21bb378 Bijlage behorende bij 21bb25 over samenvatting onderzoeken koloniaal en slavernijverleden Rotterdam
Tekst van het document
Bevindingen en conclusies van het onderzoek naar het koloniaal- en slavernijverleden van Rotterdam ten behoeve van de technische sessie van de raadscommissie Werkgelegenheid, Inkomen, Integratie, Schuldenaanpak en Armoedebestrijding (WIISA), 20 januari 2021.
1. Het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam. Enkele conclusies door Gert Oostindie (d.d. 15/10/2020) In Nederland ontstaat meer ruimte voor kritische reflectie op het koloniale verleden, en in het bijzonder de slavernijgeschiedenis. Gedegen historische kennis is daarbij broodnodig. Mede hierom nam de Rotterdamse gemeenteraad het – ook in Europees verband unieke – besluit om dit verleden diepgaand te laten onderzoeken. Daaraan werd uitdrukkelijk ook het doel verbonden om ‘wederzijds begrip en verbondenheid naar de toekomst’ te versterken. De opdracht werd gegeven aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) te Leiden. Een breed samengesteld team onderzoekers werkte in 2018-2020 aan het project. Het resultaat is een drietal boeken, gebaseerd op nieuw, grondig archief-, literatuur- en veldonderzoek; gezamenlijk bieden zij een brede baaierd van nieuwe kennis, inzichten en beschouwingen.
Enkele conclusies: • Rotterdam heeft vanaf 1600 een belangrijke rol gespeeld in het Nederlandse kolonialisme en dus ook in slavenhandel en slavernij. In de zeventiende en achttiende eeuw was dat vooral als deelnemer in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en West-Indische Compagnie (WIC), daarna nam de particuliere sector het over. Rotterdam werd de grootste haven van Nederland; de koloniale handel op Nederlands-Indië speelde daarbij een belangrijke rol. • Rotterdamse burgemeesters en andere bestuurders, ondernemers en zeevaarders speelden een rol van betekenis in VOC en WIC, en ook in het particuliere systeem van slavenhandel en slavernij. Het eerste geregistreerde Nederlandse schip met Afrikaanse slaafgemaakten (1596) had een Rotterdamse reder. Het stadsbestuur ondersteunde VOC, WIC en particuliere koloniale ondernemers; vele bestuurders hadden zelf ook koloniale belangen. • Rotterdamse bedrijven hebben geprofiteerd van hun betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme. Sommige bestaan nog steeds of gingen op in andere ondernemingen. Belangrijke vroege voorbeelden zijn Hudig, Mees en voorlopers van hedendaagse bedrijven als ASR en ABN-AMRO.
Voorts bedrijven die vanaf de negentiende eeuw activiteiten ontwikkelden in en met het huidige Indonesië, zoals Van Nelle; Van Oordt; ASR; Rotterdamsche Lloyd (opgegaan in Maersk); Fijenoord (nu deel van Damen Shipyards); de Rotterdamsche Bank (opgegaan in ABN-AMRO); en de NV Indische fondsen (nu deel van ROBECO). Dit lijstje is verre van compleet; verder onderzoek naar de betrokkenheid van Rotterdamse bedrijven bij de koloniale en slavernijgeschiedenis is gewenst.
1
•
•
•
In de regel gaven noch het Rotterdamse stadbestuur, noch Rotterdamse ondernemers blijk van ethische bezwaren tegen slavenhandel, slavernij of het kolonialisme op zich. Er waren altijd wel Rotterdammers die kritiek verwoordden, maar dat waren uitzonderingen. In dit onderzoek staat de impact van deze geschiedenis op de stad centraal. Dat neemt niet weg dat met name in het deel over het slavernijverleden ook de impact op met name Suriname en Curaçao en het verzet tegen de slavernij ruim aan bod komen. Wat was de impact van deze geschiedenis op de stad Rotterdam zelf? o Economie. De Rotterdamse betrokkenheid bij slavernij en kolonialisme is een integraal onderdeel van de economische ontwikkeling van de stad. Dat betreft handel, industrie en financiële dienstverlening. Deze betrokkenheid beperkte zich niet tot zakenlieden; ook talloze Rotterdamse zeelieden, arbeiders en ‘witte boorden’ verdienden hun brood met koloniale zaken. o Stedenbouw en architectuur. De groei van de Rotterdamse stad en havens is nauw verbonden met het kolonialisme. Door het Duitse bombardement van 1940 zijn veel gebouwen met een koloniale connectie verloren gegaan, maar niettemin zijn nog overal architectonische en stedenbouwkundige getuigen van deze geschiedenis aanwijsbaar. o Musea en collecties.
Welgestelde Rotterdammers legden koloniale verzamelingen kunst en etnografica aan, vooral uit Indonesië, die nu terug te vinden zijn in de Rotterdamse musea zoals het Wereldmuseum, Boijmans van Beuningen, het Maritiem Museum en Museum Rotterdam. Ook het Stadsarchief herbergt unieke, vooral particuliere collecties over het koloniale en in het bijzonder het slavernijverleden. Die collecties weerspiegelen vaak een koloniaal wereldbeeld waaraan de erfgoedinstellingen zich vandaag proberen te ontworstelen. o Racisme en geweld waren inherent aan kolonialisme en slavernij en dit geldt dus ook voor de Rotterdamse betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid. Vanaf het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde zich een wat kritischer, ‘ethische’ dimensie van het koloniale systeem. Dit kwam in Rotterdam tot uiting in activisme voor de afschaffing van de slavernij. Later werd de stad een centrum voor zending, missie en tropische geneeskunde. De gedachtewereld daarachter was paternalistisch, soms ronduit racistisch van aard. o Migratie. Vanaf de vroege koloniale tijd kwamen er mensen uit de koloniën naar Nederland, al dan niet uit vrije wil. Te denken is aan bediendes, later ook studenten, zoals de Indonesische staatsman Mohammad Hatta. Koloniale migranten waren actief in het verzet tegen het Nederlandse kolonialisme, maar ook tegen de Duitse bezetter.
