CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

19bb16838 Bijlage 1 behorende bij 21bb7717 over Ontwerpbestemmingsplan Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 11. Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost’.24.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost Ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door: Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

printdatum:

1 oktober 2018

Vastgesteld d.d.:

........

Onherroepelijk d.d.:

........

Inhoudsopgave T oelichting

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging en begrenzing

5

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

6

1.4

Samenvatting "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost"

7

Beleid

8

2.1

Rijksbeleid

8

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

9

2.3

Gemeentelijk beleid

10

Beschrijving van het plangebied

17

3.1

Ontstaansgeschiedenis

17

3.2

Archeologie

17

3.3

Huidig gebruik

19

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

21

Planbeschrijving

25

4.1

Ontwikkelingen

25

4.2

Mogelijk toekomstige ontwikkelingen

26

4.3

Ontwikkelingen in directe omgeving: Oranjebonnen

27

4.4

Juridische planbeschrijving

28

Water

32

5.1

Beleidskader

32

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

32

5.3

Huidige watersysteem

33

5.4

De wateropgave

34

Hoofdstuk 6

Milieu

37

6.1

Inleiding

37

6.2

Milieu effectrapportage

37

6.3

Milieuzonering

38

6.4

Geluid

39

6.5

Luchtkwaliteit

41

6.6

Geur

42

6.7

Bodem

43

6.8

Externe veiligheid

43

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

2

6.9

Natuur

46

Hoofdstuk 7

Handhaving

49

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

50

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51

9.1

GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM

51

9.2

HHD, Hoogheemraadschap van Delfland

51

9.3

VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

52

9.4

BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam

53

9.5

TenneT (TSO B.V.) beheerder hoogspanningsnet

53

9.6

NGU, N.V. Nederlandse Gasunie

55

9.7

DCMR, Milieudienst Rijnmond

55

9.8

RWS, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland

55

9.9

Havenbedrijf Rotterdam N.V.

57

9.10

Participatie en informatie

58

Bijlagen Bijlage 1

Afbeelding Archeologie

Bijlage 2

Wateradvies

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

Bijlage 4

Besluit hogere waarden

Bijlage 5

Lucht- en geuronderzoek

Bijlage 6

Risicoanalyse Externe Veiligheid

Bijlage 7

Flora- en faunatoets

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De nu geldende bestemmingsplannen voor dit deel van Hoek van Holland zijn aan vernieuwing toe. Het opstellen van het bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma actualisering bestemmingsplannen. Het nieuwe bestemmingsplan legt vooral de huidige situatie vast. De huidige situatie wijkt op meerdere punten af van de eerdere bestemmingsplannen. Grote delen van het gebied zijn eerder agrarisch bestemd en hebben na het doorlopen van afwijkingsprocedures, een andere bestemming gekregen.

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt in Hoek van Holland en grenst aan de westzijde aan de bedrijventerreinen De Zekken, De Kulk en het gebied van Stenaline en het Viandaterrein. Aan de noord- en oostzijde grenst het aan de Bonnenpolder en het Nieuw Oranjekanaal. De zuidelijke plangrens loopt tot aan de plangrenzen van het bestemmingsplan “Europoort en Landtong”. Het gebied omvat de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg, het bedrijventerrein aan het Nieuw Oranjekanaal, de tweede ontsluitingsweg van Hoek van Holland: de Hoeksebaan, het complex van het grote composteringsbedrijf, de (tijdelijke) munitiezeefinrichting en de grond- en slibbank van loswal 'De Bonnen'.

5

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

De volgende bestemmingsplannen zijn geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan gelegen. Bij elk plan is aangegeven wanneer het is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland: 364

Bedrijfsterrein Haakweg-Slachthuisweg

Vastgesteld: 17-10-1968 425

Hoek van Holland buitengebied-oost 1979

Vastgesteld: 03-05-1979 441

Goedgekeurd: ged. 10-02-1987

Onherroepelijk: 27-02-1989

Goedgekeurd: ged. 21-02-1978

Onherroepelijk: 01-09-1987

Stormvloedkering Nieuwe Waterweg

Vastgesteld: 08-10-1992 573

Onherroepelijk: 06-06-1985

Zeehavengebied

Vastgesteld: 29-11-1976 496

Goedgekeurd: ged. 29-07-1980

Hoek van Holland Buitengebied noord en oost II

Vastgesteld: 03-04-1986 455

Goedgekeurd: ged. 10-12-1969

Goedgekeurd: 18-05-1993

Onherroepelijk: 04-05-1994

Tweede ontsluitingsweg Hoek van Holland

Vastgesteld: 13-03-2008

Goedgekeurd: 17-06-2008

Onherroepelijk: 22-08-2008

alsmede de Parapluherzieningen: 1077

Terrassen

vastgesteld 11-11-2014 onherroepelijk 25-04-2015;

1097

Parkeernorming Rotterdam

vastgesteld 14-12-2017 onherroepelijk 31-03-2018;

1104

Biologische Veiligheid

vastgesteld 14-06-2018 onherroepelijk 18-08-2018.

