21bb1761 Beantwoording vragen Zevenbergen en Verkoelen ea over Terugvorderingen in het kader van de Participatiewet oftewel de menselijke maar is zoek! 21bb20
Tekst van het document
Rotterdam, 16 februari 2021.
21bb001761
Onderwerp: Beantwoording van de schríftelijke vragen van de raadsleden A. van Zevenbergen (SP), P.J.H.D. Verkoelen (50Plus) en E. Yigit (DENK) over Terugvorderingen in het kader van de Participatiewet oftewel de menselijke maat is zoek!'. Portefeuillehouder: R. Moti
Aan de Gemeenteraad. Op 7 januari 2021 stelden A. van Zevenbergen (SP), P.J.H.D. Verkoelen (50Plus) en E. Yigit (DENK) ons schríftelijke vragen over Terugvorderingen in het kader van de Participatiewet oftewel de menselijke maat is zoek!'. (21bb00020) Inleidend wordt gesteld: “De Participatiewet is voor de SP, 50PLUS en DENK al járen een doorn in het oog. Afgelopen week stroomden de verontwaardigingen - wat ons betreft - terecht binnen. Een bijstandsgerechtigde vrouw in de gemeente Wijdemeren dient ruim C 7000 terug te betalen, omdat haar moeder wekelijks boodschappen voor haar heeft gehaald1. Wij zijn en blijven ontsteld dat met de wet in de hand gemeentes dit soort disproportionele maatregelen kunnen treffen tegen burgers die kwetsbaar zijn gemaakt. Daarom willen wij ten eerste weten hoeveel kwetsbare burgers worden geconfronteerd met terugvorderingen in het kader van de Participatiewet in Rotterdam.” Voordat de vragen worden beantwoord merkt het college allereerst het volgende op: “Het college acht het van groot belang dat er draagvlak blijft voor een ruimhartig sociaal stelsel en dat het geld dat hieraan wordt besteed ten goede komt aan de mensen die dat echt nodig hebben. Als college zijn we volgens de participatiewet verplicht om te controleren of de verstrekte uitkering rechtmatig is en of aan de inlichtingenplicht wordt voldaan.
Het beleid binnen de gemeente Rotterdam is dat we werken op basis van vertrouwen van de werkzoekende, zie ook het beleidskader ‘Mensenwerk, duurzaam aan de slag’ (https://www.rotterdam.nl/werken-leren/mensenwerk/). Dit wil niet zeggen dat we niet meer controleren, het betekent wel dat de grondhouding anders is. Het hanteren van de menselijk maat is iets waar we in Rotterdam, ook als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet, voor staan. Het college zet de werkzoekende Rotterdammer centraal en probeert daarmee vooral te kijken naar de mens achter de werkzoekende. We bieden daarbij dienstverlening op maat als de wetgeving ons die ruimte biedt, op een vriendelijke en eveneens duidelijke manier. Binnen het werken naar de menselijke maat draagt het college ook helder uit dat misbruik van ons sociaal stelsel niet valt te tolereren omdat daarmee het draagvlak voor zo’n stelsel onder druk komt te staan. Om de menselijke maat in de uitvoering van de Participatiewet beter toe te
1https:ZZwww.schuldinfo.nlZindex.php?id::::31 Åtx ttnews07o5Btt news%5D=835&tx ttnews%5BbackPid%5D= 1ÅcHasl^8269df64c0
Registratienummer cluster: 2021Z02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 1
kunnen passen gaat het ons zeker helpen als de wetgeving op onderdelen wordt aangepast.” Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:” Vraag 1: Is het college op de hoogte van het artikel ‘Vrouw moet 7000 euro bijstand terugbetalen omdat ze boodschappen kreeg van moeder’? Antwoord: Ja, het college is hiermee bekend. Hierbij wordt benadrukt dat er met betrekking tot deze casus die in gemeente Wijdemeren heeft gespeeld, alleen datgene bekend is wat in de media uiteen is gezet. Achtergronden over zowel de aanleiding voor het onderzoek door de gemeente als de feiten en omstandigheden die hierbij een rol hebben gespeeld en aanleiding zijn geweest voor het besluit tot terugvordering, zijn dus niet bekend. Vraag 2: Hoe vaak heeft de gemeente in dit politiek termijn in het kader van de Participatiewet terugvorderingen uitgevoerd? Kan de wethouder ons een overzicht van de (wettelijke) redenen achter de terugvorderingen doen toekomen? Antwoord: Dit overzicht treft u hieronder aan over de periode 2018 tot en met 2020. Omschrijving reden Schending inlichtingenplicht (art. 58 lid 1) Terugvordering bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening Overige terugvorderingen Totaal
2018 Bedrag
Aantal
2020 Bedrag
Aantal
« 8.944.774,70
7.174
« 5.952.878,29
4.621
12.026
« 8.353.204,80
11.361
« 7.478.895,57
9.823
«11.370.725,02
25.823
« 23.295.777,42
26.473
«10.838.634,57
23.535
« 29.498.099,37
45.377
«29.140.094,11
45.008
« 24.270.408,43
37979
Aantal
2019 Bedrag
« 9.249.244,71
7.528
«8.878.129,64
Het betreft terugvordering van algemene bijstand, bijzondere bijstand en verstrekkingen op grond van de IOAW/IOAZ tezamen. Het betreft de aantallen nieuwe terugvorderingen per kalenderjaar waarin het besluit is genomen en het bijbehorende terugvorderingsbedrag. Eventuele correcties, bijvoorbeeld naar aanleiding van ambtelijke heroverweging, bezwaar of beroep, zijn hierin niet meegenomen. In bovenstaande tabel is onderscheid gemaakt tussen: « Vorderingen die het gevolg zijn van een schending van de inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid PW; artikel 13, eerste lid IOAW//IOAZ);
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 2
»
*
Vorderingen in verband met een verstrekte geldlening (artikel 48, tweede lid; artikel 50, tweede lid; en artikel 51 PW). Het gaat dan bijvoorbeeld om verstrekte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen of algemene bijstand die in de vorm van een geldlening wordt verstrekt omdat op korte termijn over middelen kan worden beschikt; Overige terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid PW of artikel 25, tweede of derde lid IOAW/IOAZ, waarbij geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht.