Na de oorlog vestigden zich veel meer ‘postkoloniale’ migranten in de stad. Rotterdam is anno 2020 een superdiverse stad, met grote groepen inwoners uit de voormalige – Nederlandse, maar ook Portugese, Franse, Spaanse en Britse – koloniën. De koloniale geschiedenis loopt daarmee door in de hedendaagse stad. Dat helpt verklaren waarom dit verleden inmiddels zo sterk in de belangstelling staat: het koloniale en slavernijverleden, een geschiedenis van racisme en uitsluiting, is niet afgesloten, maar werkt materieel en mentaal door in het heden.
De Rotterdamse koloniale en slavernijgeschiedenis is, niet alleen op andere continenten maar ook voor de stad zelf, van grote betekenis geweest. Rotterdamse bestuurders speelden eeuwenlang een bepalende rol in deze nu ‘herontdekte’ geschiedenis. Aan hun opvolgers de taak te bepalen welke plaats zij dit verleden willen geven in de hedendaagse stad. Deze drie boeken bieden daartoe een grondige en onmisbare achtergrond, maar zeker niet het laatste woord. Er is nog veel uit te zoeken, te overdenken en te bespreken. De volgende stap is een vertaalslag naar het grote publiek.
2. Inleiding tot de bundel onder redactie van Gert Oostindie, ‘Het koloniale verleden van Rotterdam’ Rotterdam heeft een lang koloniaal en slavernijverleden. Hoe kan het ook anders? Kolonialisme begon met scheepvaart, en Rotterdam was in de zeventiende en achttiende eeuw na Amsterdam en met Vlissingen/Middelburg de belangrijkste havenstad van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In de late negentiende eeuw – inmiddels was Nederland een koninkrijk geworden – ging de Rotterdamse haven zelfs die van Amsterdam overvleugelen. In de twee hoofdstukken van de hand van Gerhard de Kok wordt deze ontwikkeling zichtbaar gemaakt. De Rotterdamse betrokkenheid bij kolonialisme en slavernij begint al vroeg,
2
nog voor de oprichting van de voc en de wic; zowel de eerste Nederlandse reis rond de wereld als het eerste Nederlandse slavenschip had een Rotterdams tintje. In het hoofdstuk ‘De koloniale connectie’ reconstrueert De Kok deze handelsgeschiedenis. De stad was in bescheiden mate partner in de voc en de wic. Voor de meeste betrokken Rotterdammers was hun aandeel in de compagnieën onderdeel van een breder pakket van activiteiten. Amsterdam overheerste de voc en de wic, de trans-Atlantische slavenhandel werd gedomineerd door Zeeland en Amsterdam; dit neemt niet weg dat ook Rotterdamse ondernemers hierbij betrokken waren, zonder merkbare scrupules. In de vroege negentiende eeuw werd de slavenhandel gestaakt en zou de handel op de Cariben marginaal worden. De handel op Nederlands Oost-Indië daarentegen werd steeds belangrijker en droeg sterk bij aan de ontwikkeling van Rotterdam tot de wereldhaven die het vandaag is. Gedurende de gehele periode was Rotterdam bovendien actief betrokken bij de handel op koloniën van andere Europese landen. De Kok stelt dat de bijdrage van deze koloniale handel aan de Rotterdamse economie op zich niet heel groot was, maar mede door spin-off naar andere sectoren en de ontwikkeling van de stedelijke en maritieme infrastructuur wel significant bijdroeg aan de groei van Rotterdam naar de status van wereldhaven.
In zijn tweede bijdrage gaat Gerhard de Kok in op de betekenis van de koloniale connecties op de ontwikkeling van de Rotterdamse industrie en financiële dienstverlening. Hij doet dit aan de hand van de belangrijkste sectoren. Voor de nijverheid en industrie waren dat de suiker- en tabaksindustrie en de scheepsbouw. Voor de financiële sector analyseert hij achttiende-eeuwse ‘negotiaties’ in Surinaamse slavenplantages en negentiendeeeuwse investeringen in Nederlands Oost-Indië, alsmede de verzekeringssector, met onder meer belangen in de voc en de slavenhandel. Dat er ook hier een Rotterdams economisch belang aanwijsbaar is, is duidelijk. Maar hoe zwaar telde dit? De Kok trekt hierover voorzichtige conclusies. Hij meent dat de bijdrage van de koloniale handel – niet alleen met Nederlandse, maar ook met Britse en Franse koloniën – vooral tussen 1750 en 1850 belangrijk was voor de industriële ontwikkeling van de stad. Daarna werd de koloniale relatie juist belangrijk voor de financiële sector. De Kok concludeert dat de uiteindelijke ontwikkeling van Rotterdam tot wereldhaven in de eerste plaats te danken was aan de transito-functie naar het Europese, vooral Duitse achterland en aan het bredere proces van globalisering, maar dat in de voorgaande periode de koloniale connectie sterk had bijgedragen aan de positionering van de Maasstad.
De Rotterdamse handelselite had traditioneel nauwe banden met het stadsbestuur en het is dan ook niet verwonderlijk dat de koloniale belangen doorgaans goed werden behartigd in het stedelijke beleid, van stadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt eind zestiende eeuw tot burgemeester Pieter Oud in de twintigste. In het hoofdstuk ‘Rotterdamse ondernemers en bestuurders: een koloniale kruisbestuiving’ onderzoekt en beschrijft Henk den Heijer de sterk verweven economische en bestuurlijke betrokkenheid van de Rotterdamse elite bij de koloniën. Die innige verstrengeling tekende zich al af in de periode van de compagnieën, waarbij overigens net als landelijk van toepassing was, de voc veel belangrijker was dan de wic. Wel waren Rotterdamse koopmanshuizen nauw betrokken bij het Surinaamse plantagewezen, en daarmee ook bij de slavenhandel en slavernij. Aan die slavenhandel kwam begin negentiende eeuw een eind, en al snel verdwenen de Caribische koloniën vrijwel uit het zicht van de Rotterdamse bestuurlijke en economische elite. West-Afrika speelde nog wel enige tijd een rol, maar allengs kwam alle belang te liggen bij Nederlands Oost-Indië.
