CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb3248 Raadsvoorstel over Wijziging van de Verordening Rekenkamer Rotterdam, de Verordening gemeentelijke ombudsman Rotterdam en de Verordening rechtspositie directeur Rekenkamer Rotterdam en gemeentelijke ombudsman.21bb3248

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 18. Het voorstel tot vaststelling van de Verordening rechtspositie directeur Rekenkamer Rotterdam en de Gemeentelijke Ombudsman 2021.5.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Herzien voorstel

Rotterdam, 11 maart 2021.

21bb3248

Aan:

de gemeenteraad

Onderwerp:

Wijziging van de Verordening Rekenkamer Rotterdam, de Verordening gemeentelijke ombudsman Rotterdam en de Verordening rechtspositie directeur Rekenkamer Rotterdam en gemeentelijke ombudsman.

Gevraagd besluit: De Verordening Rekenkamer Rotterdam, de Verordening gemeentelijke ombudsman en de Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam vast te stellen.

Waarom dit voorstel?/Waarom nu voorgelegd?

De verordeningen worden geactualiseerd vanwege de inwerkingtreding van de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren.

Relatie met het coaIitieakkoord/colIegewerkprogrammaleerder gedane toezeggingen:

aangenomen moties en

Niet van toepassing.

\

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad

Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021

raadsstuk 21bb3248

pagina 1

Toelichting: Vanwege de invoering van de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren, dienen de verordeningen van de gemeentelijk ombudsman, de directeur rekenkamer Rotterdam en de verordening rechtspositie gemeentelijk ombudsman en directeur rekenkamer Rotterdam aangepast te worden aan deze nieuwe wetgeving. De aanpassingen zijn technisch van aard, vanwege de wetswijziging, waardoor de verwijzingen naar de juiste artikelen in de CAO, Personeelshandboek en ambtenarenwet aangepast dienden te worden. Ook is er een aantal kleine aanpasàingen gedaan, om de verordeningen wat meer te laten aansluiten op de tijdsgeest (bijv. het schrappen van de medische keuring). Er zijn geen wijzigingen gedaan die invloed hebben op de positie, de werkwijze, de rol of de positie van de raad.

Financiële en juridische consequenties/aspecten: Niet van toepassing.

Presidium van de raad van de gemeente Rotterdam,

De voorzitter,

I.C. . Broeders

.

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

- . Aboutaleb

raadsvergadering van:18 maart 2021 raadsstuk 21bb3248 pagina 2

ONTWERPBESLUIT A Verordening Rekenkamer Rotterdam.

De raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het presidium van 11 maart 2021, inzake het aanpassen van de enkele verordeningen met betrekking tot de rekenkamer en de gemeentelijke ombudsman, 21bb3248;

gelet op hoofdstuk |Va van de Gemeentewet;

ovenzvegende dat: op 1 januari 2020 de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren in werking is

-

getreden;

-

de Rekenkamer Rotterdam een zelfstandig orgaan is;

-

regelgeving voor het personeel van de gemeente Rotterdam ook van toepassing is voor medewerkers van het bureau van de Rekenkamer Rotterdam;

-

het noodzakelijk is de Verordening Rekenkamer Rotterdam te actualiseren;

BESLUIT:

Paragraaf 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:

Rekenkamer Rotterdam: de organisatie ex artikel 81a tot en met 81k van de Gemeentewet; -

orgaan: ieder bevoegd orgaan van de gemeente Rotterdam;

-

dienst: een gemeentelijke dienst, een gemeentelijk bedrijf, een kostenplaats of fonds;

-

directeur: de directeur van de Rekenkamer Rotterdam.

_

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad

Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering vanz18 maart 2021

raadsstuk 21bb3248

pagina 3

-

presidium: vertegenwoordiging vanuit de gemeenteraad zoals omschreven in artikel

10 van het Reglement van de Orde voor de vergaderingen van de raad 2018.

Artikel 2 Rekenkamer Rotterdam

1. Er is een Rekenkamer Rotterdam.

2. De Rekenkamer Rotterdam heeft één lid, dat wordt aangeduid met de titel ‘directeur van de Rekenkamer Rotterdam', en één plaatsvervangend lid, dat wordt aangeduid met de titel ‘plaatsvervangend directeur van de Rekenkamer Rotterdam’. 3. Bij langdurige afwezigheid van de directeur treedt de plaatsvervangend directeur in zijn plaats.

