Ruimtelijke onderbouwing Boerenweg 8 te Heerle.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Renewi, Heerle
projectnummer 0485551.100 definitief revisie 2 3 augustus 2023
Ruimtelijke Onderbouwing Renewi, Heerle
projectnummer 0485551.100 definitief revisie 2 3 augustus 2023
Auteurs M. Evers
Opdrachtgever Renewi Nederland B.V. Flight Forum 240 5657 DH EINDHOVEN
Gecontroleerd: K. Keijzers
datum 3 augustus 2023
beschrijving definitief
vrijgave K. Keijzers
Inhoudsopgave
Blz.
1
Inleiding
2
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
2 2 3 4
2
Projectbeschrijving
5
2.1 2.2
Bestaande situatie Het initiatief
5 6
3
Beleidskaders
7
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1
Nationaal beleid Nationale Omgevingsvisie Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal en regionaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Interim-Omgevingsverordening Noord-Brabant Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Roosendaal (De Verbonden Stad)
7 7 7 8 8 8 8 9 9
4
Milieuhygiënische en planologische aspecten
10
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
Verkeer en parkeren Geluid Trillingen Luchtkwaliteit Externe Veiligheid Ecologie Water Bodem Archeologie en cultuurhistorie Vormvrij m.e.r.-beoordeling
10 10 11 12 13 16 17 20 21 23
5
Juridische beschrijving
25
6
Haalbaarheid
26
6.1 6.2
Financieel Maatschappelijk
26 26
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel Renewi Nederland B.V. is voornemens op hun vestiging aan de Boerenweg 8-A te Heerle een nieuw kantoorpand te realiseren. Het beoogde kantoorpand is voorzien op het meest westelijke deel van een bedrijventerrein in het buitengebied van de gemeente Roosendaal, waar momenteel een verouderd kantoorpand in de vorm van tijdelijke bebouwing gerealiseerd is. Op grond van het bestemmingsplan mag het kantoorpand enkel gerealiseerd worden in het bouwvlak. Op het perceel van Renewi Nederland B.V. is geen bouwvlak aanwezig. Het benoemen van het bouwvlak betreft echter een verschrijving, de gemeente Roosendaal doelde bij het benoemen van het bouwvlak op het bestemmingsvlak. Derhalve is de realisatie van het kantoorpand nu strijdig met het bestemmingsplan, waar dit niet zo bedoeld was. Om het initiatief duurzaam planologisch in te passen is de initiatiefnemer voornemens een omgevingsvergunning aan te vragen en op grond van artikel 2.12, lid 1 sub a onder 3 van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) af te wijken van het bestemmingsplan. Onderdeel van de Wabo-procedure is een ruimtelijke onderbouwing. In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat de ontwikkeling aanvaardbaar is op deze locatie. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunningaanvraag.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Roosendaal en is momenteel in gebruik door Renewi Nederland B.V. Het betreft een bedrijventerrein ten westen van de stad Roosendaal, ten oosten van Bergen op Zoom en Ten zuidwesten van Heerle nabij het spoortraject en de A58 tussen Roosendaal en Bergen op Zoom.
2
Figuur 1: Ligging plangebied (Streetsmart, 2023)
Figuur 2: Begrenzing plangebied (Streetsmart, 2023)
1.3
Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan is Bestemmingsplan ‘Buitengebied Wouw 2020’ (deels in werking vanaf 21 juli 2022). Onderstaand figuur is een uitsneden van het bestemmingsplan ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Het bestemmingsplan heeft de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein – 6’ en functieaanduidingen ‘bedrijfswoningen uitgesloten’ en de specifieke vorm van bedrijventerrein ‘afvalverwerkingsbedrijf’. Daarnaast geldt ook de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar 06’. 3
Figuur 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie van het projectgebied en de planontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de betreffende milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Hierna wordt in hoofdstuk 5 aandacht besteed aan juridische aspecten. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de haalbaarheid beschreven.
