TOELICHTING bestemmingsplan snelfietsroute F58.pdf
Tekst van het document
Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.4.2 Onderzoek Voor het aspect luchtkwaliteit moet worden nagegaan of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Dit bestemmingsplan is opgesteld om een snelfietsroute te realiseren. Ten gevolge van deze ontwikkeling is geen sprake van een toename van gemotoriseerd verkeer in het plangebied, het project heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid Wm. De luchtkwaliteitseisen leveren daarmee geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Kader Algemeen Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege:
-
a. Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. Het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Met betrekking tot risico’s wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid.
Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. In andere regelgeving dan Bevi kunnen ook risiconormen of aan te houden effectafstanden zijn opgenomen ten aanzien van inrichtingen. Te denken valt aan het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit ten aanzien van propaantanks, benzine- en aardgastankstations en gasdrukregelstations. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid” en de “Wet vervoer gevaarlijke stoffen”. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is sinds 1 januari 2011 geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan.
Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 55 of 5 meter. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Gemeentelijk beleid De gemeenten Moerdijk, Halderberge en Roosendaal zetten zich samen met de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant in voor meer veiligheid in de spoorzone langs het traject Roosendaal –
Lage Zwaluwe. Zelfredzaamheid en hulpverlening staan daarbij centraal. De instanties richten zich op het treffen van maatregelen om de zwakke plekken aan te pakken en de communicatie te verbeteren. 4.5.2 Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een snelfietsroute mogelijk. Het bestemmingsplan ziet uitsluitend op de openbare ruimte en maakt geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk. Verkeersdeelnemers (automobilisten en fietsers) worden niet beoordeeld in het kader van extern veiligheidsonderzoek, waardoor nader onderzoek naar het plaatsgebonden risico of het groepsrisico niet noodzakelijk is. Een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. 4.5.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Daarnaast levert de omgeving geen risico’s op voor de functie verkeer. 4.6 Geluid 4.6.1 Kader Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder (Wgh) wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten.
Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld ter wille van het woon- en leefklimaat. De Wgh biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. De wet kent een ondergrens, de voorkeursgrenswaarde. Als de geluidbelasting lager is dan deze waarde, dan zijn de voorwaarden die de wet stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de Wgh een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Als de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. In het geval de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een ‘hogere waarde’ genoemd, ‘hoger’ in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde en wordt via een formele procedure vastgelegd. 4.6.2 Onderzoek Voor een fietspad is geen geluidzonering van toepassing. Bij de aanleg van het fietspad is geen sprake van verplaatsing van een eventueel naastliggende weg. Er zijn daarom geen belemmering op grond van de Wgh. 4.6.3 Conclusie Er is geen sprake van een ontoelaatbare toename van geluidhinder als gevolg van de aanleg van de snelfietsroute.
Fietsverkeer is geen gevoelige functie, waardoor onderliggend plan met het oog op het aspect geluid uitvoerbaar is. Oftewel, het aspect geluid vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
4.7 Bodem 4.7.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. 4.7.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Door Arcadis is in juni 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
Aan de hand van het verkennend onderzoek is nagegaan of op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater boven de (lokale) streef- en/of achtergrondwaarden aanwezig zijn. Het verkennende (grondwater-/asbest)bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit de NEN 5470. Op basis van de beschikbare gegevens is hierbij uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte lijnvormige locatie. Ook PFAS is in de analyses meegenomen. Hieronder worden de conclusies beschreven. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Bodem algemeen Zintuiglijk zijn in de bodem lokaal puinbijmengingen aangetroffen. Ter plaatse van deze boringen zijn asbestinspectiekuilen gegraven en onderzocht. Analytisch zijn in de bovengrond, met uitzondering van mengmonster MM20 (locatie retentievoorziening), geen of ‘slechts’ lichte verhogingen aan stoffen gemeten. Het gaat dan om PAK, enkele metalen, PCB’s en minerale olie. Ook in de ondergrond komen geen of maximaal lichte verhogingen (PAK/minerale olie) voor. PFAS bodem PFAS komen in de vaste bodem voor, doorgaans echter in gehalten in de klasse ‘landbouw/natuur’. Enkel in de mengmonsters MM3 en MM16 is sprake van klasse ‘wonen/industrie’, op basis van de gehalten aan PFOS. Grondwater algemeen In het grondwater komen doorgaans geen of slechts lichte verhogingen voor.
Het gaat dan om barium, zink en naftaleen. Dit geldt voor het onderhavige plangebied.
