21bb12546 Collegebrief over Uitkomsten stadsgesprekken over het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam
Tekst van het document
Bezoekadres: Stadhuis Coolsingel 40 3011 AD Rotterdam Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Website: www.rotterdam.nl E-mail: bbo@rotterdam.nl Inlichtingen: R. Liu-van Dorp en S. El Hammouti
Aan de Gemeenteraad
Portefeuillehouder: Wethouder HBIS Cluster: Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling Ons kenmerk: 21bb012546 Uw kenmerk: Datum: B&W 12 oktober 2021 Betreft: Het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam
Onderwerp: Uitkomsten stadsgesprekken over het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam Op welke gronden deze brief? / Waarom nu voorgelegd? In oktober 2020 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek naar het Rotterdamse koloniale en slavernijverleden. De gemeente heeft daarna met ca. 200 Rotterdammers, wetenschappers en experts gesproken over de rol van de stad in dit verleden en de betekenis ervan voor het heden en de toekomst. Uw raad is toegezegd om de uitkomsten van dit traject rondom de vraag om excuses voor het slavernijverleden in oktober 2021 beschikbaar te stellen (21bb1043). Wij hebben alle uitkomsten voor u gebundeld in deze brief, in de bijgaande rapportage over de Stadsgesprekken en in het bijgaande koersdocument over het Stadsprogramma. Wij leggen u deze opiniërend voor, zodat de gemeenteraad in de gelegenheid is om wensen en bedenkingen mee te geven, voordat het college eind van het jaar definitief besluit over het maken van excuses. Relatie met het coalitieakkoord/collegewerkprogramma/begroting/eerder aangenomen moties en gedane toezeggingen: - Motie ‘Rotterdams slavernijverleden geeft inzicht en verbindt’ (17bb9435) - Actieprogramma’s Integratie en Samenleven: Relax.
Dit is Rotterdam - Rotterdam tegen racisme (na initiatiefvoorstellen 20bb8773 Initiatiefvoorstel 010 Antiracisme Eisen en 20bb9347 Tegen Discriminatie, Voor Gelijkwaardigheid) - 20bb16904 Motie ‘Maak de geschiedenis zichtbaar’ (na 18bb1818 Initiatiefnota Straatnamen, zet diversiteit letterlijk op de kaart!) en 17bb8372 Toezegging Ere wie ere toekomt - 21bb25 Collegebrief reactie op de onderzoeken (21bb25) en voortgang (21bb7389) - 21bb1043 Toezegging om de uitkomsten van het proces rondom de vraag om excuses voor het slavernijverleden in oktober beschikbaar te stellen. - 21bb9831 Motie ‘Verzetshelden in zicht’
Blad:
2/11
Toelichting: In deze brief bieden we u de uitkomsten van het traject van januari 2021 tot heden. We beginnen hieronder eerst met de beschrijving van de geschiedenis, zoals die in de onderzoeken naar voren is gekomen. Hierin maken we ook concreet wat precies de rol was van voormalige Rotterdamse stadsbesturen. Daarna beschrijven we kort de uitkomsten van de stadsgesprekken die hierover in de afgelopen tijd met Rotterdammers, wetenschappers en andere experts gevoerd zijn. De volledige rapportage daarover, inclusief de aanpak, het proces, inhoudelijke bevindingen en reflectie, vindt u bijgevoegd als bijlage 1. Daarnaast boden deze stadsgesprekken veel suggesties voor het een Stadsprogramma Koloniaal en Slavernijverleden in 2022. Deze opbrengsten vindt u verwerkt in een koersdocument, bijlage 2. Deze wordt vanaf november verder geconcretiseerd en van een planning voorzien na uw vaststelling van de begroting van 2022. Als laatste volgt een collegereactie en lichten we vervolgstappen toe.