4. De artikelen van deze verordening zijn op de plaatsvervangend directeur van de Rekenkamer Rotterdam van overeenkomstige toepassing. 5. De directeur is niet ondergeschikt aan enig orgaan.

6. De directeur is geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet 2017.

Artikel 3 Benoeming directeur en plaatsvervangend directeur

1. Benoeming vindt slechts plaats nadat ten aanzien van de kandidaat-directeur of kandidaat-plaatsvervangend directeur een verklaring omtrent het gedrag is afgegeven als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 2. De raad besluit ten minste zes maanden voor afloop van de benoemingsperiode over het al dan niet herbenoemen van de directeur.

3. Jaarlijks vindt er een voortgangsgesprek plaats tussen de werkgeverscommissie, namens het presidium, en de directeur Rekenkamer.

Artikel 4 Non-activiteit

1. De raad kan bij de beslissing, ex artikel 81d, van de Gemeentewet, waarbij de directeur op non-actief wordt gesteld, tevens besluiten dat tijdens de duur van de non—activiteit geen salaris of slechts een deel van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte van het salaris dat zal worden genoten. 2. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd zal de raad beslissen of het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald.

_ @

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 pagina 4 raadsstuk 21bb3248

Artikel 5 Rechtspositie

De raad stelt de rechtspositie van de directeur bij verordening vast. Daarin wordt tevens opgenomen of en zo ja, welke bepalingen uit andere regelingen, zoals het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Gemeenten of het Personeelshandboek 010 op de directeur van overeenkomstige toepassing zullen zijn en bij wijziging van deze regelingen, van toepassing zullen zijn alsmede eventuele andersluidende of andere

afspraken.

‘

Artikel 6 Nevenfuncties

1. De directeur is niet tevens bestuurder of persoon in dienst van een publiekrechtelijk samenwerkingsverband waaraan de gemeente Rotterdam deelneemt. 2. De directeur vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie.

3. De directeur kan tevens worden benoemd als lid van de rekenkamer van gemeenten die deelnamen aan de gemeenschappelijke regeling van de voormalige stadsregio, genoemd in de bijlage.

Paragraaf 2. BUDGET

Artikel 7 Budget van de Rekenkamer Rotterdam

1. De directeur is bevoegd binnen een aan de Rekenkamer Rotterdam bij de begroting beschikbaar gesteld budget uitgaven te doen en verplichtingen aan te gaan ten behoeve van de uitvoering van zijn taken. 2. De Rekenkamer Rotterdam doet jaarlijks een voorstel aan de raad voor de nodige middelen voor een goede uitoefening van de taken. 3. De Rekenkamer Rotterdam verantwoordt de baten en lasten van het vorig begrotingsjaar in het verslag aan de raad, bedoeld in artikel 185, derde lid, van de Gemeentewet.

Paragraaf 3. BUREAU

Artikel 8 Bureau van de Rekenkamer Rotterdam

1. De directeur geeft leiding aan het bureau van de Rekenkamer Rotterdam dat hem bij het uitoefenen van zijn taken ondersteunt.

2. Arbeidsovereenkomsten en andere rechtshandelingen ten aanzien van de medewerkers die werkzaamheden verrichten voor het bureau van de Rekenkamer Rotterdam worden

_

Portefeuillehouder: voorzitter raad

raadsvergadering van:18 maart 2021

Steller: Isabelle Broeders

raadsstuk 21bb3248

pagina 5

'

aangegaan dan wel verricht door de directeur, zoals omschreven in artikel 6 van de

Regeling mandaat, volmacht en machtiging P&O. 3. De directeur kan een of meer van zijn bevoegdheden aan een of meer van zijn medewerkers van zijn bureau mandateren dan wel een volmacht verlenen.

Paragraaf 4. TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 9 Onderzoeksplan 1. Jaarlijks legt de Rekenkamer Rotterdam een onderzoeksplan ter kennisname aan de raad voor. 2. De raad en het college van Burgemeester & Wethouders kunnen beide ondewverpen aandragen voor onderzoek door de Rekenkamer Rotterdam. 3. In het onderzoeksplan wordt naar onderwerp aangegeven: a. de afbakening van het onderzoeksterrein; b. de formulering van de onderzoeksopdracht; c. de eventuele randvoorwaarden; d. de planning.