4
2
Projectbeschrijving
2.1
Bestaande situatie Het plangebied is gelegen op een bedrijven in het westen van de gemeente Roosendaal. Dit bedrijventerrein heeft de specifieke functieaanduiding ‘afvalverwerkingsbedrijf’ binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Wouw 2020’. Deze functie wordt door Renewi Nederland B.V. uitgeoefend op dit terrein. Op dit terrein maakt Renewi Nederland B.V. gebruik van een tijdelijke bebouwing voor haar kantoorhuisvesting. Het bestemmingsplan voor het westelijk deel van het buitengebied van de gemeente Roosendaal (buitengebied Wouw) is vastgesteld in 2010 en onherroepelijk geworden in 2012. Wel is op 6 juni 2019 nog het bestemmingsplan 'Herziening 1 Buitengebied Wouw vastgesteld. Dit plan voorziet in een up-to-date planologische regeling voor een aantal onderdelen uit het plan van 2010, die niet konden wachten op de algehele herziening en die niet als controversieel worden beschouwd.
Figuur 4: Luchtfoto terrein (Bron: Streetsmart)
5
2.2
Het initiatief Renewi Nederland B.V. is reeds gevestigd aan de Boerenweg 8-A te Heerle, dit betreft een bedrijventerrein. Op deze locatie is Renewi Nederland B.V. voornemens een kantoorpand te realiseren. Een visualisatie van het plan is hieronder weergegeven.
Figuur 5: Visualisatie kantoorgebouw
Renewi Nederland B.V. is een toonaangevend waste-to-product bedrijf. Levert lokale service, met internationale expertise en ondersteund met een breed aanbod van producten en afvaldiensten. Voor de werkzaamheden op de vestiging aan de Boerenweg 8A te Heerle is Renewi Nederland B.V. voornemens een nieuw kantoorpand te realiseren.
6
3
Beleidskaders
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. De visie geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De volgende vier prioriteiten zijn geformuleerd: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; • Afwentelen wordt voorkomen. Relevantie projectgebied Met de voorgenomen ontwikkeling worden er geen nationale belangen uit de NOVI geraakt. Derhalve is het projectvoornemen niet in strijd met de NOVI.
3.1.2
Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro) Het Besluit algemene ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende regeling (Rarro) vormen de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken en bevatten regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. Relevantie projectgebied Voor het plangebied gelden op grond van de Barro geen bijzondere regelingen waar rekening mee moet worden gehouden. Op grond van de Rarro ligt het plangebied in een radarverstoringsgebied waar een maximale bouwhoogte van 90 meter ten opzichte van NAP geldt. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een kantoorpand en blijft daarmee (ruim) onder de 90 meter ten opzichte van NAP. Er komen geen andere nationale belangen in het geding. De beoogde 7
ontwikkeling is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro en de Rarro.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Sinds 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (verder: ‘de ladder’) als motiveringseis opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het bereiken van een goede ruimtelijke ordening via optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Per 1 juli 2017 luidt de ladder, zoals opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Relevantie projectgebied Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Derhalve is een toetsing aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ niet benodigd.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant De omgevingsvisie van Noord-Brabant is op 14 december 2018 vastgesteld door de Provinciale Staten. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingsvisie op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie ook haar ambitie over hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. Relevantie projectgebied Vanwege de beperkte impact van de ontwikkeling is er geen strijdigheid met de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
