Bijlage zienswijzenota Heerma van Vossstr 2.pdf
Tekst van het document
Nota zienswijze “Heerma van Vossstraat 2”
Inhoud 1 INLEIDING..................................................................................................... 2 1.1 Doel en opzet nota.............................................................................................2 1.2 Lijst van indieners zienswijze................................................................................2
2 SAMENVATTING EN BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN..................................................3 2.1 Inleiding.........................................................................................................3 2.2 Beantwoording ingekomen reacties.........................................................................3 2.2.1 Indiener 1 3 2.2.2 Indiener 2 4 2.2.3 Indiener 3 6 2.2.4 Indiener 4 (Rijkswaterstaat) 9
1
1
INLEIDING
1.1
DOEL EN OPZET NOTA Beantwoording zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Heerma van Vossstraat 2’ heeft met ingang van 24 januari 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode hebben 2 verschillende betrokkenen en belanghebbenden een zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht. In deze nota zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van een gemeentelijk antwoord. Hoorzitting De hoorzitting van de Hoorcommissie Ruimtelijke Ordening heeft op 15 juni 2022 plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn reclamanten in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting op de ingebrachte zienswijzen te geven. Tevens zijn door leden van de gemeenteraad en de hoorcommissie vragen gesteld aan de reclamanten. Hetgeen tijdens de zitting is besproken is meegewogen bij de behandeling van de zienswijzen. Het verslag van deze hoorzitting is als separate bijlagen bij deze nota gevoegd. 2 reclamanten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
1.2
LIJST VAN INDIENERS ZIENSWIJZE In onderstaande tabel staan de indieners van een zienswijzen. nr. 1 2 3 4
Indiener Achmea rechtsbijstand Indiener 2 Indiener 3 Rijkswaterstaat
Datum ontvangst 7 maart 2022 1 maart 2022 4 maart 2022 24 februari 2022
In deze zienswijzenota zijn de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van de indieners van de zienswijzen vervangen door een nummer. Dit weglaten van de NAW-gegevens van de indieners van de zienswijzen, de ‘anonimiseringsverplichting’, vloeit voort uit de Algemene verordening persoonsgegevens (Avg). Daarin is bepaald dat NAW-gegevens van natuurlijke personen niet elektronisch beschikbaar mogen komen. Op rechtspersonen is dit niet van toepassing. De NAW-gegevens van de indieners zijn bekend bij de gemeente Roosendaal.
2
2
SAMENVATTING EN BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN
2.1
INLEIDING In de navolgende paragraaf zijn de ingekomen zienswijzen samengevat. Dit betekent niet, dat die onderdelen van de ingekomen reacties die niet expliciet worden genoemd, niet bij de beoordeling zouden worden betrokken. Elke reactie wordt in zijn geheel beoordeeld en beantwoord. Ook is aangegeven wat de gevolgen zijn voor het bestemmingsplan. Eerdere reacties In het Inspraak- en vooroverlegrapport “Heerma van Vossstraat 2” zijn reacties opgenomen naar aanleiding van de ingekomen inspraak- en overlegreacties. Deze reacties maken deel uit van de onderhavige zienswijzenbehandeling en dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
2.2
BEANTWOORDING INGEKOMEN REACTIES
2.2.1 Indiener 1 Samenvatting 1.1 Het plan tast het woongenot van client aan door toename van bebouwing, een toename van verkeer en wijzigingen in de inrichting van de omgeving zijn onzeker. 1.2 In het plan is niet duidelijk waar de inritten komen. Cliënt heeft liever dat de inritten over het bestaande perceel van de bedrijfswoning komen te liggen, in plaats van dat eventueel bomen of lantaarnpalen de locatie van de inritten bepalen. Indien de inrit voor de deur van cliënt komt, vreest hij voor overlast. Cliënt verzoekt daarom om ten minste de strook tuin voor het bouwblok precies ter breedte van het bouwblok van een aanduiding te voorzien op grond waarvan dat gedeelte niet mag worden gebruikt voor de toegang tot de woning, zodat inritten in elk geval naast het bouwblok worden gerealiseerd. 1.3 Client vreest voor overlast van het bouwverkeer. 1.4 Planschade kan worden voorkomen door maar een woning te realiseren in plaats van twee.