1. Een blik op de koloniale geschiedenis Nederland, kolonialisme en slavenhandel In 1634 verovert de West-Indische Compagnie (WIC) het eiland Curaçao om de Nederlandse handelspositie in de Caribische Zee te versterken. In 1676 wordt Suriname veroverd door de Zeeuwen (vandaar de naam Fort Zeelandia bij Paramaribo). In de twee eeuwen die volgen neemt de WIC ruim 5 procent van de wereldwijde handel in slaafgemaakten voor haar rekening. De WIC doet mee aan de zogenoemde driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika. Vanuit West-Europa vertrekken schepen met handelswaar naar West-Afrika. Daar kopen ze goud, ivoor en slaafgemaakten in. De schepen met slaafgemaakte mensen varen door naar NoordAmerika of het Caribisch gebied, waar de gekochte Afrikanen op slavenmarkten worden verhandeld om op plantages of in mijnen te gaan werken. De Curaçaose slavenmarkt groeit uit tot het centrum van de Caribische mensenhandel. Met het geld dat de slaafgemaakten opbrengen, koopt de WIC plantageproducten als rietsuiker, koffie en katoen en vervoert die naar Europa. In totaal worden onder de vlag van Nederland tussen 1596 en 1830 ongeveer 600.000 Afrikanen als tot slaafgemaakten naar de ‘Nieuwe Wereld’ getransporteerd. In 10% van de gevallen met Rotterdamse schepen. Nederland is een van de laatste landen die de slavernij afschaft.
158 jaar geleden, op 1 juli 1863, wordt het einde van de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel afgekondigd. De plantage-eigenaren worden door de Staat gecompenseerd, maar de slaafgemaakten zijn nog niet vrij. Zij worden gedwongen om onder toezicht van de Staat nog tien jaar als goedkope arbeidskrachten door te werken, zogezegd om te
Blad:
3/11
leren ‘een werkzaam en zedelijk leven te leiden’, maar feitelijk om te voorkomen dat er onvoldoende werkkrachten beschikbaar zouden zijn.1 In dezelfde periode is Nederland ook een koloniale mogendheid in Zuidoost-Azië. Eind 17e eeuw begint de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) met het koloniseren van delen van Nederlands-Indië. Van 1816 tot 1949 is Indonesië gekoloniseerd door Nederland. Een periode van economische voorspoed, maar ook van onderdrukking en uitbuiting. In de periode 1600-1900 worden in Zuidoost-Azië grote aantallen mensen tot slaaf gemaakt en verhandeld in de Nederlandse koloniën. De slavernij is in de Oost afgeschaft in 1860. De onafhankelijkheid wordt in 1945 uitgeroepen en pas na een bloedige oorlog in 1949 door Nederland erkend.
De rol van Rotterdam De gemeenteraad nam op 14 november 2017 de motie Wijntuin2 aan. Deze motie droeg het college op het koloniale en slavernijverleden van Rotterdam grondig te onderzoeken. Op 31 oktober 2020 presenteerde het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) de resultaten, in de vorm van drie boeken.3 Het onderzoek toont aan dat Rotterdam, net als andere Nederlandse (haven)steden, vanaf 1600 een rol speelde in de Nederlandse koloniale handel, slavernij en verwerking van koloniale producten zoals suiker, tabak, koffie en thee. In de VOC had het Rotterdamse stadsbestuur (hierna: de vroedschap) een aandeel van 6,25%; in de WIC een aandeel van ca. 4%. Ter vergelijking: Amsterdam had een aandeel van ongeveer 50% in beide compagnieën. De VOC en WIC waren private handelscompagnieën met overheidsbevoegdheden, zoals het sluiten van verdragen, het voeren van oorlogen en het besturen van veroverde gebieden. Bestuurlijke elite van Rotterdam In Rotterdam bepaalde de vroedschap met meerderheid van stemmen de keuze van bewindvoerders van de Rotterdamse Kamers van VOC en WIC. Een Kamer kun je vergelijken met een afdeling van de handelscompagnie. De Kamers vormden het dagelijks bestuur en rustten schepen uit. In de Kamer van de WIC in Rotterdam namen Delft, Rotterdam en Dordrecht gezamenlijk deel.