Artikel 10 Overige bevoegdheden 1. De Rekenkamer Rotterdam kan, voor zover dat naar haar oordeel ten behoeve van het

onderzoek is vereist, zonder toestemming alle plaatsen betreden van het betrokken orgaan of dienst.

2. Organen, diensten en instellingen als bedoeld in artikel 184 Gemeentewet reageren op verzoeken van de Rekenkamer Rotterdam binnen een maand, tenzij de RekenkamerRotterdam anders bepaalt.

Artikel 11 Rapportage en terugkoppeling 1. De Rekenkamer Rotterdam stelt het betrokken orgaan en, indien en voor zover het hen betreft, de betrokken instelling, schriftelijk op de hoogte van haar voorlopige onderzoeksresultaten. Indien de resultaten daartoe aanleiding geven kan de rekenkamer ter zake conceptaanbevelingen aan het betrokken orgaan opnemen. 2. De Rekenkamer Rotterdam stelt het betrokken orgaan en, indien van toepassing, de

betrokken instelling, in de gelegenheid schriftelijk te reageren op de voorlopige onderzoeksresultaten en, indien van toepassing, de conceptaanbevelingen. Het betrokken orgaan deelt ten minste mee:

_

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 raadsstuk 21 bb3248

pagina 6

a. welke aanbevelingen worden overgenomen; of b. indien aanbevelingen niet worden overgenomen, de motivering waarom van de

aanbevelingen wordt afgeweken. 3. Voor de in het tweede lid bedoelde reactie geldt een termijn van drie weken tenzij de Rekenkamer Rotterdam anders bepaalt. 4. Na ontvangst van de reactie(s) sluit de Rekenkamer Rotterdam haar onderzoek af en stelt een definitief rapport op waarin de resultaten van haar onderzoek en, indien van toepassing, de aanbevelingen, alsmede de reacties hierop zijn opgenomen.

Artikel 12 Behandeling rapporten 1. De rapporten en overige stukken van de Rekenkamer Rotterdam worden aan de raad aangeboden.

2. De raad kan bepalen dat rapporten en overige stukken voor de raadsbehandeling in een raadscommissie worden behandeld.

3. De directeur kan door de commissie worden uitgenodigd de behandeling van het rapport in een of meer raadscommissies bij te wonen om daar het rapport toe te lichten en eventuele vragen te beantwoorden.

4. De rapporten en overige stukken worden door de raad in zijn vergadering, binnen drie maanden na ontvangst, behandeld. Daarbij stelt de raad een termijn vast waarbinnen het

college van Burgemeester & Wethouders met een plan van aanpak dient te komen ter uitvoering van de door de raad overgenomen aanbevelingen.

Paragraaf 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 13 Inwerkingtreding 1 Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte'van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst. 2. De Verordening Rekenkamer Rotterdam wordt ingetrokken.

Artikel 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Rekenkamer Rotterdam. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 maart 2021

De griffier,

.

De voorzitter,

Portefeuillehouder: voorzitter raad

raadsvergadering van:18 maart 2021

Steller: Isabelle Broeders

raadsstuk 21bb3248

pagina 7

Bijlage als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Verordening Rekenkamer Rotterdam

De aangesloten gemeenten bij de voormalige Stadsregio Rotterdam zijn: 1.

Albrandswaard Barendrecht Brielle Capelle aan den IJssel Hellevoetsluis Krimpen aan den IJssel Lansingerland Maassluis

9.

Nissewaard

10.

Ridderkerk

11.

Rotterdam

12.

Schiedam

13.

Vlaardingen

14.