3
Reactie 1.1 De Heerma van Vossstraat is ter hoogte van het plangebied reeds doodlopend. Met de realisatie van twee vrijstaande woningen is inderdaad sprake zijn van de toevoeging van bebouwing langs de Heerma van Vossstraat. De ontwikkeling van de twee woningen vindt plaats binnen een bestaand bedrijfsperceel waarbinnen de mogelijkheid al bestaat om bebouwing en erfafscheiding op te richten. Met het onderhavige bestemmingsplan is evenwel rekening gehouden met de bestaande stedenbouwkundige opzet in de directe omgeving van het plangebied door uitsluitend maximaal twee extra vrijstaande woningen toe te staan binnen het plangebied. Hiermee wordt een intensief bebouwd programma voorkomen en wordt aangesloten bij het bestaande straatbeeld langs de Heerma van Vossstraat. Ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen wordt opgemerkt dat dit naar verwachting afneemt ten opzichte van hetgeen planologisch mogelijk zou zijn qua bedrijfsfunctie. 1.2 Het realiseren van de inrit(ten) is een uitvoeringsaspect. Het realiseren van een inrit dient te worden aangevraagd bij de gemeente. Deze wordt vervolgens getoetst aan onder andere de “Beleidsregels toetsen melding uitweg gemeente Roosendaal” deze zijn te raadplegen op onze gemeentelijke website.
1.3 Zoals reeds bij de inspraak aangegeven is de bereikbaarheid van omliggende woningen vanwege bouwactiviteiten een uitvoeringsaspect en wordt bepaald bij de verdere uitwerking. Bij de uitwerking wordt rekening gehouden met de bereikbaarheid van de bestaande woningen aan de Heerma van Vossstraat. Vooralsnog zijn er geen redenen om aan te nemen dat de bereikbaarheid van omliggende woningen onmogelijk wordt gemaakt bij realisatie van het nieuwbouwplan. 1.4 De Wet ruimtelijke ordening regelt in artikel 6.1 het onderwerp planschade. Een nieuw bestemmingsplan kan planschade veroorzaken. Relevant is in dat kader een planologische vergelijking, waarbij uitgegaan wordt van de maximale invulling van het ‘oude’ (nu nog: huidige) bestemmingsplan en het nieuwe bestemmingsplan. Het gaat daarbij niet om oude en nieuwe feitelijke situaties maar wat op grond van de planologische regimes maximaal kon/kan worden gerealiseerd. Daarbij blijft het normale maatschappelijke risico altijd voor rekening van de aanvrager (artikel 6.2, lid 1 Wro). Indien men van mening is dat sprake is van planschade, dan kan een planschadeverzoek worden ingediend bij de gemeente. Op basis van een planschaderapportage kan bepaald worden of als gevolg van de planologische verandering inderdaad sprake is van planschade die voor uitkering in aanmerking komt.
Daarbij dient uiteraard het normale maatschappelijke risico te worden meegewogen. De beoordeling van de planschade gebeurt door een onafhankelijke deskundige. Er kan op voorhand dan ook niet gezegd worden of twee woningen wel en één woning niet tot planschade zou leiden. Wijzigingen naar aanleiding van de zienswijze De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.
