CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

De Meeten 2__Toelichting.pdf

Commissie Ruimte 18 april 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4: Raadsvoorstel Besluitvorming Bestemmingsplan De Meeten 2 en vergunningen14.160 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook zijn er op basis van de Keur van het waterschap Brabantse Delta geen beperkt en volledig beschermde gebieden in het plangebied gelegen. Uit het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Roosendaal 2020-2023 (05-09-2019) blijkt dat de ontwateringsdiepte ter plaatse van het plangebied varieert tussen 0,7 en meer dan 1,5 meter. Toekomstige situatie Het plangebied is onbebouwd en grotendeels onverhard. In de toekomstige situatie zal verharding en bebouwing worden gerealiseerd. De functieverandering van bedrijfspercelen mogen niet leiden tot het optreden van wateroverlast in of buiten Majoppeveld. Dit betekent dat afstromend hemelwater van daken en perceelsverharding moet worden vastgehouden en gecontroleerd dient te worden afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel van Majoppeveld. De gemeente stelt eisen aan het maximale aanbod van hemelwater afkomstig van bedrijfspercelen. Het surplus aan hemelwater dient tijdelijk op eigen terrein te worden vastgehouden. Wateroverlast ter plaatse van de bedrijfspercelen in het plangebied wordt voorkomen door het bouwpeil minimaal 0,2 meter hoger te leggen dan het wegpeil. Het plangebied wordt gezien als een nieuwe ontwikkeling en dient dan ook te voldoen

28/44

aan een bergingseis van 60 mm. Aan de hand van een inrichtingstekening zal berekend worden hoeveel waterberging noodzakelijk is om aan de bergingseis te voldoen. Aan deze bergingseis zal worden voldaan door de aanleg van waterbergende voorzieningen op eigen terrein middels bijvoorbeeld retentievijvers of wadi's of onder de parkeervoorzieningen (zie figuur 2.1 voor de inrichtingstekening). Rioolstelsel Het regenwater van het dak- en terreinoppervlak wordt apart ingezameld en zal afgevoerd worden naar de gescheiden riolering. Het overige afvalwater wordt afzonderlijk ingezameld en afgevoerd naar de gescheiden riolering. Bij de herontwikkeling zijn mogelijkheden voor het toepassen van klimaatbestendige maatregelen, zoals groene daken en doorlatende verhardingen. De mogelijkheden hiervoor zullen langs privaatrechtelijke weg met de ontwikkelaar worden bekeken. Oppervlaktewater Voor werkzaamheden in, op, onder of naast oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen en het brengen van water naar en onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen dient een watervergunning te worden aangevraagd. Wanneer het afstromend regenwater wordt afgevoerd naar de watergang langs de snelweg dient hier rekening mee te worden gehouden. Omdat er geen oppervlaktewater in of nabij het plangebied is gelegen waar afstromend regenwater naar wordt afgevoerd, hoeft er geen watervergunning te worden aangevraagd.

Risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW) Conform het beleid van het waterschap wordt bij de ontwikkelende partij aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Dit kan echter niet afgedwongen worden. De toe te passen bouwmaterialen moeten namelijk getoetst worden aan het Bouwbesluit. Dit is een landelijke regeling. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu. Conclusie Vanuit de eisen van het waterschap is watercompensatie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk. Daarnaast is in het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. In het kader van de watertoets is overleg gevoerd met het waterschap en is deze waterparagraaf opgesteld. Hieruit volgen voor de ontwikkeling de volgende randvoorwaarden: ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen; regenwater en huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden opgevangen en afgevoerd naar de gemengde riolering.

Bij de herontwikkeling zijn mogelijkheden voor het klimaatbestendige maatregelen zoals groene daken en doorlatende verhardingen. Ook voorziet het ontwerp van de buitenruimte in locatie voor waterberging.

3.8

Geluid

De ontwikkeling betreft geen geluidsgevoelige functie. Er is dan ook geen onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk.

