20bb9816 Herzien raadsvoorstel over vaststelling Erfgoedverordening Rotterdam 2020
Tekst van het document
Rotterdam, 31 maart 2020.
HERZIEN
20bb009816
Aan: de gemeenteraad
Onderwerp: Vaststelling Erfgoedverordening Rotterdam 2020.
Gevraagd besluit: Samenvattend stellen wij u voor: De Erfgoedverordening Rotterdam 2020 vast te stellen. Waarom dit voorstelî/Waarom nu voorgelegd? Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juni 2016 moet de huidige Monumentenverordening Rotterdam 2010 en de Archeologieverordening Rotterdam 2009 worden geactualiseerd. Door het vaststellen van de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 die met dit raadsvoorstel aan u ter besluitvorming wordt voorgelegd, worden de huidige verordeningen aangepast aan de nieuwe wetgeving. Relatie met het coalitieakkoord/collegewerkprogramma/eerder aangenomen moties en gedane toezeggingen: In de Erfgoedagenda 2017-2020 wordt de herziening van de Monumentenverordening Rotterdam 2010 aangekondigd. Toelichting: Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden De wet omvat het cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). Zij verving een zestal bestaande wetten waaronder de Monumentenwet. Het gaat in de Erfgoedwet primair om het aanwijzen van het te beschermen erfgoed. Enkele onderdelen die straks in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld zijn tijdelijk in een overgangsregeling (onderdeel van de Erfgoedwet) ondergebracht. Concreet gaat het om: vergunningenstelsel rijksmonumenten, archeologie, bescherming rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, handhaving en toezicht.
In artikel 3.16 van de Erfgoedwet staat dat de gemeenteraad een eigen erfgoedverordening kan vaststellen, die zich richt op beheer en behoud van cultureel erfgoed, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. De gemeente is dan ook verplicht een gemeentelijk erfgoedregister bij te houden. Sinds 1987 heeft de gemeente Rotterdam een gemeentelijke Monumentenverordening, waar archeologie tot 2003 een onderdeel van uitmaakte. De actualisatie van de Monumentenverordening Rotterdam 2010 is aangekondigd in de Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020.
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 1
De voorliggende Erfgoedverordening Rotterdam 2020 is gebaseerd op de modelErfgoedverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en vervangt de Archeologieverordening Rotterdam 2009 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. In deze verordening zijn de gemeentelijke cultuurgoederen en verzameling nog niet opgenomen. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2021 zal er ook geen verordening voor het roerend cultureel erfgoed worden gemaakt. In de omgevingsvisie wordt het beleid betreffende cultuurgoederen en verzamelingen meegenomen. In de nieuwe Erfgoedverordening Rotterdam 2020 geeft uw raad ons college bepaalde bevoegdheden ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed in de gemeente. Deze bevoegdheden zijn een voortzetting van de huidige Monumentenverordening Rotterdam 2010 en de Archeologieverordening Rotterdam 2009. In navolging van de Erfgoedwet wordt in de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 de instandhoudingsplicht opgenomen. Concreet wordt voorgesteld om naast het verbod op beschadigen en vernielen, ook het onthouden van onderhoud strafbaar te maken Nadat uw gemeenteraad de erfgoedverordening vastgesteld heeft zal ons college een beleidsregel opstellen waarin wij aangeven hoe wij omgaan met de verkregen bevoegdheid ten aanzien van het gemeentelijke erfgoed.
De beleidsregel zal gericht zijn op het aanwijzen van nieuwe gemeentelijke monumenten en het wijzigen van het erfgoed register. Wij stellen voor om het aanwijzen van gemeentelijke monumenten in toekomst te laten plaatsvinden als resultaat van een (stadsbreed) thematisch onderzoek. Met een dergelijke aanpak wordt een afwegingskader gegarandeerd dat voor alle initiatieven voor aanwijzing als gemeentelijk monument geldt, zowel die van ons college als van burgers, verenigingen en eigenaren. Initiatieven die niet passen binnen lopende thematische onderzoeken hoeven niet altijd in behandeling te worden genomen als een afwegingskader ontbreekt. Dat betekent niet dat alle aanvragen buiten een aanwijzingsprogramma, om deze reden niet in behandeling zullen worden genomen. Het is een mogelijkheid die gecreëerd wordt, waarbij aanwijzing buiten de thematische aanpak mogelijk blijft. In de nieuwe Erfgoedagenda zal nader worden ingegaan op de thematische onderzoeken die in de komende periode opgestart worden voor het aanwijzen van gebouwde gemeentelijk monumenten. De bevoegdheid ten aanzien van hot wijzigen van het erfgoedregister zal erop gericht zijn de (digitale) informatievoorziening voor eigenaren van gemeentelijke monumenten te verbeteren. Het gaat hierbij om wijzigingen ter verduidelijking van de omvang en essentie van het gemeentelijke monument.