Westvoorne

_

@

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 raadsstuk 21bb3248 pagina 8

ONTWERPBESLUIT B Verordening gemeentelijke ombudsman Rotterdam

De raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het presidium van 11 maart 2021, inzake het aanpassen van de enkele verordeningen met betrekking tot de rekenkamer en de gemeentelijke ombudsman, 21bb3248;

gelet op hoofdstuk |Vc en artikel 149 van de Gemeentewet en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

ovemvegende dat: op 1 januari 2020 de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren in werking is

-

getreden;

-

de Gemeentelijke ombudsman een zelfstandig orgaan is;

-

regelgeving voor het personeel van de gemeente Rotterdam ook van toepassing is voor medewerkers van het bureau van de Gemeentelijke ombudsman;

-

het noodzakelijk is de Verordening gemeentelijke ombudsman 2015 te actualiseren;

BESLUIT:

Paragraaf 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepaling In deze verordening wordt onder presidium verstaan vertegenwoordiging vanuit de gemeenteraad als bedoeld in artikel 10 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de raad 2018.

\

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 raadsstuk 21bb3248 pagina 9

Artikel 2 Gemeentelijke ombudsman Rotterdam 1. Er is een gemeentelijke ombudsman.

2. De ombudsman treedt tevens op als gemeentelijke kinderombudsman.

Artikel 3 Benoeming en herbenoeming ombudsman en plaatsvervangend ombudsman 1. Benoeming vindt slechts plaats nadat ten aanzien van de kandidaat-ombudsman of kandidaat plaatsvervangend ombudsman een verklaring omtrent het gedrag is afgegeven als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 2. De raad besluit ten minste zes maanden voor afloop van de benoemingsperiode over het al dan niet herbenoemen van de ombudsman en diens plaatsvervanger. 3. Jaarlijks vindt er een voortgangsgesprek plaats tussen de werkgeverscommissie, namens het presidium, en de gemeentelijke ombudsman.

Artikel 4 Rechtspositie De raad stelt de rechtspositie van de ombudsman bij verordening vast. Daarin wordt tevens

opgenomen of en zo ja, welke bepalingen uit andere regelingen, zoals het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Gemeenten of het Personeelshandboek 010 op de ombudsman van overeenkomstige toepassing zullen zijn en bij wijziging van deze regelingen van toepassing zullen zijn alsmede eventuele andersluidende of andere afspraken._

Artikel 5 Nevenfuncties

1. De ombudsman is niet tevens bestuurder of persoon in dienst van een publiekrechtelijk samenwerkingsverband waaraan de gemeente Rotterdam deelneemt. 2. De ombudsman vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie.

Paragraaf 2. BUDGET

Artikel 6 Budget van de ombudsman 1. De ombudsman is bevoegd binnen een aan hem bij de begroting beschikbaar gesteld budget uitgaven te doen en verplichtingen aan te gaan ten behoeve van de uitvoering van zijn taken. 2. De ombudsman doet jaarlijks een voorstel aan de raad voor de nodige middelen voor een goede uitoefening van de taken.

_

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad

Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021

raadsstuk 21bb3248

pagina 10

3. De ombudsman verantwoordt de baten en lasten van het vorige begrotingsjaar in het

verslag aan de raad, als bedoeld in artikel 81 u, van de Gemeentewet.

Paragraaf 3. BUREAU

Artikel 7 Bureau van de ombudsman

1. Arbeidsovereenkomsten en rechtshandelingen ten aanzien van de medewerkers die werkzaamheden verrichten voor het bureau van de gemeentelijke ombudsman worden aangegaan dan wel verricht door de ombudsman, zoals omschreven in artikel 6 van de Regeling mandaat, volmacht en machtiging P&O. 2. De ombudsman kan een of meer van zijn bevoegdheden aan een of meer van zijn medewerkers van zijn bureau mandateren dan wel een volmacht verlenen.

Paragraaf 4. TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 8 Klachten

De ombudsman kan mondelinge klachten in behandeling nemen. Indien de ombudsman dit nodig acht, kan hij klagers behulpzaam zijn bij het op schrift stellen van een klacht.

Artikel 9 Privaatrechtelijke rechtshandelingen De ombudsman kan in naam en onder verantwoordelijkheid van het college van Burgemeester & Wethouders besluiten nemen omtrent: het aangaan, uitvoeren, wijzigen en beëindigen van obligatoire overeenkomsten, met dien verstande dat: het betreft overeenkomsten die direct voortvloeien uitzijn taakuitoefening; blijkens het vastgestelde budget, voor het aangaan van de betreffende overeenkomsten, voldoende financiële middelen beschikbaar zijn gesteld en voor zover deze middelen niet zijn uitgeput.