29/44

3.9

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Hoe werkt het met milieucategorieën en het bestemmingsplan? Eerst bondig een inleiding milieuzonering. Er wordt in de handreiking bedrijven en milieuzonering onderscheid gemaakt tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Om globale sturing te geven aan de ruimtelijke inrichting heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een (vrijwel) uitputtende lijst opgesteld met alle milieubelastende activiteiten en de gewenste afstand (op basis van geur, geluid, licht, stof en gevaar) die bewaard dient te worden tot gevoelige functies. De milieuzonering (richtafstand) wordt voor een milieubelastende activiteit bepaald door de maatgevende activiteit. Bestaande situatie Cloetta (Spoorstraat) De bestaande locatie van Cloetta aan de Spoorstraat heeft de bestemming Bedrijventerrein - 1. Op deze locatie zijn bedrijven toegestaan in ten hoogste milieucategorie 3.2. De huidige activiteiten van Cloetta aan de Spoorstraat passen in deze milieucategorie. Huidige situatie bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan is uitgegaan van een gezoneerde indeling van bedrijfscategorieën aangepast naar de functies (met name woningen ten zuiden) in de omgeving.

Deze indeling is toegepast om aan de richtafstanden behorende bij deze milieucategorieën te voldoen. Zo is in het zuiden van het plangebied maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan, de bijbehorende richtafstand tot woningen is 100 meter in een rustige woonwijk en 50 meter in gemengd gebied. Aan de noordzijde van het plangebied is maximaal milieucategorie

30/44

4.2, met een richtafstand van 300 meter. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning buiten een bedrijventerrein bedraagt circa 75 meter. De dichtstbijzijnde woningen gelegen in gemengd gebied (op bestaand bedrijventerrein) bevindt zich op circa 33 meter afstand. Nieuwe situatie Cloetta In het geval van de beoogde nieuwe locatie van Cloetta aan de Rucphensebaan gaat het wat betreft de maatgevende milieubelastende activiteiten om het produceren van snoepgoed en daarbij mogelijk deels het verwerken van elders gemaakte chocolade en/of gebrande suiker. Cloetta gaat op de nieuwe locatie niet zelf chocolade produceren en/of suiker branden. Dit is dan ook geen onderdeel van het bestemmingsplan en het wordt ook niet aangevraagd in de milieuvergunning. Vertaald naar de VNG-lijst betekent dit milieucategorie 3.2: suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: productieoppervlak > 200 m². Hierbij hoort een richtafstand van 100 meter voor geur, 30 meter voor stof en 50 meter voor geluid in een rustige woonwijk en respectievelijk 50, 10 en 30 meter in gemengd gebied. Deze richtafstanden zijn lager of gelijk dan de richtafstanden behorende bij de milieucategorieën uit het geldende bestemmingsplan. Onderzoek In de omgeving van het plangebied is sprake van zowel omgevingstype rustige woonwijk als gemengd gebied.

De woonwijken Landerije en Kortendijk aan de zuidkant worden geclassificeerd als rustige woonwijk, de bedrijventerreinen aan de noord- en westzijde en de woningen in het landelijke gebied aan de rand van het bedrijventerrein aan de oostzijde worden geclassificeerd als gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woning in een woonwijk bevindt zich op ongeveer 75 meter afstand (ten zuidwesten). Hier is sprake van een rustige woonwijk en wordt niet aan de richtafstand voor geur voldaan. In het geldende bestemmingsplan zijn de activiteiten al toegestaan, er is dan ook geen verandering ten opzichte van de aanwezige planologische mogelijkheden. Bij de inrichting van het terrein is wel rekening gehouden met de aanwezigheid van woningen in deze hoek door hier het parkeerterrein en het kantoor te voorzien. De richtafstand tot de hinderlijke bedrijfsactiviteiten is ruimschoots meer dan 100 meter. Ten westen van het plangebied liggen ook nog (voormalige) bedrijfswoningen, de dichtstbijzijnde bedrijfswoning bevindt zich op ongeveer 30 meter afstand. De bedrijfswoningen bevinden zich in gemengd gebied, waardoor een stap terug gedaan mag worden in de richtafstanden (respectievelijk 50, 10 en 30 meter). Hier wordt eveneens niet aan de richtafstanden voor geur voldaan. Ook hier geldt dat er geen verandering is ten opzichte van de planologische mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan.

