CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb1050 Bijlage behorende bij 21bb1049 over Milieueffectrapport windpark Maasvlakte 2

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 20.1 Tweeminutendebat over 'Het Rotterdamse strandparadijs op de Tweede Maasvlakte gaat verloren', aangevraagd door het lid Simons.31.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

719071 15-01-2021

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2

Eneco

Definitief

Duurzame oplossingen in energie, klimaat en milieu Postbus 579 7550 AN Hengelo Telefoon (074) 248 99 40

Documenttitel

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2

Soort document

Definitief

Datum

15-01-2021

Projectnummer

719071

Opdrachtgever

Eneco

Auteur

Vrijgave

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

SAMENVATTING I. Aanleiding Eneco is voornemens een windpark te realiseren op de harde en zachte zeewering van de Tweede Maasvlakte. De zeewering van de Tweede Maasvlakte is in verschillend beleid aangewezen als locatie voor de realisatie van windenergie. Ook in het bestemmingsplan ‘Maasvlakte 2’ (2018) is ruimte geboden voor de ontwikkeling van een windpark op de harde en zachte zeewering. In onderstaand figuur is het plangebied van windpark Maasvlakte 2 opgenomen. Het plangebied komt overeen met de zone voor windenergie zoals in het bestemmingsplan ‘Maasvlakte 2’ is vastgelegd. Figuur I Plangebied

Bron: Pondera Consult

Voor de realisatie van het windpark heeft Rijkswaterstaat in 2019 een tender uitgeschreven waarop ontwikkelaars zich konden inschrijven. De plannen van de deelnemers aan deze tender werden door RWS beoordeeld op kwaliteit, energieopbrengst en additionele vergoeding. De nadruk binnen de tender lag op de kwaliteit van het plan en de wijze waarop relevante stakeholders tevreden zouden worden van het plan. Het ging hierbij om een tevreden beheerder, omgeving, bevoegd gezag en afnemer. Ook het tijdig kunnen realiseren van de netaansluiting was een beoordelingscriterium. Onderdeel van de bieding (en inmiddels het contract tussen RWS en Eneco) is een zogenaamd Risicobeheersplan. In dit plan worden alle maatregelen beschreven die bijdragen aan de tevredenheid van de stakeholders. Eneco heeft zich dus op voorhand al gecommitteerd aan

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

een breed scala aan maatregelen. Daar waar relevant worden deze maatregelen beschreven in dit MER en waar mogelijk (want niet alle maatregelen hebben direct invloed op effecten of kunnen in deze fase nog niet volledig worden uitgewerkt) meegenomen in eventuele berekeningen (denk bijvoorbeeld aan het toepassen van uilenveren op windturbines om de geluidsbelasting te beperken). Onderdeel van de bieding was ook een windturbineopstelling met bijbehorende minimale energieopbrengst. Ook aan deze minimale energieopbrengst heeft Eneco zich middels het contract met RWS gecommitteerd. De uitgebreide tenderfase en de verplichtingen die volgen uit het contract tussen RWS en Eneco zorgen ervoor dat er op voorhand al relatief veel vastligt. Dit heeft gevolgen voor de verscheidenheid aan alternatieven die in dit MER onderzocht worden. II. Alternatieven Op basis van de informatie die in het voortraject is opgedaan en het aanbod dat ten behoeve van de tender is gedaan, zijn onderstaande alternatieven naar voren gekomen als basis voor de te onderzoeken milieueffecten in dit MER. De alternatieven gaan uit van dezelfde turbineposities, maar variëren in grote en kleine turbine-afmetingen. Op deze wijze worden de milieueffecten van de boven- en onderzijde van de range aan mogelijke turbineafmetingen op de beoogde locatie inzichtelijk gemaakt. In onderstaand figuur is de opstelling weergegeven.

In tabel 1.1 en 1.2 zijn de afmetingen van de opstellingen weergegeven. Figuur II opstelling alternatief 1 en 2

Alternatief 1 Alternatief 1 bestaat uit in totaal 22 windturbines, onderverdeeld in 9 windturbines op het noordelijk deel van de harde zeewering, 1 turbine op het zuidelijk deel van de harde zeewering

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

en 12 turbines op de zachte zeewering. In onderstaande tabel worden de maximale afmetingen van de windturbines op zowel de harde als de zachte zeewering weergegeven. Tabel I Alternatief 1 – Maximale afmetingen

Wering

Aantal

Maximale

Maximale

Maximale

Tiplaagte

masthoogte

rotordiameter

tiphoogte

(m) t.o.v.

(m)

(m)

(m)

maaiveld

Tiplaagte (m) t.o.v. kruin harde zeewering

Harde zeewering A

9

67

115

124,5

24,5

9,5

Harde Zeewering B

1

67

115

124,5

22,5

9,5

12

101

150

176

26

-

Zachte Zeewering

Alternatief 2 Alternatief 2 bestaat eveneens uit 22 windturbines, eveneens onderverdeeld in 9 windturbines op het noordelijk deel van de harde zeewering, 1 windturbine in het zuidelijk deel van de harde zeewering en 12 turbines op de zachte zeewering. De turbine in het zuidelijk deel van de harde zeewering sluit aan bij de turbineafmetingen van de windturbines op de zachte zeewering. In onderstaande tabel worden de maximale afmetingen van de windturbines op zowel de harde als de zachte zeewering weergegeven. Tabel II Alternatief 2 – Maximale afmetingen

Wering

Aantal

Maximale

Maximale

Maximale

Tiplaagte

masthoogte

rotordiameter

tiphoogte

(m) t.o.v.

(m)

(m)

(m)

maaiveld

Tiplaagte (m) t.o.v. kruin harde zeewering

Harde zeewering A

9

76

120

136

31

16

Harde Zeewering B

1

107

162

188

29

26

Zachte Zeewering

12

107

162

188

26

-

Het totale windpark bestaat uit de volgende onderdelen: •

Windturbines met een in de bodem gefundeerde mast voorzien van gondel met drie rotorbladen;

•

Ondergrondse elektriciteitskabels tussen turbines onderling en naar een nieuw aansluitpunt op het nationale net inclusief benodigde schakel-, meet- en transformatorstations;

•

Het aanpassen of aanleggen van (tijdelijke en permanente) toevoer- en onderhoudswegen en opstelplaatsen voor de bouwkranen.

Bijzonder aan dit project zijn de fundamenten die op de harde en de zachte zeewering worden gebouwd. Op de harde zeewering heeft Eneco als fundatie gekozen voor een terp van gewapende grond, om zo de invloed op de stabiliteit van de zeewering tijdens de uitvoering en exploitatie te minimaliseren.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Figuur III Terpfundatie op de harde zeewering (bron: RHDHV)

De beheerder van de zeewering heeft de sterke wens uitgesproken om zo min mogelijk permanente verharding toe te voegen aan de zachte zeewering. Daarom kiest Eneco hier voor het toepassen van een monopile. Figuur IV Monopile fundatie op de zachte zeewering (bron: RHDHV)

III. Huidige situatie en autonome ontwikkelingen In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een deel harde zeewering, bestaande uit een dijklichaam met een zwaar verdichte zandkern met een dikke kleilaag aan de landzijde voorzien van een erosiebestendige grasbekleding en een deel zachte zeewering, bestaande uit een strand en duingebied. Zowel de harde als de zachte zeewering zijn aangelegd ten behoeve van waterveiligheid. In de huidige situatie zijn er geen windturbines op de locatie aanwezig. Aan de westzijde van de zeewering is de Noordzee gelegen, aan de oostzijde van de zeewering begint het industrieel gebied van de Maasvlakte 2. Daarnaast is er in het gebied uiteraard de nodige

