21bb15160 Raadsvoorstel over vaststellen verordening leerlingevervoer
Tekst van het document
Maatschappelijke Ontwikkeling Onderwijs, Cultuur en Toerisme Said Kasmi Bezoekadres: Stadhuis Coolsingel 40, Rotterdam Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl Van: Suzanne Elsing E-mail: bbo@rotterdam.nl
Aan de gemeenteraad
Ons kenmerk: M2111-276 Onderw erp: Verordening Leerlingenvervoer Datum: 30 november 2021
Onderwerp: Verordening Leerlingenvervoer Gevraagd besluit: Samenvattend stellen wij u voor: - De Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam 2022 vast te stellen. - De Verordening leerlingenvervoer gemeente Rotterdam 2014 in te trekken - Kennis te nemen van de Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam Waarom dit voorstel? Waarom nu voorgelegd? De VNG heeft in 2020 een nieuwe landelijke modelverordening leerlingenvervoer opgesteld. De gemeente Rotterdam volgt deze landelijke richtlijn en heeft de Verordening Leerlingenvervoer Rotterdam 2014 aangepast naar een nieuwe versie. Daarnaast is deze nieuwe verordening zo aangepast dat deze beter aansluit bij de inspanningen van de gemeente om zelfredzaamheid van leerlingen in het reizen naar school te stimuleren, zoals met u gedeeld in de brief van 28 mei 2021 (21bb6813). De nieuwe verordening geeft de gemeente meer ruimte en flexibiliteit om (per individu) vergoedingen toe te kennen, waarmee de ontwikkeling van leerlingen naar zelfredzaamheid in het reizen naar school, gestimuleerd kan worden. Denk bijvoorbeeld aan het reizen onder begeleiding met de fiets of het OV of het aanschaffen van een elektrische fiets, deelfiets of bakfiets voor het reizen naar school.
Hierbij geldt dat het alleen leerlingen betreft die dit aankunnen en dat hier zorgvuldigheid voorop staat: de nieuwe verordening beschrijft dan ook dat dit gedegen gebeurt door het voeren van gesprekken met ouders en leerlingen en het inwinnen van advies door onderwijs- of zorg professionals. Voor leerlingen die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kunnen maken, blijft de gemeente uiteraard het reizen naar school waarborgen. Met de nieuwe verordening komt er nu een extra mogelijkheid om het zelf leren reizen verder te bevorderen bij leerlingen die hiertoe in staat zijn.
Blad
Datum Ons kenmerk
2 5 november 2021 M2111-276
Relatie met het coalitieakkoord/collegewerkprogramma/eerder aangenomen moties en gedane toezeggingen: Op 3 juli 2019 is toegezegd de commissie ZOCS te informeren over wat de gemeente gaat doen om leerlingen te begeleiden in het kader van zelfredzaamheid (19bb18467). In een voortgangsbericht d.d. 28 mei 2021 (21bb6813) is vermeld dat hiertoe de verordening leerlingenvervoer aangepast wordt, waarin de zelfredzaamheid meer dan voorheen een belangrijk uitgangspunt wordt. Wij stellen voor deze toezegging met nummer 19bb18467 als afgedaan te beschouwen bij vaststelling van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam 2022. Wijzigingen ten opzichte van de huidige verordening Bijgevoegde Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam is een aanpassing van de Verordening 2015, t.o.v. de oude tekst en de bestaande onderdelen van de verordening, op de volgende punten: • Artikel 2. Doelstelling: Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van kinderen wie of van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken. • Artikel 4.
Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag: De gemeente stimuleert op alle mogelijke wijzen de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling. Een vervoersontwikkelingsplan helpt om samen met de ouders en de leerling naar de toekomst te kijken (zie hieronder). • Artikel 5. OOGO met het samenwerkingsverband: Door aan het OOGO expliciet aandacht te besteden in de verordening wordt bevorderd dat het samenwerkingsverband en de gemeente elkaar meer spreken en afspraken maken over het leerlingenvervoer. • Artikel 7. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening: Als gevolg van bijvoorbeeld wijzigingen of ernstig wangedrag door de leerling kan een besluit als bedoeld in de verordening worden herzien, opgeschort of ingetrokken. • Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school: De uitspraak van 21 oktober 2020 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:2467) over de eerbiediging van de op godsdienst of levensbeschouwing berustende schoolkeuze (de schriftelijke verklaring van overwegende bezwaren) heeft geleid tot een nieuw tweede lid. • Artikel 9. Afstandsgrens: De verschillende afstandsgrenzen zijn samengebracht in één artikel. De gemeente kan per schoolsoort een andere afstandsgrens hanteren. • Artikel 10.
Aanwijzing opstapplaats: Het college kan een opstapplaats aanwijzen. In dit artikel wordt beschreven hoe wordt omgegaan met een opstapplaats en wanneer deze wordt gebruikt. • Artikel 13. Schooltijden en wachttijden: De gemeente kan leerlingen, die op dezelfde school verschillende tijden hebben, tegemoetkomen. • Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente: Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits is voldaan aan een aantal voorwaarden.
Blad Datum Ons kenmerk
3 5 november 2021 M2111-276
• Artikel 15. Vervoersvoorziening naar stageadres: In dit artikel wordt beschreven hoe wordt omgegaan met een aanvraag om een vervoersvoorziening naar het stageadres. • Artikel 22. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening: De gemeente heeft hiermee meer mogelijkheid om bij de verstrekking van vervoersvergoeding individueel maatwerk te leveren. In bijlage I vindt u de toelichting op de Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam. Financiële en juridische consequenties/aspecten:
Na vaststelling van de voorliggende verordening vindt publicatie in het Gemeenteblad plaats. Het bijbehorende ontwerpbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Rotterdam, De secretaris,
De burgemeester,
Blad Datum Ons kenmerk
4 5 november 2021 M2111-276
Ontwerpbesluit
De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 december 2021; gelet op gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs; besluit: Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aangepast (rolstoel)vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam; deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, de school of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige; eigen vervoer: vervoer per fiets of eigen motorvoertuig; gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van de fiets of het openbaar vervoer gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer;
Blad Datum Ons kenmerk
5 5 november 2021 M2111-276
opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt, voor: 1°.
het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; ' vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°.
gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Blad Datum Ons kenmerk
6 5 november 2021 M2111-276
Artikel 2 Doelstelling Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Paragraaf 2 Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3 Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan bij het college als de leerling zijn woning in Rotterdam heeft, door indiening van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.
5. Het college kan deze besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling verzochte datum. Artikel 4 Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en het gezin. 2. Het college kan in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase. 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan opnieuw een gesprek plaatsvinden. 4. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school, bedoeld in artikel 8. 5.
Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin het traject naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.
Blad
Datum Ons kenmerk
7 5 november 2021 M2111-276
6. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college aangeven welke ondersteuning geboden kan worden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. 7.
Het ontwikkelingsperspectief, over onder andere de onderwijsleerdoelen, wordt door het bevoegd gezag, in overleg met de ouders, opgesteld.
Artikel 5 OOGO met het samenwerkingsverband 1. Het college neemt het leerlingenvervoer als vast agendapunt op in het OOGO met het samenwerkingsverband. 2. Het college spant zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt, waarbij de deskundige in zijn advies de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid van de leerling, bedoeld in artikel 4, als uitgangspunt neemt; c.
de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school;
d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f.
de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid.
3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband waarin de volgende onderwerpen kunnen worden besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b. de wijze waarop situaties als bedoeld in artikel 8, vierde lid, kunnen worden voorkomen, dan wel opgeheven, waardoor het onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden; c.
het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan, genoemd in artikel 4, vijfde lid.
Artikel 6 Toekenning van een vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente Rotterdam verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met in achtneming van het bepaalde in deze verordening. 2. Het college verlangt van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van deze vervoersvoorziening toekomt, betaling van een eigen bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens de artikelen 24 en 25 moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer.
Blad
Datum Ons kenmerk
8 5 november 2021 M2111-276
3. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 4. Onverminderd het bepaalde in deze verordening zijn de ouders verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kinderen. 5. Als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 6. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 7.
Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
8. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 9. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 10. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Artikel 7 Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1. Het college kan een besluit over een vervoersvoorziening herzien, opschorten dan wel intrekken, als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. de vervoersvoorziening is verstrekt op grond van gegevens die zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c.
de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;
d. sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; e.
het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer; of
f.
het gedrag van ouders leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer.
2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, wordt de vervoersvoorziening ingetrokken en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling wijzigingen niet melden en het college een wijziging vaststelt waardoor blijkt dat er ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, trekt het college de vervoersvoorziening terstond in en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders.
Blad
Datum Ons kenmerk
9 5 november 2021 M2111-276
5. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Paragraaf 3 Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2. Er ontstaat niet eerder aanspraak op een vervoersvoorziening dan nadat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3. Een vervoersvoorziening wordt tevens toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b.
een andere speciale school voor basisonderwijs in hetzelfde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs. 4. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. door de ouders is genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige behoefte van de leerling is; b. door de ouders is genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod; c.
in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b.
Artikel 9 Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciale basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; c.
speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of
Blad
Datum Ons kenmerk
10 5 november 2021 M2111-276
d. voortgezet speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer. 2. Er wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer genoegzaam is aangetoond dat de leerling wegens een structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer is aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kan maken.
3. Het college kan zo nodig advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige over de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Artikel 10 Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.
2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.
3. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4. Het college wijst geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning. Artikel 11 Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 18 of 29 is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend. Artikel 12 Andere vergoedingen De aanspraak op een vergoeding, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Artikel 13 Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Indien binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3.
Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.
Blad Datum Ons kenmerk
11 5 november 2021 M2111-276
Artikel 14 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Rotterdam verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente Rotterdam, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. 2.
de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de gemeente Rotterdam.
De werking van het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente. De opschortende werking geldt totdat de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
Artikel 15 Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan bij afzonderlijke aanvraag een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. 2. In afwijking van artikel 3, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden. Een door de school per e-mail verzonden stageovereenkomst met toelichtende tekst kan worden behandeld als aanvraag. 3. Voor de vergoeding van stagevervoer beoordeelt het college opnieuw wat passend vervoer is. Als zelfstandig reizen met de fiets of met openbaar vervoer naar het stageadres tot de mogelijkheden van de leerling behoort, dan wordt de tegemoetkoming gebaseerd op de goedkoopst mogelijke wijze van passend vervoer. 4. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; en c.
de stage vindt plaats op één stageadres;
5. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 6. Het college kan het stagecontract opvragen. Paragraaf 4 Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel 16 Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn.
Blad Datum Ons kenmerk
12 5 november 2021 M2111-276
2.
Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer.
Artikel 17 Bekostiging van de kosten van vervoer per fiets of met het openbaar vervoer 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens, genoemd in artikel 9, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 2.
Als aanspraak bestaat op bekostiging en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, wordt de bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets verstrekt.
3.
De fietsvergoeding is voor de leerling per schooldag een vergoeding voor de rit tussen de woning en de school en terug.
4.
De vergoeding van het vervoer per fiets over de berekende afstand is een bedrag van € 0,09 per kilometer.
Artikel 18 Bekostiging van de kosten van vervoer per fiets of met het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van vervoer per fiets of met het openbaar vervoer van de leerling en diens begeleider als: a.
voldaan is aan de afstandsgrens, genoemd in artikel 9, eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van de fiets of het openbaar vervoer gebruik te maken; of
b.
de gehandicapte leerling niet zelfstandig van de fiets of het openbaar vervoer gebruik kan maken.
2.
De fietsvergoeding is voor de begeleider van de leerling per schooldag dat de leerling wordt begeleid vier keer de vergoeding voor de rit tussen de woning van de leerling en de school, tenzij deze rit minder dan vier keer wordt gereden.
3.
De vergoeding van het vervoer per fiets over de berekende afstand is een bedrag van € 0,09 per kilometer.
4. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, wordt slechts éénmaal vervoerskosten voor een begeleider bekostigd. Artikel 19 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in de artikelen 17 of 18en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b.
aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in de artikelen 17 of 18 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;
c.
aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 18 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of
Blad
Datum Ons kenmerk
13 5 november 2021 M2111-276
anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel 20 Overgangsregeling voortgezet speciaal onderwijs 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt wordt een vervoersvoorziening voor zelfstandig reizen per fiets of met openbaar vervoer toegekend, indien de leerling in een lopend schooljaar aanspraak heeft kunnen maken op een begeleide vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 18 of aangepast vervoer als bedoeld in artikel 19 en daarna heeft geleerd zelfstandig te reizen per fiets of met openbaar vervoer. 2. De overgangsregeling geldt voor de rest van tiet lopende schooljaar en ten hoogste tot het einde van het opvolgende schooljaar. Artikel 21 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Als toestemming aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a.
een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding, de kilometervergoeding voor de fiets is een bedrag van € 0,09 per kilometer; b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c.
een bedrag van € 0,19 per kilometer, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.
3. Als toestemming aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag van € 0,19 per kilometer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt geen bekostiging verstrekt. 5. De ouders ontvangen per schooldag een vergoeding voor vier keer de rit tussen de woning en de school en terug, tenzij de rit minder dan vier keer wordt gereden. Artikel 22 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 23 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Onverminderd artikel 8 kent het college een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft.
Blad Datum Ons kenmerk
14 5 november 2021 M2111-276
2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing. Artikel 24 Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.000 wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 9 bepaalde afstand te boven gaan. 2.
In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 9 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De kosten van openbaar vervoer, bedoeld in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 9 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem van de vervoersmaatschappij kunnen gelden. 4. Het inkomensbedrag van € 27.000, wordt met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van €450,5.
Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Artikel 25 Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijke eigen bedrage. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke eigen bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.
Blad Datum Ons kenmerk
15 5 november 2021 M2111-276
3.
De hoogte van de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage wordt berekend per gezin aan de hand van de volgende tabel:
Eigen bijdragen in euro's per gezin 0-35.500 Nihil 35.500-42.000 150 42.000-48.500 630 48.500-55.000 1.180 55.000-62.500 1.725 62.500-69 .000 2.270 Voor elke extra€ 5.500: plus € 560 erbij Vanaf 69.000 4. Deze inkomensbedragen worden met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. Inkomen in euro's
t
5.
De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumenten prijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Paragraaf 5 Minima- en Nieuwkomersregeling Artikel 26 Minimaregeling zelfstandig reizen speciale school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs 1.
2.
In afwijking van het afstandscriterium, genoemd in artikel 9, en het drempelbedrag, genoemd in artikel 24, tweede lid, wordt aan de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs dan wel een school voor speciaal onderwijs bezoekt een vervoersvoorziening voor zelfstandig reizen, per fiets of met het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 17 toegekend, indien: a.
de afstand tussen de woning en de school meer dan drie en minder dan zes kilometer bedraagt en op een afstand van drie kilometer of minder van de woning geen school is gevestigd waar onderwijs wordt verzorgd waarop de leerling is aangewezen; en
b.
het inkomen minder bedraagt dan het geldende minimumloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Deze ouders betalen geen eigen bijdrage in de kosten van de toegekende vervoersvoorziening.
Artikel 27 Minimaregeling begeleide vervoersvorm speciale school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs 1.
In afwijking van het afstandscriterium, genoemd in artikel 9, en het drempelbedrag, genoemd in artikel 24, tweede lid, wordt aan de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs dan wel een school voor speciaal onderwijs bezoekt een begeleide vervoersvoorziening, per fiets of met het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 18 toegekend, indien de afstand tussen de woning en de school meer dan drie kilometer en minder dan zes kilometer bedraagt en op een afstand van drie kilometer of minder van de woning geen school is gevestigd waar
Blad
Datum Ons kenmerk
16 5 november 2021 M2111-276
het onderwijs wordt verzorgd waarop de leerling is aangewezen, met dien verstande dat: a. deze voorziening uitsluitend het gebruik betreft van de fiets of het openbaar vervoer door één begeleider; en b. het inkomen minder bedraagt dan het geldende minimumloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 2. Deze ouders betalen geen eigen bijdrage in de kosten van de toegekende vervoersvoorziening. Artikel 28 Minimaregeling voortgezet speciaal onderwijs 1. In afwijking van het afstandscriterium, genoemd in artikel 9 en het drempelbedrag, genoemd in artikel 24, tweede lid, wordt aan de ouders van een leerling die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt een vervoersvoorziening voor zelfstandig reizen, per fiets of met het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 17 toegekend, indien: a. de afstand tussen de woning en de school meer dan drie en minder dan zes kilometer bedraagt en op een afstand van drie kilometer of minder van de woning geen school is gevestigd waar onderwijs wordt verzorgd waarop de leerling is aangewezen; en b. het inkomen minder bedraagt dan het geldende minimumloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2.
Deze ouders betalen geen eigen bijdrage in de kosten van de toegekende vervoersvoorziening. Artikel 29 Schakelklas eerste opvang en internationale schakelklas 1. Aan de ouders van anderstalige nieuwkomers op wie de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, die vanwege een taalachterstand aangewezen zijn op een schakelklas eerste opvang of een internationale schakelklas, wordt voor ten hoogste één schooljaar een vervoersvoorziening voor zelfstandig reizen in de vorm van een vergoeding voor de fiets of het openbaar vervoer toegekend, indien de afstand van de woning naar deze locatie ten minste zes kilometer is. 2. Indien de nieuwkomer jonger is dan negen jaar, en de ouders ten behoeve van het college genoegzaam aantonen dat de nieuwkomer niet in staat is zelfstandig te reizen, verstrekt het college een vervoersvoorziening in de vorm van vervoer per fiets of met openbaar vervoer voor de leerling en een begeleider. 3. Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, wordt slechts éénmaal vervoerskosten voor een begeleider bekostigd. 4. De toegekende vervoersvoorziening voor zelfstandig reizen naar een internationale schakelklas kan voor ten hoogste zes maanden verlengd worden indien langer verblijf in de internationale schakelklas noodzakelijk is. 5.