Bij de inrichting van het plangebied is zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezigheid van ook deze woningen. Bij de inrichting van het perceel is rekening gehouden met de omliggende woningen. Aan de zuidrand, op de kortste afstand tot de woningen in de rustige woonwijk is er voor gekozen het kantoor, het parkeren, groen en waterberging te plaatsen. Deze activiteiten hebben een veel kleinere richtafstand. Aan de westzijde is het laboratorium voorzien, Daarnaast is in het kader van de melding Activiteitenbesluit aan het Activiteitenbesluit getoetst. In bijlage 8 is het akoestisch onderzoek opgenomen dat is uitgevoerd om te onderzoeken of de inrichting niet leidt tot onaanvaardbare geluidshinder bij omliggende woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat in de dag-, avond- en nachtperiode wordt voldaan aan de geluidsgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor

31/44

zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidsniveaus. Tevens wordt voldaan aan de richtwaarden voor geluidsniveaus ten gevolge van de indirecte hinder (wegverkeerslawaai door de verkeersaantrekkende werking). Omdat met dit bestemmingsplan alleen de vestiging van de inrichting voor het vervaardigen van suikerwaren conform de verleende vergunning is toegestaan en hiervoor toetsing aan het Activiteitenbesluit vereist is, wordt ook voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit die gelden ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De inpassing van de productielocatie op de locatie aan het Spectrum is milieuhygiënisch inpasbaar daarnaast voldoet deze aan het Activiteitenbesluit.

3.10 Geur Inleiding Ondernemingen hebben te maken met milieuvoorschriften. Deze zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer en staan in algemene milieuregels zoals het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) of in een omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een milieu-inrichting. Bestaande bedrijven Om het plangebied zijn verschillende bedrijven gelegen, zoals de bedrijven op bedrijventerrein Majoppenveld en een pluimveebedrijf. Deze bedrijven, net als de overige bedrijven in de nabijheid van het plangebied, moeten voldoen aan de genoemde milieuvoorschriften zodat de eventuele geurhinder die een bedrijf veroorzaakt bij naburige bedrijven of woningen acceptabel blijft. Uitbreiding van bestaande bedrijven in de nabijheid van het besluitgebied zal slechts mogelijk zijn indien de beoogde bedrijfsactiviteiten daar milieuhygiënisch acceptabel zijn. Een bedrijf dat uitbreidt, zal moeten voldoen aan de bepalingen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de geldende milieuvoorschriften. Nieuwe bedrijven Vestiging van nieuwe bedrijven in en in de nabijheid van het plangebied zal slechts mogelijk zijn indien de beoogde bedrijfsactiviteiten daar milieuhygiënisch acceptabel zijn.

Nieuwe bedrijven moeten voldoen aan de bepalingen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan en aan de milieuvoorschriften die verbonden zijn aan het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) of aan de eigen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Toetsing Het productieproces in de beoogde situatie is vergelijkbaar met het huidige productieproces van Cloetta aan de Spoorstraat 51. Er vindt wel een aantal verbeteringen plaats. zo wordt de lucht uit de droogkamers niet langer direct naar buiten toe afgeblazen en wordt een actief koolfilter toegepast op de ruimteafzuiging van de

32/44

gietafdeling. Door middel van een geuronderzoek is in beeld gebracht wat de mogelijke effecten zijn van de ontwikkeling ten aanzien van geur. Daarbij is getoetst aan het geurbeleid van de provincie Noord-Brabant. Het onderzoek is als bijlage ... opgenomen bij de toelichting. Uit de resultaten van de berekening volgt dat er wordt voldaan aan de richt- en grenswaarden uit het geurbeleid Noord-Brabant. Er zijn voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor het verlenen van de vergunning OBM in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Conclusie Knelpunten met betrekking tot geur zijn niet te verwachten. Het aspect geur levert geen beletsel of beperking op voor het conserverende bestemmingsplan.