Vraag 3: Hoeveel bijstandsgerechtigde burgers hebben bezwaar gemaakt of zijn in beroep gegaan tegen uitgevoerde terugvorderingen in het kader van de Participatiewet? Antwoord: Het betreft over de periode van 2018 tot en met 2020 de volgende aantallen: Jaar
Aantal ingediende bezwaren
Aantal beroepszaken
2018
1.409
163
2019
1.506
238
2020
1.264
237
Vraag 4: Hoeveel procent van deze bezwaren en/of beroepen hebben ertoe geleid dat bijstandsgerechtigde burgers in het gelijk zijn gesteld? Antwoord: Afgehandelde bezwaarschriften Jaar
Gegrond*
Deels gegrond**
T egemoetgekomen
Ongegrond
2018
5,207o (73 maal) 4,80Zo (72 maal)
\2^Zo{\72 maal)
49,107o(692 maal)
16,707o(250 maal)
1207o (169 maal) 9,507o(143 maal)
3,907o (49 maal)
19,107o (241 maal)
10,3o7o(130 maal)
50,10/0 (633 maal)
2019 2020
51.50/0 (776 maal
Betreft gevallen waarin de burger volledig in het gelijk is gesteld. Dit betreft ook gevallen waarin (pas) tijdens de bezwaarfase nadere informatie wordt aangeleverd door of namens de belanghebbende die leidt tot het volledig vervallen van de terugvordering. Betreft gevallen waarin de burger deels in het gelijk is gesteld, hetgeen doorgaans betekent dat de hoogte van de terugvordering is aangepast. Ook hier kan het gevallen betreffen waarin (pas) tijdens de bezwaarfase nadere informatie wordt aangeleverd door of namens de belanghebbende, die leidt tot het verlagen van het terug te vorderen bedrag. Het gaat hier om gevallen waarin de behandelaar van het bezwaar direct vaststelt dat het bestreden besluit geen stand zal houden in bezwaar. Doorgaans gaat het dan om gevallen waarin het bestreden besluit in eerste aanleg al onjuist wordt geacht gelet op de ten tijde van dat besluit reeds beschikbare informatie. Er wordt dan aan de uitvoering gevraagd om een nieuwe primaire beslissing te nemen waarbij aan bezwaarmaker geheel tegemoet wordt gekomen.
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 3
Afgehandelde beroepszaken Jaar
Gegrond*
Intrekking door gemeente**
Ongegrond
2018
14,707o (24 maal)
6,17o (10 maal)
2019
13,57o (32 maal)
57o (12 maal)
60,77o (99 maal) 64,77o (154 maal)
2020
11,87o (28 maal)
37o (7 maal)
63,37o(176 maal)
*
In deze gevallen is de vordering deels of geheel komen te vervallen.
**
In deze gevallen is alsnog geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet houdbaar en is het besluit tot terugvordering herzien, waarna het beroep is ingetrokken.
Vraag 5: Is de wethouder bereid om de mensen die hierdoor gedupeerd zijn in kaart te brengen en tegemoet te komen? Zo nee, waarom niet? Antwoord: Zoals bij het antwoord op vraag 3 en 4 is weergegeven, heeft een aantal werkzoekenden bezwaar aangetekend tegen genomen besluiten tot terugvordering. Dat heeft in een aantal zaken geleid tot een gewijzigd besluit of zelfs het volledig vervallen van de terugvordering. Als een bezwaarschrift niet leidt tot het door de bezwaarmaker gewenste besluit, staat de weg naar de rechter door het aantekenen van beroep open. Zoals eveneens uit de gegevens bij het antwoord op vraag 3 en 4 blijkt, is er diverse malen beroep aangetekend hetgeen heeft geleid tot een aantal gegrondverklaringen. Hieruit kan worden afgeleid dat de in ons rechtstelsel geboden rechtsbescherming in deze gevallen bescherming biedt tegen het nemen van onterechte besluiten tot terugvordering. Dan wordt gesteld: "Voorts willen wij ook ingaan op de inlichtingenplicht. Ervan uitgaand dat de gemeente optimaal recht wilt doen aan de individuele situatie van mensen, is het een voorwaarde dat informatie omtrent de inlichtingenplicht duidelijk wordt gecommuniceerd en terug te vinden is op de gemeentelijke website2.