Financiële en juridische consequenties/aspecten: De Erfgoedverordening Rotterdam 2020 sluit aan bij de Erfgoedwet 2016 waarin de verschillende aspecten van erfgoed in één wet worden geregeld. In de tekst van de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 is rekening gehouden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2021. Het is mogelijk dat in de aanloop naar het
Registratienummer cluster: BS20/00790 i 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 2
inwerkingtreden van de Omgevingswet alsnog kleine aanpassingen gedaan moeten worden aan deze verordening. Het bijbehorende ontwerpbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en Wethouders van Rotterdam,
De burgemeester,
V.J.M.
A. Aboutaleb
lozen
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 3
Ontwerpbesluit
Oe Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 maart 2020; (raadsvoorstel nr. ‘vult Stadhuis in*); gelet op de artikelen 3.16 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12 en 38 van de Monumentenwet 1988 en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; overwegende, dat de huidige Monumentenverordening Rotterdam 2010 en de Archeologieverordening Rotterdam 2009 aangepast dienen te worden aan de nieuwe wetgeving; besluit vast te stellen:
Erfgoedverordening Rotterdam 2020
51. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: -
archeologisch (vooronderzoek, het vemchien van werkzaamheden met als doel het verkrijgen van informatie over, het opsporen en onderzoeken van, en het rapporteren over archeologische zaken en terreinen;
-
archeologische waardenkaart. topografische kaart met hierop aangegeven de archeologisch monumenten en archeologisch verwachtingsgebieden en het te volgen beleid met betrekking tot grondroerende werkzaamheden in de verschillende gebieden;
-
gemeentelijk monument monument of archeologisch monument, dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
commissie voor Welstand en Monumenten: door de raad ingestelde commissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op net gebied van de monumentenzorg met als taak het college van burgemeester en wethouders dan wel het bevoegde gezag op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over onder meer de toepassing van de Erfgoedwet, deze verordening en het monumentenbeleid;.
-
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de rechtsopvolger daarvan;
Registratienummer cluster: BS20/007901 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 4
-
plananalyse: een objectieve analyse van de gevolgen, die een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft voor de beschermde waarden van een gemeentelijk monument;
-
redengevende omschrijving: beschrijving van de cultuurhistorische waarden en karakteristieken van een voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking komende onroerende zaak.
-
religieus monument, monument, dat voor een overwegend deel door een geloofsgemeenschap of religieuze instelling wordt gebruikt voor de eredienst.
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister). 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en gegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.
5 2. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor de aanwijzing als gemeentelijk monument. 3. Voor de aanwijzing als een gemeentelijk monument of gebied waarbinnen een gemeentelijk monument is gelegen moet een redengevende omschrijving worden opgesteld. De eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde en gebruiker zijn desgevraagd verplicht mee te werken aan het opstellen van de redengevende omschrijving van het monument of het gebied. 4. Dit artikel is niet van toepassing op: a. Rijksmonumenten; en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 4. Voornemen tot aanwijzing 1.
Een voornemen om over te gaan tot aanwijzing als gemeentelijk monument wordt door burgemeester en wethouders schríftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak, die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet en ingeschreven in het register op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 5
2. Voordat een religieus monument wordt aangewezen als gemeentelijk monument, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 5. Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister, op het moment dat besloten wordt om het monument niet aan te wijzen, of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 6. Advies commissie voor Welstand en Monumenten 1. Burgemeester en wethouders vragen advies aan de commissie voor Welstand en Monumenten alvorens te besluiten tot de aanwijzing als gemeentelijk monument. Het verzoek om advies dient vergezeld te gaan dooreen redengevende omschrijving. 2. De commissie voor Welstand en Monumenten betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De commissie voor Welstand en Monumenten brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schríftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. 4.