3.11 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen

33/44

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het GR geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Toetsing en conclusie De ontwikkeling van het onderdeel bedrijventerrein maakt het oprichten van risicovolle inrichtingen mogelijk. Kwetsbare objecten in de vorm van woningen bevinden zich op relatief korte afstand (ca. 150 meter). Met de milieucategorieën die worden toegestaan met dit bestemmingsplan wordt gestuurd op het planologisch mogelijk maken van de vestiging van relatief beperkt milieubelastende bedrijven. Risicocontouren zullen daarmee ook beperkt blijven.

Daarnaast betekent de vestiging van Cloetta een toename in het aantal gebruikers van het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarom de risicobronnen in de omgeving geïnventariseerd. Op korte afstand vinden er geen gevaarlijke transporten plaats over water, spoor of de weg. Wel bevindt zich op een kleine 800 meter een buis transportleiding. Deze is niet relevant voor het risico van de locatie. Risicovolle inrichtingen in de omgeving zijn Vos Logistics Roosendaal en Keller Keukenfabriek BV. Beide locaties vormen geen maatgevende risico's voor het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. De veiligheidsregio heeft in het kader van overleg ex artikel 3.1.1 Bro aangegeven dat het plangebied voldoet aan het standaardadvies.

34/44

3.12 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Onderzoek en conclusie Wanneer activiteiten zijn vermeld in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage en de omvang op of boven de drempelwaarde ligt, is een m.e.r.-procedure verplicht.

Daarnaast kunnen activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn wanneer zij zijn vermeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het nieuwe bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die genoemd zijn in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit. Cloetta is een suikerwarenfabriek zoals bedoeld in categorie D 38.3, de productiecapaciteit ligt boven de drempelwaarde. Daarom is de omgevingsvergunning voor Cloetta m.e.r.-beoordelingsplichtig. Er is een aanmeldnotitie opgesteld en aan de hand daarvan is een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (zie bijlage 9). Deze beoordeling heeft geleid tot het besluit dat er geen aanleiding is tot het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure en daarmee het opstellen van een project-MER en/of plan-MER. Bij het bestemmingsplan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Er is sprake van één-op één-inpassing van de suikerwarenfabriek in het bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat het bestemmingsplan geen ruimte biedt voor toekomstige uitbreidingen van de suikerwarenfabriek (het bestemmingsplan is niet kaderstellend). Tevens bestaat geen verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wnb voor dit plan. Dit betekent dat voor het bestemmingsplan geen sprake is van een planMER-plicht en dat volstaan kan worden met een zogenoemde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

35/44

Hoofdstuk 4 4.1

Visie plangebied

Ruimtelijke en functionele ontwikkelingen

Zoetwaren- en notenbedrijf Cloetta is voornemens op voorliggende locatie een nieuwe productielocatie met kantoren te ontwikkelen. Het bedrijf heeft momenteel drie vestigingen, één in Turnhout (België) en twee in Roosendaal en wil deze drie bestaande productielocaties sluiten en samenbrengen op één nieuwe locatie. Op deze locatie wil men met nieuwe machinerie een kwaliteitsslag maken. Tegelijkertijd biedt de nieuwbouw de mogelijkheid het productieproces te verduurzamen. Zo zal al bij de opening een forse afname in gasverbruik zijn ten opzichte van de huidige situatie en is het de bedoeling het gasverbruik verder te reduceren zodra dit technisch mogelijk is. Voor het procuctieproces is stoom nodig en die wordt in de huidige situatie gemaakt met een gasgestookte installatie. In de nieuwe situatie is gekozen voor een volledig electrische installatie. Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de woonwijken aan de zuidzijde. Zo wordt aangesloten bij de inwaartse zonering die bij het bedrijventerrein Majoppenveld is bedacht. De productieruimten komen aan de noordzijde en de opslag en kantoren aan de zuidzijde. De laboratoriumruimte komt daarnaast aan de westzijde als buffer naar het naastgelegen gemengde bedrijventerrein.

