21bb11390 Bijlage behorende bij 21bb11389 over Monitoronderzoek Rotterdamse wijkbasisbaan
Tekst van het document
5.4
ERVAREN WAARDE VAN WERK: GROEI, ZELFVERTROUWEN EN ZINGEVING
De wijkbasisbaan heeft voor alle deelnemers wat opgeleverd. Een belangrijke opbrengst volgens de deelnemers is persoonlijke groei. Ze hebben veel nieuwe dingen geleerd, op inhoudelijk en praktisch vlak – maar ook over zichzelf. Bijvoorbeeld hoe het werk in elkaar zit, hoe grote organisaties werken, of om problemen van anderen niet mee te nemen naar huis. Ook geeft het werk een opstapje om te kijken wat je hierna gaat doen. Eén deelnemer noemt dit “purpose”, een duidelijker doel waar hij naartoe aan het werken is. “We hebben uiteindelijk allemaal een soort van droom, een stip aan de horizon” Een andere opbrengst is het krijgen van meer zelfvertrouwen. Twee deelnemers geven aan dat hun zelfvertrouwen echt een ‘sprong’ heeft gemaakt door de wijkbasisbaan. Een van hen zegt daarover: “Ik kon experimenteren met allerlei dingen en daaruit vertrouwen halen. Dat heeft ook te maken met de resultaten die dat geeft en de interactie met mensen (...) Maar ook dat je zelf ziet dat je aan het ontwikkelen bent op nieuwe gebieden” Het werk wordt door de alleenstaande moeders, wiens leven jarenlang in het teken van hun kinderen stond, ook gezien als iets voor zichzelf.
Ze hebben nu de ruimte om te groeien en te doen wat ze graag willen: “Nu heb ik echt iets wat van mij is, mijn eigen ding” Andere opbrengsten die worden genoemd door de deelnemers zijn waardering, het gebruikmaken en kunnen delen van je eigen kennis, vrijheid (o.a. niet meer de verplichtingen die gepaard gaan met een uitkering) en een voorbeeld kunnen zijn voor je kinderen.
5.5
ERVAREN FINANCIËLE STRESS: KLEINE VOORUITGANG, MAAR PRIMA EERSTE STAP
Op financieel vlak zijn de deelnemers erop vooruitgegaan, al blijft dit vaak beperkt doordat toeslagen wegvallen. Desondanks is het voor de meesten een prima eerste stap, die wel degelijk effect heeft op hun financiële stress. Een deelnemer zegt hierover: “Je hoeft geen kangoeroesprongen te maken, kikkersprongen zijn genoeg” Het is bijvoorbeeld makkelijker geworden om rekeningen te betalen en ze zijn niet meer afhankelijk van anderen om tegenslagen op te vangen. Dit helpt voor de gemoedsrust. Daarnaast zien ze ook het grotere plaatje: het werk heeft een hoop andere voordelen en al ga je er dit jaar nog niet op vooruit, volgend jaar misschien wel. Eén deelnemer vond de hoogte van de uitkering prima en zegt liever een vaste baan te hebben voor minder geld.
25 SEOR
5.6
ERVAREN OMVANG SOCIAAL NETWERK: AFHANKELIJK VAN TYPE WERK
Alle deelnemers geven aan dat hun sociaal netwerk in de afgelopen periode groter is geworden. De mate waarin verschilt naar het type werk dat zij doen. Bij de een gaat het vooral om contacten met een begeleider of collega(’s), terwijl de ander ook veel meer mensen leert kennen in de eigen wijk. Daarnaast speelt ook de situatie voor de wijkbasisbaan mee. Eén deelnemer had al een sterk netwerk, terwijl dit bij de rest minder het geval was. Vooralsnog gaat het met name om oppervlakkig contact, maar de deelnemers hebben ook niet altijd behoefte aan een meer diepgaande band. Een deelnemer vindt het fijn om alleen te zijn, maar ervaart het dagelijkse contact met veel mensen nu wel als prettig. Mogelijk kan dit zich in de toekomst verder uitbouwen. Een andere deelnemer heeft weinig tijd voor vriendschappen vanwege de kinderen, maar geniet van de praatjes op straat met buurtgenoten. Ook de steun van de begeleiders op het werk wordt door verschillende deelnemers genoemd.