Echter als we het wijzigingsformulier erop na houden dan constateren wij dat het wijzigingsformulier noch de pagina waarop dat wijzigingsformulier is te vinden duidelijk maakt in welke situaties een inlichtingenplicht geldt en welke consequenties volgen uit het niet voldoen aan de inlichtingenplicht. Daarom hebben wij de volgende vragen:” Vraag 6: Uit persoonlijke gesprekken met burgers is naar voren gekomen dat zij naar aanleiding van giften door familie en/of vrienden boetes hebben ontvangen van de gemeente. Op deze giften geldt er een inlichtingenplicht waarbij de gemeente geïnformeerd moet worden over het desbetreffende bedrag. Zou u ons nader kunnen informeren over de betreffende richtlijnen voor het vermelden van de bedragen?
2 https://www.rotterdam.nl/werken-leren/wiiziainaen-doorqeven/
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 4
Antwoord: De inlichtingenplicht geldt volgens artikel 17 van de Participatiewet voor alle wijzigingen in feiten en omstandigheden van de werkzoekende die invloed kunnen hebben op recht op en hoogte van de uitkering. In de toekenningsbeschikking wordt al direct informatie verstrekt over het belang van tijdig doorgeven van alle wijzigingen. Tevens verwijst de beschikking naar het zogenaamde wijzigingsformulier. Zoekt men daarnaar op Rotterdam.nl dan treft men als eerste vindplaats direct de link aan naar dat formulier. Maar ook wordt informatie gegeven over enkele onderwerpen waar nog wel eens onduidelijkheid over is, waaronder schenkingen en giften. De lezer wordt gewaarschuwd ook dat door te geven omdat het in de regel als inkomsten beschouwd moet worden. Op dit moment is er contact met het Advokatenkollectief Rotterdam om te bezien op welke wijze Rotterdamse werkzoekenden beter geïnformeerd kunnen worden over de inlichtingenplicht. Vraag 7: Het verschilt tussen gemeentes hoe hoog het bedrag van een gift maximaal mag zijn, of de waarde van een schenking in natura, voordat iemand gekort wordt op een bijstandsuitkering. In Rotterdam wordt het bedrag van 1200 euro gehanteerd wat lager is dan iemand van de Belastingdienst belastingvrij mag schenken.
Kunt u nader specificeren waarom er in Rotterdam wordt gekozen voor een bedrag dat lager is dan iemand van de Belastingdienst belastingvrij mag schenken? Antwoord: Allereerst is het goed notie te nemen van het feit dat een “gift” een begrip is binnen de Participatiewet en in dit kader dient te worden beschouwd als een onverplichte betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling. Het college vermoedt dat de vraag niet doelt op een “gift” volgens de definitie van de Participatiewet, maar dat wordt gedoelt op stortingen c.q. bijschrijvingen op het bankrekeningnummer van de werkzoekende. Voor laatstgenoemde geldt dat de uitvoeringsrichtlijn kleine bedragen wordt gehanteerd. Uitgangspunt van deze richtlijn is dat er voor bijschrijvingen van kleine bedragen tot een maximum van C 300,- per jaar niet wordt aangedrongen op bewijsstukken als de gegeven verklaring door de werkzoekende voldoende aannemelijk is. We gaan dan ook niet tot terugvordering over. Voor een meer uitgebreide toelichting over deze uitvoeringsrichtlijn verwijst het college naar de beantwoording van vraag 12. Ten aanzien van giften in het kader van de Participatiewet geldt dat in Rotterdam een grensbedrag in dit verband niet van toepassing is. En daardoor een vergelijking met richtlijnen van de Belastingdienst evenmin.