PFAS Grondwater PFAS komt in het grondwater verhoogd, ten opzichte van de detectiegrens, voor. Deze verhogingen zijn echter niet meer dan marginaal. De indicatieve niveaus voor ernstige grondwaterverontreiniging (INEV), ook de meest strenge (‘inclusief grondwater’), worden hier niet benaderd of overschreden. Asbest Voor wat betreft asbest zijn inspectiekuilen gegraven en onderzocht daar waar in het verkennende onderzoek puinbijmengingen ‘van onbekende herkomst’ zijn aangetroffen. Zintuiglijk is hierbij geen asbestverdacht materiaal aangetroffen, ook analytisch wordt in vier van de vijf analysemonsters geen asbest boven de detectiegrens aangetroffen. Uitzondering is het mengmonster van de bovengrond inspectiekuilen ABK57, ABK59 en ABK63. Hierin is een ‘gewogen’ asbestgehalte van 76 mg/kgds aangetroffen. Dit gehalte overschrijdt de interventiewaarde en restconcentratienorm niet, echter wél het criterium voor nader onderzoek, 50mg/kg. Hiermee zou voor deze inspectiekuilen de hypothese (asbest)verdacht aangenomen dienen te worden, waardoor een nader onderzoek asbest aan de orde is. Echter, indien de resultaten worden beschouwd, blijkt dat dit resultaat is ingegeven door één klein asbestplaatje in het analysemonster, waarbij het (wellicht) om een ‘incident’ gaat.
Daar het gaat om een mengmonster is niet bekend in welke inspectiekuil dit asbest zich bevindt (of eigenlijk bevond).Derhalve wordt aanbevolen om niet direct een nader onderzoek uit te voeren, maar om de drie bewuste inspectiekuilen opnieuw te graven en (laagsgewijs) te onderzoeken, en per kuil separaat te analyseren. 4.7.3 Conclusie Het fietspad is geen bodemgevoelige functie. Over het algemeen zal de aangetroffen bodemkwaliteit de aanleg van het snelfietspad niet belemmeren. Wel worden nog aanvullende onderzoeken aanbevolen voorafgaand aan de realisatie/uitvoering van het fietspad (bijvoorbeeld wanneer er grond vrijkomt die verplaatst moet worden), maar deze zijn voor de uitvoering van het bestemmingsplan niet direct relevant. 4.8 Water 4.8.1 Kader Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Brabantse Delta. 4.8.2 Onderzoek Oppervlaktewater In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig wat zijn afvoer heeft richting waterloop De Smalle Beek die in eigendom en beheer bij het waterschap is. Hiernaast wordt een deel van het water in het gebied afgevoerd via waterlopen die langs het tracé liggen. Het aanwezige oppervlaktewater betreft greppels en categorie A, B en C waterlopen. Waterveiligheid In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Dit levert dus geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
Rioolstelsel In het gehele gebied wordt het afvalwater getransporteerd via een drukrioleringssysteem en zijn aparte hemelwatersystemen aangelegd om het regenwater naar het oppervlaktewater af te voeren.
Het hemelwater dat op de fietspaden valt wordt via de bermen en/of aanwezige waterlopen/ greppels afgevoerd naar oppervlaktewater. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Voor het gedeelte van het fietspad dat in de bestemming Agrarisch en Bos ligt, neemt de verharding in de toekomstige situatie toe. Het hoofduitgangspunt voor de waterhuishouding van de snelfietsroute is het minimaal hydrologisch neutraal ontwikkelen van het plangebied. Vanuit de wet en regelgeving is compensatie benodigd wanneer er tussen de 500 m2 en 10.000 m2 aan verharding wordt toegevoegd. De volgende rekenregel is van toepassing: toename verhard opp. x gevoeligheidsfactor x 0,06 m3. Het verhard oppervlak neemt met 3.200 m1 x 4 = 12.800 m2 toe. Compensatie is dus aan de orde. Het hemelwater van het fietspad dat in de bestemming Agrarisch en Bos wordt aangelegd zal worden afgevoerd naar de (thans aanwezige) brede bermen. Hiernaast zal bij de afvoerende waterloop “Smalle Beek” een ecologische inrichting worden gerealiseerd waardoor deze waterloop meer ruimte krijgt om het extra hemelwater dat afkomstig is van het fietspad, maar ook van de omgeving, te kunnen afvoeren.