De banden tussen de vroedschappen en handelscompagnieën waren nauw.4 Tussen 1602 en 1795 bekleedden verreweg de meeste bewindhebbers van de VOC en WIC ook het ambt van vroedschap en/of burgemeester. Rond 1600 waren vroedschapsleden bijna altijd handelaar of koopman. In de 17e eeuw en in mindere 1 Door deze tien jaar verlenging, wordt het jaar 2023 symbolisch gezien als jaar van 150 jaar afschaffing van slavernij.
PvdA-motie 'Rotterdams slavernijverleden geeft inzicht en verbindt’ (17bb9435) Lees hier meer over het onderzoek: https://stadsarchief.rotterdam.nl/zoek-en-ontdek/themas/koloniale-enslavernijver/ 4 Lees voor meer informatie het hoofdstuk ‘Rotterdamse ondernemers en bestuurders: een koloniale kruisbestuiving’ (vanaf p.145) van het boek ‘Het Koloniale verleden van Rotterdam’ van Gert Oostindie. 2 3
Blad:
4/11
mate in de 18e eeuw drongen nog maar bij mondjesmaat nieuwe rijken tot de regentenstand door. In de 18e eeuw dankten de meeste vroedschapsleden hun posities aan families of andere relaties. Ter illustratie: als potentiële stadsbestuurder in die periode, kwamen je ouders uit bekende Rotterdamse regentengeslachten. Je werd lid van de vroedschap en bekleedde gedurende je loopbaan ook enkele andere regentenambten, verkregen via vrienden en familieleden. Je vader was bijvoorbeeld bewindvoerder van de VOC. Je volgde hem op als bewindvoerder en trouwde met de dochter van een bewindvoerder van de WIC. Dat deed jij op je beurt voor anderen in jouw privésfeer. Je verstrekte intussen via eigen private bedrijven leningen aan planters in Suriname. Uiteindelijk werd je, als het meezat, gedurende je loopbaan ook één of enkele keren burgemeester van Rotterdam en vertegenwoordigde je in die rol de stad bij de vergaderingen van de Staten-Generaal. Handelen als privépersoon en besluiten als stadsbestuur Wat in zo’n loopbaan precies valt onder privéverantwoordelijkheid en wat ambtshalve besluiten waren namens het stadsbestuur, is historisch niet meer te scheiden – ook omdat de waarde die gehecht wordt aan dat onderscheid van latere tijd is.
Wel zijn er voorbeelden waaruit blijkt dat óók het stadsbestuur besluiten nam die kolonialisme en slavernij vooruithielpen en de stad financieel ten goede kwamen. Eind 1612 stemde de Rotterdamse vroedschap in met de lening van een half miljoen gulden (nu 7.5 miljoen euro) aan de VOC tegen 4% rente per jaar. Andersom betaalden de VOC en WIC in- en uitvoerbelastingen aan de stad. In de 18e eeuw bedroegen de inkomsten uit accijnzen naar schatting 50.000 gulden (nu 540.000 euro) per jaar. Met het vervallen van het alleenrecht van WIC op de slavenhandel in 1730 kreeg de firma Coopstad & Rochussen het recht die handel over te nemen. In de periode van 1747 tot 1777 heeft de firma in ca 65 slaventransporten ca 20.000 slaafgemaakten vervoerd van de Westafrikaanse kust naar de plantages in Suriname en op de Nederlandse Antillen. Daarmee was Coopstad & Rochussen de op één na grootste slavenhandelaar in de Republiek. In 1754 zette de firma de eerste negotiatie (plantagelening) op. De vroedschap leende de firma 30.000 gulden (nu 360.000 euro) van de stad Rotterdam tegen een rente van 4 procent. Vroedschapsleden, tevens investeerders, stonden borg voor de lening. Het Rotterdamse stadsbestuur financierde op die manier rechtstreeks in de Caribische plantage-economie. In 1756 financierde de vroedschap opnieuw een plantagelening.