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

industrie gelegen, zijn er reeds bestaande windparken in de nabijheid van dit windpark en kent het gebied een recreatieve functie. Als autonome ontwikkeling worden twee overige projecten in dit MER behandeld (Aanlanding kabeltracé Hollandse kust Zuid en de Container Exchange Route (CER)). IV. Beoordelingskader In dit MER is op basis van regelgeving en beleid een beoordelingskader ontwikkeld waarmee de effecten van de alternatieven zijn beoordeeld. De effecten zijn per milieuaspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Tabel 4.1 geeft per milieuaspect welke criteria zijn gebruikt en de wijze waarop de effecten zijn beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). Dit wordt in hoofdstukken 6 tot en met 14 per thema verder toegelicht. Tabel III Beoordelingsaspecten en –criteria MER Windpark Maasvlakte 2 Aspecten

Geluid

Slagschaduw

Natuur

Veiligheid

Dijkveiligheid

Landschap

1

Beoordelingscriteria

Effectbeoordeling

•

Aantal geluidgevoelige objecten (zoals woningen van derden1) waarbij de wettelijke geluidsnorm (Lden=47 dB) wordt overschreden

•

Aantal geluidgevoelige objecten buiten de wettelijke geluidnorm, binnen 42 Lden dB

•

Laagfrequent geluid

•

Cumulatieve geluidbelasting

•

Aantal woningen van derden met slagschaduwduurhinder van 0 tot 6 uur per jaar;

•

Aantal woningen van derden met slagschaduwduurhinder van 6 tot 16 uur per jaar;

•

Aantal woningen van derden met slagschaduwhinder van meer dan 16 uur per jaar;

•

Aantal niet gevoelige objecten binnen slagschaduwcontouren

•

Effect op beschermde gebieden

•

Effect op beschermde soorten

•

Bebouwing

•

Wegen, waterwegen en spoorwegen

•

Industrie en inrichtingen

•

Transportleidingen en hoogspanningsleidingen

•

Bovengrondse effecten harde zeewering

•

Bovengrondse effecten zachte zeewering

•

Ondergrondse effecten harde zeewering

•

Ondergrondse effecten zachte zeewering

•

Aansluiting op landschappelijke structuur

•

Herkenbaarheid van de opstelling

•

Interferentie / samenhang

•

Invloed op de rust

•

Invloed op de openheid

•

Zichtbaarheid

Kwantitatief Laagfrequent geluid kwalitatief

Kwantitatief

Kwalitatief en kwantitatief Kwantitatief (aantal objecten binnen de toetsafstand)

Kwantitatief en kwalitatief

Kwalitatief

Woningen van derden zijn woningen die niet behoren tot de inrichting van het windpark

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Aspecten

Cultuurhistorie en archeologie Bodem en water

Ruimtegebruik

Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies

Beoordelingscriteria •

Verlichting

•

Aantasting cultuurhistorische waarden

•

Aantasting archeologische waarden

•

Watersysteem (waterkwantiteit en waterkwaliteit)

•

Bodemkwaliteit

•

Scheepvaart

•

Luchtvaart en radar

•

Straalpaden

•

Recreatie

•

Energieopbrengst

•

CO2-emissiereductie

•

SO2-emissiereductie

•

NOx-emissiereductie

•

PM10 (fijnstof)

Effectbeoordeling

Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief

Kwantitatief

Naast effecten tijdens de gebruiksfase wordt ook aandacht besteed aan effecten tijdens de aanlegfase. Ook is, waar van toepassing, aangegeven of cumulatie van effecten met andere projecten en activiteiten kan optreden. Daarnaast wordt er in de effecthoofdstukken per milieuaspect ingegaan op mogelijke mitigerende maatregelen. Dit zijn maatregelen die de effecten van windturbines voorkomt of verzacht. Om de effecten van de inrichtingsalternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / - schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies per aspect. V. Geluid De alternatieven kunnen zonder mitigerende maatregelen voldoen aan de L den en Lnight norm voor windturbinegeluid uit de Activiteitenregeling. Aangezien er voor de berekeningen is uitgegaan van een worst-case turbinetype, zullen andere typen binnen de maximale afmetingen eveneens inpasbaar zijn op de beoogde locatie. In cumulatieve zin vindt er een beperkte toename van het geluidsniveau ter hoogte van toetspunten plaats ten opzichte van de referentiesituatie, hoewel niet ter hoogte van gevoelige objecten. Het geluid op de betreffende locatie wordt met name bepaald door de industriële activiteiten van de Maasvlakte 2 zelf.

Ten aanzien van het stiltegebied, dat op circa 6 kilometer afstand ligt, wordt geconcludeerd dat de afstand zo groot is dat een overschrijding van de geluidsnormen daar niet aan de orde zijn. De effecten op het aspect geluid zijn niet onderscheidend voor de beide alternatieven. VI. Slagschaduw Voor beide alternatieven geldt dat er zich in de wijde omgeving (12 x rotordiameter) geen slagschaduwgevoelige objecten bevinden. Daarmee geldt voor beide alternatieven dat er zonder stilstandvoorziening aan de slagschaduwnorm kan worden voldaan. Voor het intensieve strand (strand ter hoogte van Maasvlakte 1) en de brandweerkazerne (noordrand Maasvlakte 2) is de slagschaduwduur eveneens inzichtelijk gemaakt. Vanwege de ligging ten opzichte van de windturbines is er geen slagschaduw mogelijk op het intensieve

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

strand. De hoeveelheid slagschaduw op de brandweerkazerne blijft relatief beperkt tot 15 tot 18 uur per jaar. Voor bedrijven geldt dat dit geen gevoelige objecten zijn op basis van de Wet geluidhinder en om die reden niet beschermd zijn tegen slagschaduw door windturbines. Er wordt echter wel slagschaduw veroorzaakt op een aantal bestaande (en mogelijk toekomstige) bedrijven op Maasvlakte 2. Gezien het feit dat ter hoogte van deze objecten niet aan de slagschaduwnorm hoeft te worden voldaan, wordt hier in principe geen stilstandvoorziening voor getroffen. Desalniettemin kan de slagschaduw ter hoogte van deze bedrijven wel als hinderlijk worden ervaren. Voor deze bedrijven is reeds in de tenderfase voorgesteld om waar gewenst en relevant in overleg te gaan over de mogelijkheden voor het toepassen van zonneschermen om op die wijze slagschaduwhinder te voorkomen. VII. Natuur De effecten van het windpark op de natuur zijn voor beide alternatieven in kaart gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt in beschermde gebieden en beschermde soorten. Natura 2000-gebieden Er zijn verschillende Natura-2000 gebieden in de omgeving van het plangebied gelegen waar het windpark een potentieel effect op kan hebben.

Uit de natuurtoets blijkt dat beide alternatieven vergelijkbare aantallen aanvaringsslachtoffers veroorzaken, maar dat deze geen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van voor Natura 2000-gebieden aangewezen soorten. Alleen voor de Aalscholver geldt dat significant negatieve effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten (aanvaringsslachtoffers net boven de 1%-norm) en dat dit ten behoeve van het voorkeursalternatief in een Passende Beoordeling nader onderzocht moet worden. Dat geldt voor beide alternatieven. Van significante verstoring en barrièrewerking op de beoogde locatie is geen sprake. Dat geldt voor beide alternatieven. Natuurnetwerk Nederland De beoogde turbinelocaties zijn niet gepland in, maar grenzen wel aan gebieden die behoren tot het NNN. Een overdraaigebied van de windturbines over deze NNN-gebieden is echter uitgesloten. Het NNN kent in de provincie Zuid-Holland geen externe werking. Hierdoor kunnen effecten op deze gebieden worden uitgesloten. Overige gebieden Op basis van het provinciaal beleid zijn er tevens speciale gebieden aangewezen met een bijzondere natuurwaarde, bijvoorbeeld Weidevogelgebieden of Ganzenopvanggebieden. Dergelijke gebieden liggen echter op zeer ruime afstand van het plangebied en zijn om die reden niet relevant voor de effectbeoordeling van Windpark Maasvlakte 2.