3.2.2
Interim-Omgevingsverordening Noord-Brabant De interim omgevingsverordening bevat regelgeving die ook anticipeert op de komst van de Omgevingswet en kan gezien worden als een uitwerking van de ambities uit de Brabantse Omgevingsvisie in regels (net als dat de Verordening ruimte Noord-Brabant een uitwerking is van de SVRO). De omgevingsverordening integreert regels uit zes provinciale verordeningen (waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant). De Interim omgevingsverordening is op 6 november 2019 in werking getreden. Door de tijd heen is de omgevingsverordening een 8
aantal keer gewijzigd. Het plan is daarom getoetst aan de geconsolideerde versie van 1 oktober 2022, waarin de desbetreffende wijzigingen integraal zijn verwerkt. De interim omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Dat houdt in dat de omgevingsverordening geen nieuwe beleidswijzigingen van de provincie doorvoert tenzij dit nieuwe beleid reeds opgenomen is in vastgestelde beleidsdocumenten. De omgevingsverordening is een interim-document en daarmee een tussenstap naar een definitieve provinciale omgevingsverordening. Relevantie projectgebied Vanuit de Interim-Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn er geen werkgebieden met bijbehorende regels gelegen op het projectgebied. Derhalve is er geen strijdigheid met de InterimOmgevingsverordening Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Roosendaal (De Verbonden Stad) De ‘Omgevingsvisie Roosendaal (De Verbonden Stad), vastgesteld op 1 december 2022, dient als toekomstgerichte ‘kapstok’ voor het eigen beleid en voor bestuurlijke samenwerking en geeft de ambitie weer voor de komende 10 tot 15 jaar en wordt bijgesteld als dit nodig is. Roosendaal dient in 2030 een gemeente te zijn waarbinnen inwoners en bedrijven, stad, wijken en dorpen met elkaar verbonden zijn. Waarbij nieuwe ontwikkelingen en functies primair gefaciliteerd worden in bebouwd gebied, onder andere via meervoudig ruimtegebruik. Echter moet er ook ruimte gecreëerd worden voor meer groen en blauw in de stad. Daarbij hoort het terugdringen van de ruimte voor autoverkeer en goed ingepast hoogbouw. Bovendien worden kleinschalige nieuwe woon-, werk-, en zorgmilieus toegevoegd. Dit houdt in dat naast inbreiding ook kleinschalige uitbreiding toegelaten wordt. Het projectgebied is gelegen binnen buitengebied van het deelgebied ‘vitaal platteland’. In het buitengebied spelen verschillende opgaven. Waaronder de vraag waar in het buitengebied welke functies toegevoegd. Te denken valt aan ruimte voor duurzame energieopwekking, klimaatadaptatie, recreatie en kleinschalige woningbouwlocaties of (zorg)landgoederen.
Belangrijke vraag daarbij is ook hoe deze ontwikkelingen kunnen worden gecombineerd met de landbouwtransitie, en opgaven op het gebied van natuur en landschap, de waterhuishouding en bodemgesteldheid. Relevantie projectgebied In de huidige situatie is een kantoorpand aanwezig. De beoogde ontwikkeling voorziet in het terugdringen van het bebouwde en is daarom niet in strijd met de omgevingsvisie zoals deze is opgenomen in de Omgevingsvisie Roosendaal (De Verbonden Stad).
9
4
Milieuhygiënische en planologische aspecten
4.1
Verkeer en parkeren Toetsing Het vervangen van de tijdelijke kantoren door een permanent kantoor leidt niet tot een noemenswaardige wijziging van het aantal verkeersbewegingen of de parkeerbehoefte. De verkeersgeneratie van een bedrijventerrein wordt op basis van de CROW cijfers bepaald aan de hand van het type bedrijvigheid en niet de mate van bebouwing, derhalve is geen wijziging in verkeersbewegingen te verwachten. De uitgangspunten die gebruikt zijn voor de verkeersgeneratie in het oorspronkelijke plan worden met de beoogde ontwikkeling niet anders.
Figuur 6: Detail terreintekening kantoorgebouw inclusief parkeren
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het beoogde initiatief.