Deze keer ging het om 21.000 gulden (nu 206.000 euro) in een plantagelening aan het Rotterdamse handelshuis Wed. A. Hamilton & Meyners met als onderpand de schuldbekentenissen van Surinaamse plantages waaraan het geld was uitgeleend. Ook financierden vroedschapsleden en burgemeesters op persoonlijke titel in plantageleningen van de Rotterdamse handelsonderneming van Ferrand Whaley.
Blad:
5/11
Tot 1795 was het Atlantisch gebied belangrijker voor de economie van Rotterdam dan Nederlands-Indie. Na 1813 verschoof het zwaartepunt van koloniale belangen van de West naar de Oost. Reders, financiële dienstverleners en fabrikanten richtten zich steeds meer op de handel met Nederlands-Indië en in mindere mate op Suriname en het Caribisch gebied. De ondernemers waren veelal lid van de gemeenteraad, maar dat leidde niet meer tot leningen of investeringen vanuit het stadsbestuur. Duidelijk mag wel zijn dat politieke en economische belangen naadloos ineen vloeiden, zeker in de periode van de vroedschappen, niet te scheiden zijn. Persoonlijke scrupules speelden geen rol. De 19e-eeuwse handel op Nederlands-Indië droeg bij aan de groei van Rotterdam tot een wereldhaven. Dat was voor de voorzitter van de Ministerraad (nu de rol van minister-president) Thorbecke reden om zich hard te maken voor de aanleg van de Nieuwe Waterweg, die met inkomsten uit het ‘Cultuurstelsel’ in Nederlands-Indië door het rijk werd gefinancierd. Zoals Thorbecke zei: “Ik zeg nog dat dit een gewaagd werk is, maar een werk dat wij moeten wagen.”
Invloed op Rotterdam van nu Het is een confronterende geschiedenis, die sporen nalaat tot op de dag van vandaag. Rotterdam heeft mede door deze stadsgeschiedenis een internationaal karakter, met grote groepen inwoners uit de voormalige – Nederlandse, maar ook Portugese, Franse, Spaanse en Britse – koloniën. Eén op de acht huidige Rotterdammers heeft voorouders die ooit tot slaaf gemaakt zijn in het Trans-Atlantisch gebied. De ene Rotterdammer is zich niet van deze geschiedenis bewust en vindt het niet relevant voor het heden. De ander is zich daar wel van bewust, maar voelt zich niet emotioneel betrokken bij het verleden. En er zijn Rotterdammers die dat anders ervaren en die de verbinding leggen met hedendaagse ervaren met racisme. Die verschillende perspectieven kunnen leiden tot onbegrip en polarisatie. Het college ziet en voelt de verantwoordelijkheid om Rotterdammers te verbinden.
2. Stadsgesprekken (januari – september 2021) In onze eerste reactie op de onderzoeksuitkomsten in de collegebrief van januari jl. (21bb25), kondigden we aan tot oktober een zorgvuldig traject in te gaan om met Rotterdammers te spreken over het koloniaal en slavernijverleden, hoe het voor hen leeft en welke wensen voor de toekomst er zijn. We spraken ruim 200 Rotterdammers, wetenschappers en experts om uiteenlopende perspectieven te verzamelen en concrete suggesties te doen voor vervolgstappen. Dit heeft een heel kleurrijk beeld opgeleverd. Bijgaande rapportage beschrijft de aanpak van deze stadsgesprekken, met wie is gesproken, waarover, hoe dat ging, wat het opleverde en hoe we daarop reflecteren. We vatten hieronder de meest bespreken elementen samen.
