21bb2290 Bijlage 4 behorende bij 21bb2295 over Ruimtelijke onderbouwing Downtown
Tekst van het document
Ook ontwikkelingen in het centrum die bij de melding aan het NSL niet waren voorzien, kunnen een beroep op het NSL-project 'Rotterdam Centrum' doen. Hiervoor is namelijk extra programmaruimte ingebouwd. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Rotterdam. Vanwege de ingebouwde programmaruimte en het feit dat het bestemmingsplan “Cool” in het Baankwartier zo’n 500 woningen mogelijk maakt, blijft het project binnen het opgegeven NSL-programma 'Rotterdam Centrum'. Ten behoeve van de herontwikkeling van het projectgebied, kan dan ook een beroep op het NSL worden gedaan. Aanvullend is echter ook een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd 2. Uit dit onderzoek blijkt, dat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit de beoogde nieuwbouw geen substantiële nadelige effecten voor de leefbaarheid en gezondheid van de omgeving heeft. Het plan voldoet aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden gerealiseerd. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) zowel aan de zijde van de Schiedamse Vest als aan de zijde van de Schiedamsedijk lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.5
Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen
2 Peutz, Invloed op de luchtkwaliteit van de bouwactiviteiten en de gebruiksfase, januari 2021, rapportnummer H-
7786-1-RA.
Ruimtelijke onderbouwing Downtown
- 27 -
geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Uit het bestemmingsplan “Cool” blijkt, dat geen sprake is van: • de aanwezigheid van LPG-vulpunten en daardoor ook geen transporten van LPG in de nabijheid plaatsvinden; • andere transporten van gevaarlijke stoffen via weg, water of rail. Over de Nieuwe Maas worden gevaarlijke stoffen getransporteerd, echter bevindt deze transportroute zich op meer dan 200 meter van het projectgebied; • de aanwezigheid van een vliegveld; • de aanwezigheid van ondergrondse leidingen met een druk van 20 bar of meer. Onder de Witte de Withstraat zijn enkele aardgastransportleidingen gelegen met een maximale werkdruk van 8 bar. De aanwezige zonering van 4 meter aan weerszijden van deze leidingen is daarbij voldoende; • bedrijven in de directe nabije omgeving die een risicobron vormen. Vandaar dat in het bestemmingsplan “Cool” is gesteld, dat nader onderzoek naar het aspect ‘externe veiligheid’ niet aan de orde is. 4.6
Bodem Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosystemen vervolgens onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient hiermee binnen vier jaar aangevangen te worden. Wanneer geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan deze worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de Bodemkwaliteitskaart Rotterdam blijkt, dat het Baankwartier, tussen de Schiedamsedijk en de Schiedamse Vest, onderdeel uitmaakte van het oude Rotterdam dat tijdens het bombardement geheel is verwoest. Door alle ruimings- en herbouwactiviteiten is de bodem ingrijpend veranderd. In de Bodemkwaliteitskaart wordt dan ook gesteld, dat zowel de contactzone (de bovenste 1 meter) als de ondergrond naar verwachting licht verontreinigd zijn. Ook uit een uitgevoerd bodemkundig vooronderzoek 3 blijkt, dat het projectgebied verdacht is voor het voorkomen van een diffuse verontreiniging met onder andere zware metalen en PAK.
Daarnaast worden plaatselijk nog duidelijke verontreinigingskernen voor onder andere minerale olie, vluchtige aromaten en VOCl verwacht. Omdat het projectgebied momenteel nagenoeg volledig bebouwd is, wordt een verkennend bodemonderzoek (en eventuele sanering) pas uitgevoerd nadat de huidige bebouwing is gesloopt. Hiervoor zijn financiële middelen beschikbaar.
3 Inventerra, Milieuhygiënisch vooronderzoek NEN 5725 Baan 14-36D Rotterdam, juli 2019, rapportnummer 19-
2158-R01JV.
- 28 -
4.7
Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP’s), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het “Verdrag van Malta” is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Volgens de Archeologische Waardenkaart Rotterdam ligt het projectgebied in een zone met een zeer hoge archeologische verwachting. Deze verwachtingswaarde hangt samen met de historische stadsdriehoek van Rotterdam, waarbinnen het projectgebied is gelegen. Conform het bestemmingsplan “Cool” geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2. Er is geen sprake van de realisatie van een ondergrondse parkeergarage, maar het is aannemelijk dat de bouwwerkzaamheden zullen reiken tot een grotere diepte dan 1,0 meter beneden maaiveld. Omdat de locatie thans geheel bebouwd is en archeologisch onderzoek daardoor niet kan worden uitgevoerd, is met Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) afgesproken om direct na de sloop van de bestaande bebouwing te bepalen of nader onderzoek aan de orde is. Indien sprake is van een onderzoeksverplichting, dan wordt hieraan voorafgaand aan de bodemverstorende werkzaamheden gehoor gegeven. Eventuele aanwezige archeologische waarden worden in overleg met het BOOR geconserveerd.