Naast deze ecologische inrichting voorziet de planvorming ook in een natuurlijke inrichting op het perceel van de firma Krinkels (Plantagebaan 58, aangeduid met bestemming Agrarisch) waarbij een deel van dit bedrijfsterrein wordt omgezet naar een invulling van groen met water. Ook op deze locatie wordt aanvullende waterberging gecreëerd voor het omliggende gebied. De compensatie voldoet hiermee. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van de watergangen is in handen bij de gemeente Roosendaal en ten aanzien van de Smalle Beek bij waterschap Brabantse Delta. Rioolstelsel Bij deze ontwikkeling worden geen aanpassingen aan het rioolstelsel uitgevoerd. Het hemelwater van het fietspad wordt afgevoerd naar de bermen en watergangen die langs het fietspad worden aangelegd of thans al aanwezig zijn. Duurzaam omgang met hemelwater In navolging op het landelijk beleid, vastgesteld in het Nationaal Bestuursakkoord Water en Waterbeheer 21e eeuw, hanteert de gemeente de volgende criteria voor de omgang met hemelwater:
Klimaatadaptatie Grote regenbuien moeten binnen het plangebied worden geborgen. Het oppervlak afstromend regenwater mag niet leiden tot wateroverlast in het plangebied en de omliggende omgeving (niet
afwentelen). Dit sluit aan bij het hydrologisch neutraal ontwikkelen van het plangebied. Wateroverlast en afwentelen naar de omliggende omgeving is bij dit project niet aan de orde. Materiaalgebruik Uitlogende bouwmateriaal, zoals lood, koper, zink en zacht PVC kunnen een nadelige invloed hebben op het milieu. De stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen wordt daarom aangeraden. 4.8.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.9 Flora en fauna 4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd.
Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.
Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: - Er geen andere bevredigende oplossing is, en - Geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en - Sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: - De bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of - De volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: - Er geen andere bevredigende oplossing is, en - Indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en).
Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Roosendaal is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet nodig indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of als er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.9.2 Onderzoek Voor deze ruimtelijke ontwikkeling dienen enkele bomen gekapt te worden.
Omdat de kap mogelijk leidt tot negatieve effecten op beschermde flora en fauna, is in 2020 onderzoek gestart naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Op basis van de ingreep, ligging en gegevens uit de NDFF is bepaald dat onderzoek noodzakelijk is naar aanwezigheid van broedvogels met jaarrond beschermde nesten, vleermuizen en beschermde flora. Vleermuizen Bij het vleermuisonderzoek zijn zomer- en kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, zwermplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied geïnventariseerd. Per
mogelijke functie is onderzoek verricht conform het Vleermuisprotocol 2017. Niet het hele tracé is onderzocht, omdat langs delen van het tracé vleermuizen op voorhand uitgesloten zijn. Dit doordat er geen lijnstructuren aanwezig zijn of deze dusdanig geïsoleerd liggen dat ze geen functie kunnen hebben voor vleermuizen. Het onderzoek beperkt zich daardoor tot de bosopstanden bij het knooppunt van de A17/A58 bij Roosendaal (In het plangebied van bestemmingsplan Snelfietsroute F58 – oostelijk deel). Het onderzochte deel is geen onderdeel van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Gedurende het onderzoek zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de rosse vleermuis waargenomen. Het betreft verschillende individuen van de gewone dwergvleermuis en enkele individuen van de laatvlieger en de rosse vleermuis. De meeste foerageeractiviteit boven het projectgebied vond kortstondig plaats. Enkele individuen van de gewone dwergvleermuis maken langer gebruik van de foerageermogelijkheden binnen het projectgebied. De foerageeractiviteiten binnen het projectgebied vinden voornamelijk plaats langs de groenstructuren. Broedvogels met jaarrond beschermd nest Om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de bomen binnen en rondom het projectgebied te bepalen, is in juli 2021 veldonderzoek gedaan.
Hierbij zijn de bomen vanaf de grond geïnspecteerd op nesten. Daarnaast is gelet op aanwezigheid van roofvogels in de omgeving die kunnen wijzen op aanwezigheid van territoria. Omdat het merendeel van de bomen jonge, kleine bomen betreft, was ook in het seizoen wel zichtbaar of nesten aanwezig waren. Tijdens het veldbezoek zijn in geen van de bomen nesten aangetroffen en ook zijn geen exemplaren waargenomen van soorten die kunnen wijzen op een nest zoals buizerd, sperwer of boomvalk. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen het projectgebied is daarom uitgesloten. Overige broedvogelsoorten Tijdens de verschillende veldbezoeken in het plangebied zijn de diverse algemeen tot schaars in Nederland voorkomende broedvogels waargenomen waarvan verwacht mag worden (zang en/of territorium-indicerende waarnemingen gedaan) dat deze in of nabij het plangebied kunnen broeden. Het gaat om onder andere pimpelmees, houtduif, kauw en merel. Flora Om de aanwezigheid van beschermde flora binnen het projectgebied te bepalen, is in juli van 2021 veldonderzoek gedaan. Hierbij is gekeken of beschermde plantensoorten, of geschikte groeiplaatsen voor beschermde plantensoorten, in het projectgebied aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten of geschikte groeiplaatsen voor beschermde planten aangetroffen.
