NL.IMRO.1674.2160BEUKENSTRAAT3-0401_Bijlagen toelichting_Bijlage 4 quickscan Wet natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Beukenstraat 3 Heerle
Rapport quickscan Wet natuurbescherming Beukenstraat 3, Heerle Opdrachtgever
Aveco de Bondt Boschstraat 35-37 4811 GB Breda
Rapportnummer
22437.003
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
21 juni 2023
Opsteller1
De heer J. Bakker, BSc
Kwaliteitscontrole
Mevrouw D. Koopman, MSc
1
AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................................. 9 Vleermuizen ................................................................................................................................. 11 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 12 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 14 Ongewervelden ............................................................................................................................ 15 Planten ......................................................................................................................................... 16
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 17 6.1 6.2 6.3
7
Zorgplicht ....................................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 6 Gebiedenbescherming ................................................................................................................... 7 Houtopstanden .............................................................................................................................. 8
Algemene broedvogels................................................................................................................. 17 Vleermuizen ................................................................................................................................. 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 19 7.1 7.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 19 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 20
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst
22437.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Aveco de Bondt opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Beukenstraat 3 te Heerle. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de een te slopen gebouw op de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
22437.003 versie D1
1 / 23
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 2.000 m²) ligt aan de Beukenstraat 3 te Heerle. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie bestaat uit een gebouw van één bouwlaag. Het gebouw is opgetrokken uit baksteen met gevelbetimmering, het dak zelf is plat en begroeid met lage vegetatie. Rondom het gebouw is verharding aanwezig en groen in de vorm van bomen en hagen. Verder is in het gebouw van de onderzoekslocatie een geldautomaat aanwezig die nog in gebruik is. Ten noorden, oosten, westen van de onderzoekslocatie zijn woonhuizen gelegen. Ten zuiden van de onderzoekslocatie is aangrenzend een grasveld aanwezig. Circa 1,3 km van de onderzoekslocatie bevindt zich de Rijksweg A58. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
22437.003 versie D1
2 / 23
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 2.3 Zuidelijke gevelzijde van het gebouw gelegen aan het zuiden.
22437.003 versie D1
Figuur 2.4 Het groen ten zuiden van de onderzoekslocatie, met verharding, enkele bomen en struiken.
Figuur 2.5 De bomen gelegen aan de zuidkant van de onderzoekslocatie.
3 / 23
Figuur 2.6 Detailfoto van de gevelbetimmering met een kleine ruimte. Foto met onder aanzicht, genomen aan de zuidzijde van het gebouw.
Figuur 2.7 Detailfoto van de open stootvoegen.
Figuur 2.8 Detailfoto van open ruimten bij de gevelbetimmering genomen aan de zuidzijde van het gebouw.
Figuur 2.9 Impressie van de achterzijde van het gebouw gelegen aan de westzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.10 Impressie van de voorgevel gelegen aan de oostzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.11 Impressie van de voorgevel met de verharding en een deel van het groen. Gelegen aan de oostzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.12 Impressie van de noordgevel.
Figuur 2.13 Open ruimte bij gevelbetimmering en raam kozijn met zonnewering.
Figuur 2.14 Ruimte onder loodflap in de hoek van de uitbouw gelegen aan de westzijde van het gebouw.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te amoveren en 5 nieuwe woningen te realiseren bestaande uit 1 bouwlaag met kap.
22437.003 versie D1
4 / 23
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 8 juni 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
22437.003 versie D1
5 / 23
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.