Den Heijer laat zien hoe de stedelijke bestuurders deze koloniale banden met overtuiging stimuleerden – wat weer geen wonder was omdat deze niet alleen de stedelijke economie en daarmee de ontwikkeling van Rotterdam tot een prominente havenstad ondersteunden, maar vaak ook hun persoonlijke economische belangen ten goede kwamen. Zo waren de bestuurders van de stad Rotterdam van het begin tot het einde nauw betrokken bij kolonialisme en ook bij de slavernij. Van merkbare twijfels, laat staan scrupules, was daarbij geen sprake, de bestuurders vonden dit kennelijk business as usual, goed voor de stad, goed voor hun eigen belangen. De commerciële, industriële en demografische groei van Rotterdam was mede verbonden aan de expansie van de koloniale handel. De weerspiegeling van de koloniale geschiedenis in de stadsuitbreiding, architectuur en topografie van Rotterdam wordt geanalyseerd door Pauline van Roosmalen in haar bijdrage ‘Een ander Rotterdam’. Hoewel zij benadrukt dat de resultaten van haar speurwerk niet uitputtend zijn, beschrijft zij een groot aantal van zulke erfenissen, variërend van straatnamen, standbeelden en ornamenten in de openbare ruimte tot een groot aantal gebouwen die in de stad verrezen, alsook stedenbouwkundige ontwikkelingen die mede waren verbonden aan de koloniale relaties van de stad.
Vele van de oorspronkelijke huizen, villa’s, magazijnen en werven die ooit werden gebouwd door belanghebbenden bij de voc, de wic of latere koloniale ondernemingen stonden in het hart van de stad, dat in mei 1940 door het Duitse bombardement werd verwoest. Die gebouwen onttrekt Van Roosmalen aan de vergetelheid op basis van vooroorlogse documenten en afbeeldingen. Andere staan nog overeind, veelal elders, maar ook die spreken niet voor zichzelf, en hebben, zoals zij schrijft, verhalen nodig om het verleden te vertellen. Heel kort schrijft Van Roosmalen ook over
3
Rotterdamse sporen ‘overzee’, van het Fort Rotterdam in Makassar tot de kantoren van de Rotterdamsche Loyd die inmiddels in veel steden in Indonesië tot cultureel erfgoed worden gerekend. Het beeldessay van Isabelle Boon biedt treffende impressies van de sporen van het koloniale verleden in de hedendaagse stad. In de latere fase van het kolonialisme gingen de Europese staten zich meer dan voorheen bekommeren om wat zij zagen als een ‘ethische roeping’ en gingen zij zich ook richten op taken die enigszins vergelijkbaar zijn met wat later ontwikkelingshulp zou gaan heten. Dit was zeker geen afscheid van het winstbejag, racisme en koloniale geweld van de voorgaande jaren, en ook het ethische denken was doordrenkt van paternalisme. Niettemin was dit wel een draai die een belofte in zich droeg en ook als zodanig werd begrepen in de koloniën. Het inzicht in de tegenstrijdigheden van het koloniale beleid en in het falen van de nieuwe missie zou in Indonesië juist een belangrijke impuls geven aan de groei van het nationalisme. Tom van den Berge onderzoekt in zijn bijdrage de geschiedenis van de Nederlandse zending en missie in de koloniën, waarin Rotterdam een zeer belangrijke rol speelde.
Hij maakt duidelijk hoe in deze nieuwe fase weliswaar christelijke-humanitaire doeleinden veel belangrijker werden, maar dat tegelijkertijd de zienswijze op ‘de Ander’, de koloniale onderdaan, onversneden paternalistisch en niet zelden uitgesproken racistisch bleef. In zijn analyse bespreekt Van den Berge tevens hoe de inspanningen van zending en missie bijdroegen aan de ontwikkeling van tropische geneeskunde – al was die aanvankelijk voornamelijk bedoeld om de zendelingen en missionarissen te beschermen. De koloniale relaties waren dan wel primair gericht op economische transacties, maar zij leverden de stad ook heel andere producten op. In hun bijdrage ‘Een geschiedenis zonder einde. Koloniale collecties in Rotterdam’ beschrijven Alexandra van Dongen en Liane van der Linden hoe welgestelde Rotterdammers, zendelingen, wetenschappers en later ook museumprofessionals vanaf de late negentiende eeuw bijzondere verzamelingen aanlegden van oudheden, kunstnijverheid en alledaagse voorwerpen uit de koloniën, vooral uit NederlandsIndië. Die collectioneurs legden de basis voor belangrijke museale collecties, vooral van het Wereldmuseum maar ook van het Maritiem Museum, Museum Boijmans Van Beuningen en Museum Rotterdam.
Van Dongen en Van der Linden houden het niet bij deze beschrijving, zij analyseren ook hoe de betekenis van het verzamelen en de blik vanuit de musea en ook van hun publiek in de afgelopen anderhalve eeuw veranderden: van een sterk raciaal perspectief, waarin de ‘Ander’ al dan niet met waardering werd gevangen in koloniale tegenstellingen, tot hedendaagse museale praktijken waarin de koloniale erfenissen kritisch worden bevraagd en het museum ook zichzelf tot onderwerp van dekolonisatie maakt. Hun analyse gaat vergezeld van een popuptentoonstelling van vijftien objecten uit Rotterdamse collecties die deze ontwikkeling als het ware in beeld brengen. Vanaf de vroege koloniale tijd kwamen er mensen uit de koloniën naar Nederland, al dan niet uit vrije wil. Esther Captain beschrijft deze migraties, beginnend met de vaak slaafgemaakte ‘bediendes’ die met hun meesters uit de koloniën kwamen via ‘zeebaboes’ en zeelieden tot de eerste student Mohammad Hatta, een van de hoofrolspelers in de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. In de Tweede Wereldoorlog waren verschillende migranten in de koloniën betrokken bij het verzet tegen de nazi’s, sommige gaven hun leven voor deze strijd. Direct na 1945 kwam Indië/Indonesië even heel dichtbij te liggen doordat tienduizenden jongemannen vanuit Rotterdam als militair werden ingescheept voor de laatste grote koloniale oorlog.