Effecten op soorten Op basis van de beschikbare kennis, gecombineerd met de kennis over de afmetingen en configuratie van het windpark, en de aanwezigheid, verspreiding, habitat en vliegroutes van soorten in het plangebied, is het deskundigenoordeel dat sprake is van maximaal 30-40

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

slachtoffers per windturbine per jaar. Voor het totaal aan toekomstige windturbines op de buitencontour gaat het dan om een ordegrootte van 660 - 900 vogelslachtoffers per jaar. In de natuurtoets is beoordeeld in hoeverre de aantallen slachtoffers leiden tot een overschrijding van de 1%-mortaliteitsnorm (als eerste zeef). De effecten van Windpark Maasvlakte 2 op zichzelf leiden niet op een overschrijding van de 1% -mortaliteit en zijn daarmee niet van invloed op de gunstige staat van instandhouding (GSI) ten aanzien van de populatie van soorten. De twee inrichtingsalternatieven zijn niet of nauwelijks onderscheidend op dit aspect. Voor het voorkeursalternatief wordt dit tevens in cumulatie met andere projecten beschouwd. Vleermuizen Het aantal aanvaringslachtoffers is berekend op één tot maximaal twee slachtoffers per turbine per jaar (totaal 22 - 44 vleermuisslachtoffers op jaarbasis in het gehele windpark). Waarbij op basis van de activiteitsmetingen iets minder dan de helft van de slachtoffers naar verwachting bestaat uit gewone dwergvleermuizen, een derde uit ruige dwergvleermuizen en een kwart uit rosse vleermuizen. Beide inrichtingsalternatieven zijn niet onderscheidend voor dit aspect. Beide alternatieven scoren gelijk op de deelcriteria voor het aspect Natuur. Voor aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen wordt negatief gescoord.

De kleine verschillen in aantallen aanvaringsslachtoffers met betrekking tot de soortenbescherming zijn nihil en niet onderscheidend. Voor het effect op de aalscholver wordt zeer negatief gescoord, gezien het niet op voorhand kunnen uitsluiten van significant negatieve effecten op de Instandhoudingsdoelstellingen voor aalscholvers die zijn aangewezen voor Natura 2000gebieden. Maatregelen Eneco heeft zich in de tenderfase reeds gecommitteerd aan een aantal maatregelen met betrekking tot de natuur: •

milieuvriendelijke aanlegmethodes van de fundering (trillen en schroeven in plaats van 10 heiwerkzaamheden) die (onderwater)geluid in het naastgelegen Natura 2000-gebied Voordelta reduceren;

•

de eventuele aanleg van alternatieve broedgelegenheid voor vogels;

•

een set stilstandvoorzieningen om slachtoffers onder (trek)vogels en vleermuizen te reduceren;

•

beperking van (nachtelijke) lichthinder, onder meer door het minimaliseren en afstemmen van (nachtelijke) signaalverlichting met andere nabijgelegen windparken;

•

een driejarig monitoringplan, met inzet van vogelradar en slachtofferonderzoek, om kennisleemtes over vogel- en vleermuisslachtoffers voor dit windpark maar ook voor heel Nederland te verkleinen.

Voor zover bovenstaande maatregelen direct van invloed zijn op (het reduceren van) effecten op natuur en de maatregelen ook voldoende concreet zijn in deze fase, worden deze als onderdeel van de Passende Beoordeling voor het voorkeursalternatief mee beschouwd. VIII. Externe Veiligheid Voor het aspect externe veiligheid geldt voor beide alternatieven dat er geen externe veiligheidsrisico’s optreden. In onderstaande zijn de belangrijkste conclusies gegeven.

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

•

Er zijn geen kwetsbare objecten binnen een afstand van 10-6 gelegen;

•

Er zijn geen beperkt kwetsbare objecten binnen een afstand van 10 -5 gelegen;

•

Het IPR (individueel passanten risico) en MR (maatschappelijk risico) ten aanzien van wegen ligt ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat;

•

Het IPR (individueel passanten risico) en MR (maatschappelijk risico) ten aanzien van spoorwegen ligt ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat;

•

Risicotoevoeging ten aanzien van waterwegen is verwaarloosbaar klein;

•

Risicotoevoeging ten aanzien van bestaande risicovolle inrichtingen en installaties is kleiner dan 10% (+1,6%) en kan daarmee als verwaarloosbaar worden gezien;

•

Er bestaat een trefrisico ten aanzien van bestaande buisleidingen bij HZ01. Aangezien er geen kwetsbare objecten in de omgeving aanwezig zijn, zorgt dit niet voor een extern veiligheidsrisico t.a.v. de omgeving. Wel worden PR contouren van de buisleidingen vergroot;

•

Ten aanzien van (toekomstige) hoogspanningsinfrastructuur is een beperkte trefkans berekend. Dit leidt niet tot een extern veiligheidsrisico. Tennet heeft aangeven deze effecten te accepteren.

•

Een klein deel van de leidingenstraat valt onder de werpafstand van turbine ZZ01. Hier liggen nog geen leidingen in en het de kans dat in dit kleine deel leidingen worden gelegd is relatief klein. Er zijn maatregelen mogelijk om eventuele effecten te mitigeren, in geval een leiding in het betreffende deel wordt gelegd.

Effecten van de windturbines beperken zich tot potentiële beïnvloeding van de betrouwbaarheid van een aantal objecten (buisleidingen, hoogspanning, leidingenstraat), maar dit leidt niet tot additionele veiligheidsrisico’s voor de omgeving. Voor de beïnvloeding van de leveringszekerheid van de betreffende objecten zijn mitigerende maatregelen mogelijk, die gezamenlijk met de betreffende beheerders in het kader van de vergunningverlening nader worden afgestemd. De alternatieven zijn niet onderscheidend op het aspect externe veiligheid. IX. Dijkveiligheid Voor het aspect dijkveiligheid geldt dat onderzoek is gedaan naar zowel bovengrondse effecten (effecten als gevolg van het falen van een windturbine(onderdeel)), als naar ondergrondse effecten (effecten als gevolg van aanlegwerkzaamheden en trillingen). Voor de bovengrondse effecten zijn voor beide alternatieven de trefkansen van windturbine-onderdelen op de verschillende zones van de waterkeringen berekend en is bepaald wat de gevolgen zijn van schade aan de dijk als gevolg van het raken van een turbineonderdeel. Voor de bovengrondse effecten geldt dat de maximaal toelaatbare toename van de faalkans van de waterkering door het falen van een windturbineonderdeel op een deel van de kering niet groter mag zijn dan 1% van de autonome normfrequentie van de dijk.

Voor beide alternatieven wordt geconcludeerd dat aan deze faalkanseis wordt voldaan. Bovengrondse effecten zijn derhalve niet te verwachten. Voor ondergrondse effecten is zowel het effect van de aanlegfase als de gebruiks-(en verwijderings-) fase bepaald. Effecten treden vooral op tijdens de aanlegfase. Er zijn beperkte en tijdelijke effecten te verwachten op de werende functie van de dijk tijdens de aanlegfase. Dit wordt met name veroorzaakt door ontgravingen voor het fundament op de harde zeewering en het aanbrengen van de vibropalen ten behoeve van de fundaties op de harde zeewering. Deze effecten zijn echter goed beheersbaar en daarmee verwaarloosbaar klein. Op de zachte zeewering geldt dat met name effecten op de morfologie optreden en dat dit kan leiden tot een

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

beperkte toename in de duinafslag. Dit kan echter goed worden opgevangen met aanvullend zand. Effecten op overige faalmechanismen ten aanzien van het duin zijn niet te verwachten. Aangezien de turbineposities en de wijze van aanleg bij de alternatieven gelijk zijn, zijn effecten eveneens gelijk en derhalve niet onderscheidend. X. Landschap Landschap heeft betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen in een bepaald gebied en op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap heeft ook te maken met de afleesbaarheid van die samenhang (het beeld). Landschap bestaat bij de gratie van waarneming en beleving door mensen én bij de gratie van verandering door de tijd (dagen, seizoenen, jaren). Landschap is geen statisch begrip. De effectbeoordeling voor landschap vindt plaats aan de hand van de methodiek waarbij de waarnemer centraal wordt gesteld en waarbij standpunten, schaalniveaus en beoordelingscriteria worden gehanteerd. De alternatieven zijn beoordeeld op basis van: 1.