4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
22437.003 versie D1
6 / 23
• • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
22437.003 versie D1
7 / 23
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
22437.003 versie D1
8 / 23
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, ransuil, wespendief, roek, ooievaar en grote gele kwikstaart. De huismus en gierzwaluw broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) dakpannen en in andere geschikte openingen op en rondom het dak of in de gevel. Het functionele leefgebied van de huismus bestaat uit verschillende elementen die in een straal van 100 á 200 meter rondom het nest aanwezig dienen te zijn. Jaar-rond groene hagen, gevelbegroeiing of grote struiken zijn essentieel om als dekking te functioneren voor uitvliegende jongen. Daarnaast voorzien zij in voedsel en functioneren als collectieve sociale- en winterverblijf-plaats voor huismussen. Ten tijde van het veldbezoek zijn huismussen nabij de onderzoekslocatie gehoord. Gierzwaluwen zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Op de onderzoekslocatie is bebouwing aanwezig bestaande uit een plat dak zonder dakpannen. Verder bevinden zich in de bebouwing geen geschikte openingen die zouden kunnen dienen als broedplaats voor de huismus of gierzwaluw.
De onderzoekslocatie heeft wel groene elementen, zoals hagen en struiken, die zouden kunnen dienen als leefgebied voor de huismus. Er zijn echter voldoende alternatieven in de omgeving, zoals het openbaar groen ten zuiden van de onderzoekslocatie en de tuinen ten oosten van de onderzoekslocatie. Hierdoor kan de onderzoekslocatie als niet essentieel worden gekenmerkt. Op basis van deze gegevens kan de huismus redelijkerwijs worden uitgesloten als broedvogel op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de huismus en gierzwaluw wordt derhalve niet nodig geacht. De kerkuil en steenuil zijn bewoners van (half)open landschappen, veelal het boerenland of locaties die in verbinding staan met agrarisch- en/of groen buitengebied. Kerkuilen vestigen zich graag in deels open gebouwen zoals schuren of kerktorens die over geschikte ruimtes beschikken of waar nestkasten aanwezig zijn. De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nestplaatsen van steenuilen kunnen aanwezig zijn in boomholten, vooral in knoestige bomen en oude fruitbomen, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het dakbeschot. Er zijn geen geschikte holtes in de bebouwing en in de nabije bomen aange-
22437.003 versie D1
9 / 23
troffen. Tevens zijn er geen (krijt)sporen en braakballen gevonden. Alle waarnemingen van de steenuil bevinden zich in het agrarisch gebied buiten de bebouwing van Heerle. Ook de kerkuil bevindt zich voornamelijk in het agrarisch gebied buiten de bebouwing om. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van geschikte holtes, nestkasten en geschikte bebouwing niet geschikt als broedlocatie voor deze soorten. Nader onderzoek naar de kerkuil en steenuil wordt derhalve niet nodig geacht. De buizerd, havik, sperwer, boomvalk, ransuil en wespendief broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. De nesten bevinden zich minimaal op zes meter hoogte vanaf de grond. De boomvalk broedt eveneens in nesten in hoge bomen maar ook in hoogspanningsmasten. De roek broedt in kolonieverband in clusters hoge bomen in groen buitengebied maar ook in stadsparken. Nesten van de roek kunnen voorkomen vanaf minimaal zeven meter hoogte maar doorgaans bevinden de nesten zich op een hoogte van 14 meter of hoger. De bomen die aanwezig zijn op en direct rondom de onderzoekslocatie, zijn geïnspecteerd op het voorkomen van grote nesten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten waargenomen op of rond de onderzoekslocatie. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat ze op of nabij de onderzoekslocatie broeden.
Nader onderzoek naar deze soorten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De ooievaar broedt op hoge locaties, bijvoorbeeld bovenop nestpalen, schoorstenen, hoge gebouwen of in hoogspanningsmasten. Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaarsnesten of nestsporen op en rondom de onderzoekslocatie aangetroffen. Het gebruik van de onderzoekslocatie en omgeving als broedlocatie voor de ooievaar kan hiermee worden uitgesloten. Nader onderzoek naar potentiële nestlocaties van de ooievaar wordt niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Bij voorkeur zijn deze beken en rivieren snelstromend. De grote gele kwikstaart nestelt graag vlak bij stromend water in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de grote gele kwikstaart door het ontbreken van snelstromende waterlichamen en plekken om te foerageren. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart als broedvogel op de onderzoekslocatie wordt niet benodigd geacht.