Er is sprake van voedselrijke en intensief beheerde bermen waardoor beschermde flora, veelal pioniersoorten, geen geschikte groeiplaatsen vinden. De aanwezigheid van beschermde flora is binnen het projectgebied daarom uitgesloten. Gebiedsbescherming Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Brabantse Wal, bevindt zich op circa 6 kilometer afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Eventuele toename van de depositie van stikstof is beschreven in paragraaf 4.10. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen
Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (realiseren snelfietsroute) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland Een klein gedeelte van het plangebied valt in Natuur Netwerk Brabant. Hierop zijn de provinciale regels van toepassing zoals beschreven in paragraaf 3.3.2. In de memo ‘Natuurcompensatie aanleg snelfietspad Roosendaal-Bergen op Zoom zijn de eigenschappen van het betrokken NNB beschreven, is een effectenbeoordeling uitgevoerd en is tenslotte de compensatieopgave bepaald. De memo natuurcompensatie is gebaseerd op uitgebreid onderzoek door Arcadis naar flora en fauna op het voorkeurstracé. De memo natuurcompensatie is opgenomen als bijlage van de toelichting. De snelfietsroute doorkruist het NNB natuurdoeltype N16.04, Vochtig bos met productie, en N03.01, Beek en Bron. Het gaat hier om een strook aan de rand van een tamelijk natuurlijk bosje van ongeveer 2.228 m² waarvan een strookje aan de noordkant zal verdwijnen met een oppervlakte van 323 m². Vervolgens wordt de Smalle Beek overgestoken. Hiervoor zal een kunstwerk gerealiseerd worden, in de vorm van een brug. Op deze locatie is de Smalle Beek ongeveer 2,5 meter breed. Hierdoor zal eveneens over nog ongeveer 12 m² een ingreep plaats vinden binnen het NNB.
Samen verdwijnt er binnen het plangebied van dit bestemmingsplan dus in totaal 335 m² aan NNB. Voor andere delen van het tracé (buiten dit bestemmingsplan) is ook sprake van een ingreep in NNB. Er is voor gekozen de bijbehorende compensatie voor de hele ontwikkeling op één locatie uit te voeren. Het gaat om een nog niet uitgevoerd deel van het NNB, ter hoogte van de leidingenstraat en de hoogspanningsverbinding. De totale compensatieverplichting bedraagt 2.105 m2. Op de voorgestelde locatie is ruimte voor 19.729 m2 compensatiegebied. Daarmee kan ruimschoots aan de compensatieverplichting worden voldaan. Dit compensatiegebied wordt ingericht met het vastgestelde natuurbeheertype (N12.02). Hierdoor voorziet de natuurcompensatie, zoals overeengekomen voor het oostelijk deel van de snelfietsroute, tevens in voldoende mate voor het westelijk deel op grond van artikel 3.22 IOV. Voor meer informatie wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. De inrichting van het compensatiegebied valt zoals aangegeven buiten het bestemmingsplan ‘Snelfietsroute F58 – deel West’, maar wordt al wel meegenomen in de compensatieverplichting. De wijze van compenseren is afgestemd met de provincie en akkoord bevonden.
Houtopstanden In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. De oppervlakte van de te kappen bomen is minder dan tien are, het betreft ook geen rijbeplanting van maximaal twintig bomen; hierdoor vallen ze niet onder de definitie houtopstanden. Bij de voorgenomen kap is dan ook geen sprake van een meldingsplicht en herplantverplichting in het kader van artikel 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming. Echter is het binnen de gemeentelijke verordening mogelijk noodzakelijk een kapvergunning aan te vragen. 4.9.3 Conclusie Uit het flora en fauna onderzoek blijkt dat geen van de werkzaamheden verstorend of dodend/vernielend werken.
Omdat niet uitgesloten kan worden dat in het plangebied wel algemeen voorkomende broedvogels aanwezig zijn gedurende het broedseizoen, dienen vanuit de algemene Wnb zorgplicht de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt ongeveer van half maart tot half juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Wanneer werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Zo ja, wordt door de deskundig ecoloog een passende maatregel bedacht. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Waar mogelijk compenseren we de te kappen bomen binnen de projectgrenzen. Als dit niet mogelijk is, vindt compensatie plaats op een perceel ten zuiden van de wijk Weihoek. 4.10 Stikstof 4.10.1 Kader Bouwplannen, in alle diversiteit, kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse.