Daarnaast geldt op twee locaties in het gebied geen bestemmingsplan en is de Rotterdamse bouwverordening het planologisch kader (BVO).

6

1.4

Samenvatting "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost"

Het bestemmingsplan voor dit deel van Hoek van Holland gaat over de Maeslantkering, het bedrijventerrein aan het Nieuw Oranjekanaal, de tweede ontsluitingsweg van Hoek van Holland, het complex van het grote composteringsbedrijf, de munitiezeefinrichting en de grond- en slibbank van loswal 'De Bonnen'. Ook gaat het plan over het hoogspanningstation van TenneT en enkele windturbines op zowel de Landtong als op de noordelijke oever van de Nieuwe Waterweg. Het bestemmingsplan legt vooral de huidige situatie vast. De huidige situatie wijkt op meerdere punten af van de eerdere bestemmingsplannen. Grote delen van het gebied zijn eerder agrarisch bestemd en hebben na het doorlopen van afwijkingsprocedures, een andere bestemming gekregen. Voor enkele stukken geldt nog geen bestemmingsplan. Uitbreiding van het bedrijventerrein is mogelijk gemaakt op twee locaties aan het Nieuw Oranjekanaal. De bedrijfswoning van het hoogheemraadschap krijgt in het bestemmingsplan een woonbestemming. In 2001 is voor loswal 'De Bonnen' een intentieovereenkomst afgesloten, als aanzet tot de sanering van de grond, realisatie van een tijdelijke grond- en slibbank, de tweede ontsluitingsweg en het grote composteringsbedrijf. We verwachten dat het opgehoogde terrein van de loswal binnen enkele jaren in gebruik wordt genomen voor andere, niet-agrarische doeleinden.

Bijvoorbeeld een uitbreiding van het bedrijventerrein, eventueel met een locatie voor vrachtwagenparkeren en/of recreatie. Deze ontwikkelingen, de ontsluiting van het terrein en de mogelijke inpassing in de omgeving zijn echter nog onvoldoende concreet om nu in het bestemmingsplan te worden meegenomen.

7

Hoofdstuk 2 2.1

Beleid

Rijksbeleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzigingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. 2.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012 Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden: 1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur; 2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is.

Het betreft: 1) een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4) Efficiënt gebruik van de ondergrond; 5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; 8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming

bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

8

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt. De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. 2.1.2

Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in (naar verwachting) 2019. De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen: Water en erfgoed; Landschap: transformatie van het landelijk gebied; Transformatie in de stad en in krimpgebieden.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aangeven en de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de verordening en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is. 2.2.1

Visie Ruimte en Mobiliteit

Vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014, Actualisering vastgesteld op 12 december 2016 De Visie ruimte en mobiliteit bestaat uit verschillende delen: De Visie ruimte en mobiliteit omvat de doelen van het provinciale beleid en is zelfbindend voor de provincie. Het Programma mobiliteit en het Programma ruimte: in deze twee programma’s worden de doelen uitgewerkt en is een realisatiestrategie opgenomen. Per doel is aangegeven welke instrumentenmix wordt ingezet. Sommige doelen en projecten kan de provincie zelf realiseren, maar voor de meeste doelen en projecten heeft de provincie andere partijen nodig. Dit kan zowel via de informele weg, zoals overleg en het maken van afspraken, als via de formele weg, door het inzetten van het juridisch instrumentarium van de Wro. Het gaat dan bijvoorbeeld om zienswijze, aanwijzing, inpassingsplan en verordening. De verordening Ruimte 2014 bevat regels over de inhoud en toelichting van bestemmingsplannen of daarmee gelijkgestelde plannen. Het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" bevat de volgende provinciale onderwerpen: Er is geen wijzigingsbevoegdheid en/of een uitwerkingsplicht opgenomen. Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet niet in wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal

9

van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Het plan voldoet daarmee aan de ruimtelijke kwaliteit beschreven in de Verordening Ruimte. Het groepsrisico rond transportassen en de Nieuwe Waterweg neemt niet toe en het berekende groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde.