Anders dan de fiscale regelgeving over de schenkbelasting schrijft de Participatiewet voor dat giften buiten de middelentoets (inkomen, vermogen) blijven voor zover ze “uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn”. Rotterdam hanteert daarvoor geen vast bedrag. Of een gift in geld meetelt als inkomen of vermogen wordt individueel beoordeeld. Als door giften het bestedingsniveau aanmerkelijk hoger is dan voor werkzoekenden gebruikelijk is, dan wordt hiermee rekening gehouden bij de uitkering. Vrij besteedbare giften die men regelmatig ontvangt, worden dan gekort op de uitkering. Daarentegen worden giften die aantoonbaar zijn bedoeld als tegemoetkoming voor bepaalde noodzakelijke kosten die
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 5
de werkzoekende niet volledig kan betalen, bijvoorbeeld hoge energiekosten, niet gekort. Deze giften worden, wanneer men ze regelmatig krijgt, in principe tot de helft van de bijstandsnorm vrijgelaten. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk om een hoger bedrag vrij te laten. Giften in natura kunnen leiden tot individuele afstemming. Zie hiervoor het antwoord op vraag 9. Vraag 8: Op welke wijze worden burgers die bijstand ontvangen via de Participatiewet geïnformeerd over de inlichtingenplicht? Staat er duidelijk in een overeenkomst die individuen ontvangen wat voor giften zij mogen ontvangen en wat het maximale bedrag hiervoor is? Zo ja, op welke wijze wordt dit gecommuniceerd naar burgers die de Nederlandse taal niet machtig zijn? Antwoord: Een aanvraag om bijstand wordt afgesloten met een beschikking. Van een overeenkomst is in dit verband geen sprake. In de toekennende beschikking wordt de aanvrager direct gewezen op de rechten en plichten. Plichten zoals het direct doorgeven van inlichtingen die invloed kunnen hebben op bijvoorbeeld de hoogte van de uitkering. Wij begrijpen dat dit lastig kan zijn. Wij kijken daarom opnieuw of we andere manieren kunnen inzetten om werkzoekenden meer te ondersteunen bij het voldoen aan de inlichtingenplicht. Zie hiervoor ook de laatste zin in het antwoord op vraag 6.
Vraag 9: Advocaat Marc van Hoof betrokken bij de Bijstandsbond geeft aan dat veel mensen in de bijstand naar de voedselbank moeten voor eten. In hoeverre bestaat er een verschil tussen boodschappen doen bij de voedselbank en bijvoorbeeld boodschappen krijgen van je familieleden? Welke regels worden er gehanteerd om vast te stellen wat er valt onder een in geld uit te drukken voordeel indien burgers boodschappen ontvangen van familieleden? Antwoord: Een rode draad bij giften is dat steeds beoordeeld wordt wat de aard van de gift is, met name hoe deze zich verhoudt tot waar de bijstandsuitkering voor bedoeld is. Dergelijke beoordelingen komen neer op maatwerk. De toetssteen is of de gift uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het is niet verantwoord als blijkt dat gift en uitkering samen leiden tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met het minimumbehoeftekarakter van bijstand. Naarmate giften vaker worden gegeven in een hogere frequente en volgens een vastere periodiciteit en hogere bedragen betreffen zal eerder sprake zijn van onverenigbaarheid. Bij de beoordeling mag overigens niet doorslaggevend zijn of de gift afkomstig is van een instelling of van een persoon. Een meewegend belang is dat de Participatiewet niet beoogt de vrijgevigheid van instellingen of personen te ontmoedigen.
Ten aanzien van hulpverlenende organisaties als de Voedselbank gaan we er echter wel vanuit dat zij ondersteuning bieden omdat aanvulling op basis van hun criteria en standaarden in het individuele geval noodzakelijk is. Aanmelding bij de Voedselbank gebeurt ook altijd via een hulpverlenende organisatie. Dit is ook een vorm van individuele afstemming, maar dan aanvullend op de uitkering
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 6
omdat die niet toereikend is voor de behoeften van de individuele werkzoekende. Dat komt mede tot uitdrukking in het aanvullende karakter van deze voedselhulp. De waarde in euro’s van de boodschappen waarin de derde voorziet is in de regel afhankelijk van de bedragen die de derde daarvoor uitgeeft. Maar het is mogelijk om aan te sluiten bij andere bedragen zoals de Nibud-normen. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Vraag 10: Zijn burgers die een uitkering ontvangen ook verplicht om indien zij uit eten gaan dit te melden aan de gemeente? Zo ja, wat is het maximumbedrag per dag dat een burger als gift mag ontvangen voor voedsel? Antwoord: Nee. De maandelijkse uitkering is vrij besteedbaar. Hetzelfde geldt voor een aangeboden etentje zolang dat niet structureel gebeurt. Vraag 11 : Moeten sinterklaascadeaus en/of kerstcadeaus tevens ook aangemeld worden bij de gemeente indien zij een in geld uit te drukken voordeel opleveren zodat dit bedrag in mindering kan worden gebracht op de uitkering van het desbetreffende individu? Antwoord: Nee. Cadeaus die bij feestelijke gebeurtenissen worden ontvangen, leveren structureel geen substantiële besparingen op voor de kosten van levensonderhoud.