2.2.2 Indiener 2 Samenvatting 2.1 Reclamant maakt bezwaar tegen de slechte communicatie.
4
2.2
2.3
2.4
2.5
Reclamant maakt bezwaar tegen de aanname dat er sprake is van een voormalig bedrijfsperceel inclusief voormalige bedrijfswoning. Er wordt een strijdig gebruik van een bedrijfswoning door de nieuwe eigenaar, gelegaliseerd met een bestemmingsplan wijziging voor het bouwen van twee extra vrijstaande woningen. Reclamant verzoekt om aan te geven wanneer de omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik van de woning is verleend en wanneer en op welke wijze deze omgevingsvergunning is gepubliceerd en op welke wijze wij daarvan kennis hadden kunnen nemen en of we hier nog bezwaar tegen kunnen indienen. Reclamant vraagt om een tijdlijn en een afschrift van de verleende omgevingsvergunning. Het gehele perceel Heerma van Vossstraat 2 is gelegen binnen het bestemmingsplan Groot Tolberg. De woningen aan de overzijde van het perceel Heerma van Vossstraat 2 zijn gelegen binnen het bestemmingsplan Vijfhuizenberg-Hulsdonk. Met de realisatie van twee extra woningen wordt niet aangesloten in de geest van de bestaande stedenbouwkundige opzet als aanwezig aan de zelfde zijde van de straat. Wij vinden dit geen logische stedenbouwkundige afronding maar een stedenbouwkundige afwijking. Als de 2 extra woningen aan de overzijde van de weg zullen worden gerealiseerd verwachten wij overlast van water op ons perceel en woning. Overlast van water kan ontstaan door de ophoging van de percelen.
Hiertegen maken wij bezwaar. Aan de overzijde van de straat staan bomen en lantaarnpalen. Reclamant maakt bezwaar als deze bestaande bomen en lantaarnpalen moeten wijken voor de komst van deze twee woonhuizen en het straatbeeld daardoor gaat wijzigen.
Reactie 2.1 Reclamant heeft een punt ten aanzien van de communicatie. Omwille van capaciteitsproblemen heeft dit plan stil gelegen. Dat wil echter niet zeggen dat reclamanten geïnformeerd hadden kunnen worden over dit feit. De communicatiet had inderdaad beter gekund. 2.2 Op 10 maart 2017 heeft de gemeente een aanvraag omgevingsvergunning ontvangen voor het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Alle aangevraagde omgevingsvergunningen worden gepubliceerd in de Roosendaalse Bode. Op 13 maart 2017 is vervolgens de vergunning verleend. Hiertegen stond de mogelijkheid open om bezwaar aan te tekenen. De vergunning is verleend op basis van artikel 4, lid 9 van bijlage II van het Bor. Die beslissing is genomen omdat het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning op het perceel Heerma van Vossstraat 2 een verbetering is voor de omgeving, omdat er zo feitelijk een einde komt aan de solitaire bedrijfsbestemming nabij de Weihoek en het ziekenhuis. Er is dan ook geen sprake van strijdig gebruik, legalisatie is dan ook niet aan de orde. Het verzoek om twee (extra) woningen te mogen bouwen is later, in 2019, ingediend. De gemeente wenst medewerking te verlenen aan de realisatie van twee extra vrijstaande woningen op deze locatie. Overeenkomstig artikel 3.1 Wro is daarom het onderhavige bestemmingsplan “Heerma van Vossstraat 2” voorbereid.
De huidige en beoogde situatie wordt hiermee (opnieuw) juridisch-planologisch vastgelegd. Een herziening van het bestemmingsplan is juist één van de aangewezen middelen om een gewenste ruimtelijke ontwikkeling die niet toegestaan is op basis van het geldende bestemmingsplan mogelijk te maken.
5
2.3
2.4
2.5
Of de ontwikkeling stedenbouwkundig past in de omgeving is niet afhankelijk van in welk bestemmingsplan locatie ligt. De ontwikkeling is beoordeeld door een stedenbouwkundige. Met de twee woningen wordt gekomen tot een logische stedenbouwkundige afronding van de straat. De woningen passen binnen het straatbeeld. Bovendien wordt gebouwd binnen de bestaande stedelijke contouren. Dit wordt gezien als een duurzame ruimtelijke ordening, omdat hiermee het gebruik van bestaande stedelijke infrastructuur wordt geïntensiveerd. Daarnaast wordt hiermee zorgvuldig ruimtegebruik bevorderd. Alles in overweging genomen is sprake van een aanvaardbare stedenbouwkundige invulling van het plangebied Zoals in de inspraaknota reeds is aangegeven worden de nieuwe woningen op een vergelijkbaar bouwpeil als de bestaande woning binnen het plangebied gebouwd. De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zijn. Ten aanzien van de nieuwe woningen wordt het regenwater van het dak- en terreinoppervlak apart ingezameld en afgevoerd via de hemelwater afvoer in een regenwaterinfiltratiesysteem. Dit is bedoeld om regenwater van verhard oppervlak in de bodem te brengen. Het regenwater hoeft niet afgevoerd te worden door een riool/danwel de watergang maar wordt toegevoegd aan de grond op eigen terrein.