Blad:
6/11
Proces en inhoud (zie bijlage 1) De Rotterdammers die wij spraken bleken heel goed in staat om genuanceerd, gedifferentieerd, mild en constructief over het onderwerp te praten. Vrijwel iedereen die we spraken had een unieke, eigen blik op het verleden en ging constructief met elkaar het gesprek aan. Er waren ook Rotterdammers die niet in gesprek wilden. Zij gaven als redenen: Slechte eerdere ervaringen met de overheid, omdat er vaak maar kortdurend (politieke) aandacht is voor sociale gelijkheid en de emancipatie van Afro- en Aziatische Rotterdammers of andere Rotterdammers met een migratieafkomst; Niet eens zijn met de manier waarop de stadsgesprekken georganiseerd waren of door wie ze georganiseerd werden (bijv. wanneer dit een witte ambtenaar was), waarin volgens hen scheve machtsverhoudingen op basis van kleur weer bevestigd werden; Vrezen dat hun opvattingen als ‘racistisch’ bestempeld zouden worden omdat zij oprecht niet begrijpen waar de pijn over het verleden vandaan komt en daar ook niet meer naar durven te vragen (ondanks dat ze vaak erg maatschappelijk en sociaal bewogen bleken) en/of omdat zij aannamen dat de ‘politiek correcte’ uitkomst al vast lag.
Inhoudelijk hebben de stadsgesprekken het volgende beeld gegeven: De meeste Rotterdammers die wij spraken, drukken zich genuanceerder over de geschiedenis uit dan in termen van schuld en onschuld of daders en slachtoffers. Kenmerkend was dat niemand enkel in het verleden wilde blijven hangen, maar juist (ook) vooruit wilde kijken naar de toekomst. In vrijwel alle gevallen gaven Afro-Rotterdammers (en minder uitgesproken ook Aziatische Rotterdammers5) ons aan, dat er behoefte is aan: o Erkenning dat dit onze gezamenlijke geschiedenis is, dat deze geschiedenis veel leed (heeft) veroorzaakt en dat het verleden van invloed is op hedendaagse sociale ongelijkheid en racisme; o Educatie over het verleden, zodat meer Rotterdammers zich hiervan bewust zijn en snappen hoe de diversiteit van onze stad volgt uit onze geschiedenis; o Excuses voor de rol die vroege stadsbesturen hebben gehad in het kolonialisme en slavenhandel. Het gaat hierbij niet om een schuldvraag richting individuele Rotterdammers van nu, maar om toenemend collectief bewustzijn van ons eigen verleden, dat via de burgemeester, namens het Rotterdamse college, tot uiting kan komen;
5
De term Afro-Rotterdammers gebruiken we om stadsgenoten met een Afro-Caribische achtergrond aan te duiden (bijv. Surinaamse en Antilliaanse Rotterdammers) en de Afrikaanse diaspora. Met Aziatische Rotterdammers worden vooral stadsgenoten uit voormalig Nederlands-Indië bedoeld. Het gaat in deze context om mensen die in de familiegeschiedenis te maken hebben gehad met (de gevolgen van) (Trans-Atlantische) slavernij en/of kolonialisme.
Blad:
7/11
o
Racismebestrijding, blijvend en duurzaam. En meer diversiteit (representatie) in de gemeentelijke organisatie, daar waar het bestuur geadviseerd wordt en waar beleid voor de stad geschreven wordt;
Het advies van de Adviesraad Antiracisme & Inclusie (in oprichting) ligt ook in deze lijn. Dit advies vindt u bij de bijgevoegde stukken. De gesprekken gingen verder grotendeels over de weg vooruit: wat heeft de stad nodig om vanuit dit verleden naar een positieve toekomst te werken? Dit is verwerkt in een koersdocument voor een stadsprogramma in 2022.
Stadsprogramma (zie bijlage 2) We willen met het stadsprogramma het verleden dat ons verdeelde, maken tot een toekomst die ons verbindt. Een samenleving van gelijkwaardigheid en trots op onze veelkleurige Rotterdamse identiteit. Om daar te komen, faciliteren we kennisbevordering en verbinding met activiteiten in het onderwijs, kunst en cultuurprogramma’s en bewustwordingscampagnes. De bouwstenen voor het stadsprogramma zijn op dit moment in ieder geval: 1. Website en gratis publieksversie van de onderzoeksresultaten 2. Educatie 3. Maatschappelijke en culturele initiatieven 4. Ondersteuning van een platform gericht op collectieve kracht, bewustwording en kennisdeling 5. Toelichting bij hoofdrolspelers in de koloniale geschiedenis 6. Inzet op racismebestrijding, acceptatie van diversiteit en inclusie 7. Overige acties
3. Collegereactie en vervolg In dit laatste deel van deze brief nemen wij de raad graag mee in enkele overdenkingen. Het college wil de raad in de gelegenheid stellen om wensen en bedenkingen mee te geven. Daarna kan het college in december definitief besluiten: Hoe het college van B en W op het verleden reflecteert; Of daar een excuus bij hoort (door het college en/of de Staat); Hoe het stadsprogramma verder wordt uitgewerkt.