Hoofdstuk 9 en Bijlage 3 van de Bouwverordening Rotterdam 2010 zijn van overeenkomstige toepassing op de adviesverzoeken die ingevolge artikel 9.1, derde lid van de Bouwverordening Rotterdam 2010 aan de commissie voor Welstand en Monumenten worden voorgelegd. 5. Dit artikel is niet van toepassing op de aanwijzing van een archeologisch monument als gemeentelijk monument. Artikel 7. Beslistermijn en Ínhoud aanwijzingsbesluit 1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen 26 weken na hun voornemen, zoals bedoeld in artikel 4, over de aanwijzing. 2. De in het eerste lid genoemde beslistermijn kan eenmaal met 26 weken worden verlengd. Belanghebbenden worden hierover schríftelijk geïnformeerd. 3. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. Artikel 4, eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 9. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Registratienummer cluster: BS20/00790120bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 6
2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 2 van deze verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het gemeentelijk monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet, of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
5 3. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 10. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen ofte vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 11. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken ofte laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede ínhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het meiden van handelingen, bedoeld in het tweede lid. Artikel 12. Advies omgevingsvergunning 1.
Indien de aanvraag ontvankelijk is, zenden burgemeester en wethouders onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel vooreen monument als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, vergezeld van een plananalyse voor advies aan de commissie voor Welstand en Monumenten. 2. De commissie voor Welstand en Monumenten brengt het advies uit binnen 4 weken na ontvangst van de adviesaanvraag.
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 7
3. Een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zenden burgemeester en wethouders tevens onverwijld voor advies aan de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. 4. Burgemeester en wethouders betrekken de adviezen bij de beslissing op de ingediende aanvraag respectievelijk het aan het bevoegd gezag uit te brengen advies. Artikel 13. Weigering van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt geweigerd als het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet. Artikel 14. Intrekkingsgronden De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. als de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd; c. als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning aanvang is gemaakt met de werkzaamheden; d. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.
5 4. Handhaving en toezicht Artikel 15. Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met artikel 10 of het bepaalde krachtens artikel 11, derde lid, van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 16. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de in het kader van het toezicht op de naleving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen toezichthouders. 2. Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
g 5 Vangnet archeologie Artikel 17. Archeologische waardenkaart 1. Burgemeester en wethouders stellen een archeologische waardenkaart vast waarop op een topografische ondergrond gemeentelijke archeologische monumenten, archeologische kenmerken en gebieden met verschillende kansen op het aantreffen van archeologische waarden zijn aangegeven.
Registratienummer cluster: BS20/007901 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 8
2. Tevens wordt op de kaart het voor deze plaatsen en gebieden te volgen beleid met betrekking totgrondroerende werkzaamheden vermeld, en de daaraan te verbinden regels.
Artikel 18. Verbod bodem verstoren 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische waarden worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid a, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; b. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of c. een rapport van een archeologisch deskundige is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en op basis waarvan blijkt dat de archeologische waarde niet wordt geschaad of dat schade kan worden voorkomen door: 10. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 20 het doen van archeologisch onderzoek volgens een door burgemeester en wethouders vastte stellen programma van eisen; 30 de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 2. Onkosten die zijn verbonden aan de onder c bedoelde maatregelen ter voorkoming van schade komen voor rekening van de aanvrager. 3.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Ş 6. Slotbepalingen Artikel 19. Intrekken oude verordeningen De Archeologieverordening Rotterdam 2009 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 worden ingetrokken. Artikel 20. Overgangsrecht 1. De krachtens de Monumentenverordening Rotterdam 2010 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten en de krachtens de Archeologieverordening Rotterdam 2009 aangewezen en geregistreerde archeologisch belangrijke plaatsen zijn aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk monument overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
Registratienummer cluster: BS20/00790 ĩ 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 9
2. Aanvragen om vergunningen die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Monumentenverordening Rotterdam 2010. 3. De reeds door burgemeester en wethouders vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam wordt gelijkgesteld met de archeologische waardenkaart als bedoeld in artikel 17 van deze verordening. Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de dagtekening van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van *vult griffie in* De griffier,
De voorzitter,
Registratienummer duster: BS20/00790 ! 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 10
Toelichting Erfgoedverordening Rotterdam 2020 ALGEMEEN DEEL Inleiding De Erfgoedverordening is vastgesteld vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. Reikwijdte De Erfgoedwet integreert de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988 (Mw 1988), de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebiea.
Archeologische waarden worden op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht meer en meer geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de mogelijkheid om in het kader van archeologische monumentenzorg voorschriften aan een omgevingsvergunning te verbinden). Omdat er binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming van archeologische monumenten niet is opgenomen, is in het overgangsrecht afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (zie paragraaf 6 van deze verordening). Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en, op de voet van het overgangsrecht van artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12 ,15 en 38 van de Monumentenwet 1988. Deze laatste wetgeving blijft op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Daarnaast zijn ook de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van belang in verband met de bescherming van monumenten door middel van omgevingsvergunningen. ARTIKELSGEWIJS Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 1.
