Kind weet beter wat het wil
61%
55%
58%
Kind zegt vaker wat het nodig heeft
65%
51%
51%
Kind voelt zich beter gehoord
71%
66%
61%
Kind kan beter de problemen oplossen
65%
53%
54%
Kind kan beter voor zichzelf opkomen
64%
52%
49%
Kind heeft meer vertrouwen in de toekomst
64%
60%
51%
Ouder/verzorger kan beter problemen oplossen
67%
63%
64%
Ouder/verzorger kan voor zichzelf opkomen
56%
51%
60%
Ouder/verzorger heeft meer vertrouwen in de toekomst
63%
59%
58%
Het gaat beter met kind op opvang, school, werk of dagbesteding
70%
61%
66%
Relatie van kind met vrienden en anderen is beter geworden
62%
45%
48%
Ervaren effecten hulp (% (zeer) eens))
30
Cijfers vorige metingen - Bijlage B
Specialistische hulp: indicatoren cliënttevredenheid, naar meting10 2019
2018
Algemene tevredenheid (ja, tevreden)
86%
86%
Gemiddeld rapportcijfer
7,4
7,4
Gemiddelde wachttijd in maanden
2,5
2,3
Wachttijd > 3 maanden
37%
34%
Tevredenheid over wachttijd ((heel) tevreden)
71%
69%
Ik weet waar ik terecht kan als mijn hulp nodig heeft (vaak/altijd)
77%
73%
Mijn kind wordt snel geholpen (vaak/altijd)
67%
62%
Ik kan de hulp krijgen die mijn kind nodig heeft (vaak/altijd)
69%
66%
Kind wordt goed geholpen bij zijn/haar vragen en problemen
73%
68%
Verschillende organisaties werken goed samen om het kind te helpen
69%
57%
Kind krijgt voldoende informatie over de hulp
77%
74%
Beslissingen over de hulp worden samen met het kind genomen
78%
75%
Hulpverleners weten genoeg om het kind te kunnen helpen
86%
73%
Kind voelt zich serieus genomen door de hulpverleners
83%
75%
Kind wordt respectvol behandeld door de hulpverleners
90%
93%
Ouder/verzorger wordt goed geholpen bij zijn vragen en problemen
78%
76%
Verschillende organisaties werken goed samen om ouder/verzorger te helpen
78%
61%
Ouder/verzorger krijgt voldoende informatie over de hulp
82%
74%
Beslissingen over de hulp worden samen met ouder/verzorger genomen
86%
86%
Hulpverleners weten genoeg om ouder/verzorger te kunnen helpen
82%
71%
Ouder/verzorger voelt zich serieus genomen door de hulpverleners
84%
83%
Ouder/verzorger wordt respectvol behandeld door de hulpverleners
90%
93%
Tevredenheid
Toegang
Uitvoering hulp (% vaak/altijd)
10
Cijfers van 2016 zijn niet opgenomen in deze tabel. De reden hiervoor is dat door een verandering van inkoop van jeugdhulp per 1 januari 2018, op een andere wijze een steekproef van cliënten moest worden getrokken waardoor de resultaten van 2018 en 2019 niet goed vergelijkbaar zijn met de resultaten uit 2016.
Cijfers vorige metingen – Bijlage B
31
Hulp van meerdere hulpverleners? (ja)
19%
26%
Tevredenheid samenwerking tussen hulpverleners ((heel) tevreden)
55%
54%
Inzet sociaal netwerk (ja)
53%
44%
Voldoende of de juiste soort hulp (ja)
81%
82%
Kind voelt zich beter
59%
63%
Het gaat beter met het gedrag van het kind
62%
63%
Het gaat thuis beter
59%
62%
Kind voelt zich veiliger
57%
47%
Problematiek van het kind is verminderd
53%
51%
Kind weet beter wat het wil
53%
47%
Kind zegt vaker wat het nodig heeft
54%
50%
Kind voelt zich beter gehoord
57%
66%
Kind kan beter de problemen oplossen
56%
50%
Kind kan beter voor zichzelf opkomen
55%
46%
Kind heeft meer vertrouwen in de toekomst
53%
54%
Ouder/verzorger kan beter problemen oplossen
58%
53%
Ouder/verzorger kan voor zichzelf opkomen
50%
39%
Ouder/verzorger heeft meer vertrouwen in de toekomst
53%
54%
Het gaat beter met kind op opvang, school, werk of dagbesteding
64%
55%
Relatie van kind met vrienden en anderen is beter geworden
59%
44%
Ervaren effecten hulp (% (zeer) eens))
32
Cijfers vorige metingen - Bijlage B
Kennis voor een sterk Rotterdams beleid Onderzoek en Business Intelligence is een afdeling binnen de gemeente Rotterdam. De afdeling verzamelt informatie en doet onderzoek voor het maken en uitvoeren van beleid door de gemeente Rotterdam. Het onderzoek gaat over onderwerpen als gezondheid, zorg, onderwijs, reintegratie, demografie, ruimtelijke ordening en veiligheid. Soms is de gemeentelijke organisatie het onderwerp, vaker gaat het over de stad en haar bewoners. Het doel is steeds om met deze verzamelde kennis het beleid en de bedrijfsvoering van de gemeente te verbeteren. Auteurs Petra van de Looij-Jansen en Staf van Zeele
Rotterdam.nl
Cijfers vorige metingen – Bijlage B
33