De transporten worden vanaf de A58 uit noordelijke richting via het Spectrum naar de locatie geleid, waar aan de oostzijde de ontsluiting van het perceel is voor vrachtverkeer. Na laden/lossen wordt dit verkeer ook weer via deze ontsluiting in noordelijke richting naar de A58 geleid. Uitsluitend personeel en bezoekers zullen via de zuidzijde het perceel betreden, waar een parkeerterrein naast het kantoor zal worden aangelegd. De bouwhoogte van de beoogde bebouwing past binnen de maximale afmetingen die het geldende bestemmingsplan toestaat (maximaal 20 meter aan de noordzijde aflopend tot maximaal 10 meter in de zuidwesthoek), waarbij de hoogte van 20 meter uitsluitend gehaald word door enkele accenten. En aan de zuiden oostzijde is ruimte voor groene inrichting voorzien. In figuur 4.1 is schematisch een impressie gegeven van de indeling van het terrein en de plaats van de gebouwen.

36/44

Figuur 4.1 3D Voelvluchtimpressie vanuit de zuidoosthoek gezien

Figuur 4.2 Impressie vanuit de zuidwesthoek op het kantoor en de opslaghal, met op de voorgrond een deel van de waterberging

37/44

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

5.2

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

5.3

Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling

5.3.1 Uitgangspunten en doelstellingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen. Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan. Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig

38/44

worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan; makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten; een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast; duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. Het bestemmingsplan bestaat uit het perceel op Spoorstraat 51 (een van de vertreklocaties van Cloetta Holland B.V.) en de locatie van de beoogde nieuwbouw, het perceel tussen de Rucphensebaan en het Spectrum. De vertreklocatie is opgenomen om te kunnen borgen dat hier niet langer een suikerwarenfabriek kan blijven bestaan en zo ook te borgen dat er geen gebruikgemaakt kan worden van de stikstofrechten die daarmee samenhangen. De mogelijkheid om hier een bedrijf met milieucategorie 3.2 te vestigen (o.a. een suikerwarenfabriek) is geschrapt.

Op de locatie van de beoogde nieuwbouw is uitsluitend de beoogde productielocatie toegestaan, dit om enige onzekerheden met betrekking tot uitbreidingsmogelijkheden zonder inspraak bij omwonenden tot een minimum te beperken. Daarom is geen algemene afwijkingsbevoegdheid (om 10% af te wijken van maten) opgenomen. 5.3.2 Opbouw regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. De opbouw van de regels is als volgt: betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning; wijzigingsbevoegdheid. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd. In niet alle bestemmingen komen alle leden voor.

39/44

5.4

Gehanteerde bestemmingen

In deze paragraaf worden diverse bestemmingsregelingen, die in het bestemmingsplan De Meeten 2 voorkomen, beschreven. Daarbij is aangesloten bij de regeling zoals die geldt in het bestemmingsplan Majoppenveld. De bestemmingen Bedrijventerrein -1 en Bedrijf Het bestemmingsplan bestaat uit twee plangebieden bestaande uit de locatie Spoorstraat 51 en het perceel aan de Rucphensebaan/Spectrum. De volgende bestemmingen maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan: Bedrijventerrein -1: locatie Spoorstraat 51; Bedrijf: locatie Rucphensebaan / Spectrum. Bedrijventerrein -1 Deze bedrijfsbestemming uit het geldende bestemmingsplan Borchwerf (vastgesteld 21 december 2011) blijft van toepassing en wordt partieel herzien. Op deze locatie is een suikerwarenfabriek niet langer toegestaan. Verder komt de bepaling over de oppervlakte van het kantoor van Leaf (nu Cloetta) te vervallen. Het bepaalde in artikel 3.1 onder b wordt geschrapt, het gaat om de bepaling: 'ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2' tevens een bedrijf met SBI-code 1071 tot en met 1089 uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten;' In lid 3.1 onder i wordt het deel na de komma geschrapt.