Afhankelijk van de grondwaterstand wordt een passend systeem uitgekozen. Het infiltratiesysteem moet hoger zitten dan de bovenkant van de grondwaterstand. Op de locatie is zandgrond. Deze is over het algemeen goed doorlatend. Middels dit systeem kan zelfs een buffercapaciteit gerealiseerd worden welke dan weer door de bewoner gebruikt kan worden om bijvoorbeeld de tuin te sproeien. Tot op heden is niet te verwachten dat bomen of lantaarnpalen verplaats moeten worden als gevolg van de ontwikkeling. Tevens wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.2 en 1.3.
Wijzigingen naar aanleiding van de zienswijze De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. 2.2.3 Indiener 3 Samenvatting 3.1 In de beantwoording van in de inspraakreactie is aangegeven dat het gebruik van de woning is gewijzigd. Indiener heeft naar aanleiding van dit antwoord de volgende vragen: Wanneer is dit gewijzigd? Waar en wanneer is dit gepubliceerd. Op welke basis is die beslissing genomen en waarom is deze beslissing genomen. 3.2 Indiener wil weten waarom de gemeente wil meewerken aan de realisatie van 2 extra woningen en daarnaast wil indiener weten waar deze wens is vastgelegd. 3.3 De gemeente heeft geen antwoord gegeven op de vraag welke gemeentelijke, provinciale of landelijke doelstellingen met de ontwikkeling worden gediend. 3.4 Waarom acht de gemeente de reguliere bewoning ruimtelijk aanvaardbaar en op welke gronden is dat gebaseerd? 3.5 Indiener wil weten wat wordt bedoeld met kwalitatieve wijze en wat dit betekent voor de bouwvoorschriften. En betekent dit dat er soortgelijke bouw moet komen als aan de overkant van de straat?
6
3.6
Wat wordt bedoeld met de zin in 1.5 van de inspraaknota: “in beginsel minder geschikt …. Anderzijds wel geschikt om levensloop bestendig uit te voeren” Indiener deelt de mening niet dat door de bouw een “doorstroming” zal plaatsvinden doordat starters op deze plek kunnen bouwen. 3.7 Dat regenwater afgevoerd zal worden naar de watergang naast de snelweg geldt slechts voor 1 woning aangezien de andere woning daar niet op aansluit. Overigens is watergang een groot woord want dat stuk grond is niet echt als “sloot” aan te merken hooguit als lagergelegen grond. Tenzij u de watergang bedoeld die gelegen is aan de uiterste achterzijde van de beoogde percelen. In dat geval is aanleggen van afwatering nagenoeg onmogelijk gezien het feit dat er nog een gasleiding ligt waar slechts tot 30 cm op gegraven mag worden. Afvoer aanleggen lijkt dan onmogelijk. 3.8 De reactie over fijnstof is wel een heel erg theoretische benadering van het probleem. Praktijk is (uit eigen ervaring) dat er bovengemiddeld veel fijnstof van de snelweg komt wat wel degelijk van invloed kan zijn op de gezondheid van de bewoners. Dat de gemeente dan ook nog een verhoging van de normen kan hanteren betekent voor ons dat de menselijke maat blijkbaar minder zwaar telt dan de economische belangen.
3.9 Met de reactie dat er geenszins sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden is indiener het niet eens. Alleen het feit dat deze procedure is gestart levert al de nodige stress op, laat staan als de bouwwerkzaamheden starten die vervolgens ook nog eens maandenlang duren. Door die oplopende stress kunnen psychische en lichamelijke klachten ontstaan zodat er zeker sprake kan zijn van een gezondheidsrisico voor de omwonenden. 3.10 Indiener zijn het oneens met de conclusie over vrij uitzicht. Uitzicht op afstand op de geluidswal is beduidend anders dan wanneer er huizen tegenover komen te staan. 3.11 Indiener verzoekt - ingeval de vergunning toch wordt verleend - nadere voorschriften op te nemen in het bouwvoorschrift zodat de openbare weg niet onnodig wordt belast met bouwverkeer (o.a. parkeren) en bouwmaterialen. Dit dient op het bouwterrein zelf plaats te hebben. Reactie 3.1 Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2.2. 3.2 Elke aanvraag die niet past binnen het bestemmingsplan wordt integraal afgewogen. Vervolgens neemt het college daar een principebesluit over. Met de realisatie van twee extra vrijstaande woningen op deze open locatie kan gekomen worden tot een logische stedenbouwkundige afronding van de woonstraat Heerma van Vossstraat. Een solitaire bedrijfsbestemming in een woonomgeving is in principe niet logisch/wenselijk.
De gemeente ziet het invullen van het perceel met twee woningen dan ook als een gewenste ontwikkeling. In de toelichting van het bestemmingsplan is onderbouwd waarom medewerking wordt verleend aan deze ontwikkeling. 3.3 De vraag is niet welke doelstelling wordt gediend, de vraag is of de ontwikkeling past binnen het gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid (doelstellingen). In de toelichting van het bestemmingsplan is in hoofdstuk 2 ingegaan op dit beleid en daarnaast is in de nota inspraak en vooroverleg hier een nadere uitleg aangegeven. De gemeente is van mening dat de ontwikkeling past binnen het gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid. En tevens wordt verwezen naar de beantwoording onder 1.1, 2.2 en 2.3 3.4 Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2.2, 3.1, 3.2 en 3.3.
7
3.5
3.6
Op kwalitatieve wijze betekent dat de toekomstige woningen aan moeten sluiten bij de bestaande woningen in de straat. Dat betekent niet dat per definitie een soortgelijke bouw moet komen als aan de overkant van de straat. Wel worden de volgende uitgangspunten gehanteerd bij het inrichten van de kavels. Omdat de twee nieuw te realiseren percelen rechthoekig van vorm zijn, is het wenselijk om de toekomstige woningen met de kopgevel naar de Heerma van Vossstraat te situeren. Dit is ook toegepast op de percelen Heerma van Vossstraat 3 t/m 13, die zich recht tegenover het projectgebied bevinden. De situering van de woningen past op deze manier goed in het straatbeeld. De voorgevel van de toekomstige bebouwing dient in het verlengde te liggen van de voorgevel van de huidige woning in het projectgebied. Hierdoor ontstaat tevens een voortuin, dat aansluit bij het huidige straatbeeld. Qua beeldkwaliteit zullen de te realiseren woningen ook aansluiten bij de bestaande bebouwing in de omgeving, al is het wel wenselijk om twee van elkaar verschillende woningen te realiseren. Voor het bouwen dienen de volgende bouwregels in acht genomen te worden: De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient tenminste drie meter te bedragen. De goothoogte is voorzien op maximaal 4,5 meter en de bouwhoogte is gemaximeerd op 7 meter.
Bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd. Indien bijbehorende bouwwerken niet in de perceelgrens worden opgericht dient de afstand tot deze grens ten minste 1 meter te bedragen. Parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd conform de huidige parkeernormen. Met de zin wordt bedoeld dat de twee woningen qua grootte en prijs in eerste instantie niet of nauwelijks geschikt zijn voor kleine huishoudens of starters. Wel zijn de kavels/woningen geschikt als levensloopbestendige woningen. Levensloopbestendig wil zeggen dat de woningen zo kunnen worden uitgevoerd dat mensen er hun hele leven kunnen blijven wonen, bijvoorbeeld door alle voorzieningen gelijkvloers ter realiseren. Doordat op deze locatie ouderen zouden kunnen bouwen of mensen die al een koophuis hebben gehad en deze kavels wellicht beter kunnen financieren, komen er ergens anders in de gemeente twee woningen vrij. Op deze manier ontstaat er doorstroming.