10
4.2
Geluid Kader Conform de Wet geluidhinder (Wgh) dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van geluidgevoelige bebouwing die binnen de zone van een bron is gelegen of een nieuwe weg met bijbehorende zone wordt aangelegd. Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk worden gemaakt of de geluidsinvloed van de omliggende wegen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wgh. Een uitzondering hierop geldt voor wegen in een 30 km-zone. Toetsing Het voornemen maakt geen nieuwe geluidbronnen en/of geluidgevoelige objecten mogelijk. Het voornemen leidt dan ook niet tot een wijziging van de geluidproductie of afschermende werking naar geluidsgevoelige bestemmingen toe. In onderstaande afbeelding is de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van het plangebied weergegeven. De geluidbelasting ter plaatse ligt tussen de 56 dB en de 60 dB, daarmee valt de geluidbelasting in de categorie ‘matig’. Omdat het geen woonlocatie betreft en mensen hier slechts een deel van de dag in de openlucht verblijven, kan deze geluidsbelasting als acceptabel voor deze locatie worden beschouwd. Het voldoet daarmee ook aan een ‘goede ruimtelijke ordening’ in het kader van het geluidsniveau en de aanvaardbaarheid daarvan.
Figuur 7: Uitsnede Atlas Leefomveing Cumulatief Geluid in Nederland (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu (RIVM,2020)). Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
11
4.3
Trillingen Kader In de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen worden aanbevelingen geformuleerd voor wat betreft de benodigde aandacht voor trillingen vanwege het spoor in relatie tot nieuwbouwplannen. Toetsing De in de Handreiking genoemd richtafstanden zijn gebaseerd op woningen of hiermee vergelijkbare gebouwen, beoordeeld als nieuwe situatie. Onderhavig plan betreft echter de herbouw van een bestaand kantoorpand. Op grond van de SBR richtlijn Trillingen deel B, die generiek (ook in de genoemde Handreiking) als basis wordt gebruikt voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van trillingen, geldende de volgende streefwaarden. Voor de beoordeling van herhaald voorkomende trillingen door weg- en railverkeer in nieuwe situaties dienen de streefwaarden uit tabel 2 (10.5.2) te worden gebruikt. Tabel zijn hieronder weergegeven.
In deze situatie betreft het voornemen een kantoorgebouw dat wordt herbouwd. Daarmee kan worden uitgegaan van de streefwaarden zoals opgenomen in tabel 3 voor onderwijs en kantoren. Gezien de afstand van 90 meter tussen het kantoorgebouw en het spoor is het voldoende aannemelijk dat aan deze streefwaarden wordt voldaan. Het beoogde initiatief resulteert naar verwachting niet in een verhoogde kans op trillingshinder. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
12
4.4
Luchtkwaliteit Kader Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen:
er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Toetsing In het kader van 'goede ruimtelijke ordening' dient de luchtkwaliteit te worden beschouwd. Uit de landelijke NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied op respectievelijk circa 14 en circa 17 ìg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 ìg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier circa 11 microgram/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Daarnaast voegt het planvoornemen geen nieuwe bronnen of gevoelige bestemmingen in het kader van luchtkwaliteit toe. In het kader van een goede woon- en leefklimaat dient getoetst te worden aan de achtergrondgeurbelasting. Conform de Atlas Achtergrondgeurbelasting (van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant) valt het plangebied onder de categorie ‘zeer goed 0 – 3’ en is er sprake van een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving. Daarnaast voegt het planvoornemen geen geurbelastende bronnen of geurgevoelige bestemmingen toe.
13
Figuur 7: Uitsnede Atlas Achtergrondgeurbelasting Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
14
4.5
Externe Veiligheid Kader Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR risicocontouren.
Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatie-waarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd.
Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpgtankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basis-netten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Toetsing In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen. De volgende risicobronnen zijn relevant in relatie tot het plangebied: Spoorlijn Bergen op Zoom – Roosendaal West; Hogedruk aardgastransportleiding Z-529-03; Rijksweg A58; Inrichting SABIC Innovative Plastics B.V. De ligging van deze risicobronnen is weergegeven in figuur 8.