Rotterdam anno nu Rotterdam is een wereldstad met een kleurrijke bevolking. Diversiteit is een feit en men wil binnen de kaders van de wet ontspannen kunnen samenleven. Stadsgenoten door alle lagen en culturen heen zijn er trots op om Rotterdammer te zijn. De rol die vroegere stadsbesturen en ondernemers hebben gehad in het koloniale systeem, kan in ieder geval de bestuurders, ondernemers en bewoners van nu niet aangerekend
Blad:
8/11
worden. Niemand is schuldig aan de daden van toen. De scheidslijn tussen daders en slachtoffers is, na zo veel tijd en zoveel diversiteit in de stad, ook niet meer te trekken. Een excuus kan daarom altijd alleen maar namens een institutie zijn en niet namens individuele Rotterdammers van nu. Dat neemt niet weg dat voor veel mensen racisme, uitsluiting en sociale ongelijkheid de dagelijkse realiteit is. Op de arbeidsmarkt, woningmarkt, gezondheidszorg, op straat en in de media – onderzoeken tonen dit steeds aan en Rotterdammers vertellen erover. Een deel van deze mensen heeft voorouders die al gebukt gingen onder kolonialisme, uitbuiting en slavernij en zien een verband met dit verleden wanneer zij zelf racisme en sociale ongelijkheid meemaken. We moeten inzetten op educatie, verbinding en racismebestrijding. Het college investeert daarin door het voorgestelde Stadsprogramma Koloniaal en Slavernijverleden 2022 en de continuering van Rotterdam Tegen Racisme. Het college erkent het leed dat mensen is aangedaan en erkent ook dat vandaag nog veel intergenerationeel leed wordt ervaren.
Beoordelen van daden uit het verleden Hoe kijken we vanuit dat perspectief terug op het handelen van onze voorouders? De Rotterdammers, soms ondernemers, soms bestuurders (vaak beiden) en soms in naam van het stadsbestuur zelf, handelden volgens de tijdsgeest van toen. Zij investeerden in hun bedrijven, gericht op economische voorspoed, in een wereld die zowel in Nederland als elders veel harder is dan nu en waar mensenlevens minder waard waren. Er was minder oog voor menselijk leed en al helemaal voor menselijk leed dat zich ver weg afspeelde met mensen die ‘anders’ waren. Hoe onvoorstelbaar ook, dat was in die tijd voor het gros van de mensen in Europa en in de rest van de wereld normaal. Wel was slavernij in het eigen land verboden, wat aangeeft dat men de onwenselijkheid van slavernij, in ieder geval binnen de eigen groep, eigenlijk moreel onacceptabel vond. Wat dit allemaal heeft veroorzaakt is, zeker vanuit de moraal van nu, afschuwelijk. Het college is wel voorzichtig om met een beschuldigende vinger te wijzen naar personen uit het verleden en voorzichtig met het overnemen van verantwoordelijkheid van iets dat door een ander in het verleden is gebeurd. Het college acht het niet juist om met de morele standaarden van vandaag individuen van toen, die in een andere tijd met andere morele standaarden leefden, te ‘berechten’. Bovendien kunnen zij zich niet meer verdedigen.