De bepaling luidt dan als volgt: 'per bedrijfsvestiging het kantoorvloeroppervlak niet meer van 50% van het totale perceelsoppervlak mag bedragen tot een maximum van 500 m².' Bedrijf Op deze locatie is uitsluitend een inrichting voor het vervaardigen van suikerwerken conform de omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met nummer 2023-001444 zoals verleend door het bevoegd gezag op PM datum opgenomen. De vergunde activiteiten van het bedrijf Cloetta worden daarmee een-op-een ingepast. Voor de duidelijkheid is tevens bepaald dat de toegelaten bedrijfsactiviteiten niet zwaarde mogen zijn dan milieucategorie 3.2. Ook is opgenomen dat ten minste 150 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Daarnaast is ontsluiting van het perceel (in-en uitrit) aan de zuid- en oostzijde vastgelegd, deze is uitsluitend toegestaan ter plaatste van de aanduiding 'ontsluiting'. In de gebruiksregels is een begrenzing opgenomen voor de stikstofemissie ten gevolge van de activiteiten binnen de bestemming.

40/44

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal en eventuele planschade zijn geregeld. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie Omwonenden en belanghebbenden zijn door middel van een informatieavond geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling.

41/44

6.2.2 Inspraak Conform de inspraakverordening van de gemeente Roosendaal is de inspraakprocedure doorlopen. Het voorontwerpbestemmingsplan is op 30 januari 2023 voor een periode van zes weken (dus tot en met 13 maart 2023) ter inzage gelegd. Gedurende die termijn werd de gelegenheid geboden aan eenieder om een inspraakreactie in te dienen. Ook is in voornoemde termijn een inspraakbijeenkomst georganiseerd waarbij ook mondeling kan worden ingesproken. Inspraakbijeenkomsten hebben de vorm van een 'inloopbijeenkomst' en zijn vooral bedoeld om kennis te nemen van het bestemmingsplan en om mondelinge inspraakreacties naar voren te brengen, die via daartoe ontwikkelde formulieren kunnen worden ingediend. Van de inspraakbijeenkomst (belegd op 2 maart 2023) heeft overigens slechts één persoon gebruikgemaakt. Op het voorontwerpbestemmingsplan zijn 280 inspraakreacties ingekomen. De inspraakreacties zijn samengevat en van antwoord voorzien in bijlage 10. 6.2.3 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties. Er is door het Waterschap Brabantse Delta een positief wateradvies gegeven, onder voorbehoud van de uitwerking van de retentieopgave.

De provincie Noord- Brabant heeft geadviseerd over het verscherpen van de planregels over regionale binding en het beperken van de oppervlakte grootschalige logistiek. Met aanpassing van het plan naar het uitsluitend toestaan van Cloetta op de locatie Spoorstraat wordt hieraan toegemoetgekomen. Daarnaast heeft de provincie aangegeven graag argumentatie te zien hoe voorliggend initiatief voldoet aan de regionale afspraken. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat het plangebied voldoet aan de criteria van het standaardadvies. De overlegreacties zijn samengevat en van antwoord voorzien in bijlage 10. 6.2.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd voor de vaststellingsprocedure (op grond van artikel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze periode kan iedereen een zienswijze op het plan indienen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft met het ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een snoepfabriek (OBM) en de activiteit bouwen, gelegen in het gebied tussen de Rucphensebaan en het Spectrum in Roosendaal (kadastraal bekend gemeente Roosendaal en Nispen, sectie S, perceelnummers 01481 (ged.) en 00718) met ingang van 28 augustus 2023 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen (tot en met 9 oktober 2023). Tijdens deze periode zijn tien zienswijzen ingediend.

Bij twee van de tien zienswijzen hebben zich meerdere betrokkenen en belanghebbenden aangesloten. Dit betekent dat er in totaal door 101 betrokkenen en belanghebbenden is gereageerd. In de nota zienswijzen zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van een antwoord.

42/44

Naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsplan op onderdelen gewijzigd. Daarnaast zijn ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

6.2.5 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

43/44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1603/documents/42129