Maar na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 werd de afstand in figuurlijke zin juist veel groter. Indische Nederlanders en Molukkers vestigden zich min of meer gedwongen in een land dat zij vaak alleen uit verhalen of van school kenden. Daarna vestigden zich ook andere (post)koloniale migranten in Nederland, en specifiek Rotterdam, eerst uit Suriname, later ook de Antillen. Dit levert verhalen op van bonte ervaringen: van soms een kille, dan weer een warme ontvangst, van soms schrijnende situaties qua wonen en werk, maar ook verhalen over levenslust en successen. En zo komen wij bij de superdiverse stad die Rotterdam nu is, een stad waaraan deze postkoloniale migranten zo’n belangrijke bijdrage hebben geleverd. In het laatste hoofdstuk, ‘Postkoloniaal Rotterdam’, stellen Francio Guadeloupe, Paul van de Laar en Liane van der Linden de vraag hoe de koloniale geschiedenis, met inbegrip van de postkoloniale geschiedenis, resoneert in het hedendaagse Rotterdam. Dit slothoofdstuk is tevens een introductie tot de aparte bundel die zij gelijktijdig publiceren. Aan de hand van drie cases beschrijven zij hoe het koloniale verleden doorwerkt in het huidige, niet alleen postkoloniale maar ook superdiverse, Rotterdam.
Die cases betreffen Indische fotoalbums en de verwerking daarvan in hedendaagse kunstprojecten; het ooit Antilliaanse, nu veel bredere Rotterdamse Zomercarnaval, en de oer-Rotterdamse snack ‘kapsalon’. Enerzijds maakt hun bijdrage duidelijk dat ‘postkoloniaal’ allerminst betekent dat de koloniale geschiedenis eenvoudig voorbij is, vergeten en begraven; anderzijds is hun bijdrage ook een pleidooi om als Rotterdamse gemeenschap verder te groeien, voorbij de tegenstellingen uit het verre en recente verleden.
4
Uit deze bijdrage aan deze bundel wordt overigens ook duidelijk dat het steeds minder zin heeft om een scherp onderscheid te maken tussen postkoloniale migranten uit de voormalige Nederlandse koloniën en migranten uit andere Europese koloniën, zoals de grote Kaapverdische gemeenschap. Daar is het weer: ‘superdiversiteit’. En in die superdiverse stad worden gelijktijdig talloze debatten gevoerd, soms alleen in bubbles van gelijkgestemden, soms tussen allerlei groepen van uiteenlopende opvattingen en pluimage. Met de komst van de nieuwe media is het debat niet overzichtelijker geworden, en helaas ook niet vriendelijker. Met deze boeken proberen de auteurs, in de geest van de motie-Wijntuin, echter niet de polarisatie te zoeken, maar de verbinding.
3. Epiloog van de monografie Alex van Stipriaan, ‘Rotterdam in slavernij’ Het verhaal van een stad houdt niet op bij de stadsgrenzen, maar gaat daar ver overheen, zelfs tot en met mondiale dimensies aan toe. In deze tijd waarin iedereen met de eigen identiteit(en) bezig lijkt te zijn is het leerzaam om te ontdekken wat het typisch Rotterdamse is aan dat slavernijverhaal, wat typisch Nederlands, wat Europees, Afrikaans, Caribisch/Zuid-Amerikaans en wat wellicht universeel is. Blijkt dan de Rotterdamse slavernijgeschiedenis anders dan bijvoorbeeld die van Amsterdam of van Leeuwarden of Maastricht? Ja en nee. Om met het laatste te beginnen, allemaal zijn ze deel van het Nederlandse verhaal dat duidelijk anders is dan het Franse, het Engelse, laat staan het Amerikaanse verhaal, en ook de Afrikaanse verhalen verschillen van elkaar, net zoals die in de Amerika’s. En zo waren er ook lokale verschillen binnen Nederland. Alleen al qua schaal. Amsterdam had de meeste connecties met het slavernijsysteem, Middelburg, Vlissingen en Rotterdam kwamen daar achteraan, en bij Leeuwarden en Maastricht was dat vele malen minder, al zijn ze ook daar te traceren. Anderzijds zijn er in veel plaatsen fysieke sporen van het slavernijverleden te vinden, terwijl dat in Rotterdam, door het bombardement van 1940, nauwelijks meer het geval is.
Behalve dan weer wanneer je het Rotterdams Stadsarchief binnenstapt en op zoek gaat naar dat slavernijverleden – dat bleek wel uit deze studie. Ook hebben in de Rotterdamse slavernijgeschiedenis Britse Rotterdammers een bovengemiddelde rol gespeeld, mede waardoor de Rotterdamse slavernijconnecties internationalere dimensies had dan die van andere Nederlandse steden. Daar staat tegenover dat in dit onderzoek over Rotterdam weinig is gebleken – en dus ook niet is besproken – van een slavernij-gerelateerde connectie met de joodse diaspora in de Amerika’s, waar dat bijvoorbeeld in Amsterdam juist tamelijk sterk aanwezig was. Het is zeer onwaarschijnlijk dat Rotterdammers slechtere dan wel betere slaveneigenaren waren dan anderen, en in ieder geval is er geen bewijs voor. Ook wat de erfenissen van slavernij betreft – waarover zo dadelijk meer – lijkt Rotterdam niet noemenswaardig te verschillen van andere Nederlandse steden. Het grootste verschil is wellicht dat Rotterdam en Amsterdam relatief gezien ongeveer evenveel inwoners hebben met Surinaamse wortels, maar dat de groep Antilliaanse Nederlanders in Rotterdam in absolute getallen ruim tweemaal groter is en relatief zelfs bijna driemaal groter dan in Amsterdam. Dat maakt de erfenis misschien ook wat anders.