Herkenbaarheid van de opstelling (als geheel)

2. 3.

Invloed op de (visuele) rust Horizonbeslag en invloed op de openheid

4.

Obstakelverlichting c.q. het effect op duisternis

In het hoofdstuk landschap worden visualisaties van de beide alternatieven gepresenteerd. In onderstaande figuur is een van deze visualisaties opgenomen. Hieraan is te direct te zien dat de verschillende tussen de alternatieven zeer klein zijn en enkel op het laagste schaalniveau te herkennen zijn. De verschillen betreffen echter nuances, die niet in scores tot uiting komt. De gelijke effectbeoordeling is verklaarbaar; de locatie staat immers enkel dezelfde posities toe en het verschil in windturbine dimensies is eveneens gering. Over het geheel genomen mag dus worden geconcludeerd dat de verschillen tussen de alternatieven gering zijn. De negatieve impact op het planaspect landschap blijft enigszins beperkt. Alle initiatieven scoren licht negatief op herkenbaarheid en negatief op de overige criteria. Het bundelen van de verschillende beoordelingen leidt tot een nivellering van de toch al vrij geringe verschillen tussen de alternatieven. Geen van de alternatieven scoort (op onderdelen) opvallend anders dan de anderen, onderlinge verschillen betreffen nuances. Daarmee zijn ze gelijkwaardig.

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Figuur V Zicht vanaf de harde zeewering, kijkend naar de zachte zeewering: huidige situatie (boven), autonoom, alternatief 1 en 2 (onder)

Bron: Pondera

Ten aanzien van de luchtvaartverlichting op windturbines stelt Eneco de volgende mitigerende maatregelen voor: •

De lichtintensiteit aan te passen op basis van weersomstandigheden (met 30% bij zichtbaarheid van > 5 km en 10% bij zichtbaarheid van >10 km.

•

De verlichting aan de onderzijde af te schermen, zodat deze niet direct naar beneden schijnt.

•

De knipperfrequentie van de verlichting met elkaar en met omliggende windparken te synchroniseren.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

XI. Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie Voor het thema archeologie zijn de alternatieven beoordeeld op archeologische verwachtingswaarde en bekende archeologische waarden, zoals opgenomen in de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het bestemmingsplan “Maasvlakte 2”. Er is gekeken of de windturbines worden geplaatst in gebieden met archeologische verwachtingswaarden en wat voor mogelijke gevolgen dit kan hebben. De basis voor de beoordeling is een toetsing die door het BOOR is uitgevoerd. Het BOOR heeft de alternatieven in dit MER getoetst en beoordeeld in hoeverre effecten op archeologische waarden te verwachten zijn (en vervolgonderzoek noodzakelijk is). Daarin concluderen zij dat de windturbinelocaties van de alternatieven weliswaar (deels) binnen een gebied met archeologische verwachtingswaarde liggen, maar dat er geen significante effecten te verwachten zijn ten aanzien van de aanleg van het windpark. Het BOOR concludeert dan ook dat er geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) bestaat. Beide alternatieven scoren neutraal. Cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie is een kwalitatieve beoordeling gemaakt ten aanzien van de mate van verstoring van (de beleving) van de cultuurhistorische objecten. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig.

Ter hoogte van Oostvoorne is een beschermd dorpsgezicht gelegen op een afstand van > 6 kilometer van het windpark. Vanwege de ruime afstand tot het plangebied is beïnvloeding van het beschermde dorps- en stadsgezichten niet aan de orde. Ook een effect op de landgoederen, kastelen en oude molens tussen Oostvoorne en Rockanje is niet aan de orde gezien de grote afstand tussen het windpark en de objecten en vanwege de tussengelegen objecten (bomen en gebouwen) die het zicht vanuit (en op) de monumenten ontnemen. Tot slot is er een erfgoedlijn (Atlantikwall) aanwezig. De Atlantikwall is in de Tweede Wereldoorlog aangelegd om een invasie van geallieerde zijde te voorkomen. De bunkers en verdedigingswerken die destijds zijn aangelegd zijn op sommige locaties nog intact en van waarde voor de cultuurhistorische beleving van het gebied. Een relatie met het Windpark Maasvlakte 2 is er echter niet, gezien de grote afstand en het verschil in schaalniveau. Een effect op de cultuurhistorische waarde van de Atlantikwall is derhalve niet aan de orde. Beide alternatieven scoren neutraal. XII. Bodem en Water Oppervlaktewatersysteem Voor de windturbines worden verhardingen aangebracht die effect op het oppervlaktewatersysteem kunnen hebben als er sprake is van doorsnijding van oppervlakte water zoals waterlopen. Voor de windturbines geldt echter dat er geen oppervlaktewateren worden doorkruist.

Beïnvloeding van (de doorstroming) van het oppervlaktewatersysteem is derhalve niet aan de orde. De windturbines in de zachte zeewering staan in de waterlijn, maar dit heeft geen invloed op het oppervlaktewatersysteem.

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Grondwatersysteem Het grondwatersysteem wordt beïnvloed wanneer aanleg van een windturbine zorgt voor obstructie van de grondwaterstroming (fundering van de windturbine), ontwatering door bermsloten, een tijdelijke verlaging van het grondwater tijdens aanleg van de fundatie van de windturbine of kwelvorming langs de funderingspalen van de windturbine. Voor de harde zeewering geldt dat beïnvloeding van het grondwatersysteem, vanwege de ligging op de dijk, niet te verwachten zijn. Voor de windturbines op de zachte zeewering geldt dat er monopiles worden geïnstalleerd, waarvoor geen ontgravingen voor de aanleg benodigd zijn. Voor de aansluiting van de kabels in de turbine, zullen wel beperkte ontgravingen nodig zijn. Hiervoor zal zeewater onttrokken moeten worden. De hoeveelheden zullen echter beperkt zijn (beperkte ontgravingen) en op deze locatie niet van invloed op het watersysteem. Ook voor de aanleg van het kabel tracé en inkoopstation zullen mogelijk beperkte onttrekkingen nodig zijn. Voor de onttrekkingen zal een melding of vergunning worden aangevraagd incl. een aanpak voor bemaling. Op het strand kan in de gebruiksfase ‘scour’ optreden, hoewel dit niet van invloed is op het watersysteem. Overige effecten op het grondwatersysteem zijn niet te verwachten.

Hemelwaterafvoer Door het plaatsen van windturbines wordt verhard oppervlak (de windturbine plus een (kraan)opstelplaats en een toegangsweg) gecreëerd. De realisatie van de opstelplaatsen en onderhoudswegen zijn voor het overgrote deel tijdelijk van aard en vallen tevens grotendeels samen met bestaande verharding op het bedrijfsterrein, waardoor deze niet als extra toe te voegen verhard oppervlak beschouwd wordt. Het gaat dan slechts nog om het toe te voegen oppervlak van de windturbinefundering. Het gevolg van een toenemend verhard oppervlak kan zijn dat hemelwater sneller tot afstroming zal komen. Aangezien de toevoeging aan verhard oppervlak op de zachte zeewering beperkt blijft (door toepassing monopiles) zullen negatieve effect van hemelwater dat versneld afstroomt, verwaarloosbaar zijn. Voor de harde zeewering geldt dat meer verharding wordt toegevoegd, waardoor hemelwaterversnelling kan optreden. Gezien de ligging van het windpark in de Maasvlakte 2 zal het water niet van invloed zijn op het waterbergend vermogen. Het effect is dan ook beperkt en niet onderscheidend tussen de alternatieven. Waterkwaliteit Voor windturbines geldt dat er geen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en er enkel beperkte hoeveelheden stoffen aanwezig zijn ten behoeve van het goed functioneren van de turbines (b.v. smeeroliën).