5.7
ERVAREN ONTWIKKELING GEZIN/KINDEREN: VOORBEELD VAN “HARD WERKEN WORDT BELOOND”
De deelnemers het vinden fijn om een voorbeeldfunctie te hebben voor hun kinderen. Ze voeden hun kinderen op met het idee dat ze hard moeten werken voor wat ze willen. Dan is het fijn als je zelf kunt laten zien dat dit ook resultaat heeft. Als je zelf een uitkering ontvangt, kan het lastig zijn om tegen je kinderen te zeggen dat ze goed hun best moeten doen op school. Een van de deelnemers heeft het idee dat de wijkbasisbaan invloed heeft op de manier waarop de kinderen naar haar én uiteindelijk ook naar zichzelf kijken. Ze kijken daardoor ook anders tegen dingen als school en werk aan. Deze deelnemer is ervan overtuigd dat de wijkbasisbaan een gunstig effect heeft op de ontwikkeling van de kinderen: “Ik heb vijf kinderen, mijn collega in Noord vier kinderen. Je bent dan elf mensen aan het vooruitbrengen” De kinderen van de deelnemers zijn trots op hun vader of moeder, maar zouden dat ook zijn als deze geen werk heeft. De wijkbasisbaan verandert het beeld dat ze van hun ouders hebben niet. Verder heeft de wijkbasisbaan een aantal praktische consequenties voor het gezin, omdat de moeders minder vaak thuis zijn bij de kinderen. Zo wordt er later gegeten en vindt communicatie vaker digitaal plaats. De kinderen vinden het soms jammer dat hun moeder minder tijd heeft.
5.8
BALANS VANUIT PERSPECTIEF DEELNEMERS ZONDER WERK
De deelnemers laten op verschillende vlakken een gunstige ontwikkeling zien. Zij schatten hun kansen op de arbeidsmarkt groter in, zitten vaak beter in hun vel en hebben eerste stappen gezet op sociaal en financieel vlak. De meeste deelnemers zitten goed op hun plek. Voor één deelnemer geldt dat er geen goede match is tussen de functie en wat de deelnemer zelf kan en wil. De ontwikkeling van deze deelnemer blijft dan ook achter in vergelijking met de andere deelnemers. Achteraf zijn alle deelnemers blij dat ze hebben meegedaan. Ze hebben veel geleerd van de ervaring en zien de wijkbasisbaan als een opstapje richting een betere toekomst. In die zin is deelname aan de wijkbasisbaan een waardevol traject. Wel hebben de deelnemers behoefte aan een duurzaam perspectief. Het contract duurde in eerste instantie zes maanden. Dit zorgde voor de nodige onzekerheid en extra druk, omdat zowel de deelnemers als de organisatie zoveel mogelijk uit deze relatief korte periode willen halen. Op het moment dat de laatste gesprekken plaatsvonden, was het contract van de meeste deelnemers overigens wel verlengd. 26 SEOR
6
DE REFLECTIE VAN ‘DENKERS’ EN ‘DOENERS’
27 SEOR
6
DE REFLECTIE VAN ‘DOENERS’ EN ‘DENKERS’
In de laatste fase van het monitoronderzoek zijn twee online kennissessie georganiseerd met ‘denkers’ en ‘doeners’ (zie hoofdstuk twee). Tijdens de bijeenkomsten komen met name een vijftal aspecten terug in de discussie: (a) het gebrek aan intergemeentelijke samenwerking, (b) het wijkkarakter van de Rotterdamse wijkbasisbaan; (c) de doelgroep van de Rotterdamse wijkbasisbaan, (d) financiering van de Rotterdamse wijkbasisbaan en (e) de behoefte aan experimenteel evaluatieonderzoek.
6.1
INLEIDING
In de hiervoor beschreven hoofdstukken hebben we gezien dat de gemeente Rotterdam met een kleinschalige pilot vooral wil leren van het werken met een wijkbasisbaan. Op korte termijn zijn de opbrengsten in strikt economische zin (op jaarbasis) kleiner dan de gemaakte kosten, hoewel een breder welvaartsperspectief zeer waarschijnlijk positiever uitpakt. Dit laatste hoofdstuk beschrijft op beknopte wijze vanuit het perspectief van een aantal ‘denkers’ en ‘doeners’ waarmee rekening dient te worden gehouden, wanneer er wordt gekozen voor een verdere opschaling van de (wijk)basisbaan. Hiervoor zijn twee online kennissessies georganiseerd (zie hoofdstuk twee voor de samenstelling en opzet).