4.8
Cultuurhistorie Het projectgebied en de directe omgeving behoort toe aan een gebied dat cultuurhistorisch van belang is: het wederopbouwaandachtsgebied. Dit gebied onderscheidt zich door een hoge concentratie van waardevolle ensembles van wederopbouwarchitectuur. De bedoeling van een dergelijk aandachtsgebied is dat behoud en instandhouding centraal staan, maar gecombineerd kunnen worden met zorgvuldige vernieuwing door inpassing in of transformatie van de bestaande bebouwing. De nadruk dient gelegd te worden op de samenhang tussen de bebouwing en de stedenbouwkundige structuur. Binnen dit wederopbouwaandachtsgebied worden twee belangrijke ensembles onderscheiden. Het projectgebied behoort tot het ensemble dat wordt gevormd door de Schiedamsedijk en het achterliggende gebied. De Schiedamsedijk beschikt hierbij over een bijzondere reeks van gebouwen als begeleiding van het Leuvehavenbekken. Deze gebouwen Ruimtelijke onderbouwing Downtown
- 29 -
huisvesten woningen en winkels, hebben een zeer levendige vormgeving met over de gehele lengte vooruitgeschoven etalages en vormen tezamen een krachtige, langgerekte wand langs de Schiedamsedijk. De achterliggende bebouwing, waartoe ook het projectgebied behoort, bestaat uit een mix van kleinschalige bedrijfsgebouwen en openbare voorzieningen, zoals de voormalige Rotterdamse Melkinrichting, het Oogziekenhuis, een brandweerkazerne en een onderstation van het energiebedrijf. Niet zozeer de individuele architectonische waarde van de panden is van belang in het wederopbouwaandachtsgebied, maar vooral de stedenbouwkundige structuren. In het Baankwartier gaat het vooral om de lineaire structuur, zowel wat betreft de straatrichting als de bebouwing langs de Schiedamsedijk. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen impact op de stedenbouwkundige structuur langs de Schiedamsedijk. Ook de lineaire structuur in het achterliggende gebied blijft door de herontwikkeling behouden. Gesteld wordt, dat realisatie van de Havenmeester geen nadelig effect heeft op de cultuurhistorische waarden van het wederopbouwaandachtsgebied. 4.9
Flora en fauna De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerde quickscan 4 blijkt, dat het projectgebied geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op meer dan zeven kilometer afstand. Het Natuurnetwerk Nederland ligt op ruim 350 meter afstand. Het betreft hier een zeer drukke vaarweg. Gezien deze afstanden en de ligging van het projectgebied in de bebouwde kom van Rotterdam wordt gesteld dat de beschermde natuurgebieden niet worden beïnvloed. De bestaande bebouwing en wegen vormen namelijk een (reeds verstorende) buffer. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde.
Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
4 Buro Maerlant, Rotterdam De Havenmeester; ecologische quickscan, mei 2019.
- 30 -
Uit de eerder aangehaalde quickscan blijkt dat in het projectgebied de volgende beschermde diersoorten verwacht worden c.q. aanwezig zijn: • vleermuizen; • vogels. Hieronder wordt nader op deze diersoorten ingegaan. De aanwezigheid van andere (strikt) beschermde dier- en/of plantensoorten wordt redelijkerwijs uitgesloten. Voor deze soorten ontbreekt een geschikte habitat of geschikte verblijfplaatsen. Vleermuizen In de omgeving van het projectgebied zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen, waaronder de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. In het projectgebied zijn geen bomen aangetroffen met voor vleermuizen geschikten holten. De aanwezige bebouwing is deels wel beoordeeld als toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Het betreft het pannendak, (spouw)muren met open (ventilatie)voegen en betimmeringen. Binnen de context van het plangebied en op basis van het type geschikte openingen, worden in eerste instantie de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en eventueel de laatvlieger verwacht. De bebouwing, kan functie hebben als kraam-, zomer-, paar- en mogelijk ook als winterverblijf. Als massa winterverblijf is de bebouwing ongeschikt. Het projectgebied heeft als foerageergebied geen betekenis. Door het vrij geringe oppervlak geschikt foerageergebied is daarnaast geen sprake is van essentieel foerageergebied.