Zeker wanneer daarbij wordt bedacht dat lang niet alle Surinamers (ook) Afrikaanse voorouders hebben en Caribische Nederlanders, afgezien van Arubanen, veel meer. Bovendien herbergt Rotterdam ook nog een grote groep Kaapverdianen met wortels in de Portugese slavernij. Kortom, het zou wel eens kunnen zijn dat in Rotterdam substantieel meer nazaten van slaafgemaakte Afrikanen wonen dan waar ook in Nederland. Wat deze studie ook heeft opgeleverd is het duidelijke inzicht dat de Rotterdamse kant van het slavernijverleden onlosmakelijk verweven was met de nationale en internationale dimensies van het systeem. Wat Nederland betreft is het slavernijverhaal dus niet alleen het verhaal van Amsterdam, Rotterdam of Middelburg, maar van alle hoeken en gaten van deze samenleving. In het register van dit boek zijn plaatsen te vinden als Limmen, Borculo, Vught, Sint-Michielsgestel, Joure, Helmond en Goorn. En evenmin was de slavernij alleen gerelateerd aan de klasse van ondernemers en bestuurders, maar aan alle lagen van de samenleving, van klerk tot boer en van ambachtsman tot sjouwer. Bovendien werd tussen de regels door (opnieuw) duidelijk hoezeer de ontwikkeling van Rotterdam, ook wat betreft de slavernijconnecties, samenhangt met immigranten uit heel Europa.
Het is vrijwel onmogelijk om te berekenen wat ruim tweeënhalve eeuw slavenhandel en slavernij Nederland in economische zin hebben opgebracht, al worden daartoe wel pogingen gedaan. Maar hoe belangrijk is die vraag in feite? De suggestie die soms wordt gewekt is dat als het economisch belang beperkt zou zijn geweest, het als geschiedenis ook minder belangrijk is. Daarnaast hoort bij een vraag naar de baten logischerwijs ook een vraag naar de kosten in brede zin. Maar die wordt in dat verband veel minder gemaakt. Althans niet in de betekenis van kosten voor de slachtoffers. Ook dat is onmogelijk te berekenen, omdat daarbij evenmin duidelijk is wat
5
daarin moet worden meegewogen. Dat brengt de discussie over herstelbetalingen voor het voetlicht. In de kostenanalyse die daarvoor soms wordt gemaakt, ontstaat de indruk dat als er nu maar loon zou zijn betaald voor de slavenarbeid het minder erg zou zijn geweest. Maar Herstel, of Reparations zoals het in het internationale debat hierover wordt genoemd, gaat over veel meer dan de economie alleen. Het gaat ook over de structurele psychische, emotionele, intellectuele en culturele schade die is ontstaan in de gemeenschappen van nazaten van slaafgemaakten. En eigenlijk zou het ook moeten gaan over de mentale schade die het bij de nazaten van de slavenhouders heeft veroorzaakt en die gerepareerd moet worden. Voor de onderzoeker was het een heel goede oefening om via het microperspectief van een enkele stad het grotere geheel van het slavernijverleden en zijn hedendaagse erfenissen en consequenties én de mondiale schaal daarvan in beeld te krijgen. Die lokale benadering is namelijk niet zo groot dat het verhaal (te) abstract wordt en niet zo klein dat het (te) anekdotisch blijft. Vanuit alle mogelijke soorten lokale dynamiek, van immigratie en veranderende soorten ondernemers tot de opkomst van lokale abolitionisten, kan ook de dynamiek van de grotere systemen veel beter worden begrepen.
Door het lokale blijft het geschiedenis op een menselijke schaal en dat dwingt ook om door de ogen te kijken van iedereen die daar deel aan had. Dit is dan ook een poging geweest om door de ogen van heel veel verschillende actoren in die geschiedenis naar de slavernij te kijken, wat verder gaat dan alleen via witte en zwarte ogen. Daarmee is het tegelijk ook een poging handvaten te bieden om ontwikkelingen in het heden beter te begrijpen. Wat heeft zich toen ontwikkeld dat nu doorwerkt? Dat betekent dat ook van helden het héle verhaal moet worden verteld en dat er ook minder zichtbare helden en heldinnen zijn. En pas daarna kan een balans worden opgemaakt. Bij sommigen zal die balans uitzwaaien naar onacceptabel: het goede blijkt niet in verhouding te staan tot het slechte. Over sommige helden hoeft niet gediscussieerd te worden, omdat ze, ogenschijnlijk, vlekkeloos zijn. Dat dient echter altijd enige achterdocht op te wekken, want welk écht mens is dat? Soms zullen helden als zodanig acceptabel kunnen blijven, maar dan wel met een haakje eraan. Die laatste zijn het meest interessant en herkenbaar, maar natuurlijk wel degenen over wie het meest moet worden gediscussieerd. Wat voor de één een overkomelijk haakje is, is voor de ander een struikelblok.
