Notitie raad t.b.v. richtinggevende raadsbijeenkomst Omgevingswet - 8 december 2021.pdf
Tekst van het document
Inleiding De Omgevingswet integreert 26 wetten en vele tientallen (rijks)regelingen in het fysieke domein met als doel het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De Omgevingswet beoogt verder: • een vereenvoudiging en waar mogelijk deregulering van het omgevingsrecht; • het centraal stellen van de leefomgeving en inwoners hierbij betrekken; • meer ruimte voor (lokaal) maatwerk; • versnelling en vereenvoudiging van procedures. Om de doelen te kunnen realiseren, de wet op een goede manier uit te voeren én initiatieven te faciliteren zijn in het kader van de Omgevingswet veel college- en raadsbesluiten nodig. In deze notitie nemen wij u mee in enkele onderwerpen die betrekking hebben op de noodzakelijke minimale besluiten om de wet uit te kunnen voeren. Het gaat daarbij concreet om: 1. Het aanwijzen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad adviesrecht heeft 2. Het aanwijzen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor participatie verplicht is 3. Het vaststellen van een nieuwe legesverordening (waarin de gevolgen van de Omgevingswet en Wkb zijn verwerkt) Om te zorgen dat de organisatie op tijd de processen in kan richten die horen bij de inwerkingtreding van de wet wordt u nu al gevraagd om richting te geven aan de drie hierboven benoemde besluiten.
Naast bovengenoemde thema’s moeten op meer belangrijke thema’s raadsbesluiten worden genomen, zoals bijvoorbeeld het vaststellen van de omgevingsvisie, het instellen van een commissie ruimtelijke kwaliteit en het vaststellen van een verordening nadeelcompensatie. Ook moet bestaande regelgeving in de gemeente technisch omgezet worden naar de terminologie onder de Omgevingswet. Deze besluitvorming loopt, of wordt op een ander moment aan u voorgelegd. Het doel van deze notitie is om u over elk van de drie voorliggende onderwerpen informatie te geven, op basis waarvan u tijdens de bijeenkomst in december richting mee kunt geven aan het college voor het op te stellen raadsvoorstel. Daarnaast vindt u informatie over de wijze waarop de overgang van het instrument “bestemmingsplan” naar het instrument “omgevingsplan” in Roosendaal zo gestroomlijnd mogelijk wordt vormgegeven. 1. Aanwijzen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad adviesrecht heeft De raad kan gevallen aanwijzen waarin zij advies wil geven over ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’. Dat zijn activiteiten die niet passen binnen de regels van het omgevingsplan en die niet vergunningvrij zijn. De raad kan via dit adviesrecht invloed uitoefenen op ontwikkelingen die afwijken van het omgevingsplan. Dit gaat alleen om initiatieven waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd.
Voor veel grote initiatieven zal gelden dat een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid. Wanneer is een BOPA nodig Binnen de Omgevingswet, maar ook binnen de huidige Wabo zijn er situaties waarbij initiatieven niet passen binnen de gestelde kaders. De meest voorkomende redenen zijn in het algemeen: • Het pand heeft de juiste bestemming, maar de bestemmingsplanbepalingen (vooral bouwregels) zijn niet toereikend. Denk aan uitbreidingen van gebouwen, het realiseren van overkappingen, erkers, etc. •
Gebruiksverandering van een pand. Denk aan de verbouwing van een bedrijfspand tot woning, verandering van agrarisch gebruik naar een ander gebruik wat niet overeenkomstig het bestemmingsplan is.
•
Een initiatief dat niet overeenkomstig de bestemming is en ook niet binnen de bouwregels past, maar ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht. Denk bijvoorbeeld aan duurzame energievoorzieningen.
Verschil tussen Wabo en Omgevingswet Onder de Wabo geldt, dat er via verschillende procedures afgeweken kan worden van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Kortweg gezegd gaat het daarbij om - Binnenplanse afwijking: het bestemmingsplan biedt zelf mogelijkheden om af te wijken van de algemeen geldende regels. Dit gaat via de reguliere procedure uit de Wabo. - Kruimelgevallen: in het Besluit Omgevingsrecht is vermeld in welke gevallen via deze procedure afgeweken mag worden. Dit gaat via de reguliere procedure uit de Wabo - Overige afwijkingen: deze doorlopen de uitgebreide procedure. Er is een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig, tenzij de raad categorieën gevallen heeft aangewezen waarin zij dat niet nodig vindt. Onder de Omgevingswet bestaat er nog maar 1 mogelijkheid om met een vergunning af te wijken van het omgevingsplan: de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarbij gaat het niet alleen meer om afwijkingen van het ruimtelijke kader zoals we dat nu kennen in het bestemmingsplan. Omdat in het omgevingsplan uiteindelijk alle activiteiten uit het fysieke domein een plaats krijgen, kan het bij afwijkingen van het omgevingsplan ook over al deze activiteiten gaan, mits daar een vergunningplicht voor geldt.