2.3

Gemeentelijk beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer. 2.3.1

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 2.3.2

Visie Werklocaties 2030

Vastgesteld op 2 april 2009 door de Rotterdamse gemeenteraad Op 2 april 2009 heeft de gemeenteraad van Rotterdam de visie Werklocaties 2030 vastgesteld. Deze visie is de ruimtelijk-economische uitwerking van de Stadsvisie Rotterdam 2030 en tevens een vertaling naar de werklocaties in de regio Rotterdam. Werklocaties zijn gebieden waarin de economische functie(s) dominant aanwezig zijn. Het doel van de Visie Werklocaties 2030 is de bijdrage van de verschillende deelgebieden aan de gewenste economische ontwikkeling van Rotterdam en regio in kaart te brengen. De visie Werklocaties 2030 geeft inzicht in de vraag naar welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn en in de match tussen publieke en private belangen. Het gaat hier om het vaststellen van de hoofdlijnen voor de ruimtelijk - economische ontwikkeling. Hierdoor ontstaat een kader voor de toetsing van projecten op hun bijdrage aan de doelen van de Stadsvisie Rotterdam 2030. Vanuit dit perspectief wordt Rotterdam gekenmerkt door drie ontwikkelingszones met belangrijke werklocaties: de Haven- en Industriële Zone (Maasvlakte 2, Stadshavens en Ridderster), de kennis- en dienstenzone (Rotterdam Airpark/Schieveen, Alexander en Spaanse Polder/Noordwest) en het kerngebied (Binnenstad, Hart van Zuid, Stadionpark en Kralingse Zoom).

Het noordelijke gebied ligt in de "kennis en dienstenzone" van Rotterdam en de economische oriëntatie is vooral gericht op de Randstad. In de Randstadgemeenten bevindt zich tevens het aanvullende of concurrerende aanbod aan locaties. Om te kunnen concurreren met de Randstad moeten hoogwaardige werklocaties worden aangeboden in combinatie met een bijbehorend woningen- en voorzieningenaanbod. Het zakenvliegveld Rotterdam Airport is een belangrijk sellingpoint. Spaanse Polder en Noord West dienen te worden geoptimaliseerd en geherstructureerd. Daarnaast kan de vraag

10

naar lokale bedrijfsruimte worden opgevangen in Nesselande en Park Zestienhoven. Op termijn komt Rotterdam Airport, gezamenlijk met Schieveen in beeld. Het planaanbod aan kantorenlocaties kent een fors overschot. In Alexander blijft het consoliderende beleid gehandhaafd. Aan ontwikkeling van de volkstuinen langs de A20 is tot 2030 geen behoefte. De locaties rond Rotterdam Airport en Schieveen zullen behoedzaam moeten worden ontwikkeld, waarbij de aanwezigheid van het zakenvliegveld zoveel mogelijk uitgebuit wordt. Afstemming met het aanbod in Delft (Technopolis), Schiedam (Schieveste) en Vlaardingen (Vijfsluizen) over een gezamenlijke aanpak is noodzakelijk om het overaanbod terug te dringen. De voorzieningen in Noord zijn vooral gelegen in het gebied rondom het vliegveld. Afstemming met de Binnenstad en Alexander is gewenst.

Het plangebied "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" ligt nog net binnen de Haven- & Industriële Zone en wordt gerekend tot het Beheersgebied. De locatie is nog altijd aantrekkelijk voor de markt. Vanuit publieke overwegingen is de noodzaak en wenselijkheid om in deze gebieden (door) te ontwikkelen echter niet groot. Overwegingen die hieraan ten grondslag liggen kunnen bijvoorbeeld zijn: concurrentie met meer prioritaire gebieden, dan wel zeer hoge kosten om ruimte te creëren. De publieke investeringen zullen dan ook worden beperkt tot het onderhouden en beheren van het gebied. 2.3.3

Gebiedsplan Hoek van Holland 2014-2018

Vastgesteld door de Gebiedscommissie Hoek van Holland op 17 juli 2014 Het gebiedsplan beschrijft de ambitie voor Hoek van Holland in de periode 2014 – 2018. Niet alleen de doelen, maar ook de strategieën waarmee de doelen bereikt gaan worden staan beschreven. Bij het opstellen van het gebiedsplan zijn samenwerkingspartners betrokken geweest. Het Gebiedsplan onderstreept het belang van een goede ontsluiting en bereikbaarheid: Hoek van Holland is bereikbaar via de N211 vanuit ‘s-Gravenzande en Den Haag en via de Maasdijk/Hoeksebaan N220/N223/A20 vanuit Maassluis en Rotterdam. Op drukke stranddagen is het wegennet naar Hoek van Holland overbelast. Er zijn vergevorderde plannen om de Harwichweg te verbinden met de Hoeksebaan via de zogenaamde H6-weg waardoor een extra ontsluitingroute ontstaat voor doorgaand verkeer. De dorpskern wordt daarmee verder ontlast. Er is een financiële samenhang met de ombouw van de Hoekse Lijn naar lightrail. Het is van belang dat de H6-weg zo snel mogelijk na het realiseren van het 3-in-1 project wordt gerealiseerd. Verder spreekt het Gebiedsplan over de mogelijke uitbreiding van bedrijventerreinen: De gebiedscommissie wil dat in 2018 een plan is opgesteld over mogelijke uitbreiding van bedrijventerreinen aan de oostzijde van bedrijventerrein De Kulk, feitelijk onderdeel van het bestemmingsplangebied.