De gebruiksfase kan leiden tot een emissie van stikstofdioxide, bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen en aan het project gerelateerde verkeersbewegingen. Ook kan sprake zijn van een emissie van de stikstofdioxide als gevolg van de bouwwerkzaamheden (in de aanlegfase), bijvoorbeeld als gevolg van de bouwwerkzaamheden, grondverzet en werkzaamheden t.b.v. aanleg of reconstructie van infrastructuur. Sinds 1 juli 2021 bevat de Wet natuurbescherming de bouwvrijstelling. De bedoeling daarvan was dat bij de vergunningverlening voor een project geen rekening hoefde te worden gehouden met de stikstofuitstoot van bepaalde bouwactiviteiten. Deze bouwvrijstelling voldoet echter niet aan het Europese natuurbeschermingsrecht, blijkt uit rechtspraak van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daardoor geconstateerd dat de bouwvrijstelling niet gebruikt mag worden bij bouwprojecten. Net als in de situatie vóórdat de bouwvrijstelling werd ingevoerd, is het noodzakelijk om per project onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof in de aanlegfase. 4.10.2 Onderzoek De gebruiksfase zal niet leiden tot een emissie van stikstofdioxide. De snelfietsroute heeft op langere termijn een blijvend positief effect op de stikstofdepositie in het gebied.
Door de snelfietsroute zal het aantal verkeersbewegingen van auto’s dat tussen Bergen op Zoom en Roosendaal plaatsvindt afnemen (de verwachting is dat er 200 auto’s per dag minder op en neer rijden tussen Bergen op Zoom en Roosendaal). De vraag is of er sprake is van een emissie van de stikstofdioxide als gevolg van de bouwwerkzaamheden in de aanlegfase. Eind juni 2021 is er een voortoets stikstofdepositie snelfietsroute Roosendaal Bergen op Zoom opgesteld door Van Empel milieuadvies. Indien de beoogde planning wordt uitgevoerd leidt de aanleg van het traject tot een overschrijding van de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar (te weten 0,03 mol/ha/jaar en 0,01 mol/ha/jaar). Voor meer informatie wordt verwezen naar het rapport dat is toegevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan.
De aannemer krijgt de opdracht om een Aerieus-berekening te overleggen vóór de uitvoering van het werk. Indien er sprake is van een overschrijding van de waarden zal de aannemer passende maatregelen (moeten) nemen om binnen de kaders te blijven, bijvoorbeeld door de inzet van elektrische machines. Door het vooraf uitvoeren van deze berekening is het inzichtelijk wat nodig is en wordt richting de aannemer al het nodige inzicht gegeven over het in te zetten materieel. 4.10.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het van belang is dat aan de randvoorwaarden wordt voldaan bij de realisatie van de snelfietsroute. Aan de hand van de uitkomsten van de Aerieus-berekeningen zullen – indien nodig- passende maatregelen worden genomen om hieraan te (blijven) voldoen. 4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Kader De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel (archeologisch) erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden.
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het gaat daarbij om de volgende zaken: -
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
4.11.2 Onderzoek Uit de controle van de archeologische verwachtingskaart en het bij behorende beleid komt naar voren dat de locatie van het nieuwe snelfietspad voor het grootste deel binnen verschillende zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde ligt. De ingrepen voor de realisatie van het snelfietspad gaan mogelijk dieper dan 50cm -mv. Conform het gemeentelijk beleid moeten daarom in de zones meteen hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Conform de stappen van de AMZ-cyclus dient als eerste een bureauonderzoek conform de KNA 4.1 te worden uitgevoerd waarmee een gespecificeerd verwachtingsmodel wordt opgesteld voor de mogelijk aan te treffen archeologische resten. Het bevoegd gezag c.q. de gemeente Roosendaal heeft echter aangegeven van de AMZ-cyclus af te wijken en geeft aan dat tijdens de realisatie van het fietspad een archeologische begeleiding moet worden uitgevoerd. De locaties van deze archeologische begeleiding worden in een latere fase van het project, nadat bekend is waar bodem verstorende ingrepen gaan plaatsvinden, bepaald. Het bepalen van de locaties wordt in een latere fase door of in overeenstemming met de gemeentearcheoloog van de gemeente Roosendaal gedaan. Vóór de uitvoering van de
archeologische begeleiding moet een programma van eisen worden opgesteld dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. 4.11.3 Conclusie Om de archeologische waarden te beschermen wordt in dit bestemmingsplan de huidige dubbelbestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Voor het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek dan niet noodzakelijk. Voor de uitvoering moet er wel onderzoek gedaan worden. Indien ingrepen niet dieper gaan dan 0.5 meter -Mv, dan zijn er geen aanvullende archeologische onderzoeken noodzakelijk. Voor deze werkzaamheden geldt wel een wettelijke meldingsplicht bij het aantreffen van (mogelijke) archeologische resten. Indien onvoorziene toch vervanging van de fundering noodzakelijk is, dien eerst advies te worden ingewonnen bij de gemeentelijke archeoloog. 4.11.4 NGE Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek (zie bijlage bij de toelichting voor het gehele rapport) geldt het tracé grotendeels als verdacht NGE-gebied. Voor de uitvoering en realisatie van de snelfietsroute wordt vervolgonderzoek uitgevoerd. 4.12 Kabels en leidingen 4.12.1 Kader In het plangebied liggen planologisch relevante leidingen.