Indien de raad onder de bepalingen van de Omgevingswet gebruik wil maken van haar adviesrecht, geldt niet langer automatisch de uitgebreide procedure. De raad zal haar adviesrecht dan uit moeten oefenen binnen de reguliere procedure (8 weken, mogelijkheid om eenmalig met 6 weken te verlengen). “Ervaringscijfers” onder de Wabo De afgelopen drie jaar is er in Roosendaal gemiddeld zo’n 80 tot 100 keer per jaar vergunning verleend voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan. Dat betreft in veruit de meeste gevallen een afwijking van het bestemmingsplan die onder de zogeheten kruimelgevallen valt; onder de overige afwijkingen zijn voornamelijk de procedures voor de zonneparken gevoerd, naast een aanvraag voor een klein (3-laags) appartementengebouw. Hoe gaan andere gemeenten met de nieuwe adviesmogelijkheid om? Er zijn nog relatief weinig voorbeelden bekend. In de bijlage zijn enkele voorbeelden opgenomen. Deze variëren van “geen advies” tot een gedetailleerde lijst van concrete gevallen waarin de raad gebruik wil gaan maken van haar adviesrecht.
2. Het aanwijzen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor participatie verplicht is De gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarvoor participatie verplicht is. Dit kan alléén bij een omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In de wet is voorgeschreven waar dan aan moet worden voldaan. Daarbij ligt de nadruk op de kwaliteit van het participatieproces, niet op de uitkomst. De raad moet, als zij dit wenst, wel een besluit nemen voor welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zij deze verplichting op wil leggen. Hoe gaan andere gemeenten met deze mogelijkheid om? Ook hiervan zijn nog weinig voorbeelden. In de bijlage is aangegeven op welke wijze de gemeenten die bij het vorige punt als voorbeeld zijn genoemd om willen gaan met het aanwijzen van vergunningen voor bopa’s, waarbij verplicht participatie wordt voorgeschreven. 3. Kaders voor een nieuwe legesverordening Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaan er nieuwe producten. Dat betekent dat er een hele nieuwe opzet van titel II van de legesverordening nodig is. De VNG heeft een model gemaakt; het is uiteraard aan de gemeente zelf of zij voor alle daar vermelde producten leges in rekening wil brengen en zoja, hoeveel.
Het meest in het oog springend is de mogelijkheid om weer milieuleges te mogen heffen. Dat betekent dat de kosten die door de omgevingsdienst gemaakt worden voor het behandelen van aanvragen legesdekking kunnen krijgen. Het is aan de gemeente zelf of zij hiervan gebruik wil maken. De modelverordening (werkversie) van de VNG is in te zien onderaan de pagina die u via deze link vindt: https://vng.nl/nieuws/werkmodel-verordening-leges-2022-omgevingswet De vraag is welke uitgangspunten u als raad wilt meegeven bij het voorbereiden van een nieuwe legesverordening. Naast de vraag of u milieuleges wil heffen, is van belang hoe u naar de volgende uitgangspunten kijkt: 1. 2. 3.
Wil de raad de kostendekkende tarieven over de gehele linie van de legesverordening (Titel I, II en III)? Wil de raad kostendekkende tarieven in Titel II (Omgevingswet)? In welke mate mag kruissubsidiëring plaatsvinden voor wat betreft de belastbare feiten in Titel II (Omgevingswet)? Bijv. vooroverleg goedkoop en definitieve aanvraag iets duurder? Of de kleinere bouwwerken qua bouwsom iets goedkoper en de grotere bouwwerken qua bouwsom wat duurder? etc.
Ter toelichting: Kruissubsidiëring is het bewust hanteren van een hoger legestarief voor een bepaalde dienst/ product om de andere dienst tegen een lager tarief aan te bieden. Hierdoor wordt op de ene dienst “winst” gemaakt en zodoende kan het “verlies” van de andere dienst worden gecompenseerd. Dat kruissubsidiëring is toegestaan betekent ook dat een rechtstreeks verband tussen de hoogte van de tarieven en de door de gemeente verstrekte diensten niet noodzakelijk is, slechts de (leges)verordening in haar geheel mag niet meer dan maximaal kostendekkend zijn. De gemeente mag dus (binnen de redelijkheid en met uitzondering van wettelijk vastgestelde tarieven) zelf bepalen wat het tarief is. Dit heeft onder meer tot gevolg dat kruissubsidiëring tussen de verschillende legestarieven onderling ook nog in haar geheel is toegestaan. Hoe gaan andere gemeenten hier mee om? Ambtelijk is de verwachting in de regio Midden- en West-Brabant dat de meeste gemeenten zullen kiezen voor het heffen van milieuleges. De provincie Noord-Brabant heeft inmiddels via de legesverordening 2022 besloten om vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet leges te heffen voor vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten, waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. 4. Ter informatie: stand van zaken in het proces van “bestemmingsplan” naar “omgevingsplan” a.