De komende jaren is er een aantal prioriteiten gesteld voor Hoek van Holland. De volgende prioriteit is voor het bestemmingsplangebied "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" relevant: Bijzondere aandacht voor het milieu in Hoek van Holland, mede door het uitbreiden van de bevoegdheden van de gebiedscommissie op het gebied van milieu. 2.3.4

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

11

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

2.3.5

Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten.

De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium. Rotterdam bruist!;

12

de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken. Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen.

Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht.

Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

13

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.6) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan

14

de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca.

Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor. 2.3.6

Horecagebiedsplan Hoek van Holland 2017-2019

Vastgesteld door B&W op 23 mei 2017 Hoek van Holland Het horecagebiedsplan geeft voor de verschillende deelgebieden een omschrijving van de ontwikkelrichting. Voor Bedrijventerrein en Industrieterrein geldt dat er twee horecazaken aanwezig zijn, de kantine van de IJsbaan en het RockArt museum. Beide zaken exploiteren onder vrijgesteld van de vergunningsplicht. De zaken liggen niet in het bestemmingsplangebied. In het plangebied zijn enkele bedrijfswoningen gevestigd, verder is er geen bewoning. Er zijn wel klachten over geluid en stank, maar deze zijn niet horeca-gerelateerd. Door wel ontwikkelingen binnen de regels van vrijgesteld van de vergunningplicht toe te staan is er enige ruimte voor ontwikkeling zonder dat er gebruik kan worden gemaakt van ontheffingen (meer geluid te mogen produceren of verruiming van de openingstijden). Als gewenste ontwikkeling voor bestaande en nieuwe inrichtingen geldt: consolideren. Vrijgesteld van de vergunningplicht: Toestaan De Maeslantkering met het publiekscentrum wordt gerekend onder het buitengebied. In het buitengebied is nauwelijks sprake van enige druk op het woon- en leefklimaat, er zijn weliswaar woningen in de omgeving, maar geen klachten bekend. Ook zijn er geen klachten bekend die te maken hebben met openbare orde en veiligheid. De gekozen ontwikkelrichting sluit aan bij het vastgestelde visiedocument voor dit gebied.

Als gewenste ontwikkeling voor bestaande en nieuwe inrichtingen geldt: ontwikkelen tot en met categorie 1. Vrijgesteld van de vergunningplicht: Toestaan 2.3.7 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met

15

het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'. De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. 2.3.8 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed.

Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

16

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving van het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

Het bestemmingsplangebied maakt deel uit van een voornamelijk in en na de Late Middeleeuwen (1000-1500) gevormd landschap tussen Naaldwijk/'s-Gravenzande en de monding van de Nieuwe Maas. In de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Chr.) en Vroege Middeleeuwen (350-1000) lag hier het mondingsgebied van de Nieuwe Maas. Afzettingen uit deze tijd ontbreken; tot op grote diepte bevinden zich slechts afzettingen die na het verschuiven van de Maasmonding naar het zuiden in de Late Middeleeuwen en daarna zijn gevormd. Het huidige landschap bestaat uit bedijkte kleigebieden en zogenaamde haakwallen: zandige strandafzettingen waarop duinvorming heeft plaatsgevonden. De haakwallen zijn in verschillende fasen in zuidwaartse richting afgezet. De meest noordelijke haakwal (waarop 's-Gravenzande ligt) is in het midden van de 12e eeuw gevormd. De tweede haakwal is die van het Nieuwlandse duin en Staalduinen en moet vóór 1242 zijn gevormd. De derde haakwal (De Haak) is pas gevormd tussen 1542 en 1611. Deze haakwal staat namelijk nog niet afgebeeld op de provinciale kaart van Van Deventer uit 1542, maar wel op de kaart van Delfland van Floris Balthasars uit 1611. De laatstgenoemde wal bevindt zich ten dele binnen het bestemmingsplangebied. Het zuidelijk deel van het plangebied valt binnen het voormalige kweldergebied de Zekken.

3.2

Archeologie

3.2.1

Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

17

3.2.2

Landschap en bewoningsgeschiedenis

Hoek van Holland maakt deel uit van een voornamelijk in de Late Middeleeuwen (1000-1500) en de Nieuwe Tijd gevormd landschap. In de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Chr.) en Vroege Middeleeuwen (350-1000) lag ter plaatse het mondingsgebied van de Nieuwe Maas. Afzettingen uit deze tijd ontbreken; tot op grote diepte bevinden zich slechts afzettingen die daarna, vanaf de Late Middeleeuwen, zijn gevormd. Het huidige landschap bestaat uit jonge kustduinen, bedijkte kleigebieden en zogenaamde haakwallen: smalle stroken zandige, landinwaarts gebogen strandafzettingen waarop duinvorming heeft plaatsgevonden. Ten gevolge van sterke kusterosie zijn de westelijke delen van deze haakwallen, die aansloten op de kustduinen, verdwenen. Zo lag de kust bij Monster in de 17e eeuw circa één kilometer ten westen van de huidige kustlijn. Doordat na de 12e eeuw de Maasmonding zich voortdurend zuidwaarts verplaatste, is de zuidelijke oever de Maas ook steeds zuidwaarts geërodeerd vanaf die tijd. De haakwallen zijn in verschillende fasen in zuidwaartse richting afgezet. De meest noordelijke haakwal (waarop 's-Gravenzande ligt) is in het midden van de 12e eeuw gevormd, langs de noordelijke oever van de Maas. De tweede haakwal is die van het Nieuwlandse duin en Staalduinen en moet vóór 1242 zijn gevormd. De derde haakwal (De Haak, die deels in het plangebied ligt)) is pas gevormd na 1542.