Categorie 5 broedvogels (nesten soms jaarrond beschermd) en algemene broedvogels De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals eksters en zwarte kraaien. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen (categorie 5 broedvogelsoorten). Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen op of rond de onderzoekslocatie. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is tevens voldoende broedgelegenheid aanwezig van minimaal eenzelfde kwaliteit voor de hierboven genoemde soorten, indien zij in de omgeving willen nestelen. De onderzoekslocatie zou kunnen voorzien in broedgelegenheid voor scholekster (gebouw), merel, winterkoning, Turkse Tortel (groen). Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, wordt vooraf een broedvogelinspectie geadviseerd (zie hoofdstuk 6).
22437.003 versie D1
10 / 23
5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. De bebouwing op de onderzoekslocatie is uitsluitend geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Het gaat hier om de soorten gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De ruimtes achter de gevelbetimmering zijn ook mogelijk geschikt als verblijfplaats. Deze ruimtes zijn echter te klein voor de andere gebouwbewonende soorten zoals de laatvlieger. De geschiktheid van de bebouwing op de onderzoekslocatie voor vleermuissoorten is weergegeven in tabel 5.1.
Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet uit te sluiten. Nader onderzoek naar de genoemde verblijfsfuncties en vleermuissoorten is noodzakelijk (zie hoofdstuk 6). Tabel 5.1 Potentiële functies van de onderzoekslocatie voor vleermuissoorten. Soort
Zomerverblijf
Kraamverblijf
Paar/baltsverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
Ruige dwergvleermuis
x
Massawinterverblijf
x
Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis Meervleermuis
Een massawinterverblijfplaats kan worden uitgesloten doordat deze verblijfplaatsen voornamelijk voorkomen in grote en hoge appartementencomplexen, kerken, flats en andere hoge gebouwen. Het gebouw binnen de onderzoekslocatie valt hier niet onder en is niet massaal genoeg. Doordat het gebouw uit één bouwlaag bestaat, is het te laag en te klein in omvang (niet massaal) om als massawinterverblijfplaats te fungeren. Het gebouw wordt derhalve ongeschikt geacht als massawinterverblijfplaats. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten.
22437.003 versie D1
11 / 23
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat en vliegroutes Het is aanneembaar dat de onderzoekslocatie functioneert als foerageerhabitat voor vleermuizen. Door genoeg aanbod in de omgeving zal deze naar alle waarschijnlijkheid niet fungeren als essentieel foerageerhabitat. In de nabije omgeving zijn voldoende alternatieve foerageermogelijkheden die functionaliteitsverlies van foerageergebieden op de onderzoekslocatie kunnen opvangen, zoals het openbaar groen ten zuiden van de onderzoekslocatie. Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Tijdens de werkzaamheden dient op de onderzoekslocatie rekening gehouden te worden met in de omgeving foeragerende vleermuizen (zie hoofdstuk 6).
5.3 Overige zoogdieren Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende volgens de Wet natuurbescherming streng beschermde grondgeboden zoogdiersoorten aangetroffen: boommarter, steenmarter, eekhoorn, bunzing, wezel en hermelijn. De boommarter heeft een sterke voorkeur voor bosrijke landschapstypen op zowel zand- als kleigronden. De boommarter maakt gebruik van boomholtes, van onder andere spechten, holle bomen en ruimtes onder boomwortels en takkenrillen als verblijfplaats. De soort heeft binnen zijn territorium verscheidene vaste rusten verblijfplaatsen en foerageergebieden. In tegenstelling tot de steenmarter, is de boommarter een mensschuwe soort en vermijdt gebieden met veel urbane verstoring. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een bosrijke omgeving en staat permanent onder urbane verstoring door gebruik van de naastliggende autoweg door mensen. Al deze redenen maken de onderzoekslocatie geen geschikt leefgebied voor de boommarter, waardoor nader onderzoek naar deze soort niet nodig wordt geacht. De steenmarter komt voor in parklandschap, maar ook in bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. De steenmarter is ook te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en zelfs in grote steden.