Deze stoffen worden niet opgeslagen, maar worden waar nodig aangevuld (en afgevoerd) bij periodiek onderhoud. Mochten stoffen toch lekken, dan zullen deze in de turbine zelf worden opgevangen en bij onderhoud worden verwijderd. Gevaarlijke stoffen zullen dus nooit in aanraking komen met het zeewater of in het grondwater terecht komen. Een effect op de waterkwaliteit is derhalve niet aan de orde. Bodem Tijdens de bouwfase van het windpark zal grondverzet plaatsvinden. Op het afgraven, toepassen en afvoeren van grond alsmede de kwaliteit hiervan is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Over het algemeen zal bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond binnen het plangebied vrij toepasbaar zijn en worden geen belemmeringen verwacht.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

De Maasvlakte 2 is nog relatief jong en volledig nieuw aangelegd. Op basis van het bodemloket geldt dan ook dat de bodemkwaliteit voor het grootste deel van het plangebied voldoende is onderzocht/ reeds gesaneerd en dat er geen historische activiteiten of verontreinigingen bekend zijn. Voor een klein deel van de zachte zeewering geldt dat er op basis van het bodemloket geen informatie beschikbaar is, maar gezien de conclusie voor de omliggende grond en het feit dat het deel van het plangebied uit opgespoten zand bestaat, kan ook voor dit deel van het plangebied geconcludeerd worden dat er geen bestaande verontreinigingen te verwachten zijn. Windturbines worden in het algemeen niet beschouwd als objecten die van nature een negatieve invloed hebben op de bodemkwaliteit, mits gebruik wordt gemaakt van niet uitlogende (bouw)materialen. Eventuele potentieel verontreinigende stoffen die slechts beperkt in de turbines aanwezig zijn ten behoeve van het goed functioneren van de windturbines (smeeroliën etc.) worden niet in de turbines opgeslagen en zullen bij lekken in de turbine zelf worden opgevangen. Bodemverontreiniging als gevolg van het gebruik van de windturbines is derhalve niet aan de orde. Voor beide alternatieven geldt dat effecten op het watersysteem en de bodemkwaliteit niet te verwachten zijn. XIII.

Ruimtegebruik In het hoofdstuk ruimtegebruik worden de alternatieven getoetst en vergeleken op eventuele effecten op: •

Scheepvaart en nautische radar

•

Luchtvaart en radar

•

Straalpaden

•

Recreatie

Afstand vaarwegen Voor alle windturbines geldt dat deze op grote afstand staan van de beboeide vaarwegen, zowel in het havengebied als op zee. De kleinste afstand van een windturbine tot de dichtstbij gelegen vaargeul is groter dan 1.000 meter. Dat geldt voor beide alternatieven. Aan de vereiste minimale afstand van 50 meter conform de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken wordt daarmee ruimschoots voldaan. Scheepvaartveiligheid Naast het scheepvaartverkeer dat zich over de vaarwegen beweegt, is er ook scheepvaartverkeer dat zich wat vrijer beweegt, bijvoorbeeld in het havengebied of langs de kustzones. In onderstaand figuur is een indicatieve weergave opgenomen van de scheepvaartintensiteit, waaruit blijkt dat ook buiten de vaarwegen scheepvaartbewegingen plaatsvinden. Ook hier geldt dat de afstanden van windturbines tot de zones waar de intensiteit van vaarbewegingen toeneemt, ruim groter is dan 50 meter (minimaal 400 meter). Een effect op de scheepvaartveiligheid is om die reden niet aan de orde.

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Figuur VI Scheepvaartintensiteit

Bron: Pondera Consult

Wanneer een windturbine in een zichtlijn van een vaarroute staat of in een bocht van een vaargeul, kan het zicht op de vaarroute worden belemmerd waardoor er mogelijke onoverzichtelijke (en daarmee potentieel gevaarlijke) situaties kunnen optreden. Gezien de grote afstanden waarover vaartuigen zich moeten bewegen is er voldoende tijd om, om de zeewering van de Tweede Maasvlakte heen te kijken op het moment dat ze daarlangs varen. De windturbines doen geen afbreuk aan het zicht op de vaarwegen, ook vanwege de relatief grote onderlinge afstanden tussen turbines. Er treedt geen verandering op ten opzichte van de huidige situatie en het aspect is niet onderscheidend voor de alternatieven. Voor de zachte zeewering geldt dat de windturbines onder bepaalde omstandigheden in het water staan. Bij windturbines in het water zou in theorie de situatie kunnen optreden dat bij een schip averij optreedt, waardoor het vaartuig onbestuurbaar wordt en in aanvaring komt met een windturbine. Als averij al optreedt op de betreffende locatie en het schip direct op een windturbine op de zachte zeewering aanvaart (wat gezien de richting van vaarroutes onwaarschijnlijk is), zullen vaartuigen al snel vastlopen in de ondiepe delen voordat zij in aanraking kunnen komen met een windturbine. Van een aanvaringskans is derhalve geen sprake.

Radarpost Maasvlakte 2 Op de harde zeewering van Maasvlakte 2 staat een radartoren ten behoeve van het scheepvaartverkeer. De radartoren heeft zichtlijnen, gelegen op 54 en 240 graden azimut noord2, waarbinnen geen obstakels geplaatst mogen worden. Wanneer windturbines buiten

2

Azimut is vastgesteld in overleg met de Havenmeester

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

deze zichtlijnen worden geplaatst en er eveneens geen bladen door de zichtlijnen draaien, zijn effecten uitgesloten. In onderstaand figuur is de azimut weergegeven. Figuur VII Zichtlijn radartoren

Bron: Pondera Consult

Voor beide alternatieven geldt dat op voorhand rekening is gehouden met de zichtlijnen van de radartoren. Dat betekent dat er geen windturbines binnen de zichtlijn van de radar staan en er eveneens geen sprake is van bladen die door de zichtlijn heen draaien. Van een effect op de goede werking van scheepsvaartradar is derhalve geen sprake. Luchtvaart Voor het aspect luchtvaart hebben ILT en LVNL aangegeven dat er geen beïnvloeding is van luchtvaart of luchtvaartcommunicatiesystemen. Ten aanzien van de helikopterhaven kan worden opgemerkt dat de alternatieven niet van invloed is op de landings- en opstijgmogelijkheden van de helikopters. Radar Ten aanzien van Defensieradar is door TNO een dekkingsgraadberekening uitgevoerd ten einde te toetsen of aan de minimale 90% dekking van de radar kan worden voldaan. De berekening laat zien dat het windpark voldoet aan de minimale 90% dekking. Daarmee zijn er geen effecten op defensieradar te verwachten. Straalpaden Er loopt één straalpad door het plangebied heen. Het straalpad loopt min of meer over de rand van de invloedzone (fresnelzone) van één windturbine op de zachte zeewering, waardoor een

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

beperkte invloed op dit straalpad op voorhand niet volledig is uit te sluiten. Dit geldt voor beide alternatieven. Eén van de mitigatiemaatregelen is– als blijkt dat er inderdaad verstoring van straalpaden door windturbines optreedt – door toevoeging van extra apparatuur voor de versterking of verplaatsing van straalpaden. Recreatie Voor het aspect recreatie is onderscheid gemaakt tussen recreatieveiligheid en de beleving van recreanten. Beide alternatieven scoren negatief op beide aspecten, aangezien er ten opzichte van de huidige situatie een verandering optreedt die van invloed is (kan zijn) op het huidige recreëren. Voor het effect op recreanten geldt dat de mogelijkheden voor recreëren wordt beïnvloed voor het deel van het strand waar de windturbines worden geplaatst, met name voor kitesurfers. Recreatieveiligheid Voor onder andere strandgasten, zwemmers en surfers (golf, wind, buggy) zijn effecten relatief beperkt. Recreëren op de betreffende locatie is nog altijd mogelijk, gezien de grote onderlinge afstanden tussen de turbines (450 meter), waardoor grote delen van het strand vrij blijven van windturbines. Hierbij geldt ook dat niet alle windturbines in het water zullen staan, waardoor effecten op watersporters reeds worden beperkt. Effecten op watersporters die op kunnen treden, betreffen met name zeer lokale effecten rondom de monopile.