De twee laatstgenoemde haakwallen bevinden zich grotendeels in Hoek van Holland. Van het bij de haakwallen behorende kustduingebied is logischerwijs alleen een deel van de laatste fase van ná circa 1573 (Spanjaardsduin, De Beer) bewaard gebleven in het huidige Hoek van Holland en onder het gebied van Maasvlakte 1. De gebieden tussen de opeenvolgende haakwallen werden bedijkt zodra dat mogelijk was. Zo ontstonden bijvoorbeeld de Nieuwlandse polder (kort na 1421) en de Bonnenpolder en de Oranjepolder. Historisch hoorde Hoek van Holland (tot de annexatie door Rotterdam in 1914) bij 's-Gravenzande en Naaldwijk. De naam Hoek van Holland verscheen in de 17e eeuw voor het eerst op historische kaarten. Een deel van het gebied kwam door de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1866-1872) ten zuiden daarvan te liggen en later is daar Maasvlakte 1 op aangelegd. De noodwoningen van de arbeiders die aan de Nieuwe Waterweg en de nieuwe spoorlijn werkten, vormden het begin van het binnen het plangebied gelegen oude dorp Hoek van Holland (tussen Strandweg en Seinpad). Al snel vestigde zich hier personeel van Rijkswaterstaat, de reddingsmaatschappij, het loodswezen en van bedrijven en rederijen. Sinds de aanleg van de Nieuwe Waterweg lag Hoek van Holland militair heel strategisch.

Door de bouw van het Pantserfort (1883-1888), juist ten zuidoosten van het oude dorp, was er nu ook het nodige personeel van defensie gevestigd. In 1914 volgde annexatie van het gebied door Rotterdam. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden door de Duitse bezetter aan de monding van de Nieuwe Waterweg honderden verdedigingswerken opgetrokken. Het oppervlak van de vesting Hoek van Holland veranderde in 1942 enkele malen van omvang. In de herfst van dat jaar kwamen de definitieve plannen voor de Atlantikwall tot stand, ook van het omvangrijke Verteidigungsbereich Hoek van Holland. Het pantserfort 1881 werd aangepast en de bewapening gemoderniseerd. Binnen het plangebied lag een deel van de stellingen langs de oostrand van dit Verteidigungsbereich Hoek van Holland. 3.2.3

Archeologische verwachting

De relatief jonge vorming van het landschap betekent dat de archeologische potentie van het bestemmingsplangebied voor de periode tot 1850 niet groot is. Er zijn mogelijk wel vindplaatsen uit de Nieuwe tijd te verwachten. Ook zijn er allerlei waterstaatkundige en landaanwinningsconstructies, denk aan stuifschermen bijvoorbeeld, te verwachten. De laatste jaren wordt in de erfgoedsector meer aandacht gevraagd voor (bouw)resten en structuren uit de periode na 1850. Archeologisch gezien gaat het in het plangebied dan bijvoorbeeld om nog niet in kaart gebrachte militaire constructies en structuren. De ligging en betekenis van de bouwwerken en de infrastructuur is grotendeels bekend, maar lang niet alles kennen we in detail. Te denken valt vooral aan kleinere onder de grond geraakte gebouwde objecten, infrastructurele werken en bijvoorbeeld aan loopgraven, mangaten, geschutlocaties en andere 'zachte' sporen met bijbehorend vondstmateriaal. Binnen het plangebied lagen langs het Oranjekanaal twee zogenaamde Wiederstandsneste, waarvan onder meer (delen van) bunkers bewaard zijn gebleven. Ook aan de overzijde van de Nieuwe Waterweg, bij het zuidelijk deel van de Maeslantkering, waren Duitse stellingen.

18

3.2.4

Aanbevelingen

Waarde - Archeologie 1 Voor de sterk opgehoogde delen het plangebied (Waarde - Archeologie 1), geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 4,0 meter meter beneden maaiveld, en die tevens een oppervlakte groter dan 200 vierkante meter beslaan. Waarde - Archeologie 2 Voor de rest van het plangebied (Waarde - Archeologie 2), inclusief de terreinen met de mogelijke resten uit de Tweede Wereldoorlog, geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 100 vierkante meter beslaan. Waarde - Archeologie 3 Voor het watergedeelte van het plangebied (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem.