Er is een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Landschapselementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn belangrijke foerageergebieden. Als verblijfplaats kunnen gebruikte hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes, stenenstapels of takkenhopen gebruikt worden. De bebouwing op de onderzoekslocatie bevat geen geschikte openingen waar de steenmarter mogelijk in kan. Daarnaast is de onderzoekslocatie permanent onderhevig aan urbane verstoring. Nader onderzoek naar de steenmarter wordt niet nodig geacht. De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De onderzoekslocatie ligt aan de rand van een stedelijk gebied en groene verbin-
22437.003 versie D1
12 / 23
dingen waar de eekhoorn gebruik van kan maken zijn aanwezig rond de onderzoekslocatie. In de bomen rondom de onderzoekslocatie zijn geen nesten van een eekhoorn aangetroffen. De aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan naar alle waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Door deze redenen wordt nader onderzoek naar de eekhoorn niet nodig geacht. De bunzing, wezel en hermelijn komen voor in verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden om te foerageren en veelal water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. Het gehele functionele leefgebied dient met elkaar in verbinding te staan door dekkingsrijke landschapselementen, die tevens vaak als foerageergebieden worden gebruikt. Kleine marterachtigen maken een schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, in holle omgevallen bomen, onder boomwortels en in leegstaande schuurtjes of hooizolders.
Verbindingsroutes en foerageergebieden worden als essentieel gekenmerkt indien vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen binnen of buiten de onderzoekslocatie hun functie verliezen door het wegnemen van onderdelen uit het leefgebied op de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie zijn geen elementen aanwezig die mogelijk in gebruik kunnen zijn als vaste rust- en verblijfsplaats door kleine marterachtingen. Gezien de onderzoekslocatie in een stedelijk gebied aanwezig is zonder binding met buitengebied, zal het groen rondom de onderzoekslocatie naar verwachting niet gebruikt worden als leefgebied door de bunzing, wezel en hermelijn. Nader onderzoek naar de bunzing, wezel en hermelijn wordt niet nodig geacht. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten algemene grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. In het kader van de zorgplicht, is het te allen tijde zaak om zorgvuldig om te gaan met flora en fauna tijdens werkzaamheden (zie hoofdstuk 6).
22437.003 versie D1
13 / 23
5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Tevens zijn geen streng beschermde reptielen waargenomen in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer rondom de onderzoekslocatie. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar de volgende streng beschermde soorten aangetroffen: poelkikker, rugstreeppad, alpenwatersalamander, vinpootsalamander. De poelkikker is een opportunistische soort en komt voor in verschillende landschapstypen zoals bos, heide, hoogveen maar ook in half natuurlijke graslanden, kleipolders met kwel en laagveen. De poelkikker gebruikt twee typen (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen die in een jaarcyclus gebruikt worden. De voorkeur van voortplantingswateren van de poelkikker gaat uit naar zwak zure, schone, stilstaande en met zon beschenen poelen, vennen en sloten. De poelkikker is een goede zwemmer waardoor wateroppervlakten met diepteverschil kunnen functioneren als voortplantingswater mits ondiepe gedeeltes aanwezig zijn voor de opwarming en ontwikkeling van eieren. De poelkikker geeft voorkeur aan voortplantingswateren met een rijke submerse en emerse watervegetatie.