In ieder geval zullen overheden, educatoren en publieke instellingen die op een of andere manier naar historische helden verwijzen – zoals in straatnamen, monumenten, schoolboekjes en tentoonstellingen – altijd die balans moeten opmaken, omdat zij er voor iedereen moeten zijn. Het opmaken van die balans zal dan ook gepaard moeten gaan met een open en brede discussie, wat als voordeel heeft dat iedereen die dat wil de geschiedenis kan leren kennen. Individuen of groepen kunnen echter hun eigen afwegingen maken en daarmee ook eigen helden creëren. Deze studie heeft ook duidelijk gemaakt dat veelgehoorde argumenten in discussies over dit thema, zoals ‘slavernij is van alle tijden’, ‘ze deden er toch zelf aan mee’, ‘ze wisten toen niet beter’ en ‘mijn (witte) voorouders hebben het ook zwaar gehad’ om verschillende redenen niet zoveel basis hebben. Zo was het in slavernij houden van Afrikanen door Nederlanders inderdaad voor de laatstgenoemden veelal acceptabel, maar in precies dezelfde periode vonden zij dat niet van de zogenaamde christenslavernij. Dat Nederlanders door Noord-Afrikanen en Turken tot slaaf werden gemaakt was onacceptabel, maar tegelijk werkten andere Nederlanders mee met de slavenmakers. Kortom, groepen die meewerken aan een onderdrukkend systeem kunnen ook altijd in de eigen (etnische) groep worden gevonden, en de ene slavernij is dus de andere niet.
Dat laatste, op zijn beurt, hangt ook samen met de impact en de consequenties van de verschillende systemen. En daar ligt ook het verschil met de uitbuiting waar witte voorouders mee te maken hebben gehad: de nazaten hebben er nu geen last meer van en vinden vaak dat dus ook anderen er geen last meer van kunnen of moeten hebben. Maar alleen dat is al deel van de erfenis. Opgroeien in, en behoren tot een samenleving die deel is van de kernlanden van de globalisering en de moderne wereldeconomie, is niet te vergelijken met een achtergrond in een samenleving waarvan het potentieel daarvoor is gebruikt en wat die samenleving zelf vooral ellende heeft opgeleverd. Zeker als slavernij en raciale apartheid daar deel van waren. Op het veelgehoorde argument dat slavernij toen niet met de maten van nu moet worden gemeten – ‘dat was toen normaal’, ‘iedereen deed er aan’, ‘ze wisten niet beter’ – heeft deze studie ook duidelijke antwoorden opgeleverd. Voor degenen die tot slaaf werden gemaakt was slavernij niet iets wat zij normaal vonden of accepteerden. Zij hebben van de eerste tot de laatste dag op alle mogelijke manieren verzet gepleegd. Ook verzet in de vorm van de kracht die tot de ontwikkeling en het behoud van een eigen cultuur leidde, waar de onderdrukker zich tot op zekere hoogte aan moest aanpassen, zoals de taal. Maar ook van Nederlandse c.q.
Rotterdamse kant hebben er altijd geluiden geklonken die op z’n minst kritisch waren over slavenhandel en slavernij, die zij onbeschaafd, onmenselijk en onchristelijk vonden. Mensen waren kennelijk ook toen in staat anders en kritisch te denken en het stond hun vrij al of niet naar die stemmen te luisteren. Ook werd duidelijk 6
dat er in de loop der tijd duizenden Rotterdammers en nog veel meer Nederlanders in het algemeen vanuit hun (koloniale) functie slavernij met eigen ogen hebben aanschouwd. Het gebeurde allemaal ver weg, maar er zijn zeker ook vele verhalen ‘thuis’ gekomen waarnaar is geluisterd, kritisch of niet. Zo blijkt in dit boek dat de financiers en plantage-eigenaren in Rotterdam in voortdurend contact stonden met hun correspondenten overzee, die hun tussen alle zakelijke informatie ook nieuws over de slavernij meegaven. Na 1863 zakte langzamerhand de slavernijgeschiedenis weg uit het geheugen van dit land en deze stad. Maar niet uit het fysieke geheugen, zelfs niet na het bombardement, namelijk al die archieven die bewaard zijn gebleven waarin in ieder geval een deel van het slavernijverhaal ligt opgeslagen. Die minutieuze boekhoudingen en correspondenties, die van alles vertellen en tegelijk heel veel niet vertellen (maar ook dat zegt iets, zoals het totaal ontbreken van ‘zwarte’ ego-documenten), kwam allemaal onder ogen van Rotterdammers. Er is alleen heel lang weinig tot niets mee gedaan. Net als toendertijd moet je het ‘andere’ verhaal wel willen horen. En dat geldt ook voor andere, meer informele archieven van erfgenamen zelf. Er zijn nog zoveel fysieke én immateriële bronnen die onderzocht kunnen worden, zoals alleen al bleek uit de proverbias en odo’s.
Bovendien hoeft de onderzoeker daarvoor niet helemaal naar Afrika, Suriname of de Caribische eilanden. Het is allemaal in je eigen stad, zelfs je eigen straat te vinden. Tot slot, het is al enkele malen genoemd, wat zijn de mentale erfenissen van deze geschiedenis voor alle betrokkenen? Wat is eigenlijk een mentale erfenis? In ieder geval heeft het te maken met de manieren van denken over jezelf en over de ander, je plaats in de wereld waarmee groepen met een gedeelde cultuurgeschiedenis vanaf de geboorte veelal onbewust worden opgevoed en die voortkomen uit specifieke historische ontwikkelingen. Waarschijnlijk is het nog te vroeg om dat geheel aan erfenissen van het Nederlands slavernijverleden te kunnen overzien. Weliswaar is die slavernij al meer dan anderhalve eeuw geleden afgeschaft, maar omdat nu pas langzamerhand die geschiedenis onder ogen wordt gezien, worden ook nu pas de erfenissen echt zichtbaar. Dat geldt voor álle erfgenamen, wit, zwart en alles daartussen.