3.3

Huidig gebruik

3.3.1

Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg

Een belangrijk deel van het bestemmingsplangebied bestaat uit de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg. Tussen de twee stormvloedkeringen (Maeslantkering en Hartelkering) ligt nog de verbindende Europoortkering 1 en Europoortkering 2. De Maeslantkeringkering werd gebouwd tussen 1991 en 1997. Het bouwwerk is volledig automatisch gestuurd en vormt samen met de Hartelkering en de dijkverbreding Rozenburg, de Europoortkering. De Maeslantkering is een voorliggende kering, wat betekent dat hij de eerste klappen opvangt bij hoogwater vanuit zee. Hiermee beschermt de stormvloedkering de inwoners van Zuid-Holland. Op het terrein van de waterkering is tevens het Keringhuis gelegen, een publieks- en informatiecentrum over hoogwaterbescherming in Zuid-Holland en over de indrukwekkende Maeslantkering. 3.3.2

Schakelstation van TenneT

De realisatie van het schakelstation was nodig om aan de toenemende energiebehoefte in de regio te voldoen. Op de locatie gaat de bovengrondse 380 kV hoogspanningsverbinding over in de ondergrondse hoogspanningsleiding. 3.3.3

Paardenhouderij aan de Slachthuisweg

Naast het schakelstation is op enige afstand een paardenhouderij gelegen. Er zijn diverse schuren en stallen aanwezig. 3.3.4

Loswal 'De Bonnen'

De baggerspecie die bij onderhoud van de Rotterdamse havens vrijkomt, werd ten dele afgevoerd naar de Noordzee en ten dele geborgen op het land, op de zo genoemde loswallen. De loswallen worden na rijping in het algemeen gebruikt voor agrarische doeleinden. Dit was ook de situatie voor de loswal 'De Bonnen', gelegen tussen bedrijventerrein De Kulk en de Hoeksebaan. De bestemming volgens het bestemmingsplan is agrarisch, maar de grond is op dit moment tijdelijk in gebruik als grond- en slibbank. 3.3.5

Munitiezeefinrichting aan de Dwarskulk

Op dit moment wordt een deel van de loswal gebruikt als munitiezeefinrichting. Een inrichting voor het zeven van met munitie verontreinigde grond met een maximum capaciteit van 100.000 ton per jaar.

19

Hiervoor is in 2013 een tijdelijke vergunning afgegeven voor 5 jaar. De munitiezeefinrichting zal naar verwachting gedurende een deel van de planperiode van dit bestemmingsplan in gebruik blijven. De opslag van oude explosieven vormt een risico in verband met een eventuele detonatie. Bij een detonatie in de explosievenopslag zijn de schadelijke effecten onderzocht en is rekening gehouden met effectbeperkende maatregelen zoals het aanbrengen van een aarden wal of gevulde zeecontainers rondom de opslagcontainers die hoger is dan de containers zelf. Ook een zandbed van 50 cm op het containerdak kan verspreiding van dakfragmenten tegengaan. 3.3.6

Bedrijfsbestemming composteringsbedrijf

Tussen de grond- en slibbank en de Hoeksebaan ligt een groot composteringsbedrijf. Na de aanleg van de Hoeksebaan ligt het bedrijf afgescheiden van de rest van het bedrijfsterrein Nieuw Oranjekanaal. De activiteit van het bedrijf wordt gerekend tot een activiteit in milieucategorie 4.1, voornamelijk onder invloed van geuroverlast van een gemiddeld bedrijf van dit type. Het bedrijf is een grote verwerker van tuinbouwafval dat onder meer vrijkomt bij de teeltwisseling van de kassen. Het groenafval gaat naar de locatie nabij de Hoeksebaan alwaar het bedrijf beschikt over een gespecialiseerd hypermodern tunnelcomposteringsbedrijf. Het groenafval wordt ontvangen in een speciaal daarvoor ingerichte ontvangsthal van 9000m2 waar het gesorteerd en vermengd wordt met structuurmateriaal. Vervolgens gaat het één van de zestien tunnels in waar door middel van beluchting en exacte regulatie van vochtigheid en temperatuur een ideale situatie wordt gecreëerd voor het composteringsproces. Na slechts twee weken ontstaat compost van uitstekende kwaliteit die voldoet aan de strenge eisen van Keurcompost. Het vocht dat vrijkomt tijdens het composteringsproces wordt opgevangen en opnieuw ingezet. 3.3.7

Hoeksebaan en Hoekse Lijn

Door het plangebied loopt de tweede ontsluitingsweg van Hoek van Holland, de Hoeksebaan. Deze verkeersverbinding verbindt de oostkant van Hoek van Holland met het rijkswegennet, waaronder de A20. Ook de spoorlijn maakt onderdeel uit van het plan. Met het project Hoekse Lijn wordt de treinverbinding ingeruild voor een metroverbinding. De nieuwe spoorverbinding is in dit bestemmingsplan bestemd. Aanvankelijk maakte een station ter hoogte van de Maeslantkering, "Station Oranjebuitenpolder", onderdeel uit van de scope van het project Hoekse Lijn. Door het uitblijven van eerder verwachte ontwikkelingen in de omgeving is echter in 2008 besloten dit station niet te realiseren, omdat er te weinig reizigers worden verwacht. Technisch gezien wordt een toekomstige aanleg echter niet onmogelijk gemaakt. 3.3.8