Aangezien de ruimte tussen de turbines zeer groot is, is de kans op effecten klein. Daarnaast worden maatregelen getroffen om recreanten te waarschuwen voor de aanwezigheid (en potentiële risico’s) van de windturbines. Voor kitesurfers geldt dat er een potentieel gevaarlijke situatie kan ontstaan op het moment dat zij in het water ter hoogte van de windturbines op de zachte zeewering kiten en de wind hen richting de turbines blaast. Op het moment dat dit onder dusdanige omstandigheden plaatsvindt dat een kitesurfer niet kan bijsturen of kan stoppen, kan er in theorie een aanvaring zijn met een windturbine. Kitesurfen nabij de Maasvlakte is toegestaan ter hoogte van het strand van Maasvlakte 1 en aan de zijde van Oostvoorne. Daarnaast is per aanwijzingsbesluit toegestaan binnen bepaalde periodes ter hoogte van het extensieve strand te kitesurfen. De kleinste afstand vanaf de rand van de gebieden ter hoogte van Maasvlakte 1 tot de windturbines op de Maasvlakte 2 betreft minimaal 1.800 meter. De kans op de omstandigheid dat een kitesurfer de controle over zijn kite verliest, de wind Noordnoordoost waait en de kite over een afstand van minimaal 1.800 meter blaast, is verwaarloosbaar klein. Een effect op de mogelijkheden om te kite-surfen in de gebieden waar dat ter hoogte van Maasvlakte 1 is toegestaan is dan ook niet te aan de orde.

Dat geldt voor het VKA, alsmede voor de alternatieven. Onderstaande ‘heatmap’ laat zien dat er ook kitesurfers zijn ter hoogte van de zachte zeewering. Voor deze kiters geldt dat de mogelijkheden voor het beoefenen van kitesurfen wordt beïnvloed. Om ongewenste situaties volledig uit te sluiten, zou kitesurfen ter hoogte van het extensieve strand niet langer toegestaan kunnen worden. Er is voldoende gelegenheid om te kitesurfen in de daarvoor aangewezen gebieden ter hoogte van Maasvlakte 1 en Oostvoorne, waardoor een effect op het beoefenen van deze vorm van recreatie relatief beperkt is. Wanneer kitesurfen en windturbines op het extensieve strand naast elkaar worden toegestaan is het

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

raadzaam om een aantal voorwaarden/ regels aan het kitesurfen te stellen, ten einde effecten te minimaliseren. Denk hierbij aan: •

Een maximale hoogte van de kitesurf-lijnen < tiplaagte, zodat de lijnen niet op rotorhoogte komen;

•

Alleen kitesurfen bij eb, zodat de afstand tot windturbines wordt bewaard;

•

Een niet-springen beleid;

•

Alleen kitesurfen onder ‘rustige windcondities’.

Aanvullend is het denkbaar om bij het niet langer toestaan van kitesurfen ter hoogte van het extensieve strand, de mogelijkheden voor kitesurfen elders te verbeteren door bijvoorbeeld bestaande kitesurfgebieden te formaliseren, meer mogelijk te maken ter hoogte van het intensieve strand of eventueel voorzieningen te treffen om kitesurfen op een overige (bestaande) locatie uitdagender te maken. Beleving recreanten In het algemeen kunnen op basis van literatuurstudie naar beschikbare onderzoeken naar de relatie tussen (de komst van) windturbines en recreatie de volgende belangrijkste conclusies: •

de aanwezigheid van een windpark één van meerdere factoren kan zijn voor toeristen om een locatie al dan niet te bezoeken;

•

de potentiële relatie tussen een windpark en toerisme is gelegen in de beïnvloeding van het bestaande landschap dat als kwaliteit wordt gezien en dus als een betekenisvolle factor voor bezoek geldt;

•

het is gebruikelijk dat ten tijde van de planvorming zorgen bestaan over de invloed van windturbines op toerisme en recreatie;

•

eenduidige conclusies zijn lastig te trekken uit de onderzoeken en dat zowel licht negatieve als licht positieve effecten aangetoond worden; er zijn geen cases met aanmerkelijke positieve of negatieve effecten op toerisme;

•

uit de uitgevoerde ex post onderzoeken naar de realisatie en aanwezigheid van een windpark komt geen aantoonbaar effect naar voren op de bezoekersaantallen en/of bestedingen;

•

de beleving van een windpark wordt positiever in de tijd (na de realisatie van het windpark);

•

over het algemeen zijn jongeren toeristen positiever over windparken en de nabijheid ervan dan ouderen.

Voor recreanten op het strand/zee nabij windpark Maasvlakte 2 geldt dat de beleving kan veranderen, met name omdat het landschappelijk beeld veranderd en de windturbines op het strand komen te staan waar de recreanten ook komen. De wijze (en mate) van beïnvloeding van de beleving van een recreant is echter subjectief en kan zowel negatief als positief zijn. Voor kitesurfers geldt dat de beleving naar verwachting negatief wordt beïnvloed, vanwege de invloed op de mogelijkheden om te kiten op de beoogde locatie. Ook tijdens de aanlegfase zal er invloed zijn op de recreatieve mogelijkheden in het gebied. Zo zullen delen van het strand tijdelijk niet toegankelijk zijn of kunnen watersporten tijdelijk niet (overal) worden beoefend. Om (recreatie)veiligheidseffecten in de aanlegfase te beperken zullen verschillende maatregelen worden getroffen, zoals bijvoorbeeld goede informatievoorziening, zorgvuldige afzetting van bouwplaatsen, het afdichten van gaten op het

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

strand wanneer er niet wordt gewerkt, etc. De maatregelen worden voorafgaand aan de werkzaamheden in een bouwveiligheidsplan opgenomen en met het bevoegd gezag afgestemd ten einde de veiligheid goed te borgen. XIV. Elektriciteitsopbrengst In tabel IV zijn per alternatief de resultaten van de opbrengstberekeningen weergegeven. De netto elektriciteitsproductie is berekend door de bruto productie te verminderen met de productieverliezen. Om de netto energieproductie in perspectief te plaatsen is het aantal Nederlandse huishoudens vermeld dat hiermee van elektriciteit kan worden voorzien. De emissiereductie van CO2, NOx, SO2 en PM10 zijn afgeleid uit de te verwachte energieopbrengst en de substitutiemethode. Tabel IV Resultaten van de onderzoeksalternatieven Uitkomsten op parkniveau

Alternatief 1

Alternatief 2

Energieopbrengst wind [GWh /jr]

394.5

428.4

Energie voor x aantal Huishoudens

163,608

178,076

Reductie CO2 [ton/jr]

289,347

314,933

Reductie NOx [ton/jr]

145.98

158.88

Reductie SO2 [ton/jr]

106.22

115.61

Reductie PM10 [ton/jr]

2.86

3.69

Reductie

De verwachte jaarlijkse energieopbrengst is voor alternatief 1 lager dan 400GWh per jaar waarmee de effecten op het aspect elektriciteitsopbrengst conform het beoordelingskader beoordeeld worden als positief (+). Voor alternatief 2 geldt dat de opbrengst boven de 400GWh uitkomt, waarmee het alternatief als zeer positief (++) wordt beoordeeld. Alternatief 2 kan daarmee de energievraag van circa 178.000 Nederlandse huishoudens met duurzame energie vervullen. Ook de effecten op de emissiereductie van schadelijke stoffen is voor alternatief 1 als positief en voor alternatief 2 als zeer positief beoordeeld. XV. Vergelijking van de alternatieven De effectbeoordeling laat zien de beide alternatieven in principe uitvoerbaar zijn binnen wet- en regelgeving (eventueel met mitigatie). De effectbeoordeling laat tevens zien dat de verschillen in effecten tussen de alternatieven zeer beperkt zijn. Gezien de mogelijkheden op de locatie met betrekking tot de mate van onderscheid tussen de alternatieven op de beoogde locatie, is dit ook goed verklaarbaar. De verschillen die er zijn, komen met name terug in de elektriciteitsopbrengst & vermeden emissies en in beperkte ecologische effecten (kleine verschillen in aantallen sterfte, maar in dezelfde orde van grootte), hoewel dit niet in de effectscores van het aspect ‘Natuur’ naar voren komt.