Vraag 12: In het kader van de uitvoering van de Participatiewet zijn burgers die een uitkering hebben verplicht om een leenovereenkomst te overhandigen aan te gemeente indien een individu hen geld leent. Zou u ons naderkunnen informeren op welke wijze burgers die een uitkering hebben hierover geïnformeerd worden? Antwoord: Een structurele, algemene verplichting om op eigen initiatief een leenovereenkomst te overhandigen als bedoeld in vraag 12 bestaat in de Rotterdamse uitvoeringspraktijk niet. Bij onderzoeken naar de rechtmatigheid van de uitkering is het voeren van een gesprek met de werkzoekende uitgangspunt. Dat gesprek is erop gericht dat hij een toelichting geeft op hetgeen uit het onderzoek naar voren is gekomen. Onderdeel daarvan is om bijschrijvingen, ongeacht de hoogte ervan, op de bankrekening te verklaren. Eén van de regelmatig gegeven verklaringen is dat een bijschrijving betrekking heeft op een lening. Zulke verklaringen worden getoetst om na te gaan of de bijschrijving als inkomen op de uitkering gekort moet worden. Het kader voor het toetsen van verklaringen voor bijschrijvingen is de op 31 juli 2019 in werking getreden Richtlijn kleine bedragen. De richtlijn is een reactie op de uitvoeringspraktijk. Het bleek dat er vaak enkele tientallen en soms enkele honderden bijschrijvingen van hele kleine bedragen voorkwamen op de onderzochte bankafschriften.
De richtlijn was erop gericht om op basis van vertrouwen een gegeven verklaring voor een bijschrijving eerder aannemelijk te vinden. Naarmate
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 7
het bedrag van de bijschrijving hoger is, wordt meer belang gehecht aan een zwaardere bewijskracht. Omwille van uniformiteit en uitvoerbaarheid zijn grensbedragen in de richtlijn opgenomen. Per transactie 6 15,- dan wel bij meerdere wat hogere bedragen maximaal C 300,- per jaar. Als wordt gesteld dat de bijschrijving een lening betreft, is het van belang dat men aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag men de lening heeft ontvangen. Dit doen we omdat we bij grote bedragen bijvoorbeeld willen weten of het geen inkomsten zijn uit zwart-werk. En dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en of die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Ook wordt nagegaan wanneer en op welke manier terugbetaald wordt. Een bijschrijving vanwege een lening kan ook betrekking hebben op de terugbetaling van een door werkzoekende verstrekte lening. In dat geval is de bijschrijving juist een terugbetaling áán hem. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan dan gevraagd worden om een leenovereenkomst.
Vraag 13: Binnen welke periode moeten burgers een dergelijke leenovereenkomst toesturen aan de gemeente? Is het tevens de bedoeling dat de gemeente de leenovereenkomst goedkeurt voor de betreffende individu het geld mag ontvangen? Antwoord: Bij zo’n verzoek om nadere informatie wordt op dat moment een reactietermijn van 2 weken gesteld. Vraag 14: Zou u ons nader kunnen informeren over de richtlijnen voor een dergelijke lening aan een individu met een bijstandsuitkering? Geld hier een minimum/maximum bedrag voor? Antwoord: Zie antwoord op vraag 12. Vraag 15: Verrekent de gemeente dergelijke leningen met het inkomen dat een individu krijgt door de Participatiewet? Antwoord: Zie antwoord op vraag 12. Vraag 16: De regels voor een leenovereenkomst onderschrijven dat de bijschrijvingen die worden ontvangen geen terugkerend of periodiek karakter mogen hebben. Indien dit wel het geval is dan worden de bedragen door de gemeente als inkomen gezien. Zou u ons nader kunnen informeren op welke wijze dit gecontroleerd wordt?
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 8
Antwoord: Zie antwoord op vraag 12. Vraag 17: Uit vertrouwelijke gesprekken met burgers is gebleken dat zij ten onrechte het verwijt krijgen dat bijschrijvingen een terugkerend en/of periodiek karakter hebben terwijl dit overduidelijk niet geval is door het verschil in de bedragen alsmede de beredenering voor de leningen. Op welke wijze wordt de besluitvorming hierover door de gemeentelijke organisatie gecontroleerd? Gebeurd dit alleen indien er een klacht wordt ingediend naar aanleiding van de besluitvorming? Antwoord: Als de uitkomst van het onderzoek is dat er een besluit tot wijziging van de uitkering moet volgen, dan wordt dat getoetst door de kwaliteitsmedewerker. In de beschikking staat vermeld op welke manier de werkzoekende een bezwaarschrift kan indienen als hij van mening is dat er een onjuist besluit is genomen. De behandeling van het bezwaarschrift gebeurt overigens door een andere medewerker, die niet het besluit heeft genomen of eerder bij de zaak betrokken is geweest. Deze bezwaarmedewerkers zijn op een andere plek binnen de organisatie werkzaam. Vraag 18: Welke maatregelen worden er gehanteerd om boetes voor het niet naleven van de inlichtingenplicht te incasseren bij burgers? Antwoord: De incasso van alle vorderingen, waaronder dus ook openstaande boetes, verloopt langs twee sporen.