Voor het beoogde fietspadtracé is een KLIC-melding uitgevoerd om inzichtelijk te maken welke kabels en leidingen in de ondergrond aanwezig zijn, welke netbeheerders daarbij horen en waar potentiële conflicten met het toekomstige snelfietspad te verwachten zijn. De KLIC-melding is geanalyseerd, per netbeheerder is aangegeven welk type kabel of leiding zich binnen het totale traject van het fietspad bevindt en of er een potentieel conflict aan verbonden is. Eis voorzorgsmaatregel (EV) Er zijn meerdere ‘eis-voorzorgsmaatregelen’ van toepassing. Een “eis-voorzorgsmaatregel” (EV) is een eis die wordt opgelegd door een netbeheerder. Het houdt in dat bij een bepaald soort ‘mechanische grondroeractiviteiten’ in een bepaald gebied één of meerdere voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen, vóórdat de werkzaamheden mogen aanvangen. Hiervoor dient contact te worden gezocht met de betreffende netbeheerder(s). Binnen het fietspadtracé geldt deze eisvoorzorgsmaatregel op de volgende locaties: -
Ten hoogte van de buisleidingstraat kruist het fietspad meerdere kabels en leidingen met de status ‘’buisleiding gevaarlijke inhoud’’; Verspreid over het plangebied liggen parallel lopende middenspanningskabel (Enexis) dicht tegen de bestaande (fietspad of rijbaan) verharding; Ten hoogte van het parkeer-/werkterrein van de Buisleidingenstraat aan Vinkenbroeksestraat bevindt zich een schakelkast van LSNed.
4.12.2 Onderzoek Rioolpersleiding Net ten westen van De Wijper ligt een rioolpersleiding. Het tracé kruist deze leiding drie keer. Bij de aanleg van het fietspad zal rekening gehouden moeten worden met de instandhouding van deze persleiding. Ter bescherming van de belangen van de persleiding is een dubbelbestemming opgenomen. Dit is de dubbelbestemming ‘Leiding’ met daarin de figuur ‘hartlijn – leiding riool’, zoals ook in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Wouw 2020. Het waterschap is beheerder van deze leiding. Met het waterschap is de wijze van aanleg afgestemd, zodat de leiding bereikbaar blijft voor onderhoud. De ligging van de brug over de Smalle Beek is hier onder andere bij aangepast.
Hoogspanningsverbinding Net voor de aansluiting op de Oostlaarsestraat kruist het tracé de nieuw te bouwen hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost. Het fietspad belemmert de aanleg van de hoogspanningsverbinginding niet. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding 150-380 kV overgenomen. Daarmee is het belang van de hoogspanningsverbinding voldoende geborgd. Er is overleg geweest met TenneT, beheerder van de hoogspanningsverbinding. Daaruit is gebleken dat de aanleg van het fietspad geen belemmering oplevert voor de verbinding, mits de hoogte van de lichtmasten ter plaatse van de verbinding verlaagd wordt. Eis voorzorgsmaatregel (EV) Er zijn meerdere ‘eis-voorzorgsmaatregelen’ van toepassing. Een “eis-voorzorgsmaatregel” (EV) is een eis die wordt opgelegd door een netbeheerder. Het houdt in dat bij een bepaald soort ‘mechanische grondroeractiviteiten’ in een bepaald gebied één of meerdere voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen, vóórdat de werkzaamheden mogen aanvangen. Hiervoor dient contact te worden gezocht met de betreffende netbeheerder(s). Binnen het fietspadtracé geldt deze eisvoorzorgsmaatregel op de volgende locaties: -
Ten hoogte van de buisleidingstraat kruist het fietspad meerdere kabels en leidingen met de status ‘’buisleiding gevaarlijke inhoud’’; Verspreid over het plangebied liggen parallel lopende middenspanningskabel (Enexis) dicht tegen de bestaande (fietspad of rijbaan) verharding; Ten hoogte van het parkeer-/werkterrein van de Buisleidingenstraat aan Vinkenbroeksestraat bevindt zich een schakelkast van LSNed.