Vliegroutes, waarbij slechts één structuur belangrijk is, ontbreken in het plangebied en/of de nabije omgeving. Negatieve effecten op de navigeer- en foerageermogelijkheden van vleermuizen zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vogels Tijdens het uitgevoerde veldonderzoek zijn in het projectgebied geen algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen. De aanwezige bebouwing is ook ongeschikt als broedplaats, met uitzondering van enkele kieren van het pannendak. Deze kan als nestplaats dienen voor de gierzwaluw. De nesten van deze vogelsoort zijn jaarrond beschermd. Andere vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, worden in het plangebied niet verwacht. Wel kan het pannendak door algemeen voorkomende soorten als nestplaats gebruiken. In deze context worden de ekster, merel, Turkse tortel, zanglijster en duif verwacht. Het betreffen hier echter algemene soorten waarvoor een vrijstelling geldt. Door rekening te houden met de broedperiode, kan voorkomen worden dat nesten worden verstoord. Conclusie Doordat de werkzaamheden beperkt van aard zijn en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen (bijvoorbeeld door nestkasten op te hangen / in te bouwen), zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten.
Wel is het noodzakelijk om voorafgaand aan de sloop nader onderzoek naar vleermuizen en de gierzwaluw uit te voeren, zodat het actueel gebruik van de bebouwing vastgesteld kan worden. Na uitvoer van dit aanvullende onderzoek kunnen indien noodzakelijk, gepaste maatregelen worden getroffen. 4.10
Windhinder en bezonning Windhinder Voor windhinder en windgevaar geldt geen formele, landelijke vastgestelde eis. Wel wordt voor de beoordeling veelal gebruik gemaakt van de NEN 8100. Hierin worden criteria gegeven Ruimtelijke onderbouwing Downtown
- 31 -
voor het beoordelen van het windklimaat in de bebouwde omgeving. De eis bij deze beoordeling van het lokale windklimaat is gebaseerd op de volgende twee onderdelen: • windhinder, waarbij een als drempelwaarde een uurgemiddelde windsnelheid van 5 m/s wordt aangehouden. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten bij de ervaring van het windklimaat een rol spelen, zoals bijvoorbeeld het omslaan van paraplu’s, in de ogen waaien van stof en in meer extreme vorm het dichtwaaien van een autoportier en dergelijke; • windgevaar, waarbij een drempelwaarde geldt van een uurgemiddelde windsnelheid van 15 m/s. Bij hogere windsnelheden kan sprake zijn van gevaarlijke situaties, zoals evenwichtsverlies bij het passeren van gebouwhoeken en dergelijke, of beperkt risico op windgevaar. In de gemeentelijke Hoogbouwvisie 2011 is aangegeven, dat in de ontwerpfase van een bouwplan een windhinderonderzoek wordt uitgevoerd. In een dergelijke studie dient aangegeven te worden in hoeverre het bouwplan aansluit bij studies uitgevoerd voor ontwikkelgebieden of kwartieren. Tevens moet aangetoond worden op wat voor manieren het gebouw kan zorgen dat de windcriteria niet worden overschreden of zelfs kan bijdragen aan verbetering van het windklimaat. Omdat de hoogte van Downtown 75 meter betreft, is sprake van toetsing aan de hoogbouwvisie.
Om die reden is het windklimaat beoordeeld 5 op basis van de meetgegevens uit de windtunnel, de windstatistiek van de betreffende locatie en de grenswaarden betreffende windhinder en windgevaar. Bij het onderzoek zijn de naburige bouwplannen voor de Cooltoren en de Baantoren meegenomen alsof deze reeds zijn gerealiseerd. Naar aanleiding van enkele wijzigingen is het onderzoek op een beperkt aantal meetpunten geactualiseerd middels een oplegnotitie 6. Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat de realisatie van Downtown een aanzienlijk positief effect heeft op het windklimaat op de Baan ter hoogte van de planlocatie. In onder meer de Hoornbrekersstraat en bij de noordwesthoek van de Baantoren is een toename van windhinder te verwachten. In de straat tussen de Cooltoren en de Downtown blijft sprake van een ongunstige windsituatie, maar dat is reeds het geval zónder Downtown. Op de onderzochte dakterrassen van woningen aan de Schiedamsedijk is een goed windklimaat te verwachten in de geplande situatie. Bij de noordwesthoek van de Baantoren is sprake van een beperkte wijziging van het windklimaat ten opzichte van het oorspronkelijk uitgevoerde windonderzoek. De wijziging van het windklimaat is het gevolg van de aanpassing van de luifel van de Baantoren.