Voorbereidingen nieuwe omgevingsplan (lopend proces, geen besluitvorming voor de verkiezingen: ter informatie) Vorig jaar is begonnen met het inventariseren van de nu geldende bestemmingsplannen ten behoeve van het omzetten van deze bestemmingen naar de nieuwe methodiek van het omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van de wet kunnen procedureel alleen nog omgevingsplanwijzigingen (de opvolger van de bestemmingsplannen) gestart worden. Om te voorkomen dat (woningbouw) initiatieven dan stil vallen, worden (conform eerdere besluitvorming) nu de omgevingsplanregels voor de woonfunctie en (semi) openbare ruimte omgezet naar de nieuwe methodiek van het omgevingsplan. Bij het opstellen van de basis van het nieuwe omgevingsplan werken we verder in de geest van de Ow, zonder daarbij de huidige rechtszekerheid uit het oog te verliezen. We maken daarbij de volgende keuzes die wij onderbouwd na de verkiezingen aan de raad voor zullen leggen en vanaf de inwerkingtreding zullen laten besluiten door middel van omgevingsplanwijzigingen:
- Overbodige regelgeving wordt geschrapt (dit in overleg met vergunningen) - Onderzoeken of vergunningsplicht -waarbij de vergunning nagenoeg altijd wordt verleendomgezet kan worden naar een meldingsplicht of de activiteit zelfs onder voorwaarden rechtstreeks kan worden toegestaan. - Wijzigings- en uitwerkingsbevoegdheden (nu bevoegdheid college) ook omzetten naar de nieuwe methodiek van het omgevingsplan. b. Toelichting voorbereiding procedures in overgangsperiode Wro – Ow (geen besluitvorming nodig: ter informatie) Eerder is besloten om vanaf 10 januari in principe geen voorontwerp bestemmingsplannen meer ter inzage te leggen. Deze datum is gebaseerd op ‘normale’ doorlooptijden en terug gerekend vanaf het moment waarop het ontwerp uiterlijk ter inzage moet liggen (30 juni 2022, 1 dag voor inwerkingtreding). In deze planning zit nog speling, omdat het soms moeilijk in te schatten is hoeveel inspraakreacties worden ingediend en/of er nog aanvullende onderzoeken moeten worden uitgevoerd. Vanaf 10 januari wordt het dus steeds krapper om het ontwerp uiterlijk op 30 juni 2022 ter inzage te leggen (bij inwerkingtreding op 1 juli 2022). Vanaf 10 januari is het dus belangrijk om een goede realistische planning te maken voor alle nog op te starten bestemmingsplan procedures onder de Wro.
Voorkomen moet worden dat er nog een grote hoeveelheid procedures op het laatste moment wordt gestart en/of procedures worden gestart waarbij nog heel veel onduidelijk is of waarbij onderzoeken ontbreken. Procedures voor omgevingsplanwijzigingen (‘opvolger’ bestemmingsplan) kunnen pas op de inwerkingstredingsdatum starten (nu 1 juli 2022). Als de wet wordt uitgesteld moeten we door met bestemmingsplanprocedures en kunnen we pas weer vanaf de uitgestelde inwerkingtredingsdatum omgevingsplanwijzigingen starten. Omdat nu nog steeds niet bekend is of de wet op 1 juli in werking treedt en de landelijke besluitvorming hierover pas in maart 2022 verwacht wordt (aangegeven door de VNG), wordt het dan pas duidelijk onder welke wet we een procedure kunnen starten of voorbereiden. Om te voorkomen dat de voorbereiding van of procedures ten behoeve van initiatieven stil komen te liggen, omdat onduidelijk is of we een bestemmingsplan of een omgevingsplanwijziging op moeten stellen, willen we kijken of we met slimme oplossingen door kunnen gaan met de voorbereidingen van initiatieven.
Bijlage: voorbeelden van andere gemeenten Gemeente A (gemeente in regio West-Brabant, voorstel in behandeling): 1. Ten aanzien van het adviesrecht van de raad over vergunningen voor een bopa: “Gevraagd raadsbesluit Geen buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan te wijzen waarvoor adviesrecht van de gemeenteraad verplicht is.” 2. Ten aanzien van het aanwijzen van gevallen waarin participatie bij een vergunning voor een bopa verplicht is: “Gevraagd raadsbesluit Alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen als activiteit waarvoor participatie verplicht is”.
Gemeente B (100.000+ gemeente in Overijssel; voorstel in behandeling):
Gemeente C (gemeente West Betuwe, besluit maart 2021):