Parallel liggende kabels en leidingen Diverse andere kabels en leidingen, van een lagere categorie, kruisen het tracé of liggen daar parallel aan. Bij deze kabels en leidingen worden geen conflicten verwacht. Na verdere uitwerking van het ontwerp (Definitief ontwerp en verder) gaan we verder in gesprek met de betreffende nutsbeheerders. Mogelijk dienen kabels en leidingen te worden verlegd of kunnen deze (gedeeltelijk) onder de fietspadverharding liggen. In het ontwerp wordt een strook ruimte gereserveerd, de kabels en leidingen strook, waar men indien nodig naar uit kan wijken. LSNed LSNed beheert het leidingentracé tussen de industriegebieden van Rotterdam en Antwerpen met aftakkingen naar Moerdijk en richting Vlissingen, de zogenaamde Buisleidingenstraat. Het snelfietspadtracé en de Buisleidingenstraat komen op drie locaties met elkaar in aanraking te weten: -
1.Oostlaarsestraat (ten hoogte van aansluiting Snelfietsroute) 2.Vinkenbroeksestraat (ten oosten van huisnummer 12) 3.Wouwbaan (ten hoogte van aansluiting Snelfietsroute)
LSNed heeft op basis van het vastgestelde fietspadtracé (schetsniveau) een analyse uitgevoerd met als doel randvoorwaarden te bepalen voor deze locaties.
Algemene randvoorwaarden: -
-
Op werkzaamheden binnen de grenzen van de buisleidingenstraat zijn de voorschriften en informatie van LSNed van toepassing; Op werkzaamheden binnen de grenzen van de Buisleidingenstraat zijn de Velin Voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden zijn te vinden op www.velin.nl; Conform de LSNed voorschriften dient de (verticale) afstand tussen bovenzijde verharding en een kabel/leiding minimaal 1,2 meter te bedragen; De leidingexploitanten zijn verantwoordelijk voor hun eigen leidingintegriteit, zij zullen moeten beoordelen of de nieuwe verhardingen en verhardingstypen toelaatbaar zijn; Bij graafwerkzaamheden dient de laatste 50 centimeter rondom een kabel of leiding handmatig graven te worden; Vervanging van grond door bijvoorbeeld repac dient in overleg te gaan met LSNed en de buisleidingbeheerders. Doorgaans dient een minimale grond/zand laag met een dikte van 50 centimeter te worden gehandhaafd rondom kabels en leidingen; Wanneer er openbare verlichting langs het fietspadtracé komt dan dient dit in overleg te gaan met LSNed.
Oostlaarsestraat randvoorwaarden Op deze locatie sluit het fietspad aan binnen de zone ‘eis voorzorgsmaatregel’. Conform het huidige fietspadtracé wordt de bestaande weg (Oostlaarsestraat) niet aangepast. Derhalve gelden hier naast de voorschriften LSNed geen aanvullende eisen. Vinkenbroeksestraat randvoorwaarden Op deze locatie volgt men de bestaande weg, hier gelden geen andere of nieuwe eisen dan de voorschriften LSNed, zolang men binnen de bestaande verharding blijft. Wouwbaan randvoorwaarden Hier bevindt zich een gasleiding. Doorgaans worden gesloten verhardingen boven (parallel lopende) gasleidingen niet geaccepteerd door leidingbeheerders. Aangezien hier sprake is van een kruising van het tracé worden er geen problemen verwacht; Aan de noordzijde komt het wegontwerp net over de grond van LSNed te liggen. Er worden geen problemen verwacht, wel dient nadere afstemming plaats te vinden (o.a. over de afrastering en afstand uit verharding etc.); Leidingbeheerders Evides/DNWG hebben op deze locatie een beton gelede leiding, dit kan voor lastige raakvlakken zorgen.
Hier dient nadere afstemming plaats te vinden; Aan de zuidoostzijde liggen tevens twee stalen buisleidingen (Shell en DOW) van voor de aanleg van de Buisleidingenstraat; Wanneer het ontwerp definitief is dient afstemming plaats vinden over de wijze van afrastering 4.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het van belang is dat aan de randvoorwaarden, zoals hiervoor beschreven, wordt voldaan bij de realisatie van de snelfietsroute. Hiernaast is in een vroegtijdig stadium (vanaf voorlopig ontwerp) overleg geweest met alle leidingbeheerders en LSNED. De plannen zijn op de ligging van K+L afgestemd en hieruit zijn enkele beperkte wijzigingen naar voren gekomen.
HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE ASPECTEN Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.1 Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) In dit bestemmingsplan is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) toegepast. SVBP2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. 5.2 Opbouw van de regels Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden.
Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Naast de standaard die landelijk toegepast wordt, heeft de gemeente voor haar hele gemeentelijke gebied ook een standaard set van bestemmingen en aanduidingen ontwikkeld. 5.2.1 Bestemmingen Het plan kent de volgende enkelbestemmingen: -
Bedrijf-4 Groen Natuur Verkeer
Bedrijf-4 De bestemming ‘bedrijf 4' is gekoppeld aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten, toegekend aan solitair gelegen bedrijfsvestigingen. De bestaande bedrijfsfuncties zijn naar ‘zwaarte’ als zodanig bestemd. Deze bestemming is opgenomen voor de herbegrenzing van het bedrijf aan de Plantagebaan 58. De bedrijfsbestemming wordt verkleind en daarbij deels vervangen door de bestemming Natuur, als onderdeel van de watercompensatie.
Groen De gronden binnen deze bestemming zijn onder meer bestemd voor beplantingen, bermen en structureel groen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van algemeen nut en ten behoeve van speel- en spelvoorzieningen worden gerealiseerd en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Natuur De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor natuur. Binnen de bestemming is ook extensief dagrecreatief medegebruik toegestaan. Bebouwing is uitgesloten. De bestemming Natuur is gekozen voor de locatie ten westen van het bedrijf aan Plantagebaan 58, waar watercompensatie zal plaatsvinden. Verkeer In dit bestemmingsplan wordt enkel een snelfietsroute mogelijk gemaakt. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn fietspaden mogelijk. Omdat een groot deel van de snelfietsroute binnen de huidige bestemming ‘Verkeer’ is gelegen, is in de plan gekozen om ook enkel de bestemming ‘Verkeer’ op te nemen voor de snelfietsroute en niet te werken met een andere bestemming of aanduiding. Op deze manier is er een geheel binnen de gemeente. Het plan kent voorts vier dubbelbestemmingen: Leiding De fietsroute kruist een rioolpersleiding. In dit bestemmingsplan is de bijbehorende dubbelbestemming uit het geldende plan ‘Buitengebied Wouw 2020’ overgenomen. Met de regels in deze dubbelbestemming zijn de belangen van de rioolpersleiding beschermd.
Leiding – Hoogspanningsverbinding 150-380 kV De fietsroute kruist het tracé de nieuw te bouwen hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 kV Oost. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding 150-380 kV overgenomen. Daarmee is het belang van de hoogspanningsverbinding voldoende geborgd. Waarde – Archeologie 1 en 2 Er zijn twee dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie. Waarde - Archeologie 1 is bedoeld voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde en Waarde - Archeologie 2 voor gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde. Voorts kent het bestemmingsplan functie- en gebiedsaanduidingen. Noemenswaardig is de gebiedsaanduiding ‘overige zone- in Interim omgevingsverordening te verwijderen NNB’.
Daarnaast bevat het plan een aantal aanduidingen die grotendeels voortvloeien uit provinciaal beleid.
HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Kostenverhaal In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) is voorgeschreven dat, als een bestemmingsplan een bouwplan als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening mogelijk maakt, tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld om de door de gemeente gemaakte kosten te verhalen, tenzij: -
Het kostenverhaal anderszins verzekerd is; Er geen noodzaak is tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw; Er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.
In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meer woningen of ander gebouwen, of bepaalde functiewijzigingen van gebouwen. De aanleg van een fietspad en herinrichting van bestaande infrastructuur is geen bouwplan als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden opgesteld. 6.2 Financiële uitvoerbaarheid De realisering van het (snel)fietspad en de herinrichting van bestaande wegen worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente Roosendaal. De gemeenteraad heeft budget beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het project. Het bestemmingsplan is daarmee financieel uitvoerbaar.
HOOFDSTUK 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro Het voorontwerpbestemmingsplan wordt ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan een aantal overleginstanties, waarvan in ieder geval de provincie en het waterschap. 7.2 Inspraak In het kader van de gemeentelijke inspraakverordening wordt het voorontwerpbestemmingsplan voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder kan gedurende die termijn een inspraakreactie indienen. 7.3 Zienswijze Met ingang van 25 september 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan “snelfietsroute F58 – deel West” gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn er drie zienswijzen en zes vooroverlegreacties binnengekomen. De binnengekomen zienswijzen en vooroverlegreacties zijn samengevat en van beantwoording voorzien in bijlage 11. Naar aanleiding van de zienswijzen en vooroverlegreacties zijn de toelichting en regels op een aantal punten aangepast.