15
Figuur 8: Uitsneden Risicokaart met de ligging van het plangebied (Bron: Risicokaart.nl)
Spoorlijn Bergen op Zoom – Roosendaal West Ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn Bergen op Zoom – Roosendaal West. Over deze transportroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De spoorlijn lig op circa 80 meter afstand van het plangebied. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt 4000 meter (stofcategorie D4). Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van de transportroute en binnen de 200 meter-zone. De huidige ontwikkeling maakt een beperkt kwetsbaar object mogelijk, verantwoording van het groepsrisico is verplicht. Dit kan door middels van de standaard verantwoording worden ingevuld. Hogedruk aardgastransportleiding Z-529-03 Ten noorden van het plangebied ligt de Hogedruk aardgastransportleiding Z-529-03 van Gasunie. De leiding ligt op circa 90 meter afstand van het plangebied. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 120 meter. Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van de leiding. De huidige ontwikkeling maakt een beperkt kwetsbaar object mogelijk binnen het invloedsgebied van de leiding, verantwoording van het groepsrisico is verplicht. Dit kan door middels van de standaard verantwoording worden ingevuld. Rijksweg A58 Ten zuiden van het plangebied ligt de Rijksweg A58. Over deze transportroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De rijksweg lig op circa 350 meter afstand van het plangebied.
Het invloedsgebied van de Rijksweg bedraagt 4000 meter (stofcategorie LT4). Het plangebied ligt dus binnen het invloedsgebied van de Rijksweg, maar buiten de 200 meter zone. De huidige ontwikkeling maakt een beperkt kwetsbaar object mogelijk, verantwoording van het groepsrisico is verplicht. Dit kan door middels van de standaard verantwoording worden ingevuld. Inrichting SABIC Innovative Plastics B.V. Ten oosten van het plangebied ligt op grote afstand de BRZO inrichting SABIC Innovative Plastics B.V. Het plangebied ligt binnen het toxisch invloedsgebied van deze inrichting. De huidige 16
ontwikkeling maakt een beperkt kwetsbaar object mogelijk, verantwoording van het groepsrisico is verplicht. Dit kan door middels van de standaard verantwoording worden ingevuld. Binnen de inrichting zelf Binnen de inrichting zelf bevinden zich twee propaantanks. Het plangebied bevindt zich buiten de risicocontouren van deze propaantanks. Het planvoornemen leidt niet tot de toevoeging van nieuwe risicobronnen en/of gevoelige objecten. De wijziging heeft ook geen invloed op de aanwezige risicobronnen in de omgeving. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
17
4.6
Ecologie Kader Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wnb is grofweg op te delen in de bescherming van gebieden, bescherming van soorten en bescherming van houtopstanden. Toetsing Gebiedsbescherming Natura 2000 Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gelegen op circa 760 meter van Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. De ruimtelijke onderbouwing heeft als doel om de vestiging van een kantoorpand op het bedrijven in het buitengebied. Om effecten van het voornemen op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten is een Aerius-berekening uitgevoerd.Uit deze berekening blijkt dat er ter plaatse van Natura 2000-gebieden geen depositie optreedt die groter is dan 0,00 mol per hectare per jaar. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, de afstand en de invulling van het tussengelegen gebied zijn ook andere negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten.
Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt op circa 465 meter afstand van gronden die zijn aangemerkt als Natuurnetwerk Brabant. In of aangrenzend aan het plangebied is geen Natuur Netwerk Brabant of Natura 2000gebied aanwezig. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, de afstand en de invulling van het tussengelegen gebied zijn significant negatieve effecten aan de orde. Soortenbescherming Beschermde soorten Het planvoornemen leidt niet tot verstoring of aantasting van beschermde soorten. Negatieve effecten op de ecologische waarden is gelet op de huidige planologische invulling van het plangebied geen sprake. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb): deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
18
4.7
Water Kader Bij elke ruimtelijke onderbouwing is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Nederland en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We leven met, naast, op en in het water. Er liggen dan ook grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur.
Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid samen met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Beleid waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de beheergebied op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen.
Het watersysteembeheer - waaronder grondwater - heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening: De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. 19
Waterbeheerprogramma Klimaatbestendig en veerkrachtig waterschap 2022-2027 Het waterschap streeft naar een samenhang tussen wateropgaven en andere opgaven in de samenleving en leefomgeving. Om dit te kunnen bereiken zijn er zes beleidskeuzes opgezet. Aan de hand van de beleidskeuzes wordt de strategie voor waterveiligheid, gezond water, voldoende water, vaarwegen en waterketen uitgewerkt. De zes beleidskeuzes zijn; 1. Water als drager voor een vitale regio; 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem; 3. We werken samen; 4. We werken duurzaam; 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend; 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden. Toetsing Leggerkaart locatiestudie In het plangebied is in de huidige situatie geen oppervlaktewater aanwezig. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de legger van het waterschap weergegeven. Ten noorden en oosten van het plangebied ligt een A-watergang. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied enkele B-watergangen gelegen. Op basis van de Leggerkaart zijn er geen grondwaterbeschermingsgebieden over andere waterhuishoudkundige belangen aanwezig in of aangrenzend aan het plangebied.
Figuur 9: Uitsnede legger (Bron Brabantse Delta)
Hoogte plangebied reliëf Het maaiveld in het gebied varieert van 7,40 meter + NAP tot plaatselijk 7,60 meter + NAP. In onderstaande figuur is de hoogte van het plangebied en de omgeving weergegeven. De rode cirkel duidt de locatie van de beoogde ontwikkeling aan.
20
Figuur 10: Uitsnede AHN-viewer (Bron: AHN viewer)
Riolering Het planvoornemen sluit aan op het bestaande rioolstelsel. Ten aanzien van hemelwater wordt aangesloten bij het bestaande systeem. Verharding Het planvoornemen resulteert niet in het toevoegen van verharding ten opzichte van de bestaande situatie. Compenserende maatregelen zijn niet nodig. Bodemopbouw Op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied is een boormonsterprofiel gehanteerd om de bodemopbouw van de omgeving van het plangebied. De bodem bestaat met name uit zand in de midden- en fijne categorie. Zand heeft vaak een goede tot zeer goede waterdoorlatendheid (> 1 m/dag).
21
Figuur 11: Bodemopbouw plangebied (Bron: DINOloket.nl)
Conclusie Het aspect Water vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
22
4.8
Bodem Kader Voor elke functiewijziging die mogelijk wordt gemaakt dient een onderzoek te worden verricht naar bodem- en grondwaterkwaliteit. De bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. Toetsing Voor de werkzaamheden met betrekking tot dit plan is reeds onderzoek uitgevoerd bij het bestemmen van het bedrijventerrein. Op basis van de reeds uitgevoerde onderzoeken is voldoende inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het planvoornemen. Wet bodembescherming Uit de analyseresultaten blijkt dat in de zwak bovengrond een licht verhoogd gehalte aan zink is getoond. Zink komt van nature in de bodem voor, zonder dat hiervoor een andere dan natuurlijke oorzaak voor is. Alle overige parameters zijn niet in verhoogde concentraties aangetoond. In het zintuigelijk schone mengmonster van de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen aangetoond. Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat zowel de bovengrond en ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde (AW2000). Grondwater Vanwege de diepte van het grondwater is er vooralsnog geen grondwateronderzoek uitgevoerd op de nieuwbouwlocatie.
Asbest Uit het asbestonderzoek blijkt dat er in de boring 5 en 6 een totaal gewogen asbestgehalte van 66,6 mg/kg d.s. is aangetoond. De vooraf opgestelde hypothese onverdachte locatie wordt verworpen, vanwege het gewogen asbestgehalte van 66,6 mg/kg d.s. in de uiterst baksteenhoudende laag. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief.