Het verschil in effecten wordt ingegeven door het verschil in turbineafmetingen. Door de grotere afmetingen bij alternatief 2 is de elektriciteitsopbrengst en daarmee tevens de vermeden emissies bij dit alternatief een factor hoger, wat een positievere beoordeling tot gevolg heeft. De grotere afmetingen hebben tevens tot gevolg dat er (beperkt) minder aanvaringsslachtoffers te verwachten zijn, maar de verschillen zijn zeer beperkt en daarmee niet onderscheidend in scores. Het verschil in effecten komt met name doordat de ruimte tussen de kruin van dijk en

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

tiplaagte op de harde zeewering door de grotere turbineafmetingen groter is, waardoor er voor vogels meer ruimte bestaat om onder de rotor door te vliegen. XVI. Voorkeursalternatief Het MER laat dus zien dat, hoewel alternatief 2 vanuit (met name) de duurzame energiedoelstelling de voorkeur geniet, (vanwege de hogere energieopbrengst en vermeden emissies) de effecten van (de afmetingen van) alternatief 1 en (de afmetingen van) alternatief 2 eigenlijk niet onderscheidend zijn. Derhalve kiest Eneco er voor om alternatief twee als Voorkeursalternatief te beschouwen, waarbij een range aan turbineafmetingen geldt. Aanvullend wordt voor het VKA een aantal optimalisaties doorgevoerd ten einde milieueffecten nog verder te beperken. Deze optimalisaties betreffen: •

Verlagen masthoogte van de windturbines op de zachte zeewering (en HZ10) van 107 meter naar 105 meter;

•

Beperkte verschuivingen (<2 meter) van een aantal turbinelocaties.

De keuze voor een bandbreedte en bovenstaande optimalisaties leiden tot het voorkeursalternatief van Windpark Maasvlakte 2. In onderstaande tabel is de range aan afmetingen weergegeven. Tabel V Maximale afmetingen Voorkeursalternatief

Wering

Aantal

Bandbreedte

Bandbreedte

Bandbreedte

masthoogte

rotordiameter

tiphoogte

(m)

(m)

(m)

Bandbreedte tiplaagte

Bandbreedte tiplaagte t.o.v. kruin

t.o.v.

harde

maaiveld

zeewering

Harde zeewering A

9

67 - 76

115 - 120

124,5 - 136

24,5 – 33,5

9.5 – 18,5

Harde Zeewering B

1

101 - 105

150 - 162

176 - 186

37 - 43

24 - 30

12

101 - 105

150 - 162

176 - 186

30 – 36

-

Zachte Zeewering

De effectbeoordeling van het VKA laat zien dat het VKA kan voldoen aan wet- en regelgeving. Tevens laat de beoordeling zien dat effecten in dezelfde ordegrootte liggen als de alternatieven, met name ten opzichte van alternatief 2. Dit is ook logisch, gezien de beperkte verschillen tussen de alternatieven en het VKA. Ten opzichte van alternatief 1 met kleinere windturbines zijn de scores van de meeste criteria eveneens veelal gelijk. Hieronder is de beoordelingstabel weergegeven en is per aspect aangegeven in hoeverre er verschillen optreden tussen het VKA en de alternatieven. Tabel VI Beoordelingstabel Alternatieven en VKA Alternatief Aspecten

Beoordelingscriteria

VKA 1

Geluid (zonder mitigatie)

Aantal geluidgevoelige objecten binnen geluidcontouren

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

2

Lden = > 47 dB

0

0

0

Lden = 42-47 dB

0

0

0

Pondera Consult

Aantal gehinderden

0

0

0

Cumulatieve geluidsbelasting

-

-

-

Geluidbelasting op stiltegebied

0

0

0

Het aantal woningen tussen de 0 en 6 uur/jaar slagschaduwduur

0

0

0

Het aantal woningen tussen 6 en 16 uur/jaar slagschaduwduur

0

0

0

Het aantal woningen met meer dan 16 uur/ jaar slagschaduwduur

0

0

0

Aantal niet gevoelige objecten binnen slagschaduwcontouren

-

-

-

Cumulatie slagschaduw

-

-

-

Vogels aanlegfase

Verstoring

0

0

0

Aanvaringsslachtoffers

-

-

-

Verstoring

0

0

0

Barrièrewerking

0

0

0

Verstoring

0

0

0

Verstoring

0

0

0

Aanvaringsslachtoffers

-

-

-

Natura 2000-gebieden

--

--

-

Overige gebieden

0

0

0

Overige soorten

0

0

0

Bebouwing

0

0

0

Autowegen, spoorwegen en gevaarlijk transport

0

0

0

Risicovolle installaties en inrichtingen

0

0

0

Buisleidingen

-

-

-

Hoogspanningsnetwerk

-

-

-

Bovengrondse effecten harde zeewering

0

0

0

Bovengrondse effecten zachte zeewering

0

0

0

Ondergrondse effecten harde zeewering

0

0

0

Ondergrondse effecten zachte zeewering

0

0

0

Herkenbaarheid van opstelling

-/0

-/0

-/0

Invloed op visuele rust

-

-

-

Horizonbeslag en openheid

-

-

-

Obstakelverlichting/ duisternis

-

-

-

Archeologie en

Aantasting archeologische waarden

0

0

0

Cultuurhistorie

Aantasting cultuurhistorische waarden

0

0

0

Watersysteem

0

0

0

Bodemkwaliteit

0

0

0

Slagschaduw (zonder mitigatie)

Vogels gebruiksfase Vleermuizen Natuur

aanlegfase Vleermuizen

Externe veiligheid

Dijkveiligheid

Landschap (samenvattende effectscores)

Water en bodem

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Scheepvaart en nautische radar

0

0

0

Luchtvaart en radar

0

0

0

Straalpaden

0

0

0

Recreatie

-

-

-

Elektriciteitsproductie

+

++

++

CO2-emissie reductie

+

++

++

SO2-emissie reductie

+

++

++

NOx-emissie reductie

+

++

++

Ruimtegebruik

Elektriciteitsopbre ngst

Geluid en slagschaduw De geluidsbelasting en slagschaduwduur van het VKA is vergelijkbaar met die van de alternatieven en daarmee niet onderscheidend. Voor geluid is voor het VKA aanvullend bepaald wat de effecten zijn van het toepassen van zogeheten ‘uilenveren’ voor de turbines aan het uiteinde van het windpark. Dit geeft een beperkte reductie van de geluidsbelasting op een aantal toetspunten. Eneco heeft aangegeven dit zullen willen toepassen, indien gewenst door de omgeving. Voor slagschaduw geldt dat bedrijfspanden niet wettelijk beschermd zijn tegen slagschaduw van windturbines. Er treedt echter wel slagschaduw op ter hoogte van kantoren en bedrijven op het industriële complex van Maasvlakte 2. Eneco heeft aangegeven indien gewenst, in gesprek te gaan met bedrijven die zullen hinder ondervinden van slagschaduw, om te bepalen of maatwerk-maatregelen getroffen kunnen worden. Natuur De effecten van het voorkeursalternatief zijn vergelijkbaar met die van de alternatieven. Voor het voorkeursalternatief is aanvullend gekeken naar cumulatieve effecten met overige projecten in de omgeving en is een Passende Beoordeling opgesteld ten einde te bepalen of het voornemen significant negatieve effecten heeft op de Aalscholver en of er significant negatieve effecten op vissen en zeezoogdieren optreden tijdens de aanlegfase.

Tevens is middels een aerius berekening bepaald in hoeverre er stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen optreedt. Op basis van de Passende Beoordeling wordt geconcludeerd dat er voor het VKA geen significant negatieve effecten te verwachten zijn. Daarmee scoort het VKA licht negatief (wel een effect, maar niet significant – geen gevaar voor IHD’s). Inclusief de beoordeling in de Passende Beoordeling, kan overigens dezelfde conclusie ook voor alternatief 1 en 2 worden getrokken, waardoor er in dat geval geen onderscheidende effecten voor het aspect natuur optreden. Stikstof Tijdens de bouw van het windpark wordt onder andere gebruik gemaakt van vracht- en kraanwagens die stikstof kunnen uitstoten. Vanwege de beperkte omvang van de werkzaamheden, de tijdelijkheid van de werkzaamheden, en gezien de afstand tot Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, is de omvang van dergelijke emissie verwaarloosbaar. Hiertoe is als onderdeel van de Passende Beoordeling een zogenoemde Aerius-berekening uitgevoerd. De Aerius-berekening laat zien dat er ter hoogte van alle Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige typen een stikstofdepositie van 0,00 m/ha/j optreedt, behalve bij de Voordelta. Daar treedt een stikstofdepositie van 0,01 m/ha/j op. Hier geldt echter dat de kritische depositiewaarde ruim wordt onderschreden, waardoor een effect op

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

stikstofgevoelige typen is uitgesloten. Dit aspect is niet onderscheidend voor het VKA en de alternatieven (de wijze van aanleg is hetzelfde, ongeacht de opstelling). Vissen en zeezoogdieren Tijdens de aanlegfase van het windpark kunnen effecten op onderwaterleven voorkomen door trillingen die ontstaan bij het realiseren van de fundaties. Voor de harde zeewering geldt daarbij dat de fundatiepalen van de windturbines middels schroefpalen worden aangebracht. Daarbij komen geen trillingen vrij, waardoor effecten op onderwaterleven zijn uitgesloten. Voor de zachte zeewering geldt dat de windturbines op monopiles komen te staan. Deze monopiles worden waar mogelijk de bodem in getrild, maar het kan zijn dat dat niet op alle locaties haalbaar is. In dat geval wordt de monopile geheid. Trilling heeft over het algemeen minder trillingen tot gevolg en heeft de voorkeur. Beide opties zijn in het kader van onderwatergeluid echter onderzocht. In de PB zijn de achterliggende berekeningen en effectbeoordelingen terug te vinden.

Voor zeehonden en bruinvissen is geconcludeerd dat vanwege de beperkte omvang van het gebied waar de kwaliteit van het leefgebied wordt aangetast, het tijdelijke karakter van de effecten en de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied in de directe omgeving nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van bruinvissen, gewone en grijze zeehonden in de Voordelta zijn uit te sluiten. Het gevoeligst voor onderwatergeluid zijn de vissoorten met een zwemblaas en die bovendien over speciale structuren beschikken voor de detectie van onderwatergeluid via de zwemblaas. Hiertoe behoren de in de Voordelta beschermde soorten elft en fint. Op basis van berekeningen en de beoordeling is geconcludeerd dat de kwaliteit van het leefgebied voor vissen in de Voordelta niet wordt aangetast of tijdens heiwerkzaamheden voor de gevoeligste soorten hoogstens in een verwaarloosbaar klein deel van het gebied. Vanwege het tijdelijke karakter van de effecten en de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied in de directe omgeving zijn nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van vissen in de Voordelta uit te sluiten.

Aalscholver Significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor aalscholver als kwalificerende broedvogel van Natura 2000-gebied Voornes Duin en als kwalificerende niet-broedvogel voor Natura 2000-gebied Voordelta zijn voor het VKA, net als voor de alternatieven op voorhand niet met zekerheid uit te sluiten. Om de volgende redenen wordt ondanks de overschrijding van de 1%-mortaliteitsnorm geconcludeerd dat het windpark op zichzelf en in cumulatie niet leidt tot significant negatieve effecten op het behalen van de IHD van aalscholver in het Natura 2000-gebied Voornes Duin en Voordelta: •

de populatie aalscholvers in de Natura 2000-gebieden Voornes Duin en Voordelta bevinden zich momenteel ruim boven het aantal broedparen genoemd als IHD in het definitieve aanwijzingsbesluit. De draagkracht van de Natura 2000-gebieden voldoet dus voor de IHD. Enige additionele sterfte is toelaatbaar zonder dat dit een effect heeft op het behalen van de IHD.

•

voor het VKA geldt dat geen of nauwelijks sprake is van overschrijding van de 1%mortaliteitsnorm. Het is uitgesloten dat een dergelijk lage fractie additionele sterfte een

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

effect zal hebben op de langjarige populatieontwikkeling. Berekeningen met populatiemodellen aan vogelsoorten, waarvoor voldoende informatie beschikbaar is over populatie- dynamiek, laat zien dat ook bij hogere percentages additionele sterfte (bijvoorbeeld 5%) geen effecten op de langjarige populatietrends te verwachten zijn. •

er is geen onderscheid gemaakt in ruimtelijke differentiatie van de flux van aalscholver over de harde zeewering. Dit is een worst-case-scenario. De flux van aalscholvers i s in het zomerhalfjaar over het oostelijke deel van de harde zeewering meer dan 3x zo laag is dan over het westelijke deel van de harde zeewering. Vanwege de omvangrijke bewerking die nodig is om een dergelijke ruimtelijke differentiatie in het Band model te verwerken, is gekozen om te werken met eenzelfde gemiddelde flux over de gehele harde zeewering (en zachte zeewering). Dit leidt tot een overschatting van het aantal aanvaringsslachtoffers bij de harde zeewering, omdat voor de vijf oostelijke turbines op de harde zeewering niet met de lokale lage flux, maar met de gemiddelde (hogere) flux over de gehele harde zeewering is gerekend;

•

er is geen rekening gehouden met bovenwettelijke maatregelen die voor het windpark zijn voorzien om sterfte onder lokale vogels in het broedseizoen te beperken; bij omstandigheden in het broedseizoen van de meeuwen (april t/m augustus waarop een sterk verhoogde flux en aanvaringsrisico voor meeuwen kan optreden, worden windturbines stilgezet, mogelijk aangestuurd door een vogelradar (shutdown-on-demand). Naar verwachting leidt toepassing van deze criteria tot gemiddeld 50 uur stilstand per jaar per turbine (Eneco in litt.). Er is op dit moment nog geen nadere uitwerking van dit voornemen/maatregel beschikbaar, maar omdat het broedseizoen van aalscholvers grotendeels overlapt met voornoemde periode, zal stilstand voor meeuwen ook leiden tot een vermindering van het aantal slachtoffers onder aalscholvers. De aalscholver kan dus ‘meeliften’ met de stilstandsvoorziening, maar deze is nadrukkelijk niet nodig om significant negatieve effecten op het behalen van de IHD voor aalscholver uit te kunnen sluiten.

Cumulatie gebiedsbescherming Voor aalscholver en de grote stern wordt geconcludeerd dat ook in cumulatie significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in betrokken Natura 2000-gebieden met zekerheid zijn uitgesloten. Voor de visdief ligt het cumulatieve effect boven de 1% mortaliteitsnorm. Om die reden is aanvullend berekend welk effect de additionele sterfte heeft op de ontwikkeling van de Deltapopulatie. De uitkomsten van het scenario zonder extra sterfte en het scenario met extra sterfte sterk zijn sterkvergelijkbaar. Een significant negatief effect op het behalen van de IHD van deze soort in het Natura 2000-gebied Voordelta is derhalve ook in cumulatie uitgesloten. Cumulatie soortenbescherming Voor de aalscholver en de grote stern geldt dat geen windparken bekend zijn waarvoor ontheffing is verleend aangezien geen aanvaringsslachtoffers onder deze soorten worden verwacht. Voor deze soorten is derhalve ook in cumulatie enig relevant effect met zekerheid uitgesloten. Voor de visdief zijn de uitkomsten van het scenario zonder voornoemde windparken en het scenario met geschatte extra sterfte in de windparken sterk vergelijkbaar. Dit geeft aan dat de voorspelde cumulatieve sterfte in windparken in de Delta niet leidt tot een wezenlijk effect op de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=68b7e7fb-d0c7-44bd-9d70-4f316988feb2