Winterverblijfplaatsen worden gebruikt vanaf circa oktober en bevinden zich op tal van plekken waaronder bijvoorbeeld: muizenholen, zelf gegraven holen in de grond, onder takkenhopen en stapels puin. Op de onderzoekslocatie zijn geen wateroppervlakten aanwezig. Het aanwezige groen voorziet naar alle waarschijnlijkheid niet in winterverblijfplaatsen voor de poelkikker doordat geschikte voortplantingsplaatsen niet in de direct omgeving zijn waargenomen. Nader onderzoek naar vaste voortplantings- en winterverblijfplaatsen van de poelkikker wordt niet nodig geacht. De rugstreeppad is een soort van dynamische milieus, met name gebieden met een door de mens veroorzaakt pionierskarakter zoals (rivier)duinen, uiterwaarden, afgravingen en bouwterreinen. In deze milieus benut de rugstreeppad verschillende onderdelen die min of meer met elkaar in verbinding staan. De rugstreeppad heeft drie typen (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen die in een jaarcyclus gebruikt worden. Ondiepe, snel opwarmende en veelal predatorvrije oppervlaktewateren worden gebruikt als voortplantingsplaats. Regenplassen, rijsporen en ondiepe greppels voldoen al aan de eisen die rugstreeppadden stellen aan voortplantingswateren.
Buiten het gebruik van deze voortplantingsplaatsen, gebruiken rugstreeppadden terrestrische rust- en verblijfplaatsen in de zomer en winterperiode in voormalig muizenholen, onder bouwmateriaal en in zelf gegraven gangen. Winterverblijfplaatsen zijn droger dan zomerverblijfplaatsen doordat deze tocht- en vorstvrij dienen te zijn. Op de onderzoekslocatie zijn geen wateroppervlakten aanwezig. Het groen op de onderzoekslocatie voorziet naar alle waarschijnlijkheid niet als winterverblijfplaats voor de rugstreeppad doordat geschikte voortplantingsplaatsen niet in de direct omgeving zijn waargenomen. Nader onderzoek naar vaste voortplantings- zomer,- en winterverblijfplaatsen van de rugstreeppad wordt niet nodig geacht. De alpenwatersalamander heeft een sterke voorkeur voor zandige leemgronden met bebossing van loofbomen en struwelen. Binnen het voorkeursbiotoop, is de alpenwatersalamander niet kritisch wat betreft aquatische voortplantingsplaatsen en terrestrische zomer- en winterverblijfplaatsen. De meest bepalende eisen die
22437.003 versie D1
14 / 23
door alpenwatersalamanders gesteld worden aan voortplantingswateren zijn: stil tot niet langzaam stromend en weinig predatoren waardoor geïsoleerde plassen en watergangen voorkeur genieten. Het aantal zonuren is geen sturende factor voor de geschiktheid van voorplantingswateren waardoor zowel zonbeschenen als volledig beschaduwde wateroppervlakten geschikt worden geacht voor alpenwatersalamander. Daarentegen zijn wateroppervlakten met een dikke laag bladeren op de bodem wel meer geschikt als voortplantingsplaats. Het terrestrische landhabitat is belangrijk voor de soort aangezien juvenielen tot drie jaar uitsluitend het landhabitat gebruiken totdat ze geslachtsrijp zijn. Vochtige loofbossen met een zure strooisellaag en voldoende schuilmogelijkheden zijn bepalend voor geschikt landhabitat. Op de onderzoekslocatie zijn geen wateroppervlakten aanwezig. Het aanwezige groen voorziet naar alle waarschijnlijkheid niet in geschikt landhabitat door het ontbreken van bosrijke oppervlakten. Nader onderzoek naar vaste voortplantings- en landhabitat van de alpenwatersalamander wordt niet nodig geacht. De vinpootsalamander wordt aangetroffen in zwakzure, permanente vennen, plassen en bospoelen. Het landhabitat van de vinpootsalamander bestaat uit bos- en heidegebieden, volledig open gebieden worden hierbij gemeden. Op de onderzoekslocatie zijn geen wateroppervlakten aanwezig.