Hoe kort geleden is het nog maar dat Afro-Rotterdamse vrouwen hun haar (pijnlijk) straightten, omdat glad haar nu eenmaal mooier was dan kroes? En hoe veelzeggend is het dat op dit moment de belangrijkste Surinaamse bankdirecteur in Paramaribo in een interview met een Nederlandse krant stelt dat na twee eeuwen slavernij en nog een eeuw koloniaal bestuur de hiërarchische machtscultuur in het onafhankelijke Suriname nog steeds verlammend werkt op de bevolking: Je ziet dat al in de opvoeding van Surinaamse kinderen, in het onderwijs en binnen de bedrijfscultuur. Als ouders praten, moeten kinderen stil zijn. Regels worden opgelegd aan kinderen, maar ook volwassenen wordt niet geleerd zelf na te denken. Dit hele systeem is te herleiden naar onze koloniale geschiedenis: op de plantages werd met hiërarchie, angst en straf geregeerd, het hele systeem was erop gericht om onderdrukking en afhankelijkheid te creëren. We hebben ons hier nooit echt van bevrijd en losgemaakt, maar er onze samenleving op gebaseerd, onze politiek naar ingericht, het onderwijs. Kortom, het zit nog in ons. Dat is een loodzware erfenis, die op eigen wijze ook op de Caribische eilanden terug te vinden is. Maar tegelijk is deze bankdirecteur zelf een voorbeeld dat het mogelijk is je daarvan te bevrijden, dat je er tegenin kunt gaan, dat het niet ‘nou eenmaal zo is’.
Misschien nog veel moeilijker te benoemen is de erfenis aan de kant van de erfgenamen van de kolonisator. Die gaat in ieder geval over ongelijkheid en denken in ‘wij’ en ‘zij’. De slavernij en met name ook de legitimering daarvan met de Bijbel in de hand heeft een beeld geschapen van de zwarte mens als een soort ultieme ander. Weliswaar een mens – en zelfs dát heel lang formeel niet eens – maar in ieder geval een minder soort mens. De scherpe kantjes zijn daar al lang van af, maar de kern ervan is nog niet verdwenen. Op zijn best leidt dat tot het paternalisme van ‘we doen het samen, ik weet wel wat goed voor jou is’, op zijn slechtst tot opgeknoopte zwarte pietjes aan Rotterdamse lantarenpalen. Die mentale erfenissen zijn de andere betekenis van Rotterdam in slavernij. Rotterdam zat in de slavernij, zoals je in iedere andere business kunt zitten, maar Rotterdammers van alle kleuren zijn ook nog steeds geketend in manieren van denken die een gevolg zijn van dat systeem. Tegelijkertijd is er óók een erfenis van kritische stemmen, die altijd hebben geklonken, hoe complex ook. Die erfenis behoeft, zoals heel veel andere aspecten van het slavernijverhaal, nog heel veel onderzoek. Al was het maar omdat daarmee nog veel meer een geschiedenis van hoop tevoorschijn komt, dat niets onveranderlijk is en dat er altijd tegenstemmen zijn waar je naar kunt of moet luisteren.
Rotterdam zat tot over zijn oren in de slavernij. De erfenissen daarvan zitten tussen diezelfde oren, nu is de tijd aangebroken om met die oren te gaan luisteren.
7
4. Inleiding op de bundel onder redactie van Francio Guadeloupe, Paul van de Laar en Liane van der Linden, ‘Rotterdam, een post-koloniale stad in beweging’ Het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With heeft in het weekeinde van 27 juni 2020 afscheid genomen van zijn naam. De naam Cornelis Witte de With, de zeventiende-eeuwse Rotterdamse zeeheld, past niet langer in een stad die rekenschap wil geven van haar koloniale verleden. Al jarenlang wordt er over de naam gediscussieerd en de bekladding van de gevel in reactie op het Black Lives Matter-protest was het laatste zetje. Maar Rotterdam is meer dan een stad waar het postkoloniale debat zich uit in het bekladden van een gevel of een standbeeld, zoals dat van Piet Hein in Delfshaven. Overal in de stad is te zien en te horen hoe Rotterdammers anno 2020 zich collectief verhouden tot dit koloniale verleden. De polyfonie staat voor de meerstemmigheid die Rotterdam kenmerkt als postkoloniale stad in beweging. Het woord ‘postkoloniaal’ duidt op de hardnekkige doorwerking van het koloniale verleden in het heden. Zo worden Surinaamse Rotterdammers nog steeds voor ‘kutn%#*ger’ uitgemaakt, Marokkaanse Rotterdammers getreiterd met een kopvoddentaks en moeten Chinese Rotterdammers zich het corona-carnavalsnummer ‘Voorkomen is beter dan Chinezen’ laten welgevallen.
Allen hebben te maken met institutioneel racisme en daar richten de woede en acties zich ook op. Ambitieuze kinderen van Rotterdammers met een migratie- of koloniaal verleden moeten veel harder knokken om in deze stad succesvol te zijn dan kinderen van witte Rotterdammers die tot dezelfde sociale klasse behoren. Het wrange is, met name voor die Rotterdammers met een Surinaamse, Antilliaanse of Ind(ones)ische achtergrond, dat zij burgers zijn geworden van een land dat rijk is geworden door het onderdrukken van hun voorouders. Hoe meer hun historisch besef groeit, hoe meer zij erkenning en excuses vragen voor het leed dat hun voorouders is aangedaan. Hun pijn en verdriet horen een plek te krijgen in de ontwikkeling van postkoloniaal Rotterdam. En dit geldt niet alleen voor hun voorouders maar voor iedereen die slachtoffer is geweest van het effect van de trans-Atlantische slavernij, kolonialisme en contractarbeid. Zij met een historisch besef kunnen niet vergeten dat de stad waarvan zij houden, en waar hun kinderen en kleinkinderen zijn geboren, hun Rotterdam, ook de stad is waar vanuit Delfshaven een deel van de Pelgrimvaders naar Amerika is vertrokken. Deze puriteinse diepgelovigen hebben bijgedragen aan de knechting van Afrikanen en de Amerikaanse segregatie nadat zij de verdere genocide van de prekoloniale volkeren in de Nieuwe Wereld voor hun rekening namen.