8
3.7
Ten aanzien van de nieuwe woningen wordt het regenwater van het dak- en terreinoppervlak apart ingezameld en afgevoerd via de hemelwater afvoer in een regenwaterinfiltratiesysteem. Dit is bedoeld om regenwater van verhard oppervlak in de bodem te brengen. Het regenwater hoeft niet afgevoerd te worden door een riool/danwel de watergang maar wordt toegevoegd aan de grond op eigen terrein. Afhankelijk van de grondwaterstand wordt een passend systeem uitgekozen. Het infiltratiesysteem moet hoger zitten dan de bovenkant van de grondwaterstand. Op de locatie is zandgrond. Deze is over het algemeen goed doorlatend. Middels dit systeem kan zelfs een buffercapaciteit gerealiseerd worden welke dan weer door de bewoner gebruikt kan worden om bijvoorbeeld de tuin te sproeien. In Nederland wordt de luchtkwaliteit bepaald door middel van luchtkwaliteitsnormen. De normen vloeien voort en onderzoeken die daarvoor zijn uitgevoerd en is in wet- en regelgeving vastgelegd. Als deze norm niet wordt overschreden mogen wij ervan uitgaan dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de gezondheid van de mens is geborgd. De gemeente kan normen voor luchtkwaliteit niet ophogen.
3.8 Wat met de reactie “dat er geenszins sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden” wordt bedoeld dat de ontwikkeling zelf (bouw van twee woningen) geen negatieve milieueffecten heeft op de gezondheid van mensen. Dat een juridische procedure geen stress op kan leveren, wordt niet ontkent. Er kan niet worden uitgesloten dat er totaal geen overlast zal worden ervaren tijdens de bouw. Uiteraard wordt deze tot een minimum beperkt, daar waar mogelijk. 3.9 Dat reclamanten vrij uitzicht anders ervaren, wordt begrepen. Niet alleen twee woningen geven een ander beeld, maar op basis van de vigerende bestemming had er ook een (ander) bedrijfspand gerealiseerd kunnen worden, dat het ‘vrije’ uitzicht beperkt. Voor de vraag wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.3 3.10 Verwezen wordt naar de beantwoording onder 1.3 en 3.9 Wijzigingen naar aanleiding van de zienswijze De zienswijze geeft geen aanleiding om de waterparagraaf van de toelichting van het bestemmingsplan aan te passen.
2.2.4 Indiener 4 (Rijkswaterstaat) Samenvatting 4.1 In de toelichting staat dat het regenwater wordt afgevoerd op de watergang langs de snelweg. Dit is een watergang van Rijkswaterstaat en afwatering daarop is niet toegestaan. 4.2 Rijkswaterstaat constateert dat één van de beoogde woningen in zijn geheel binnen het plasbrandaandachtsgebied ligt. Een niet echt wenselijke situatie. De gemeente is het bevoegde gezag in deze en daarom is de afweging aan de gemeente. 4.3 In bijlage 4 van de toelichting is een akoestisch onderzoek opgenomen. In dit akoestisch onderzoek staat opgenomen dat de gegevens voor de rijksweg A17 en de A58 afkomstig zijn uit het geluidregister. Naast een datum van de download ontbreken eveneens de gegevens zelf. Het is dus niet mogelijk om te controleren of de gegevens juist zijn toegepast.