Het aanwezige groen voorziet naar alle waarschijnlijkheid niet in geschikt landhabitat door het ontbreken van bosrijke oppervlakten. Nader onderzoek naar vaste voortplantings- en landhabitat van de vinpootsalamander wordt niet nodig geacht. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor algemene amfibiesoorten. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting. Doordat wateroppervlakten als beken, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
5.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de beschermde gevlekte witsnuitlibel aangetroffen. Deze soort heeft een voorkeur voor rijk begroeide wateren. Wegens het ontbreken van water op de onderzoekslocatie is aanwezigheid van de gevlekte witsnuitlibel uit te sluiten. Nader onderzoek naar de gevlekte witsnuitlibel wordt niet nodig geacht. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te
22437.003 versie D1
15 / 23
vinden. Geschikte, meer algemene, waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
5.6 Planten Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal is in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende onder de Wet natuurbescherming streng beschermde planten aangetroffen: wolfskers. Wolfskers prefereert half beschaduwde, warme, droge tot vochtige, voedsel- en stikstofrijke, zwak basische tot kalkrijke bodems en op stenige plaatsen, met een humeuze bovenlaag. De plant is goed zichtbaar door de grote verschijningsvorm in de periode van het uitgevoerde veldbezoek. Tijdens het veldbezoek is de wolfskers niet waargenomen waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is.
22437.003 versie D1
16 / 23
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
6.1 Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.
Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
6.2 Vleermuizen De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.
22437.003 versie D1
17 / 23
Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis voor de functies zomer-, kraam-, balts, paar- en individuele winterverblijfplaats. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen.
Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag.
6.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met verblijfplaatsen in naastgelegen woningen en foerageergebieden op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving. Door gebruik te maken van amberkleurig licht, weggericht van de omgeving, laaggeplaatste verlichtingsarmaturen en verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen wordt zo min mogelijk strooilicht veroorzaakt. Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen in naastgelegen woningen en foerageergebieden worden hiermee voorkomen. Met gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting is overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
6.4 Overige soorten Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
22437.003 versie D1
18 / 23
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen, tevens stikstofgevoelige, Natura 2000-gebied, Brabantse Wal, bevindt zich op circa 2,7 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).
Figuur 7.1
Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgeno-
22437.003 versie D1
19 / 23
men ingreep (sloop en nieuwbouw) zijn op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 2 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 7.2
Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en/of gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
22437.003 versie D1
20 / 23
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.
22437.003 versie D1
21 / 23
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Aveco de Bondt een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Beukenstraat 3 te Heerle. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van het te slopen gebouw op de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te amoveren en 5 nieuwe woningen te realiseren bestaande uit 1 bouwlaag met kap. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren en vooraf de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit voeren.
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek functies zomer-, kraam-, balts, paar- en individuele winterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en ruig dwergvleermuis.
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
aandacht voor vleermuisvriendelijke verlichting
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
22437.003 versie D1
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen grondgeboden zoogdieren en algemene amfibieën
22 / 23
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
2,7 km
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek stikstofdepositie middels een AERIUS-berekening noodzakelijk
Natuurnetwerk Nederland
2,0 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t
n.v.t
n.v.t
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusies en aanbevelingen Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een ter zake kundige ecoloog. Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functies zomer-, kraam- en balts/paarverblijfplaats de bebouwing voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Verder wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden rekening te houden met mogelijke verblijfplaatsen in naastgelegen woningen en met foerageergelegenheden op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving.
Door gebruik te maken van amberkleurig licht, weggericht van de omgeving, laaggeplaatste verlichtingsarmaturen en verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen wordt zo min mogelijk strooilicht veroorzaakt. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
Econsultancy 21 juni 2023
22437.003 versie D1
23 / 23
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017c). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 19 juni 2023 https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Heerle rondom de onderzoekslocatie, periode 20182023. NDFF. Geraadpleegd op 19 juni 2023 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 19 juni 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 19 juni 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17. www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Bijlage I toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nade lige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •