CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401 -toelichting.pdf

Commissie Ruimte 28 maart 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Openluchttheater Vrouwenhof12.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

24

5.7

Luchtkwaliteit

Beleidskader

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) b) c) d)

Er is geen sprake van een feitelijke over dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd). De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₂,₅ en PM₁₀) van belang. De vigerende grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³

In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling (regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘niet in betekende mate bijdragen’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in betekende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • Woningen: 1.500 met een enkele uitsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • Kantoren: 100.000 m² bruto-vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd wordt staat in de regeling NIBM dat deze nog steeds in ‘niet betekende mate’ kan bijdragen. De bijdrage aan NO₂ en PM₁₀ moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO₂ en PM₁₀.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

25 Toetsing

Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland (GCN en GND van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu – RIVM) is de concentratie NO₂ in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse gelegen tussen de 15 en 17 µg/m³. De concentratie PM₁₀ in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse tussen de 14 en 16 µg/m³. De concentratie PM₂,₅ in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse tussen de 6 en 8 µg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Onderzoek luchtkwaliteit In de regeling NIBM is de bovenstaande lijst met categorieën opgenomen die 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Onderhavig planvoornemen betreft een bestemmingswijziging waarbij de groenbestemming wordt gewijzigd naar ‘Cultuur en ontspanning’. Met de bestemmingswijziging wordt mogelijk om structureel voorstellingen te geven binnen het openluchttheater, waar nu enkel incidenteel voorstellingen mogen worden gegeven. Met onderhavig planvoornemen wordt de bestaande functie van het plangebied planologisch gewaarborgd. Er wordt dan ook niet gebouwd of gesloopt.

Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe functies of ontwikkelingen mogelijk gemaakt die extra verkeer aantrekken. Het aantal bezoekers dat plaats kan nemen in het openluchttheater wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie. Het betreft uitsluitend het planologisch waarborgen van de bestaande functie binnen het plangebied. Daarmee wordt aangenomen dat het plan ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voorts maakt het plan de realisatie van nieuwe gevoelige bestemmingen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet mogelijk. Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Natuurwetgeving

Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

26 In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren

De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in de Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke behandelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Onderzoek

Gebiedsbescherming De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van meer dan 7 km van het plangebied. Het Natura 2000-gebied ‘Babantse Wal’ ligt op circa 7,8 km afstand van het plangebied. Op een afstand van circa 13,6 km van het plangebied is het Natura 2000-gebied Markiezaat gelegen. Er zijn daarmee geen negatieve effecten te verwachten in het kader van de gebiedsbescherming. Onderhavig planvoornemen betreft een bestemmingswijziging waarbij de groenbestemming wordt gewijzigd naar ‘Cultuur en ontspanning’. In de toekomstige situatie vinden feitelijk geen veranderingen plaats. Er wordt dan ook niet gebouwd of gesloopt. Derhalve wordt gesteld dat een berekening met de AERIUS calculator niet noodzakelijk is, omdat er geen stikstofuitstoot zal plaatsvinden en de natuur dus geen negatieve effecten ondervindt van het planvoornemen. Soortenbescherming In het geval van sloop van bebouwing of te realiseren bebouwing dient een ecologisch onderzoek te worden aangeleverd. Binnen onderhavig planvoornemen vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Een ecologische Quickscan wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie

Het aspect ‘natuurwetgeving’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

27

5.9

Verkeer en parkeren

Het openluchttheater Vrouwenhof is gelegen in het park Vrouwenhof. Het park biedt geen parkeergelegenheid en is derhalve vooral toegankelijk voor voetgangers en fietsers. Parkeren is mogelijk in parkeergarage De Nieuwe Markt. De parkeergarage ligt op circa 10 minuten lopen afstand van het openluchttheater. Onderzoek

Het openluchttheater is sinds halverwege vorige eeuw aanwezig op deze locatie en hier vinden al decennialang (incidenteel) voorstellingen plaats. Het initiatief om het bestemmingsplan aan te laten sluiten op de feitelijk aanwezige situatie leidt niet tot fysieke ingrepen en de bouwmogelijkheden nemen niet toe. Het aantal bezoekers dat plaats kan nemen in het openluchttheater wijzigt ook niet ten opzichte van de bestaande situatie. De voorstellingen in het openluchttheater hebben (zowel in de bestaande als toekomstige situatie) een lokaal karakter en de functie is voornamelijk gericht op de inwoners van Roosendaal. Naar dergelijke type voorstellingen komen veel bezoekers lopend of per fiets. De ondersteunende horecavoorziening bij het theater is gekoppeld aan de voorstellingen en zal daarom ook niet van invloed zijn op het aantal verkeers- of parkeerbewegingen rondom het plangebied. Hierdoor kan gesteld worden dat er geen speciale verkeers- of parkeervoorzieningen benodigd zijn. Conclusie

Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.10

Waterparagraaf

Beleidskader

Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheerplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, bevaarbaarheid, waterkwaliteit en natuur, beschikbaarheid zoetwater en klimaatadaptatie.