9
4.4
In het akoestisch onderzoek ten behoeve van het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG) van Rijkswaterstaat is de woning aan de Heerma van Vosstraat 3 onderzocht. Daarbij is een geluidbelasting berekend van 70 dB op de verdieping. In het akoestisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan is op de verdieping van de nieuwbouw max. 64 dB berekend. Hierop is weliswaar een wettelijk toegestane aftrek van 2 dB toegepast (art. IlOg Wgh) maar het verschil in geluidbelasting met de woning aan de Heerma van Vosstraat 3 bedraagt daarmee 4 dB en dat is aanzienlijk. Wanneer de geluidbelasting in het kader van het bestemmingsplan te laag is berekend wordt er mogelijk een woning gebouwd met onvoldoende gevelwering. Dit resulteert in een te hoog binnenniveau wat voor de toekomstige bewoners een ongewenste situatie geeft.
Reactie 4.1 Zie de beantwoording onder 3.7 4.2 Ten behoeve van externe veiligheid is advies opgevraagd bij de veiligheidsregio (zie bijlage). Bij de bouwvergunning zullen extra bouwkundige maatregelen worden gevraagd. 4.3 Het akoestisch onderzoek is beoordeeld door de Omgevinsdienst Midden- en WestBrabant. Deze beoordeling is opgenomen in een notitie van 22 februari 2019 met zaaknummer 19010287. Bij deze beoordeling is destijds reeds vastgesteld dat de data uit het Geluidregister op juiste wijze in het akoestisch model is geïmporteerd. Daarbij heeft een check plaatsgevonden tussen de in het model ingevoerde data en de ten tijde van het uitvoeren van de beoordeling vigerende versie van het Geluidregister (register 20181228). Tevens is ten behoeve van de beoordeling door de adviseur het akoestisch model aangeleverd. Ook deze is in de beoordeling betrokken. Destijds zijn daarbij geen discrepanties gesignaleerd. Naar aanleiding van de door het Ministerie ingestuurde zienswijze heeft opnieuw een controle van deze data plaatsgevonden. In het nu vigerende Geluidregister (register 20220224_v2203) is de brondata gelijk aan de eerder gehanteerde brondata. Deze is niet gewijzigd. De conclusie dat de juiste data is gehanteerd en dat deze op juiste wijze is gemodelleerd blijft staan.
4.4 In het akoestisch onderzoek dat is opgesteld ten aanzien van de ontwikkeling binnen het bestemmingsplan Heerma van Vossstraat 2 is op de noordelijke van de twee mogelijk te maken woningen een geluidbelasting berekend van 66 dB Lden (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). In de zienswijze wordt gesteld dat het verschil met de geluidbelasting bij de woning aan de Heerma van Vossstraat 3, 4 dB bedraagt en dat dit verschil aanzienlijk is. Aanvullend op hetgeen in de zienswijze is genoemd zijn, binnen het opgestelde akoestisch rekenmodel, enkele rekenpunten gemodelleerd op de bestaande woning aan de Heerma van Vossstraat 3. Binnen hetzelfde akoestisch model, welke reeds door de Omgevingsdienst is beoordeeld en akkoord is bevonden, wordt gelijk aan hetgeen het Ministerie aangeeft op de betreffende woning aan de Heerma van Vossstraat 3 een geluidbelasting berekend van 70 dB Lden (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). Er blijk dus inderdaad een verschil in geluidbelasting van 4 dB. Oorzaken voor dit verschil zijn onder andere: de afstand bron-ontvanger is voor alle rijlijnen ten noorden van de betreffende woningen een stuk kleiner ten opzichte van de woning aan de Heerma van Vossstraat 3;
10
de woning aan de Heerma van Vossstraat 3 is dichter op het aanwezige geluidscherm gesitueerd. Dit scherm heeft een hoogte van gemiddeld 3,9 meter boven het plaatselijk maaiveld. Het waarneempunt op 4,5 meter boven het maaiveld (eerste verdieping) ligt bij de woning aan de Heerma van Vossstraat 3 een stuk minder in de geluidschaduw van dit scherm dan het waarneempunt op dezelfde hoogte bij de te realiseren noordelijke woning binnen het bestemmingsplan. Wijzigingen naar aanleiding van de zienswijze De zienswijze geeft geen aanleiding om de waterparagraaf van de toelichting van het bestemmingsplan aan te passen.
11