Bedrijventerrein Nieuw Oranjekanaal

Tussen de Hoeksebaan en het Nieuw Oranjekanaal is het bedrijventerrein Nieuw Oranjekanaal gelegen. Dit terrein is circa 9 hectare groot en wordt voornamelijk gebruikt door recyclebedrijven, opslag/overslag en sorteerbedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2 met een sterke band met het Westland. De voormalige dienstwoning van het hoogheemraadschap op adres Nieuw Oranjekanaal 115 ligt net buiten het bedrijventerrein. 3.3.9

Windturbines Landtong en Windpark Nieuwe Waterweg

Op de Landtong, aan de zuidzijde van de Nieuwe Waterweg staan meerdere windturbines opgesteld. Twee van die turbines zijn gelegen binnen het bestemmingsplangebied, nabij de Maeslantkering en zijn in het bestemmingsplan bestemd. Aan de noordzijde van de Nieuwe Waterweg (en de rivier Het Scheur) wordt Windpark Nieuwe Waterweg gerealiseerd. Dit windpark bestaat uit 7 windturbines (oorspronkelijk 8), waarvan er één in het bestemmingsplangebied ligt, ten westen van de Maeslantkering. Na de uitspraak van de Raad van State is de omgevingsvergunning in 2016 onherroepelijk geworden. Ook deze turbine is bestemd in dit bestemmingsplan. De verwachting is dat de bouw van het windpark start in 2018.

20

Figuur Windpark Nieuwe Waterweg met 7 windturbines, waarvan 1 in het plangebied

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

3.4.1

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van een bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde.

De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden die van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er

21

binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Wederopbouwaandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. 3.4.2

Plangebied

Voor Hoek van Holland is in het voorjaar van 2017 de cultuurhistorische verkenning vastgesteld, getiteld "Hoek van Holland: cultuurhistorische verkenning fase 1: biografie, analyse en waardering". (Leon van Meijel, Els Bet, Maarten Wamsteeker, in opdracht van de gemeente Rotterdam). De eerste fase brengt inzicht in de ontwikkelingsgeschiedenis, de karakteristieken en bijzondere waarden van het gebied. In Fase 1 zijn de objecten, structuren en ensembles gegeven die het verhaal van Hoek van Holland vertellen, en wat ze met elkaar verbindt. De tweede fase volgt later in 2017 en zal een overzicht bieden van plaatselijke initiatieven en aanbevelingen doen over hoe deze initiatieven met elkaar én met de cultuurhistorie in verbinding kunnen worden gebracht. Voor een goed begrip van Hoek van Holland is de gebiedskarakteristiek ontrafeld aan de hand van de volgende thematisch lagen: 1. Het landschap: het verhaal over de riviermonding, de polders en de agrarische bestemming. 2. De Nieuwe Waterweg: het verhaal over de aanleg, de bijbehorende voorzieningen en diensten, alsmede de transportsector en de bedrijvigheid in de flank daarvan. 3. De bunkers en stellingen: het verhaal over de Nederlandse en Duitse militaire verdedigingswerken. 4. De kust en het toerisme: het verhaal over de ontwikkeling tot badplaats voor kampeerders, bleekneusjes en dagtoeristen. 5.

Het dorp: het verhaal over de ontwikkeling van tijdelijke werkkolonie tot planmatig ontworpen nederzetting in de flank van de ‘verborgen kringen‘. In deze cultuurhistorische verkenning wordt onder cultuurhistorische waarden het volgende verstaan: Beschermde en niet-beschermde bovengrondse objecten, structuren en ensembles van landschappelijke, stedenbouwkundige en/of architectonische aard die door hun ouderdom, functie, verschijningsvorm, typologie, positie, techniek en/of ontwerpkwaliteiten op zichzelf, maar veelal ook in relatie met andere gewaardeerde uitingen en relicten, van uitzonderlijk belang zijn voor het verhaal en de beleving van het structuurbeeld van Hoek van Holland. Het verhaal (de biografie) en het structuurbeeld (de analyse) vormen het vertrekpunt voor de waardering. Voldoet een object, structuur of ensemble aan bovenstaande definitie en is er sprake van een zekere mate van gaafheid, herkenbaarheid en/of zeldzaamheid, dan is het betreffende element gewaardeerd. Bij die waardering is sprake van gradaties. De hoogste status is die van rijks- of gemeentelijk monument of dorpsgezicht. De Rijksmonumenten zijn integraal beschermd. Daarna volgen de beeldbepalende en beeldondersteunende structuren en objecten zonder formeel beschermde status. Bij deze categorieën is vooral het aanzien ervan vanuit de openbare ruimte van belang.