Bij werkzoekenden met een lopende uitkering kunnen openstaande vorderingen worden verrekend met het recht op uitkering. Hier wordt de bescherming van de beslagvrije voet uiteraard in acht genomen. Burgers van wie het recht op uitkering inmiddels is geëindigd, wordt in een dergelijk geval de mogelijkheid geboden om een betalingsregeling te treffen. Hier wordt naar de betaalcapaciteit gekeken en houden we uiteraard ook rekening met de individuele situatie. Sociaal incasseren is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Als laatste in het proces kan dwangincasso aan de orde zijn. Ook hierbij wordt de bescherming die de beslagvrije voet biedt uiteraard in acht genomen. Vraag 19: Is het college het met ons eens dat indien de inlichtingenplicht van een bijstands gerechtigde geschonden wordt, de gevolgen voor de betrokken bijstands gerechtigde dermate groot kunnen zijn dat wellicht de bijstandsgerechtigde nooit meer uit de schuldenproblematiek kan komen? Antwoord: Het college onderschrijft dat de gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene fors kan zijn. De Participatiewet verplicht het college om te veel ontvangen bijstand van de werkzoekende terug te vorderen als er sprake is geweest van een schending van de
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 9
inlichtingenplicht. Afhankelijk van de duur van de schending van de inlichtingenplicht en de daarmee gemoeide bedragen kan hierdoor een aanzienlijke terugvordering op de werkzoekende ontstaan. Dit komt omdat terugvordering het spiegelbeeld is van bijstandsverlening: teruggevorderd wordt het bedrag aan bijstand dat niet zou zijn verstrekt wanneer alle voor de uitkering relevante informatie tijdig zou zijn verstrekt. Bovendien is het college dan gehouden om te beoordelen of een bestuurlijke boete moet worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan speelt de mate van verwijtbaarheid een grote rol. Tenslotte is van belang te vermelden dat een terugvordering over een voorgaand kalenderjaar in bepaalde gevallen zal moeten worden gebruteerd. De totale vordering op een werkzoekende na een schending van de inlichtingenplicht, kan dus aanzienlijk zijn. Zeker bij voortgezette bijstandsverlening is een dergelijke omvangrijke vordering moeilijk af te lossen, gelet op de geringe beschikbare aflossingscapaciteit. Niet zelden komt deze bij al bestaande andere schulden (aan gemeente of anderszins) wat optelt tot een grote schuldenlast. Dat een vordering het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht kan in de huidige situatie ook gevolgen hebben voor een schuldregeling.
Het college mag immers op dit moment niet meewerken aan een voorstel tot schuldregeling, wanneer medewerking aan het voorstel zou leiden tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de terugvordering en er in verband met de schending van de inlichtingenplicht, die tot de terugvordering heeft geleid, een boete is opgelegd. Dit algemene verbod is in landelijke wetgeving vastgelegd en vervalt over enige tijd, een wijziging waarvoor Rotterdam een lobby heeft gevoerd. Dankzij deze lobby zal daarom het verbod op medewerking aan een verzoek tot schuldregeling daarna beperkt blijven tot gevallen waarin sprake was van opzet of grove schuld. Vraag 20: Is het college het met ons eens dat de nadelen van terugvordering van een bijstandsgerechtigde in verhouding tot het doel om iemand uit de bijstandssituatie te helpen onevenredig groot kunnen zijn? Antwoord: Zoals bij het antwoord op vraag 19 is toegelicht, kunnen de gevolgen van het schenden van de inlichtingenplicht groot zijn. Dit is een gevolg van de zogenoemde Fraudewet, die gelieerd is aan de Participatiewet. Momenteel zijn er alleen mogelijkheden om van terugvordering af te zien bij de aanwezigheid van dringende redenen. Van dringende redenen is in dit verband echter niet snel sprake; het enkele bestaan of ontstaan van schulden levert op zich geen dringende redenen op. Dit komt ook tot uitdrukking in jurisprudentie.
Inmiddels zien wij overigens wel dat het denken over fraude en schending van de inlichtingenplicht begint te veranderen. Zie bijvoorbeeld de kamerbrief van 12 november 2020 (kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 17 050, nr. 596). O.a. heeft deze discussie geleid tot een amendement van de leden Van Beukering-Huijbregts en Peters bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 10
andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)’ (kamerstukken Tweede kamer, vergaderjaar 2020-2021. 35394 nr. 16). Welke gevolgen deze verandering gaat krijgen voor de regelgeving moet worden afgewacht. Het college ondersteunt deze wijzigingen ook van harte. Wat ons betreft is dit een eerste stap om tot verdere fundamentele wijzingen in wet- en regelgeving te komen. Vraag 21: Uit vertrouwelijke gesprekken met burgers blijkt dat ambtenaren geen eenduidig beleid uitdragen. Burgers menen dan ook datje maar het geluk moet hebben om een ambtenaar te treffen die wil meedenken en niet meteen boetes uitdeelt. Wat is het inwerkingsproces voor ambtenaren die dergelijke besluiten nemen over burgers met betrekking tot de bijstandsuitkering? Worden die met een specifieke richtlijn ingewerkt? Antwoord: Het is de opgave om én werkzoekenden inkomenszekerheid te bieden én de Participatiewet rechtmatig uit te voeren. Voor alle processen zijn uitvoeringsinstructies voorhanden en er is een handboek in gebruik. Deze worden regelmatig geactualiseerd. Voor een rechtmatige uitvoering hebben we goede inkomensconsulenten nodig. Deze worden opgeleid op het terrein van de Participatiewet en hebben een uitgebreid inwerktraject van 12-18 maanden. In deze periode worden nieuwe inkomensconsulenten begeleid door senioren en worden alle besluiten gecontroleerd door kwaliteitsmedewerkers.
In dit traject wordt veel aandacht besteed aan dilemma's die kunnen ontstaan in het beoordelen van casussen. Continu dragen wij uit dat de menselijke maat en dus maatwerk belangrijk is. De inkomensconsulenten hebben dus de mogelijkheid om te individualiseren. We proberen uiteraard eenduidig uitvoering te geven aan onze werkzaamheden maar elk individuele situatie is anders. Dat blijft dus wel te alle tijden een broos speelveld. Vraag 22: Hoe wordt er gecontroleerd of alle ambtenaren op de afdeling voor bijstand eenduidig beleid uitdragen naar burgers? Antwoord: Binnen het Domein Inkomen wordt gebruik gemaakt van een kwaliteitssysteem waarin het werk van inkomensconsulenten regelmatig gecontroleerd wordt op kwaliteit en uitvoering conform instructies. Als inkomensconsulenten willen afwijken (individualiseren) moeten ze dat met een kwaliteitsmedewerker bespreken die het voorstel fiatteert. Vraag 23: Hoe weegt het college van B&W de beleidsruimte van de gemeente Rotterdam om in dergelijke gevallen zoals deze bijstandsgerechtigde vrouw om tot
maatwerk te komen? Antwoord: Zoals ook inleidend gesteld, wil het college, ook bij de uitvoering van de Participatiewet, de menselijke maat hanteren. Iets wat we ook uitdragen met ons beleidskader
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 11
‘Mensenwerk: Duurzaam aan de slag’. Het college zet hiermee de werkzoekende Rotterdammer centraal en probeert daarmee vooral te kijken naar de mens achter de werkzoekende. We bieden daarbij dienstverlening op maat als de wetgeving ons die ruimte biedt, op een vriendelijke en eveneens duidelijke manier. Binnen het werken naar de menselijke maat draagt het college ook helder uit dat misbruik van ons sociaal stelsel niet valt te tolereren, omdat daarmee het draagvlak voor zo’n stelsel onder druk komt te staan. Het is van groot belang dat er draagvlak blijft voor een ruimhartig sociaal stelsel en dat het geld dat hieraan wordt besteed ten goede komt aan de mensen die dat echt nodig hebben. Als college hechten we dus veel waarde aan enerzijds dienstverlening op maat en controleren op een rechtmatige verstrekking van de uitkering. Dat vraagt de Participatiewet ook van het college. Over de concrete feiten en omstandigheden van deze casus is overigens te weinig bekend om te beantwoorden hoe deze casus in Rotterdam beoordeeld zou zijn. Het is noodzakelijk om een dergelijk dossier volledig te kennen om een oordeel te kunnen geven.
Vraag 24: Hoe weegt het college in dit licht de uitspraken van het NIBUD, waaruit blijkt dat het voor bijstandsgerechtigden zonder extra ondersteuning überhaupt niet mogelijk is om rond te komen? Antwoord: Het college kent grote waarde toe aan inkomenszekerheid en beschouwt dit als basis waarop verder gebouwd kan worden. Gedurende deze collegeperiode is er om die reden focus op het verbeteren van inkomenszekerheid bij werkzoekenden. In dit kader voert het college sinds 1 juli 2020 ook een kleinschalige pilot, Het Huishoudboekje, uit om werkzoekenden meer grip op hun inkomsten te geven. Echter, het voeren van inkomenspolitiek is alleen voorbehouden aan de landelijke overheid. Het rapport van het Nibud “Vijfjaar armoedebeleid bij tachtig gemeenten” is ons bekend. Op basis van de analyse identificeert het Nibud vier huishoudtypen die maandelijks moeite hebben om rond te komen. In relatie tot de bijstandsuitkering gaat dit voornamelijk om paren met kinderen vanaf 12 jaar en ouder. We constateren met het NIBUD dat middels lokaal armoedebeleid dit vrijwel niet te repareren is. Als gemeente hebben we wel, binnen de mogelijkheden die wij hebben als gemeente, op basis van de minima-effectrapportage van het NIBUD het Jeugdtegoed voor bedrag voor kinderen verhoogd en de doelgroep verruimd van 110Vo naar 130oZo van het sociaal minimum).
