Motivering TAM-Omgevingsplan HvVossstraat 12
Tekst van het document
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen , deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Het plangebied is gelegen binnen de cirkel van goede hoorbaarheid van de waarschuwings- en alarmeringspalen en in het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen. Belangrijk aspect hierbij is , dat zij kunnen vluchten of schuilen zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten. De zelfredzaamheid van de aanwezige personen is beoordeeld op de aspecten zelfredzaam vermogen en de mogelijkheden tot vluchten of schuilen. Zelfredzaam vermogen De bewoners van de woningen binnen het plangebied worden gezien als een gemiddelde vertegenwoordiging van de maatschappij en derhalve als normaal zelfredzaam beschouwd. Mogelijkheden tot vluchten of schuilen De mogelijkheden tot zelfredzaamheid worden bepaald door het type van incident. Bij een incident met toxische stoffen kan schuilen in een adequate afsluitbare ruimte de beste optie zijn.
Om goed te schuilen dient , indien aanwezig , de automatische ventilatie uitgezet te worden. Verder moeten deuren en ramen gesloten worden. Bij incidenten met brandbare vloeistoffen en brandbare gassen is vluchten het gewenste handelingsperspectief. Binnen het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om van de risicobronnen en de scheepvaartroute af te vluchten 4. 12. 3 Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 13 Trillingen 4. 13. 1 Kader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Het Rijk wil mensen beschermen tegen trillinghinder. Dat doet het door regels te stellen aan activiteiten die trillingen veroorzaken in trillinggevoelige gebouwen. |45 Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelige gebouw , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen.
De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Artikel 5. 80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie , zoals woningen en verzorgingshuizen. Woonschepen en woonwagens vallen niet onder de woonfunctie. Bronnen van trillingen zijn: verkeer over de weg of het spoor (zoals vrachtwagens , treinen en trams) machines in de industrie (zoals stansen en draaiende motoren) bouw- en sloopactiviteiten (zoals heien en breken) • • • 4. 13. 2 Toetsing Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van een bedrijfsperceel naar woonperceel , waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning en één woning wordt toegevoegd. Woningbouwontwikkeling is relevant voor trillingen. Er is geen bedrijf in de directe omgeving aanwezig dat voor de voorgenomen ontwikkeling trillinghinder veroorzaakt. Trillinghinder van wegen zal ondanks de nabije ligging aan de rijkswegen A17 en A58 beperkt zijn , omdat deze wegen voorzien zijn van asfaltverharding zonder grote oneffenheden.
Ook het knooppunt ‘de stok’ zal voor onderhavig planvoornemen beperkte trillinghinder veroorzaken , omdat dit deel van de wijk wordt afgeschermd door een zowel stenen als natuurlijke geluidswal wat ervoor zorgt dat trilling overdracht naar de ondergrond wordt beperkt. Gelet op de afstand van de locatie tot het spoor wordt geen trillinghinder verwacht van treinverkeer. Een onderzoek naar trillinghinder is derhalve niet noodzakelijk. 4. 13. 3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 14 Gezondheid 4. 14. 1 Kader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. In artikel 2. 1 lid 4 van de wet is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid , luchtkwaliteit , geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen.
Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen , gezonder eten en elkaar ontmoeten. |46 Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid , luchtkwaliteit , geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. 4. 14. 2 Toetsing Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van een bedrijfsperceel naar woonperceel , waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning en één woning wordt toegevoegd. Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gezondheidsaspect heeft een centrale rol binnen de Omgevingswet. In de voorgaande paragrafen zijn de verschillende aspecten onderzocht. 4. 14. 3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 15 Kostenverhaal Dit project is een particulier initiatief. Er is sprake van een kostenverhaal plichtige activiteit (cf. art. 8. 13 van het Omgevingsbesluit).
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst over kostenverhaal gesloten. Het privaatrechtelijk kostenverhaal is geregeld in paragraaf 13. 6. 2 van de Omgevingswet. In de overeenkomst wordt ook vastgelegd op welke wijze wordt omgegaan met het verhalen van eventuele nadeelcompensatie. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond. |47 5. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Voor zover een aanvraag voor een TAM-omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , gelden de beoordelingsregels in artikel 8. 0b tot en met 8. 0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’ , hoofdstuk 4). Het planvoornemen aan de Heerma van Vossstraat 12 te Roosendaal leidt tot een situatie waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (hoofdstuk 3 , 4 , en 5).
Gezien hetgeen uiteengezet in voornoemde hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op de fysieke leefomgeving en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. |48 6. UITWERKING IN HET OMGEVINGSPLAN 6. 1 Uitwerking in het omgevingsplan De gemeente is bezig met het opstellen van een nieuw omgevingsplan voor de gehele gemeente. Inhoudelijk sluiten de regels in dit TAM-omgevingsplan aan op de regels die we voor het (nieuwe) omgevingsplan aan het opstellen zijn. Om te voorkomen dat al te grote verschillen ontstaan tussen de TAM-omgevingsplannen en de regeling in het omgevingsplan later , is het van belang dat deze standaard als uitgangspunt wordt gebruikt. Het prototype is voor nu alleen nog gericht op wonen en openbaar gebied. Wanneer voor een andere ontwikkeling dan woningbouw een TAM-omgevingsplan moet worden opgesteld is een aanvulling van het prototype vereist. In alle gevallen dat afgeweken wordt van het prototype wordt door de gemeente bepaald of en hoe de afwijking opgenomen wordt in het prototype. Zo kan worden bepaald of het gaat om een aanpassing die generiek moet worden doorgevoerd ook in het prototype omgevingsplan of dat het slechts betrekking heeft op de specifieke ontwikkeling. Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan zullen niet alle regels uit het prototype benodigd zijn.