Begripsbepalingen De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom slechts een beperkt aantal begrippen waarvan de definitie moet worden omschreven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: - archeologisch monument terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar - aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst, overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en
Registratienummer cluster: BS20/007901 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 11
-
omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; monument, onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; rijksmonument monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; rijksmonumentenregister, register als bedoeld in artikel 3.3[, van de Erfgoedwet];
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, archeologische monumenten of cultuurgoederen. Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen rechtsmiddelen zijn aangewend of dat de aanwijzing in een bezwaar-, beroeps- of hoger beroepsprocedure in stand is gebleven en hiertegen geen rechtsmiddelen tegen zijn aangewend. Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.
De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Artikel 4.
Voornemen tot aanwijzing Eerste lid leder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw), leder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 12
eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5. van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van religieuze monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het religieus monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 5.
Voorbescherming Eerste lid Vanaf het moment dat burgemeester en wethouders het voornemen genomen hebben om een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument en dit kenbaar gemaakt hebben aan alle zakelijke gerechtigden geldt de voorbescherming. De voorbescherming houdt in dat een monument of archeologisch monument behandeld moet worden als zijnde een gemeentelijk monument. Dat betekent dat voor wijziging aan het toekomstig gemeentelijk monument een omgevingsvergunning overeenkomstig paragraaf 3, van toepassing is. Tweede lid Wanneer de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt de bescherming door. Wanneer er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming. Artikel 6. Advies Commissie voor Welstand en Monumenten Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval to t taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven.
Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Binnen Rotterdam is hier uitvoering aan gegeven door de instelling van een gezamenlijke Commissie voor Welstand en Monumenten. Artikel 7. Beslistermijn en ínhoud aanwijzingsbesluit De in dit artikel opgenomen beslistermijn sluit aan bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Hiermee wordt een eenduidigheid in de afwikkeling van aanwijzingsprocedures voorgestaan. Artikel 8. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. De aanwijzing van een gemeentelijk monument is vooralle zakelijk gerechtigden van belang, niei alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1,
Registratienummer cluster: BS20/00790 i 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 13
onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 9. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat voor het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 10. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is afgeleid van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet. Met deze wijziging is voor rijksmonumenten voorzien in een instandhoudingsplicht die ook voor gemeentelijke monumenten als wenselijk wordt gezien. Artikel 11.
Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Derde lid Burgemeester en wethouders kunnen aanvullende onafhankelijke onderzoeksrapporten vragen, zoals benoemd in de Regeling omgevingsrecht artikel 7.1. Voor de cultuurhistorische rapporten, zijnde bouwhistorische onderzoek, tuinhistorisch onderzoek en kleurhistorisch onderzoek worden in Rotterdam de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Stichting Erkend Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) opgestelde richtlijnen gehandhaafd. Artikel 12. Advies omgevingsvergunning Een aanvraag is ontvankelijk als is voldaan aan de vereisten om de aanvraag inhoudelijk te behandelen. Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval to t taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Binnen Rotterdam is hier uitvoering aan gegeven door de instelling van een gezamenlijke Commissie voor Welstand en Monumenten. Artikel 13.
Weigeringsgronden Op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt, ligt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 14. Intrekken van de omgevingsvergunning In dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden ingetrokken. Intrekking van de vergunning houdt in dat op de betreffende locatie geen vergunningplichtige activiteiten meer mogen worden uitgevoerd.
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 14
Artikel 15. Strafbepaling Deze strafbepaling is uitsluitend voor overtreding van de instandhoudingsplicht van artikel 10 en de nadere regels krachtens artikel 11, derde lid, noodzakelijk. De strafbaarstelling van handelen zonder of in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is via de Wabo en de Wet op de economische delicten (artikel 1a) geregeld. Langs deze weg is ook overtreding van artikel 11, eerste lid, en 18, eerste lid, van deze verordening strafbaar. Artikel 17 en 18. Vangnet archeologie Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige ofte verwachten monumenten rekening is gehouden. Op basis van deze inventarisatie kan een specifieke bestemmingsplanregeling worden opgenomen die dient ter bescherming van (mogelijk) aanwezige archeologisch waardevolle zaken in de bodem. Hiermee is de bescherming van archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht die zijn vastgesteld voordat deze verplichting gold.
Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, zijn artikel 17 en 18 opgenomen. De strekking van deze artikelen is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak.
Registratienummer cluster: BS20/00790 I 20bb009554 Portefeuillehouder: S. Kasmi Steller: D. Guth
pagina 15