De maximale hinderkans daalt enigszins, waardoor het windklimaat op de noordwesthoek van de Baantoren in deze situatie een beoordeling matig krijgt in plaats van slecht. Op enige afstand van de gebouwhoek is een matig tot goed windklimaat vastgesteld. De vastgestelde plaatselijke verslechtering van het windklimaat kan bezien worden in relatie tot de aanzienlijke verbetering van het windklimaat op de Baan ter hoogte van Downtown en de Cooltoren. Peutz, Windklimaatonderzoek met behulp van de windtunnel, april 2019, rapportnummer OA 160562-RA. 6 Peutz, Downtown Rotterdam; actualisatie onderzoek windklimaat, december 2019, rapportnummer OB 16056-1-NO-001. 5
- 32 -
Bezonning Omdat de voorgenomen ontwikkeling een binnenstedelijke locatie betreft en sprake is van een toren van meer dan 70 meter hoog, dient de schaduwwerking daarvan getoetst te worden aan eisen die worden geformuleerd in de gemeentelijke Hoogbouwvisie 2019. Downtown leidt niet tot een verslechtering van de bezonning op de binnen de visie benoemde plekken met een specifieke of representatieve kwaliteit en ook niet tot meer dan 2 uur extra schaduw elders. De schaduweffecten als gevolg van Downtown leiden derhalve niet tot strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening. Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat de aspecten ‘windhinder’ en ‘bezonning’ geen belemmeringen vormen voor de ontwikkeling. 4.11
Duurzaamheid Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen- principes en de energieprestatie eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De stad streeft hierbij om als Rotterdam het inspirerende voorbeeld te zijn voor andere deltasteden in de wereld die de duurzaamheidstransitie doormaken. Daarbij is het zogenaamde Programma Duurzaam 2015-2018 opgesteld, waarin drie overlappende ambities zijn opgenomen: • ambitie 1: groene, gezonde en toekomstbestendige stad; • ambitie 2: schonere energie tegen lagere kosten; • ambitie 3: sterke en innovatieve economie. Met dit Programma Duurzaam wordt voor de periode 2015 – 2018 verder gegaan op de ingeslagen weg en wordt verder ingezet op innovatie en het experiment.
De herontwikkeling van het projectgebied vindt plaats conform het Bouwbesluit 2012. Hierdoor ontstaat ten opzichte van de huidige situatie een veel energiezuiniger pand. De nieuwe woningen zullen voldoen aan moderne eisen qua energieprestatie, waarmee tevens minder CO2 wordt uitgestoten. Dit sluit aan bij ambitie 1 en 2 uit het Programma Duurzaam. Aan de hand van het document ‘Uitwerking Duurzame Binnenstad 2012’ is een aantal thema’s benoemd waaraan nieuwbouw een belangrijke bijdrage kan leveren, te weten: • ‘Energie’, voor dit thema is de REAP (Rotterdamse energie-aanpak) leidend. Uit dit document blijkt, dat voor nieuwbouwprojecten in de binnenstad twee aspecten verplicht zijn. De nieuwe bebouwing wordt voorzien van een WKO-installatie en moet tevens voldoen aan de geldende EPC-normen. Deze maatregelen komen ook tegemoet aan de ambities 1 en 2 uit het Programma Duurzaam. • ‘Klimaat’, ook voor dit thema zijn twee aspecten van belang. Zo is het UHI-effect (urban heat island) in het gebied hoger en is sprake van een wateropgave. Om deze effecten op te lossen wordt het regenwater op het stadswater afgekoppeld. Daar waar Ruimtelijke onderbouwing Downtown
- 33 -
mogelijk worden de daken als ‘groen’ uitgevoerd; dit is niet voor het gehele dakoppervlak mogelijk in verband met (de bereikbaarheid van) technische installaties en dergelijke. Dit komt ook tegemoet aan ambitie 1 uit het Programma Duurzaam. De herontwikkeling van het projectgebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling. De herontwikkeling voorziet in een bredere differentiatie van woningen en vergroot de leefbaarheid in de stad. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan ambitie 1 uit het Programma duurzaam. Een andere investering op het gebied van duurzaamheid is het gebruik van duurzame materialen. 4.12
Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r(beoordelings)plichtig is, te weten: 1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het beoogde bouwplan behelst de realisatie van 193 woningen. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2.
De beoogde ontwikkeling wordt echter niet als een stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt, aangezien het functioneel binnen de regels van het bestemmingsplan ”Cool” past. Ook het beoogde woningaantal is reeds op grond van dit bestemmingsplan toegestaan, aangezien dit binnen de bestemming 'Centrumvoorzieningen II' niet gelimiteerd is. Daarnaast bevindt Downtown zich binnen het bouwvlak, zoals op de verbeelding van het bestemmingsplan “Cool” is opgenomen. Daarmee is de impact van het bouwplan op het milieu niet anders, dan wat nu al planologisch is toegestaan. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig en ook het opstellen van een aanmeldnotitie is niet aan de orde.