22

Beeldbepalend wil zeggen dat het object of de structuur in hoge mate kenmerkend is voor de identiteit van het gebied, het thema of het ruimtelijke stelsel. Deze objecten of structuren zijn de belangrijkste dragers van het verhaal en het bijbehorende structuurbeeld. Zonder dat is het verhaal en het beeld niet meer te begrijpen. Beeldondersteunend wil zeggen dat het object of de structuur representatief is voor de identiteit van het gebied, het thema of het ruimtelijke stelsel. Deze objecten of structuren dragen bij aan het verder inkleuren van het verhaal en het bijbehorende structuurbeeld. De CV geeft bij elk gewaardeerd object, structuur of ensemble een korte argumentatie. De status beeldbepalend of beeldondersteunend betekent niet dat er meteen actie wordt ondernomen, maar wel dat de motivatie er is om actie te ondernemen. Zo zou nader onderzoek kunnen uitwijzen welke beeldbepalende zaken eventueel in aanmerking kunnen komen voor bescherming als gemeentelijk monument.

Uitsnede van het plangebied uit de cultuurhistorische verkenning voor Hoek van Holland, waarderingskaart thema 'landschap'

Thema Landschap, Beeldbepalende structuren: 5. Het (Nieuw) Oranjekanaal met daaraan gekoppeld het gemaal ‘Westland‘ als belangrijk waterstaatkundig stelsel. 14. Maeslantkeringweg 121: boezemgemaal ‘Westland’ in modernistische jaren zestig architectuur met gevelkunstwerk, markant gesitueerd op de plek waar het (Nieuw) Oranjekanaal uitmondt in de Nieuwe Waterweg. 15. Nieuwe Oranjekanaal 139: ‘Maeslantkering’ uit 1993-1997 van architect W. Quist, ontworpen als sluitstuk van de nationale deltawerken, bestaande uit twee vakwerkarmen met boogvormige ‘deuren’ die de Nieuwe Waterweg kunnen afsluiten: het nieuwe ‘verdedigingsfort’ van Hoek van Holland. Thema Nieuwe Waterweg, beeldbepalende objecten: 12. Nieuwe Waterweg, in 1866-1868 gegraven en later diverse malen aangepaste rechtstreekse verbinding tussen de Rotterdamse havens en de zee, waaraan het dorp Hoek van Holland zijn ontstaan dankt. 19. Spoorlijn Rotterdam – Hoek van Holland: voor de ontsluiting en ontwikkeling van Hoek van Holland cruciale infrastructuur. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen monumenten gelegen. De beeldbepalende structuren en objecten blijven behouden in het bestemmingsplan. Het gemaal

23

'Westland' heeft als beeldbepalende object een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' gekregen ter bescherming van de cultuurhistorische waarde. Die dubbelbestemming werpt een drempel op tegen sloop, zodat sloop in principe niet mogelijk is. Alleen indien maatschappelijke, technische of economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken, kan er een sloopvergunning worden verleend. Verder leidt de dubbelbestemming ertoe dat in geval van nieuwbouw voldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de locatie.

24

Hoofdstuk 4

Planbeschrijving

4.1

Ontwikkelingen

4.1.1

Tijdelijke grond- en slibbank

Loswal 'De Bonnen' heeft in het oude bestemmingsplan een agrarische bestemming, maar wordt op dit moment niet agrarisch gebruikt. De grond is tijdelijk in gebruik als grond- en slibbank. In 2001 is door de gemeente Rotterdam en de Stichting Verwerken Tuinafval Westland een intentieovereenkomst afgesloten, als aanzet tot de sanering van de grond, realisatie van een tijdelijke grond- en slibbank, de tweede ontsluitingsweg en het grote composteringsbedrijf. De overeenkomst markeert tevens de start van de planologische procedure voor dit gebied voor een aanvaardbare nieuwe bedrijfs- of recreatiebestemming van de voorheen agrarische gronden. Naar verwachting zal het opgehoogde terrein van loswal 'De Bonnen' binnen de planhorizon van het bestemmingsplan in gebruik worden genomen voor andere, niet-agrarische doeleinden. Gedacht wordt aan uitbreiding als bedrijventerrein, eventueel met een locatie voor vrachtwagenparkeren en/of recreatie. Deze ontwikkelingen, de ontsluiting van het terrein en de mogelijke inpassing in de omgeving zijn echter nog onvoldoende concreet om nu in het bestemmingsplan te worden meegenomen. Als de initiatieven meer concreet zijn, zullen deze een zelfstandige planologische procedure volgen. In dit bestemmingsplan is het feitelijke gebruik (grond- en slibbank) opgenomen in de bestemming 'Bedrijf - 3'. 4.1.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=035b6593-74f2-4585-bceb-c3e4072003f2