Daar komt bij, dat als we het verleden beoordelen door de ogen van nu, we dan eerst naar onszelf moeten kijken. Want investeren in economische voorspoed met beperkt oog voor de consequenties, is ook de moderne mens niet vreemd. Ook Rotterdammers van vandaag leven in een wereld waar onrecht is: (moderne) slavernij, mensenhandel, kinderarbeid, gedwongen prostitutie, uitbuiting, klimaatverandering of andere problemen. We dragen daaraan zelfs onbedoeld bij wanneer we te goedkope producten uit verre landen kopen, financiële instelling ons
Blad:
9/11
spaargeld of pensioen beheren en dat (indirect) in wapenfabrieken investeren, of wanneer we kijken naar de invloed van de mens op klimaatverandering. We weten het, maar houden we het tegen? Kunnen we dat? Of blijft het nog ver van ons bed? Keken Rotterdammers van toen naar slavernij, zoals Rotterdammers van nu naar moderne slavernij kijken? We weten niet hoe toekomstige generaties ons zullen beoordelen, zoals wij nu naar het verleden terugkijken.
De excuusvraag: de Staat en de steden Als we de schuldvraag overstijgen en de aandacht vestigen op het erkennen van het veroorzaakte leed en de relevantie voor mensen van nu, ziet het college hoe onbevredigend het is dat Nederland nooit verantwoording heeft afgelegd voor wat er is gebeurd. Er is in al die tijd te weinig aandacht geweest voor dit deel van onze geschiedenis, ook in Rotterdam. De grondige onderzoeken naar het Rotterdamse aandeel in deze geschiedenis was dan ook hard nodig en helpt om deze geschiedenis onder ogen te zien. Het gaat daarbij niet om de individuele daden van stadsbestuurders van toen. Het gaat om het hele systeem van kolonialisme en slavernij en om leed van vandaag de dag. Een oprecht excuus vanuit de overheid dat dit systeem heeft kunnen bestaan en door de overheid is ondersteund, kan bijdragen aan heling en aan de mogelijkheid om vanuit de geschiedenis die ons verdeelt, te komen tot een toekomst die ons verbindt. De Nederlandse Staat maakte het kolonialisme en slavernij mogelijk en maakte het legaal.
Dus alleen de staat kan verantwoording afleggen over het geheel van de nationale rol in het koloniale verleden en slavernijverleden, de wetten die het legaliseerden en er een eind aan maakten, de rol van de staat in de betalingen aan voormalige ‘eigenaren’ van tot slaafgemaakten, de ‘politionele acties’ in Indonesië en de behandeling van Molukkers en (andere) ex-KNIL militairen, en alle gevolgen daarvan, inclusief internationale verhoudingen en materiële en immateriële schade. Het traject van de stadsgesprekken met Rotterdammers maakt duidelijk dat een Rotterdams excuus zeer op prijs wordt gesteld, maar – nog veel belangrijker – dat uiteindelijk van de Staat verwacht. Het college vindt de vraag om Staatsexcuses terecht. Een stad kan voor dit stelsel geen excuses maken, omdat het er niet verantwoordelijk voor is – maar kan hooguit terugkijken naar de rol van voormalige stadsbesturen daarin. Burgemeester Aboutaleb heeft het Rijk in 2019 en 2021 opgeroepen om werk te maken van excuses. Het college van B en W van Rotterdam onderschrijft deze oproep en verzoekt de onderhandelende partijen voor een nieuw kabinet om voorbereidingen te treffen voor een nationaal excuus in 2023.
Het college beraadt zich om ook zelf excuses te maken voor het Rotterdamse aandeel hierin: de vroedschappen die belangen behartigden van de VOC en WIC en daarin zelf dubbele rollen vervulden en de investeringen en leningen die het
Blad:
10/11
stadsbestuur deed in deze compagnieën, private bedrijven en plantages. De definitieve uitkomst volgt voor het einde van dit jaar, nadat de commissie WIISA wensen en bedenkingen heeft kunnen aangeven. Het college benadrukt met de uitvoering van het stadsprogramma dat het naast een eventueel excuus vooral om daden gaat. Met concrete acties zet Rotterdam in op bewustwording, educatie, verbinding, culturele uitingen en gelijkwaardigheid, zoveel mogelijk vanuit de betrokken Rotterdammers, belangenorganisaties en stichtingen zelf. Hiermee wil het college de weg vrijmaken voor wederzijds begrip, toenadering en samenwerking aan gelijkwaardigheid en onderling vertrouwen in de stad die we delen.