- 34 -
5.
UITVOERBAARHEID
5.1
Financiële uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een project. Afdeling 6.4 Wro schrijft voor dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Hiervan kan worden afgeweken wanneer anderszins in de grondexploitatiekosten wordt voorzien, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst. Omdat de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft op een aangewezen bouwplan en de gemeente graag anderszins in de grondexploitatiekosten voorziet, wordt tussen de gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De gemeente vervult daarmee enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project financieel uitvoerbaar is.
5.2
Vooroverleg Op grond van artikel 5.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit, overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke bij het plan in het geding zijn. De ruimtelijke onderbouwing is daartoe toegezonden aan de voor de gemeente Rotterdam vaste overlegpartners. Hierbij hebben vijf overlegpartners formeel gereageerd: Tennet, Gasunie, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en BOOR. Van de overige overlegpartners is geen reactie ontvangen. Gesteld wordt dat zij kunnen instemmen met de voorgestelde herontwikkeling van het projectgebied. TenneT en Gasunie geven aan dat hun belangen niet worden geschaad. Zo laat TenneT weten dat zij in (de directe omgeving van) het projectgebied geen verbindingen in beheer hebben. De Gasunie meldt dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van hun dichtst bij gelegen aardgastransportleiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Ook het hoogheemraadschap geeft aan dat zijn geen bezwaren hebben tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.
De VRR merkt op dat gezorgd dient te worden voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”. Door BOOR wordt opgemerkt, dat het projectgebied deel uit maakt van een archeologisch kansrijk gebied. Bij bodemverstoringen, waaronder heiwerkzaamheden, dient een afweging gemaakt te worden of de verstoring ‘acceptabel’ is. Vandaar dat voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden een archeologisch (voor)onderzoek uitgevoerd dient te worden. Zoals reeds verwoord was in § 4.7 zal hieraan gehoor gegeven worden. Dit onderzoek kan pas uitgevoerd worden, nadat de aanwezige bebouwing binnen het projectgebied gesloopt is.
Ruimtelijke onderbouwing Downtown
- 35 -
- 36 -
6.
CONCLUSIE Het ‘Baankwartier’, gelegen tussen Westblaak, Schiedamse Vest, Vasteland en Schiedamsedijk, wijkt qua karakter af van de overige deelgebieden binnen de wijk Cool. Ondanks de zeer centrale ligging, nodigt het gebied nauwelijks uit tot een bezoek. Vooral 's avonds en in het weekend ontbreekt het hier aan levendigheid die in het centrum van een grote stad verwacht mag worden. In het geldende bestemmingsplan “Cool” zijn voor het Baankwartier diverse wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee het gebied getransformeerd kan worden naar een kwalitatief hoogwaardige binnenstedelijke locatie. Ter plaatse van het projectgebied is een 75 meter hoge woontoren voorzien (exclusief technische ruimten op het dak) met 193 woningen - waaronder ook zorgwoningen en woonwerk-units op de begane grond - en parkeervoorzieningen. Deze ontwikkeling past binnen de beleidsvelden en wet- en regelgeving van het bevoegd gezag en de hogere overheden. Uit de milieuparagraaf blijkt dat van aantasting van de bestaande omgevingskwaliteit geen sprake is. De beoogde afwijking van het bestemmingsplan voldoet aan het belang van een goede ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 2.12 Wabo. Voorts geldt ter plaatse van het projectgebied een acceptabel woon- en leefklimaat. Zodoende kan positief besloten worden omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning.
Na verlening van de omgevingsvergunning, in combinatie met een ontheffing van de Wet geluidhinder, is het toegestaan om binnen het projectgebied de beoogde ontwikkeling te realiseren. Daartoe geldt wel een aantal voorwaarden. Zo dient voorafgaand aan de sloop nog een nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen en de gierzwaluw. Tevens dient na de sloop van de huidige opstallen een verkennend bodemonderzoek (met eventueel sanering) te worden uitgevoerd en in samenspraak met BOOR de archeologische waarde van de grond te worden vastgesteld. Na verlening van de omgevingsvergunning, waartoe onderhavig document dient als goede ruimtelijke onderbouwing, is het toegestaan om binnen het projectgebied de beoogde ontwikkeling te realiseren.
Ruimtelijke onderbouwing Downtown
- 37 -