Het is de bedoeling dit prototype als bibliotheek te gebruiken en de regels over te nemen die relevant zijn. Een TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan conform de Omgevingswet , maar wordt opgesteld met techniek van de bestemmingsplannen. Dit heeft te maken met het feit dat bepaalde functionaliteiten in de software nog ontbreken en de gebruiksvriendelijkheid van het nieuwe digitale loket nog erg slecht is. De TAM-omgevingsplannen zijn een tijdelijke alternatieve maatregel totdat de omgevingsplansoftware en het digitale loket verder ontwikkeld zijn. Het TAM-omgevingsplan vormt een apart hoofdstuk in het omgevingsplan. Het eerste TAM-omgevingsplan krijgt hoofdstuk 22A , het tweede TAM- omgevingsplan krijgt hoofdstuk 22B en zo verder. Op termijn worden de TAM- omgevingsplannen geheel geïntegreerd in het omgevingsplan. Het TAM-omgevingsplan lijkt dus vanwege de oude techniek op een bestemmingsplan , maar is dit zeker niet. Het plan is als volgt ingedeeld. Het plan start met een Pre-ambule. Daarna volgen de juridische regels in de verschillende hoofdstukken.
De hoofdstukken hebben de volgende inhoud: Hoofdstuk 1: Inleidende regels: reken- en meetbepalingen , begrippen en toepassingsbereik ; Hoofdstuk 2: Regels voor de functies openbaar gebied en de functie wonen ; Hoofdstuk 3: Gebruiksactiviteiten: verboden gebruiksactiviteiten en de gebruiksactiviteiten bij wonen ; Hoofdstuk 4: Bouwen: algemene regels voor bouwen , bouwen bij wonen en bouwen in het openbaar gebied ; Hoofdstuk 5: Waarden- en beperkingengebieden: archeologie , molenbiotoop en luchtvaartverkeerzone ; Hoofdstuk 6: Algemene regels: anti-dubbeltelregel , aanvullende aanvraagvereisten en parkeren ; beoordelingsregels voor bouwen , Hoofdstuk 7: Overgangsregels: overgangsrecht bouwwerken en overgangsrecht gebruik. Aan de opbouw van het TAM-omgevingsplan wordt de indeling van het nieuwe omgevingsplan al wat meer duidelijk. Zo worden functies gebruikt om aan te sluiten om de voormalige bestemmingen , maar geven alleen aan waar de functie voor bedoeld is. De activiteiten worden gesplitst in aparte hoofdstukken. Ook dubbelbestemmingen komen niet meer voor maar vallen nu onder waarden- en beperkingengebieden. De algemene regels vullen de specifieke regels verder aan. |49 6.
2 Procedure TAM-omgevingsplan Nadat het concept voor de omgevingsplanwijziging is beschikbaar is gesteld voor participatie kan het ontwerp ter inzage wordt gelegd (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende deze periode kan iedereen op het TAM-omgevingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of , en zo ja , in hoeverre het Omgevingsplan aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het Omgevingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Na vaststelling wordt het TAM-omgevingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld , is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. |50 7. PARTICIPATIE Participatie bij planvormingsprocessen is een belangrijke ambitie binnen de Omgevingswet. Participatie is maatwerk: per gemeente , per instrument , per gebied of per onderwerp kan het verschillen op welke manier participatie wordt toegepast.
Ongeacht de ontwikkeling , dient bij elk initiatief onderbouwd te worden of en hoe er participatie heeft plaatsgevonden. Afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief verschilt ook de omvang van participatie. De eigenaren van het pand Heerma van Vossstraat 12 te Roosendaal zijn voornemens om het voormalig bedrijfsperceel te herontwikkelen. Voorheen was ter plaatse een machinaal timmerbedrijf met een woonhuis. Het bedrijf is inmiddels verhuisd en de werkplaatsen en showroom staan leeg. Derhalve wordt beoogd om de werkplaatsen en showroom te slopen en één nieuwe woning te realiseren. Het bestaande woonhuis blijft daarbij behouden en wordt in gebruik genomen als reguliere burgerwoning. Het is gebruikelijk om dit soort plannen te bespreken met de directe omgeving. Derhalve is in het kader van participatie door de initiatiefnemers (bewoners Heerma van Vossstraat 12) op 16 mei 2025 een brief verstuurd naar de omwonende van het plangebied. Middels deze brief hebben de initiatiefnemers de plannen aan de omwonende voorgelegd en duidelijk gemaakt. Vervolgens is hier recentelijk door de initiatiefnemers nog een mail over verstuurd waarin de omwonenden gevraagd is om voor 31 oktober 2025 een reactie te geven of ze akkoord gaan met onderhavig planvoornemen. Deze brief van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage bij de motivering.