Tot slot Nu we weten wat onze eigen rol als stad was, is er geen weg terug. We hebben een collectieve verantwoordelijkheid goed om te gaan met dit verleden en ervan te leren. Als Rotterdammers, door met elkaar een weg naar een gezamenlijke toekomst vorm te geven. De stadsgesprekken bieden hoop. Hoop dat we het Rotterdamse slavernijverleden en de koloniale geschiedenis samen kunnen omarmen, (h)erkennen en een plek geven in ons collectieve geheugen. Dat we blijven openstaan voor gesprek, op basis van kennis, wederzijds begrip en compassie; niet om af te rekenen met andersdenkenden of elkaar de mond te snoeren, maar om te werken aan meer acceptatie en inclusie. En hoop op een beter evenwicht van perspectieven op het verleden. De persoonlijke verhalen en ervaringen van Rotterdammers hebben ons geraakt. En bijgebracht dat het niet alleen een verleden van slachtofferschap is, maar ook één over strijd voor zelfbeschikking en gelijkwaardigheid.
Dankwoord Het college is dankbaar voor alle Rotterdammers die met goede wil met de gemeente in gesprek te gaan. Het college is ook de gemeenteraad en de indiener van de motie Wijntuin dankbaar voor de opdracht om dit stadsverleden grondig en feitelijk te laten onderzoeken. Dank ook aan het KITLV en de onderzoekers, die met hun diepgravende kennis en kunde een belangrijk deel van onze stadsgeschiedenis tastbaar hebben gemaakt. Als laatste dank aan de Adviesraad Antiracisme & Inclusie (in oprichting), die met het eerste advies over een complex onderwerp als dit, direct van zich liet horen met een gedegen en stevig advies aan het college.
Financiële en juridische consequenties/aspecten: Aan deze brief zijn geen juridische consequenties verbonden. Voor de uitvoering van het stadsprogramma en continuering van Rotterdam Tegen Racisme stelt het college in de begroting van 2022 een bedrag voor van €3 miljoen. De begroting wordt in november vastgesteld door de gemeenteraad. Het is na de
Blad:
11/11
verkiezingen van 2022 aan het volgende college en gemeenteraad om te bepalen welke inzet gepleegd wordt in het nationale herdenkingsjaar 2023 en verder. We stellen voor om hiermee af te doen: Motie 'Rotterdams slavernijverleden geeft inzicht en verbindt’ (17bb9435) Toezegging om de uitkomsten van het proces rondom de vraag om excuses voor het slavernijverleden in oktober beschikbaar te stellen (21bb1043) Motie ‘Maak de geschiedenis zichtbaar’ (20bb16904) Burgerinitiatief ‘Rotterdams museum over o.a. Afrikaanse geschiedenis en slavernij’ (20bb2325) Motie ‘Maak de geschiedenis zichtbaar’ (20bb16904, zie ook 18bb1818 Initiatiefnota Straatnamen, zet diversiteit letterlijk op de kaart!) Toezegging ‘Ere wie ere toekomt’ (17bb8372)
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, De secretaris,
De burgemeester,
V.J.M. Roozen
A. Aboutaleb
Bijlage(n): Stukken van college 1. Rapportage Stadsgesprekken 2. Koersdocument Stadsprogramma 2022 Adviesraad Antiracisme & Inclusie 3. Adviesbrief van de Adviesraad Antiracisme & Inclusie Rotterdam 4. Collegereactie op Adviesraad Antiracisme & Inclusie Rotterdam Rapportage / bronnenmateriaal van derden 5. Rapportage LOKAAL over dialogen (i.s.m. GVGT) 6. Reader ‘History Matters’ van GVGT 7. Rapport Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden (min. BZK)