Artikel 10 Overige bevoegdheden

De ombudsman kan het beschikkingsbevoegde orgaan verzoeken om de uitvoering van een bepaald besluit of regeling voor bepaalde tijd op te schorten. Het orgaan kan dat verzoek gemotiveerd afWijzen.

Artikel 11 Rapportage en terugkoppeling

_

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: lsabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 raadsstuk 21bb3248

pagina 11

1. De ombudsman stelt elk jaar vóór 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden over het

voorgaande jaar, inclusief de financiële verantwoording als bedoeld in artikel 3, derde lid. 2. Het jaarverslag wordt door de raad in zijn vergadering behandeld, binnen drie maanden na ontvangst. De raad kan bepalen dat het jaarverslag vóór de raadsbehandeling in een raadscommissie wordt behandeld. 3. De ombudsman kan dadelijk na het afsluiten van een onderzoek de raad inlichten over zijn bevindingen en oordeel. 4. De ombudsman kan door de commissie worden uitgenodigd de behandeling van het jaarverslag of een onderzoeksverslag in een of meer raadscommissies bij te wonen, om daar het verslag toe te lichten en eventuele vragen te beantwoorden.

Paragraaf 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.

2. De Verordening gemeentelijke ombudsman 2015 wordt ingetrokken.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening gemeentelijke ombudsman

Rotterdam.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 maart 2021.

De voorzitter,

De griffier,

«

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 pagina 12 raadsstuk 21bb3248

ONTWERPBESLUIT C

(

Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam

De raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het presidium van 11 maart 2021, inzake het aanpassen van de enkele verordeningen met betrekking tot de rekenkamer en de gemeentelijke ombudsman, 21bb;

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;

alsmede gelet op de artikelen 81c, 81d, 81q en 81v van de Gemeentewet;

overwegende dat: -

op 1 januari 2020 de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren in werking is getreden;

-

het noodzakelijk is de Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam te actualiseren;

BESLUIT:

Paragraaf 1

Artikel 1 Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: -

functionaris: de gemeentelijke ombudsman of de directeur Rekenkamer Rotterdam;

directeur Rekenkamer Rotterdam: degene die is benoemd in de functie bedoeld in artikel 81c, Gemeentewet; gemeentelijke ombudsman: degene die op voet van het gestelde in artikel 81p van de Gemeentewet is benoemd in de functie bedoeld in artikel 1 van de Verordening gemeentelijke ombudsman Rotterdam;

_

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 raadsstuk 21bb3248 pagina 13

plaatsvervangend functionaris: de op voorstel van de functionaris door de raad benoemde plaatsvervanger;

presidium: vertegenwoordiging vanuit de gemeenteraad bedoeld in artikel 10 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de raad 2018.

Artikel 2 Plaatsvervangend functionaris 1. De artikelen 1 tot en met 6, met uitzondering van het bepaalde in artikel 6, vierde lid en

zesde lid, en voor zover de inhoud of de strekking van de regeling zich daar niet tegen verzet, zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend functionaris.

2. Het in artikel 5, vierde lid en paragraaf 2 van deze verordening ten aanzien van de functionaris bepaalde is voor zover de inhoud of de strekking van de regeling zich daar niet tegen verzet, van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend functionaris indien de vervanging schriftelijk aan het presidium is gemeld. De beëindiging van de vervanging wordt eveneens schriftelijk gemeld aan het presidium.

Artikel 3 Wijziging van toepassing zijnde regelingen Wijzigingen in de van toepassing verklaarde artikelen uit het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Gemeenten of het Personeelshandboek 010 zijn niet dan na

een daartoe strekkend besluit van de raad op de functionaris van toepassing.

Artikel 4 Benoeming 1. Benoeming vindt slechts plaats nadat ten aanzien van de kandidaat-functionaris en de kandidaat plaatsvervangend functionaris een verklaring omtrent het gedrag is afgegeven als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Voor zover hieraan kosten zijn verbonden, komen deze voor rekening van de gemeente.

2. Indien betrokkene geen Nederlander is, kan hij slechts worden benoemd indien hem verblijfin Nederland is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit, of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet.

3. Bij een voordracht tot herbenoeming van de zittende functionaris blijft het eerste lid buiten beschouwing.

_

%

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering vanz18 maart 2021 raadsstuk 21bb3248 pagina 14

Artikel 5 Benoemingsakte

Aan de functionaris wordt een benoemingsbesluit uitgereikt, welke naast de wettelijk vereiste gegevens, ten minste vermeldt: a. zijn naam, voornamen en geboortedatum;

b. de datum met ingang waarvan hij tot functionaris is benoemd; c. de duur van zes jaren waarvoor de benoeming geldt.

Artikel 6 Bezoldiging en andere geldelijke aanspraken 1. De functionaris heeft aanspraak op bezoldiging met ingang van de datum waarop zijn benoeming ingaat.

2. De bezoldiging wordt in maandelijkse termijn betaalbaar gesteld.

3. De aanspraak op bezoldiging eindigt met ingang van de dag: a. van ontslag; b. volgende op die waarop de termijn van benoeming is verstreken;

c. volgende op die waarop de functionaris is overleden. 4. De hoogte van de bezoldiging voor de functionaris is vastgesteld overeenkomstig salarisschaal 17, genoemd in artikel 3.1 van het Personeelshandboek 010. De inschaling binnen de salarisschaal wordt door de raad nader vastgesteld.

5. De hoogte van de bezoldiging van de plaatsvervangend functionaris wordt — op voorstel

van de functionaris — in een bij deze verordening behorende bijlage door de raad vastgesteld. 6. De functionaris heeft met ingang van de dag waarop zijn benoeming ingaat, recht op vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen overeenkomstig de in de cao Gemeenten en het Personeelshandboek 010 vastgestelde regels.

Paragraaf 2

Artikel 7 Ziekte en arbeidsongeschiktheid 1. Bij arbeidsongeschiktheid van de functionaris is het bepaalde in artikel 7:658a BW, artikel 7:660a BW, hoofdstuk 7 van de Cao Gemeenten, hoofdstuk 7 van het Personeelshandboek 010 alsook artikel 3.3, lid 4 en artikel 5.3 van het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing. Bij ziekte en herstel doet de functionaris daarvan mededeling aan de raad.

\

@

Portefeuillehouder: voorzitter raad

raadsvergadering vanz18 maart 2021

Steller: isabelle Broeders

raadsstuk 21bb3248

pagina 15

2. De functionaris heeft het recht een arts van de arbodienst rechtstreeks te consulteren

over gezondheidsproblemen die naar zijn mening met de uitoefening van zijn functie kunnen samenhangen. 3. Onverminderd hetgeen bepaald in lid 2, kan de functionaris de raad verzoeken hem aan een geneeskundig onderzoek te ondewverpen in verband met gezondheidsproblemen die met zijn functievervulling samenhangen.

4. Onverminderd het bepaalde in de Wet verbetering poortwachter, kan de raad, indien er naar zijn oordeel voldoende redenen bestaan om aan te nemen dat de functionaris in verband met zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is zijn functie naar behoren te vervullen, bepalen dat hij aan een geneeskundig onderzoek wordt ondewvorpen ter beoordeling van de vraag of, en zo ja, wanneer en in welke mate hij de vervulling van zijn functie weer kan hervatten.

Artikel 8 Bezoldiging en ziekte

1. Op beslissing van de raad wordt de doorbetaling van de bezoldiging gestaakt, indien en voor zolang de functionaris: weigert zich te ondewverpen aan een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 6, vierde lid of, na voor een dergelijk onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing ernstig wordt

belemmerd of vertraagd. 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan de raad bepalen dat het bedrag van de ingehouden bezoldiging geheel o f t e n dele aan anderen dan aan de functionaris zal worden uitgekeerd. 3. Het niet uitgekeerde bedrag van ingehouden bezoldiging kan op beslissing van de raad alsnog aan de functionaris worden uitbetaald, wanneer uit een verklaring van een of meer

door de raad aangewezen geneeskundige(n) blijkt, dat de grond waarop de doorbetaling geheel of ten dele werd gestaakt, zich niet meer voordoet.

Artikel 9 Vakantie en verlof 1. Ten aanzien van de vakantie van de functionaris is het bepaalde in titel 10, afdeling 3, van

boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. 2. De bepalingen van hoofdstuk 6 van de Cao gemeenten, uitgezonderd artikel 6.3 en artikel 6.4, en hoofdstuk 6 van het Personeelshandboek 010 zijn op de functionaris van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 Verhuiskosten

Ten aanzien van de tegemoetkoming in de verhuiskosten van de functionaris is artikel 3.24 van het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing.

Portefeuillehouder: voorzitter raad

raadsvergadering van:18 maart 2021

Steller: Isabelle Broeders

raadsstuk 21bb3248

pagina 16

Artikel 11 Reiskosten

1. Op de door de functionaris gemaakte reiskosten zijn artikel 3.12, 3.14, 3.16 en 3.25 van het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing. 2. De functionaris heeft aanspraak op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen overeenkomstig artikel 3.15 en 3.23 van het Personeelshandboek 010.

Artikel 12 Studie 1. Artikel 8.2 van het Personeelshandboek 010 is van overeenkomstige toepassing op de studiefaciliteiten van de functionaris.

2. De functionaris is, indien de raad dit bepaalt, verplicht een bijzondere vakopleiding of enig ander onderwijs te volgen. De daaraan verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.

Artikel 13 Gratificatie

1. Artikel 3.17, uitgezonderd lid 3 aanhef en onder c, van de Cao Gemeenten is op de functionaris van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar in lid 3, aanhef en onder d, naar artikel 7:699 lid 3, onder b BW wordt verwezen, dit gelezen wordt als artikel 81a, lid 3, aanhef en onder b, Gemeentewet. 2. Het beleid ‘Blijken van waardering’, opgenomen als bijlage 5 bij het Personeelshandboek 010, is op de functionaris van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Diversen

1. Het bepaalde in de artikelen 6 eerste lid, en de artikelen 7, 8, 9 en 10 van de Ambtenarenwet 2017, hoofdstuk 11 en hoofdstuk 12, inclusief de daarin genoemde bijlagen, van het Personeelshandboek 010 is op de functionaris van overeenkomstige toepassing. 2. Bij de toepassing van de in deze verordening van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen uit de Cao Gemeenten en het Personeelshandboek 010 zijn de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 Cao Gemeenten respectievelijk artikel 1 van het ‘ Personeelshandboek 010 tevens van toepassing. 3. De Leaseregeling Rotterdam, bijlage 4 bij het Personeelshandboek 010, is van toepassing op de functionaris. Indien de functionaris in aanmerking wenst te komen voor een leaseauto, kan deze hiertoe een verzoek indienen via het presidium van de raad. 4. De functionaris kan via de voorzitter van de werkgeverscommissie aan de raad vrijstelling vragen van de plicht toestemming te vragen voor het gebruik van de eigen auto voor het maken van dienstreizen. Vergoeding van de kosten geschiedt op declaratiebasis. De functionaris kan declaraties voor werkelijk gemaakte kosten met bewijsmiddelen indienen bij

_

@

Portefeuillehouder: voorzitter raad

Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021

raadsstuk 21bb3248

pagina 17

de salarisadministratie van de Rekenkamer, respectievelijk het bureau van de gemeentelijke ombudsman.

5. De functionaris is bevoegd binnen diens begroting beschikbare budget uitgaven te doen en verplichtingen aan te gaan ten behoeve van de uitvoering van zijn taken. Vergoeding van

eventuele overige kosten geschiedt op declaratiebasis met bewijsmiddelen voor werkelijk gemaakte kosten. De functionaris kan declaraties indienen bij de salarisadministratie van de Rekenkamer, respectievelijk het bureau van de gemeentelijke ombudsman.

6. De ambtsinstructie voor de hoofden van dienst is op overeenkomstige wijze van toepassing op de functionaris, met dien verstande dat daar waar in de tekst burgemeester

en wethouders staat vermeld, dit gelezen dient te worden als raad.

Artikel 15 Schade

1. Vergoeding van schade, door de functionaris in de uitoefening van zijn betrekking aan derden toegebracht, komt geheel voor rekening van de gemeente.