Dit zijn de erfenissen van het imperiale verleden van hun land en van hun stad. Maar het woord postkoloniaal staat ook voor utopische dromen van een toekomst voorbij koloniale verschillen. Deze dromen bestaan omdat er in het heden genoeg momenten zijn waarin veelkleurig en multietnisch Rotterdam elkaar vindt. Bij voetbalverenigingen, streetdanceclubs, in het HipHopHuis, op de markt, in de kroeg, op het werk, maar ook als Feyenoord landskampioen wordt en bij het Zomercarnaval. Dan lijkt het wel of koloniale of etnische verschillen er inderdaad niet meer toe doen. Deze dagelijkse ontmoetingen bieden houvast voor de toekomst, hoe onzeker die ook is. Heden, verleden en toekomst zijn, als we het hebben over postkoloniaal Rotterdam, dan ook nauw met elkaar verbonden. Het is een zoektocht, voor een deel onontgonnen terrein, waarvan niemand kan claimen precies te weten hoe het zit. Er moeten nieuwe dynamieken ontstaan, gericht op een toekomst die geen voortzetting is van het verleden waarin raciale verschillen en discriminatie de onderlinge verhoudingen bepalen. Velen in Rotterdam zijn hiermee bezig, daartoe uitgedaagd door de veranderingen die Rotterdam als stad van aankomst de laatste decennia heeft doorgemaakt. Zoals in de avant-gardejazz geen enkel ritme of melodie werkelijk de boventoon voert, zo is Rotterdam anno 2020 ook een stad van minderheden. Elke stem – noot – telt.
Rotterdam is een havenstad; havensteden beroepen zich graag op hun kosmopolitische karakter. Ze staan open voor de wereld en omarmen vernieuwing en het experiment. De ingrijpende negentiende-eeuwse industriële revolutie is bepalend geweest voor hoe Rotterdam sindsdien wordt gerepresenteerd, als stad van aankomst en vertrek en van daaruit voortvloeiende, culturele transformatie. Het is deze interculturele stedelijke ruimte die de couleur locale bepaalde en daarmee ook onze hedendaagse visie op Rotterdam. Dit is het positieve beeld, maar het heeft ook een keerzijde en die wordt vaker uitgelicht, waardoor Rotterdam voor velen geen liefde op het eerste gezicht is. Je moet de stad ontdekken, leren begrijpen en lezen om ervan te houden. Rotterdam is niet mooi of lelijk, maar heeft een onweerstaanbaar karakter. Je kunt pas van de stad houden als je accepteert dat Rotterdam ongrijpbaar is, ‘niet te filmen’, zoals Deelder het noemde. Het verhaal van Rotterdam laat zich ook niet samenvatten in termen van mooi of lelijk. Het is vooral een stad gevormd door strijdbare mensen, vol energie en wilskracht, die hiernaartoe kwamen en komen voor een betere toekomst. Dat gold voor de
8
Brabanders, Zeeuwen en mensen van de Zuid-Hollandse eilanden die zich vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in Rotterdam vestigden. De snelgroeiende havenstad Rotterdam kon al die migranten goed gebruiken. Ze moesten zich dan wel allemaal aanpassen en hun plek in de stad veroveren, of het nu ging om katholieken, protestanten, Duitsers, Belgen of andere nationaliteiten zoals de Chinezen die zich hier vanaf 1911 op Katendrecht vestigden, of om de naoorlogse migrantengroepen uit het voormalige Nederlands-Indië, uit Spanje, Italië, Suriname, de Antillen, Kaapverdië, Turkije, Marokko en in de laatste decennia vooral uit Syrië, Eritrea, Somalië, Polen en andere Oost-Europese landen. Rotterdam is ook nooit af. En dan bedoelen we niet alleen die eeuwige bouwputten en borden met ‘omleiding’ en ‘werk in uitvoering’, maar juist de cultuur van de stad. Dat is haar charme, valkuil en kracht. Ook in die zin is Rotterdam een werkstad; de geschiedenis leert dat er altijd spanningen zijn tussen Rotterdammers die zichzelf als kernbevolking beschouwen en degenen die van buiten komen en pas na verloop van tijd Rotterdammers worden. Het schuurt altijd en makkelijk gaat de integratie nooit. Zeker niet als het als een programma van bovenaf wordt opgelegd. Het gaat niet om integratie in een bestaande vastomlijnde cultuur, want die verandert voortdurend, net als bepaalde stedelijke mores.
In wezen gaat het om integratie met het project Rotterdam, en die moet van twee kanten komen. Wederkerigheid is wat de praktijk van diversiteit ook laat zien en waarover we positiever zijn dan de meeste politici erkennen. Het project Rotterdam vraagt om een voortdurend schaven aan de toekomst van de stad om ervoor te zorgen dat iedereen hier de kans heeft zich te ontwikkelen en thuis te voelen. Rotterdam is in die zin ook op te vatten als een poreuze stad, zoals de filosoof Walter Benjamin dat noemde. In die betekenis is een havenstad als een spons die continu openstaat voor nieuwkomers. Er komen niet alleen mensen bij, ze vertrekken ook weer. En net als bij een uitgewrongen spons blijft er altijd wat in de vezels achter. Een cultureel residu als het ware, waarin de oude en nieuwe culturen zich hebben vermengd en zich weer verder vermengen in een proces dat niet ophoudt. Het is de dynamiek van de stad waarbij sommige groepen harder moeten strijden om zich thuis te voelen dan andere, minder bevoorrechte, groepen. Maar niet alleen zij, ook liefhebbers van vertrouwde symfonische klanken worden uitgedaagd om naar een ander geluid van de stad te luisteren. We laten ons niet afleiden door de vraag wie wel of niet in Rotterdam thuishoort. Wat ons fascineert is juist de veelstemmige ervaring van Rotterdammers met hun stad. Hoe ervaren zij hun stad vanuit een postkoloniaal perspectief?
9