De doorwerking van de beleidsambities/ uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), het Deltaprogramma Zoetwater, het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie (DPRA), Integraal Riviermanagement (IRM), de Programmatisch Aanpak Grote Wateren (PAGW) en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT).

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

28 Provinciaal beleid Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Het RWP is de strategische basis voor het Brabantse water- en bodembeleid en-beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatverandering. Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 integreert de milieu- en de wateropgave. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De ambitie van het RWP luidt: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Om deze ambitie te bereiken werkt het RWP 5 beleidsopgaven uit: 1. Voldoende water (o.a. Europese KRW-doelen); 2. Schoon water (o.a. Europese KRW-doelen); 3. Waterveiligheid; 4. Vitale bodem; 5. Klimaatadaptatie. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Roosendaal.

Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen.

Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500m² is, of; c. de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit in (m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

29 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloed gebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Gemeentelijk beleid Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke financiële middelen daarvoor nodig zijn.

Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, wordt in latere operationele plannen opgenomen. De randvoorwaarden voor de uitvoering van het stedelijk watersysteem zijn vastgelegd in het document ‘Ontwerpen materiaaleisen ontwikkeling openbare ruimte Gemeente Roosendaal Team Beheer. Dit, alsmede nieuwe inzichten binnen de gemeente, hebben mede geleid tot de volgende aandachtspunten en mogelijkheden waarmee bij de verdere uitwerking van de waterhuishouding rekening kan worden gehouden: • Er komt geen hemelwaterriolering. Er zal gebruik worden gemaakt van oppervlakkige afvoer richting oppervlaktewaterstructuren. • De wateropgave is 60 mm over het bruto oppervlak. • In het plangebied bevindt zich een oud kokerriool dat kan dienen als afvoer- en bergingsvoorziening. Het kokerriool bevindt zich in goede staat en er zijn geen vuilwateraansluitingen op de koker aangesloten. • Er kan een zuiverende voorziening (zoals een helofytenfilter) worden aangelegd waar het water doorheen wordt geleid. Er wordt een lagere ontwateringsdiepte onder het parkeerterrein toegestaan dan vastgesteld in het beleid van de gemeente. Negatieve effecten worden voorkomen door cunetdrainage.

• Op basis van de versterkte grondwatergegevens is door RHDHV de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald. Aangezien op basis van de metingen vooralsnog geen betrouwbare GHG is af te leiden zijn een tweetal scenario’s beschouwd: o Scenario 1: GHG = NAP + 1,90 meter o Scenario 2: GHG = NAP + 2,20 meter Bij de uitwerking van het plan is uitgegaan van een GHG van NAP + 2,00 meter.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

30 •

•

Het waterpeil van het bestaande oppervlaktewater in het gebied wordt nu (actief) gehandhaafd op circa +1,50 meter. Dit blijft het uitgangspunt. Dit betekent dat er in de winter (bij hoge grondwaterstanden) grondwater wordt gedraineerd, gelijk aan de huidige situatie. De waterstand van het oppervlaktewater voor de berging van hemelwater, mag niet hoger zijn dan de GHG, omdat die anders tot grondwateroverlast buiten het plangebied kan leiden. Er kan dus maximaal een waterverschil van 0,5 meter worden geborgen.

Watertoets

Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Onderzoek

Onderhavig planvoornemen betreft een bestemmingswijziging waarbij de groenbestemming wordt gewijzigd naar ‘Cultuur en ontspanning’. In de toekomstige situatie vinden feitelijk geen veranderingen plaats, waardoor de hoeveelheid verharding ongewijzigd blijft ten opzichte van de bestaande situatie. Er wordt dan ook niet gebouwd of gesloopt. Omdat er niet wordt gebouwd of gesloopt zal de toekomstige waterhuishouding gelijk zijn aan de huidige waterhuishouding. Derhalve wordt in het kader van de waterhuishouding geen belemmering verwacht voor onderhavig planvoornemen. Conclusie

Het aspect ‘waterparagraaf’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.11

Vormvrije m.e.r.