23
4.9
Archeologie en cultuurhistorie Kader Europees beleid – Archeologie Het “Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed”, kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en in september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Rijksbeleid - Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als het onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 ingaat, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn deze wetten van grote betekenis.
Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, gaat namelijk op in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet gaat op in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2021 niet zomaar komen te vervallen. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. Rijksbeleid - Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Erfgoedkaart Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in bestemmingsplannen een passende regeling krijgen. Op basis van de Erfgoedkaart is een vigerend gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld (Erfgoedverordening met archeologische beleidskaart). Toetsing Archeologie Op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Roosendaal is weergegeven dat het plangebied in een lage archeologische verachtingszone ligt. 24
Plangebied
Figuur 12: Archeologische waardenkaart gemeente Roosendaal
Meldingsplicht De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt – gezien de (middel)hoge archeologische verwachting en het grote aantal vindplaatsen in de directe nabijheid – niet uitgesloten. Op basis van de Erfgoedwet; paragraaf 5.4 is het verplicht om archeologische vondsten te melden. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is weergegeven welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In de omgeving is één cultuurhistorisch waardevol gebied weergegeven, te weten: ‘Landgoed Zoomland’. Linksonder weergegeven in de onderstaande figuur.
25
Figuur 13:Uitsnede cultuurhistorisch waardenkaart provincie Noord-Brabant
Andere cultuurhistorische elementen, zoals rijksmonumenten of andere cultuurhistorische elementen, zijn niet aanwezig in of nabij het projectgebied. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het beoogde initiatief.
26
4.10
Vormvrij m.e.r.-beoordeling Kader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Toetsing Het planvoornemen is niet opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, er is dan ook geen m.e.r. of vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Conclusie Er is geen m.e.r. of vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk voor het beoogde initiatief.
27
5
Juridische beschrijving Met de omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo), het vroegere projectbesluit, kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De aanvraag moet voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing, zodat de gemeente de benodigde Verklaring van geen bedenkingen, aangevraagd door de Provincie Noord-Brabant, kan verlenen. In het Besluit omgevingsrecht (art. 5.20 Bor) is aangeven waaraan de ruimtelijke onderbouwing moet voldoen. Hierbij wordt verwezen naar art. 3.1.6 Bro. Een ruimtelijke onderbouwing is daardoor vergelijkbaar met de toelichting van een bestemmingsplan. In artikel 3.1.6 Bro is onder andere aangegeven dat ingegaan moet worden op de gevolgen van de ontwikkeling voor de waterhuishouding, cultuurhistorie en relatie met de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Tevens moet voldaan worden aan de onderzoeksverplichtingen van de Awb. Bij een dergelijke buitenplanse afwijking kan de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen af (artikel 6.5 lid 1 Besluit omgevingsrecht), behalve als er een algemene verklaring van geen bedenkingen is afgegeven.
28
6
Haalbaarheid
6.1
Financieel In artikel 3.1.6, sub i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling moet (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden. De realisatie van het kantoorpand komt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze heeft een haalbaarheidsonderzoek gedaan waaruit blijkt dat de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid van voorliggend project is hiermee geborgd.
6.2
Maatschappelijk Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een afwijking van het bestemmingsplan, conform artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning doorloopt de uitgebreide procedure zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wabo. Hiertoe zal het besluit worden verzonden naar de vooroverleginstanties. Daarnaast krijgen belanghebbenden, gedurende zes weken, de mogelijkheid om hun zienswijzen naar voren te brengen. Na afloop van de procedure kan worden geconcludeerd dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is. De resultaten van het vooroverleg en de terinzagelegging worden te zijner tijd toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.
29
De informatie die in ### is opgenomen is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor ### is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct melding te maken bij security@anteagroup.com. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan ### ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Beneluxweg 125 4904 SJ OOSTERHOUT Postbus 40 4900 AA OOSTERHOUT E. karst.keijzers@anteagroup.nl
www.anteagroup.nl
Copyright © 2023 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.