6.2
ONLINE KENNISSESSIE MET ‘DOENERS’: BASISBAAN ALS POLITIEK INSTRUMENT EN GEBREK AAN INTERGEMEENTELIJKE SAMENWERKING
Aan de eerste online kennissessie hebben in totaal 12 personen deelgenomen. Duidelijk is dat verschillende gemeenten inmiddels zijn gestart (of hierover nadenken) met een basisbaan. Opvallend genoeg kiezen gemeenten voor verschillende varianten van de basisbaan, wanneer ze tot invoering overgaan. In Groningen kiest de gemeente bijvoorbeeld voor een volledig publiek gefinancierde basisbaan, inclusief werkbegeleiding en persoonlijke ondersteuning. Taken worden aangedragen door (vertegenwoordigers van) de wijk en deelnemers krijgen een contract voor een maximale projectduur van drie jaar. Rotterdam zet in haar aanpak uitkeringsgeld in, waarbij het bedrijfsleven de wijkbasisbaan financieel aanvult tot minimaal het wettelijk minimumloon. Het gaat hierbij om arbeidscontracten van zes maanden, waarbij -net als in Groningen- het doorstroomperspectief op ‘regulier’ werk niet leidend is. De gemeente Den Haag werkt onder de programmanaam ’Instapeconomie’ via een inzet van de bijstandsuitkering (die door deelnemers wordt ontvangen) en aangevuld door een toelage (ter hoogte van een vrijwilligersbijdrage) die private partners in de wijk willen betalen voor de realisatie van instapbanen (dit leidt tot een zogenaamd ‘participatie-inkomen’). Het gaat -net als in Groningen en Rotterdam- om taken die maatschappelijk nuttig zijn, maar blijven liggen omdat het economisch onvoldoende rendabel is.
Gezien de verschillende uitvoeringsvarianten (in termen van de bekostiging en looptijd) lijkt de basisbaan (vooralsnog) een sterk gepolitiseerd instrument, die op basis van bestuurlijke besluitvorming invulling krijgt. Het denken over inzet van een basisbaan heeft sterk te maken met het denken over de maatschappelijke waarde van werk; het wel of niet publiek willen investeren in publiek (-private) baancreatie en het wel of niet willen toekennen van waarde aan werk dat zich begeeft tussen de ’reguliere’ economie en bijstand. De deelnemers aan deze kennissessie zijn het erover eens dat een basisbaan (in welke variant dan ook) pas overtuigend kan worden opgeschaald wanneer er voldoende data en inzichten beschikbaar zijn. In dit stadium moet er daarom een sterk beroep worden gedaan op verdere samenwerking tussen gemeenten om van elkaar te leren. Er zijn op 28 SEOR
dit moment overigens al een aantal kennis- en ontwikkelgroepen waaraan mensen kunnen deelnemen, maar van een overkoepelende vorm van intergemeentelijke samenwerking en kennisdeling rondom de basisbaan lijkt (rond het schrijven van dit rapport) nog geen sprake te zijn. Kijkend naar de toekomst merken deelnemers op dat er vergelijkbare (tijdelijke) initiatieven bestaan die veel op het idee van de basisbaan lijken, zoals de Werkbrigade in Amsterdam en de STiP-banen in Den Haag. Hierbij staat overigens wél uitstroom uit de bijstand (en het tijdelijk banentraject) naar de ‘reguliere’ economie voorop. Evaluatieonderzoek laat zien dat deze trajecten de baankansen van deelnemers kunnen vergroten, hoewel de duurzaamheid van de uitstroom naar ‘regulier’ betaald werk (nog) onbekend is en/of er te maken is met kleine onderzoekspopulaties.35 De uiteindelijke meerwaarde van de (wijk) basisbaan ten opzichte van bestaande re-integratiepraktijken laat zich als gevolg hiervan lastig bepalen.
6.3
ONLINE KENNISSESSIE MET ‘DENKERS’: GOED UITGANGSPUNT, MÉT VRAGEN
Aan de tweede online kennissessie hebben in totaal 11 personen deelgenomen. De deelnemers zijn van mening dat de wijkbasisbaan een beter alternatief is dan het bestaande re-integratieaanbod. De arbeidsmarkt komt volgens een deelnemer namelijk onvoldoende tegemoet aan de capaciteiten van mensen zonder werk. De arbeidsmarkt sluit in die zin personen bij voorbaat uit. Een andere deelnemer aan de kennissessie benadrukt dat het gevraagde tempo van werken een té grote vlucht heeft genomen; er wordt meer van mensen gevraagd, terwijl de competenties van mensen zonder baan in snel tempo verouderen. Verschillende mensen vragen zich wel of in hoeverre de wijkbasisbaan nog de behoeften in de wijk als uitgangspunt hanteert. De wijkbasisbanen zijn nu indirect een afspiegeling van behoeften in de wijk, maar er heeft feitelijk geen (democratische) wijkconsultatie plaatsgevonden. Over de doelgroep en financiering van de wijkbasisbaan zijn de meningen verdeeld. Enerzijds is er de opvatting dat de wijkbasisbaan open moet staan voor iedereen binnen de bijstandspopulatie met een afstand tot werk. De betreffende consulent bepaalt dan in samenspraak met de kandidaat of hij/zij geïnteresseerd is om deel te nemen. Deelname aan een wijkbasisbaan gebeurt volgens de deelnemers altijd op basis van vrijwilligheid.