De ouders, ten aanzien van wie het bepaalde in de voorgaande leden wordt toegepast, betalen geen eigen bijdrage in de kosten van de toegekende vervoersvoorziening.
Blad Datum Ons kenmerk
17 5 november 2021 M2111-276
Paragraaf 6 Slotbepalingen Artikel 30 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 31 Hardheidsclausule Het college kan, indien de toepassing van de verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 32 Overgangsrecht Op aanvragen die betrekking hebben op het schooljaar 2021-2022 wordt beslist op grond van de Verordening leerlingenvervoer Rotterdam 2015. Artikel 33 Intrekking oude regeling De Verordening leerlingenvervoer Rotterdam 2015 wordt ingetrokken. Artikel 34 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2022. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van De griffier,
De voorzitter,
Blad
Datum Ons kenmerk
18 5 november 2021 M2111-276
Bijlage I-Toelichting Verordening bekostiging leerlingenvervoer Rotterdam Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO}, artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC}, heet het 'de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek'. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. De Verordening bekostiging leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening.
Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. De Verordening bekostiging leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke soort vergoeding wordt verstrekt. Vervoersvoorziening In de Verordening bekostiging leerlingenvervoer wordt het begrip 'vervoersvoorziening' gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.
Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag hanteren. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de Verordening bekostiging leerlingenvervoer is deze grens vastgesteld op zes kilometer
Blad
Datum Ons kenmerk
19 5 november 2021 M2111-276
(zie artikel 9). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan twintig kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (zie artikelen 24 en 25). Zelfstandigheid en zelfredzaamheid De Verordening bekostiging leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te volgen en te stimuleren kan de aanvraag met ouders besproken worden en kan vanaf een bepaalde leeftijd in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling worden opgesteld (zie artikel 4). Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer Zie voor voorwaarden toekenning leerlingenvervoer het 'Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer'.
Blad Datum Ons kenmerk
20 5 november 2021 M2111-276
Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer
Gaat het om een leerling die een school in de zin van de WPO,
Geen recht op leerlingenvervoer
[Nee
WECofWVO
bezoekt? Ja
Recht oo een vervoersvoorziening
Is de leerling gehandicapt in de zin van de verordening leerlingenvervoer
Geen eigen bijdrage
·? Nee
Bezoekt de leerling een school aangesloten bij een samenwerkingsverband pnmair onderwiys of volgt de leerling pnmair onderwjs op een nsteling voor cluster 1 of cluster 2?
Ja. afstand< 6
[ Ja. afstand > 6 Nee
km> km
>
Geen recht op leeringenvervoer
Recht o een vervoersvoorziening . Eigen bijdrage voor leerlingen van regulier en speciaal basisonderwys . Wanneer afstand 20 km. voor leerlingen van regulier basisonderwjs >
een bijdrage afhankelijk van draagkracht
.1 Geen recht op leerlingenvervoer.
") De leerling kan wegens zijn handicap in het geheel niet, of alleen met begeleiding van het openbaar vervoer gebruik maken.
Blad Datum
Ons kenmerk
21 5 november 2021 M2111-276
Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route- en daarmee de afstand - op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds overneemt.
Gehandicapte leerling Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen.
Bij het opvragen van de Inkomsten belastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen
Blad Datum Ons kenmerk
22 5 november 2021 M2111-276
(schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Ontwikkelingsperspectief Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen.
Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met ouders vastgesteld. Het bevat de onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding). OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen. Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over: - de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen; -
het leerlingenvervoer;
- de leerplicht; - de onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip 'openbaar vervoer' is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede 'volgens een dienstregeling'; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. Opstapplaats Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.
Blad Datum Ons kenmerk
23 5 november 2021 M2111-276
Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten acht de Afdeling alleszins redelijk (ABRvS 26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107). Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip 'ouders'. Reistijd De omschrijving van het begrip 'reistijd' is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a). De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo'n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het-schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen.
Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier oplopen. Het is dan ook redelijk om van de vervoerder te verlangen, dat de wachttijd per leerling niet meer bedraagt dan ongeveer twintig minuten (inclusief de toegestane wachttijd van maximaal vijftien minuten op de eigen school van de leerling). De gemeente en de vervoerder maken afspraken over een redelijke wachttijd.
Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.