Beleidskader

In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten merplichtig zijn, of mer-beoordelingsplichtig. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarde opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarde voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek

Gelet op de kenmerken van het plan, zoals de kleinschaligheid in vergelijking met de norm van de drempelwaarde, de plaats van het project en de kenmerken van potentiële effect, zal uitvoering van het plan niet leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit blijkt ook uit de onderzoeken voor de verschillende milieuaspecten zoals die in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Conclusie

Voor deze bestemmingsplanwijziging is geen Mer-procedure of Mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

31

6.

PLANSYSTEMATIEK

6.1

Toelichting op de plansystematiek

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgesteld dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het bastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgang- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

32 Bestemmingsregels

Cultuur en Ontspanning (artikel 3) Het openluchttheater Vrouwenhof heeft de bestemming 'Cultuur en Ontspanning' gekregen. Deze bestemming biedt de mogelijkheid om het openluchttheater met bijbehorende voorstellingen structureel mogelijk te maken. Tevens maakt de bestemming het mogelijk om ondersteunende horeca ten dienste van de hoofdfunctie toe te staan. Ter plaatse van het plangebied is (net als in de vigerende situatie) de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' opgenomen. Deze aanduiding vloeit voort uit het belang dat de cultuurhistorische waarde van het Vrouwenhof intact blijft. Daarbij is (net als in de vigerende situatie) ook de aanduiding 'park' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden tevens bestemd voor een park. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. De maatvoering voor bijbehorende bouwwerken is overeenkomstig de reeds bestaande situatie. De maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter voor terreinafscheidingen en 6 meter voor andere bouwwerken. Waarde – Archeologie 2 (artikel 4) De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van middelhoge archeologische waarden. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is op gebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel; (artikel 5) • Algemene bouwregels; (artikel 6) • Algemene gebruiksregels; (artikel 7) • Algemene afwijkingsregels; (artikel 8) • Algemene wijzigingsregels; (artikel 9) • Algemene procedureregels. (artikel 10) Overgangs- en slotregels

Het overgangsrecht geldt voor bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming komt met de gegeven bestemming. In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Meestal is dat een eenmalige handeling aan het bouwwerk. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.

6.3

Verantwoording regels

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

33 Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geef aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. De bestemmingsplanwijziging is benodigd waarbij de huidige bestemming ‘Groen’ wordt omgezet naar de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’. Er is gekozen deze planologische richting in te slaan omdat het binnen onderhavig planvoornemen niet mogelijk is om structureel voorstellingen te organiseren.

6.4

Handhaving

Uit de jurisprudentie zoals die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is gevormd, blijkt dat de gemeente haar handhavingstaak serieus moet nemen. Handhaving is een verplichting, waarvan alleen mag worden afgezien als er concreet zicht is op legalisatie van de overtreding, dan wel als handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Daar waar overtredingen worden geconstateerd, treedt de gemeente zo vroeg mogelijk op. Als de overtreder de overtreding niet vrijwillig beëindigt, dan maakt de gemeente gebruik van de haar ter beschikking staande handhavingsinstrumenten. Van handhaving kan alleen worden afgezien in situaties waarin dit op grond van de jurisprudentie is toegelaten. Blijkens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Een overtreding hiervan is een strafbaar feit. Strafrechtelijk optreden is complementair op bestuursrechtelijke handhaving en kan met name ingezet worden bij overtredingen waarvan de gevolgen niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het kappen van houtwallen. Ook bij overtredingen die zich telkens herhalen en bij kortdurende overtredingen is deze aanpak wenselijk.

7.

ECONOMSICHE UITVOERBAARHEID

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

34

7.1

Kostenverhaal

In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) is voorgeschreven dat, als een bestemmingsplan een bouwplan als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening mogelijk maakt, tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld om de door de gemeente gemaakte kosten te verhalen, tenzij: -

Het kostenverhaal anderszins verzekerd is; Er geen noodzaak is tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw; Er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meer woningen of andere gebouwen, of bepaalde functiewijzigingen van gebouwen. De bestemmingswijziging waarbij het al bestaande gebruik planologisch wordt mogelijk gemaakt is geen bouwplan als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden opgesteld.

7.2

Financiële uitvoerbaarheid

De bestemmingplanwijziging ter plaatse van het openluchttheater Vrouwenhof wordt uitgevoerd in opdracht van de gemeente Roosendaal. De gemeenteraad heeft budget beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het project. Het bestemmingsplan is daarmee financieel uitvoerbaar.

8.

OVERLEG EN ZIENSWIJZEN

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

35

8.1

Vooroverleg

In het kader van overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt het bestemmingsplan toegezonden aan een aantal overleginstanties, waarvan in ieder geval de provincie en het waterschap.

8.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 18 december 2023 tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.

NL.IMRO.1674.2162OLTHEATERVRHOF-0401

Openluchttheater Vrouwenhof

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1593/documents/41567