Anderen zijn van mening dat het juist beter is om de doelgroep scherp af te bakenen, om op deze manier focus te houden; in Rotterdam zou het dan kunnen gaan om mensen die behoren tot de doelgroep van ‘Prestatie010’ Bij alle deelnemers bestaat het sterke vermoeden dat de wijkbasisbaan op korte termijn (economisch) meer kost dan opbrengt. Dit vindt aansluiting bij de bevindingen van deze monitor. Er komen vervolgens verschillende denkrichtingen voorbij in de richting van de bekostiging, die ook al eerder in deze rapportage zijn gesuggereerd, zoals het landelijk aanvragen van regelruimte binnen de P-wet, een SIB-constructie en/of aansluiting bij lopende SROI-afspraken. De verwachting is dat de wijkbasisbaan onvoldoende van de grond komt vanuit de private economie (dit punt kwam eveneens al naar voren in het eerder uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek van de Rotterdamse wijkbasisbaan). Om deze reden wordt gepleit om primair aansluiting te zoeken bij sociale ondernemers (zoals in Rotterdam gebeurt) óf te kiezen voor een aanvulling van de bijstandsuitkering via private bijdragen (zoals in Den Haag gebeurt). Tot slot is het volgens de deelnemers zinvol om aandacht te vragen voor experimenteel evaluatieonderzoek. Door meerjarig en met grote aantallen deelnemers te werken (binnen of tussen gemeenten), en deelnemers en organisaties vervolgens nauwgezet te volgen tegen de ontwikkeling
35
Gemeente Amsterdam (2019) Evaluatie Werkbrigade. Amsterdam: gemeente Amsterdam; Haanstra et al. (2020). Evaluatie STiP-regeling. Amsterdam: Regioplan.
29 SEOR
van een controlegroep, kan pas écht een zinvolle uitspraak worden gedaan over de toegevoegde waarde van een wijkbasisbaan ten opzichte van het zogenaamde projectalternatief.
6.4
BALANS VANUIT ‘DENKERS’ EN ‘DOENERS’: TIJD OM KNOPEN DOOR TE HAKKEN
Terugkijkend op beide kennissessie ontstaat het algemene beeld dat er nu een duidelijke opgave ligt om ambtelijk knopen door te hakken wat betreft de doelgroep, wijze van financiering en borging van het wijkgerichte karakter van de wijkbasisbaan. Intergemeentelijke begeleiding is nodig om van elkaar te leren en de (wijk)basisbaan vraagt op dit moment bij uitstek om grootschalig en systematisch effectonderzoek. Door landelijk (of lokaal) regelruimte mogelijk te maken voor de grootschalige inzet van deelnemers (minimaal 500 tot 1.000 wijkbasisbaners per gemeente) en hierbij meerjarig te werken, kan pas zicht worden verkregen op de daadwerkelijke maatschappelijke kosten en opbrengsten en hiermee de toegevoegde waarde van de wijkbasisbaan. Ook wanneer de kosten uiteindelijk hoger uitvallen dan de opbrengsten is dit een uitkomst. Maar zonder serieuze opschaling en het bijbehorende leervermogen van het initiatief is dit vooralsnog niet het beloofde wondermiddel voor de problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
I
30 SEOR
Dit rapport doet verslag van onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Rotterdam.
De verantwoordelijkheid voor de inhoud berust bij SEOR BV. Het gebruik van het materiaal in dit rapport is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Vermenigvuldiging en/of openbaarmaking in welke vorm dan ook is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van SEOR BV.
Het onderzoek is uitgevoerd door SEOR BV.
Dit rapport is een uitgave van SEOR BV - Marconistraat 16, 3029 AK Rotterdam In opdracht van de gemeente Rotterdam www.seor.nl