Vraag 25: Is de wethouder bereid bij het Rijk te lobbyen om de Participatiewet tegen het licht te houden en na te gaan welke artikelen onevenredige en onmenselijke effecten hebben? Antwoord: Het college is hier zeker toe bereid en we doen dit al in brede zin. Dit doen we via politieke lijnen maar ook ambtelijk laten wij dit geluid horen aan relevante tafels. Een voorbeeld hiervan is de huidige lobby met betrekking tot de kostendelersnorm. Om de menselijke maat in de uitvoering van de Participatiewet beter toe te kunnen passen, gaat het ons zeker helpen als de wetgeving op onderdelen wordt aangepast. Zowel de
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 12
Participatiewet als de gelinkte Fraudewet zijn momenteel zeer expliciet omschreven. In haar huidige vorm laat deze wetgeving zeer weinig ruimte om af te wijken. Als het specifiek gaat om het opleggen van een boete beschouwen wij het huidige voorstel om de “moet bepaling” te wijzigen naar een “kan bepaling” als een goede stap en dit ondersteunen wij dan ook van harte. Naar aanleiding van de vraag zullen wij in aanvulling op de actuele lobby’s het Rijk vragen om de Participatiewet tegen het licht te houden en na te gaan welke artikelen onevenredige en onmenselijke effecten hebben. Dan wordt gesteld: "Nog treuriger wordt deze al dramatische absurde werkelijkheid wanneer er een erfenis te verdelen valt. Volgens de Participatiewet hebben gemeenten het recht om uitgekeerde bijstand terug te vorderen wanneer een niet-opeisbare vordering vrijvalt. Als bijvoorbeeld een ouder komt te overlijden, krijgen de kinderen een niet-opeisbare vordering op de langstlevende ouder. Wanneer vervolgens de langstlevende ouder ook komt te overlijden valt de niet-opeisbare vordering vrij. Op dat moment hebben gemeenten het recht de bijstand die is betaald aan de bijstandsgerechtigde tussen het overlijden van de eerste oudere tot het vrijvallen vanwege het overlijden van de tweede ouder terug te vorderen. Soms gaat die vordering wel tien jaar of meer terug.
Meld een erfgenaam de erfenis niet, dan kan hij bovendien een boete krijgen. Op deze manier houden mensen die de erfenis het beste kunnen gebruiken er het minste van over. Maar is dat eerlijk?” Vraag 26: Is het college bereid om het terugvorderen van erfenissen te beperken tot twee jaar terug en zelfs te onderzoeken of het terugvorderen van erfenissen achterwege gelaten kan worden bij bijstandsgerechtigden? Antwoord: De Participatiewet biedt een vangnet voor werkzoekenden die niet over de middelen en mogelijkheden beschikken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Hierbij speelt naast het beschikbare inkomen, het vermogen een belangrijke rol. In de wet zijn duidelijke vermogensgrenzen vastgelegd. Wanneer een erfenis wordt ontvangen, kan het vrij te laten vermogen worden overschreden. Het past niet bij het vangnetkarakter van de wet dat er géén gevolgen meer zouden moeten worden verbonden aan het vrijvallen van een nalatenschap. Dat geldt ook voor beperking van de periode van terugvordering. Dit zou immers tot gevolg hebben dat de burger in bepaalde gevallen een groter bedrag aan vermogen mag houden dan wettelijk toegestaan. Gelet op deze vastlegging in de wet is het niet aan ons college om hier specifiek beleid op te ontwikkelen. Dit zou echt in een brede herziening van de participatiewet moeten worden meegenomen.
Vraag 27: Na ontvangst van de erfenis moet de bijstandsgerechtigde eerst interen op het vermogen tot het vrijgestelde bedrag (C 6.225 in 2020 voor een alleenstaande). Daarna mag hij niet meer uitgeven dan 1,5 keer het normbedrag (De bijstand). Door het wegvallen van subsidies en toeslagen is dit vrijwel onmogelijk. Is het college bereid om het interen op het vermogen dat door de erfenis vrijvalt voor een eerste bedrag vrij te laten, bijvoorbeeld C 10.000?
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 13
Antwoord: Rotterdam vordert de bijstand terug vanaf het moment dat de werkzoekende aanspraak op de nalatenschap heeft gekregen (volgens vaste rechtspraak het moment van overlijden van de erflater). Houdt hij daarna de beschikking over meer vermogen dan het vrij te laten bedrag dan moet hij dat eerst opmaken. Als hij opnieuw bijstand aanvraagt, wordt beoordeeld of hij zijn vermogen op een onverantwoorde manier heeft besteed. Dit vraagt een individuele beoordeling van de omstandigheden van de aanvrager. Van een onverantwoorde besteding is in ieder geval geen sprake geweest als hij maandelijks uitgaven heeft gedaan ter hoogte van anderhalf maal de bijstandsnorm. Daarnaast zijn uitgaven voor kosten, waarvoor anders bijzondere bijstand zou zijn verstrekt, evenmin onverantwoord. Datzelfde geldt voor andere uitgaven die noodzakelijk zijn zoals onder meer die voor (hogere) kosten als gevolg van het wegvallen van toeslagen of subsidies. In het licht hiervan is het niet noodzakelijk om daarbij voor nalatenschappen (anders dan voor andere vermogensbestanddelen) een extra vrijlating toe te passen. Ook voor deze [dt hetzelfde als de afsluiting van het antwoord op de vorige vraag. Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, De burgei
A. Aboutaleb
Registratienummer cluster: 2021/02 Steller: Dee Dee Smeets, 0613329597
pagina 14