2. De functionaris die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.

Artikel 16 Schade aan eigendommen 1. Aan de functionaris wordt de schade aan zijn eigendommen, geen motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, vergoed naar de dagwaarde dier eigendommen. 2. Aan de functionaris wordt de schade vergoed aan een hem toebehorend motorrijtuig in de

zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van functie, tenzij: 3. die schade bestaat uit de normale slijtage of

b. sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende venrvijtbaarheid of c. de functionaris in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.

Portefeuillehouder:

_

@

g

voorzitter raad

Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021

raadsstuk21bb3248

pagina 18

Artikel 17 Tegemoetkoming naar billijkheid

1. De raad kan in niet elders voorziene gevallen naar billijkheid de functionaris schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen. 2. De Raad kan regels stellen over deze schadeloosstellingen, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen voor de functionarissen.

Artikel 18 Hoorplicht bij ontslag Behoudens bijzondere omstandigheden wordt ongevraagd ontslag niet verleend of blijft herbenoeming niet achterwege dan nadat de functionaris in de gelegenheid is gesteld, desgewenst bijgestaan door een raadsman, door of vanwege de raad te worden gehoord.

Artikel 19 Uitkering na ontslag 1. Indien de functionaris wordt ontslagen in gevallen bij de wet bepaald en in ieder geval ook:

a. op eigen verzoek;

b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met de functie genoemd in artikel 1, onder b of artikel 1, onder 0; c. omdat hij handelt in strijd met artikel 81h van de Gemeentewet, met dien verstande dat voor “leden van de rekenkamer" gelezen wordt ”functionaris”; d. omdat hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen, heeft hij met ingang van de datum van zijn ontslag dan wel met ingang van de dag volgende op die waarop de termijn van benoeming eindigt, recht op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 10 van de Cao Gemeenten. 2. Indien de functionaris wordt ontslagen of niet wordt herbenoemd omdat hij: a. naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen;

b. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; c. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld, bestaat geen recht op uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 10 van de Cao Gemeenten. 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan de raad beslissen dat de functionaris een recht op uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 10 van de Cao Gemeenten toekomt indien het onthouden daarvan kennelijk onredelijk is.

\

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 pagina 19 raadsstuk 21bb3248

Artikel 20 Rechten gewezen functionaris Voor zover deze verordening daarin niet voorziet, zijn op de gewezen functionaris de bepalingen ten aanzien van de positie van de oud-werknemer uit de Cao Gemeenten van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de benoeming die de gewezen

functionaris heeft gehad gelijk wordt gesteld met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat daar waar in de tekst werkgever staat vermeld, dit gelezen wordt als raad.

Artikel 21 Nagelaten betrekkingen Voor zover deze verordening daarin niet voorziet, is ten aanzien van de nagelaten betrekkingen van de functionaris artikelen 4.5 lid 2 en 10.20 van de Cao Gemeenten van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22 Onvoorziene situaties

In gevallen waarin deze verordening of de wetgeving waarop deze is gebaseerd niet of niet genoegzaam voorziet, beslist de raad.

Artikel 23 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Op de datum van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam 2006 ingetrokken.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 maart 2021.

De voorzitter,

De griffier,

‚ %

Portefeuillehouder: voorzitter raad Steller: isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021 pagina 20 raadsstuk 21bb3248

Bijlage als bedoeld in artikel in 5, vijfde lid van de Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam

De bezoldiging van de plaatsvervangend functionarissen wordt als volgt vastgesteld.

De hoogte van de bezoldiging voor de plaatsvervangend gemeentelijke ombudsman is vastgesteld op salarisklasse 14, genoemd in art 3.1 van het Personeelshandboek 010. De bezoldiging wordt door de gemeentelijke ombudsman nader vastgesteld.

De maximale hoogte van de bezoldiging voor de plaatsvervangend directeur Rekenkamer Rotterdam is vastgesteld op salarisklasse 15, genoemd in bijlage B.1 behorende bij het Bezoldigingsbesluit 1993. De bezoldiging wordt door de directeur Rekenkamer Rotterdam nader vastgesteld.

Portefeuillehouder:

_

%

voorzitter raad

Steller: Isabelle Broeders

raadsvergadering van:18 maart 2021

raadsstuk 21bb3248

pagina 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=4f97cd99-c77b-4c0b-86ae-aba953c6fc02