Bijlage Stadsoevers - regels.pdf
Tekst van het document
38/44
02-06-2022 09:40
Stadsoevers
14.5.6 Water Water en waterafvoer worden op een herkenbare wijze in het gebied ingepast. Het hemelwater wordt zo lang mogelijk op de locatie behouden. Waterafvoer vindt hoofdzakelijk plaats via een open goot in de openbare ruimte naar de Molenbeek of de Roosendaalse Vliet en ondergeschikt via het riool. 14.5.7 Woning/wooneenheid Het is niet toegestaan om de woning/wooneenheid te gebruiken op een wijze die strijdig is met de in lid 1.103 opgenomen omschrijving. 14.6 afwijken van de gebruiksregels 14.6.1 Bijzondere woonvorm Burgemeester en wethouders kunnen, voor wat betreft de woonfunctie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.5.3 en behoeve van bijzondere woonvormen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er dient sprake te zijn van een woonvorm die verwantschap heeft met bewoning door een gezin of een vorm van een vast samenlevingsverband, met dien verstande dat de samenstelling van personen mag wisselen; b. bedoeld gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt, waarbij aangetoond dient te worden dat de betreffende woonvorm geen beperking tot gevolg heeft voor het woongenot van aangrenzende woonpercelen; c.
er dient te worden voorzien in een adequate ontsluiting en afwikkeling van autoverkeer en toereikende parkeergelegenheid voor personeel en bezoekers; d. vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden. 14.6.2 Woning/wooneenheid Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.5.7 ten behoeve van de huisvesting buiten het verband van een huishouding tot maximaal tien personen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de woning/wooneenheid is groter dan 200 m²; b. er kunnen voor het extra aantal te huisvesten personen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd; daarbij geldt een parkeernorm van één parkeerplaats per 2 personen; c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het algemeen belang dat gediend is met handhaving van de woonregelgeving. 14.6.3 Afwijken van parkeernormering Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.5.5 mits: a. de parkeerdruk in het openbaar gebied niet onevenredig toeneemt; b. het voldoen aan de normen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of: c. op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.
Artikel 15 Leiding - Gas 15.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor aanleg en instandhouding van een gastransportleiding en de daarbij behorende voorzieningen. 15.2 voorrangsregeling Voor zover de dubbelbestemming Leiding-Gas in dit plan samenvalt met een of meer andere (dubbel)bestemmingen worden bij toepassing van de dubbelbestemming in dit plan ook de regels in acht genomen die bij deze andere (dubbel-) bestemmingen horen. Indien strijdigheid ontstaat tussen het belang van de veiligheid en het beheer van de gastransportleiding als bedoeld in artikel 15.1 en de voor deze gronden geldende andere bestemmingen prevaleert de dubbelbestemming Leiding-Gas. 15.3 bouwregels 15.3.1 Algemeen https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601/r_NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601.html
39/44
02-06-2022 09:40
Stadsoevers
Binnen deze dubbelbestemming zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toegestaan, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding zoals markeringspalen 2 m mag bedragen. 15.3.2 Afwijken van bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 15.3.1 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits: a. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning; b. een omgevingsvergunning pas verleend wordt indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder van geen bezwaar is gebleken; c. dit bestemmingsplan voor het overige de oprichting van een bouwwerk toelaat. 15.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Verbod Het is verboden op of in de in 15.1 onder a en b bedoelde gronden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van (half)verhardingen; b. het vergraven, ophogen, diepwoelen, of diepploegen van de bodem; c.
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen, alsmede het rooien van bomen; d. het verwijderen van beplanting; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen; f. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk tot een maximale diepte van 30 cm.; g. het graven van sloten en het leggen van (drainage)leidingen. 15.4.2 Uitgezonderde werkzaamheden Het onder 15.4.1 vervatte verbod geldt niet voor de volgende werk of werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; c. werken en werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen. 15.4.3 Toelaatbaarheid De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 15.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast.
Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in 15.4.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
Artikel 16 Waarde - Archeologie 2 16.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van middelhoge archeologische waarden. 16.2 bouwregels 16.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken, met een grotere oppervlakte dan 100 m² en een grotere diepte dan 0,5 m beneden maaiveld, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, geldt dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd nadat de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, dient een advies te worden ingewonnen ten aanzien van de voorgenomen werken bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601/r_NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601.html
40/44
02-06-2022 09:40
Stadsoevers
16.2.2 Omgevingsvergunning voor bouwen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.2.1 mits aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. op basis van archeologisch onderzoek door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg is aangetoond dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. op basis van archeologisch onderzoek door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; c. er worden technische maatregelen getroffen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; d. er wordt archeologisch onderzoek door middel van opgraving uitgevoerd; e. de bouw van het bouwwerk wordt begeleid door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 16.2.3 Voorwaarden voor afwijking Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de in 16.2.2 genoemde vergunning voorwaarden te verbinden wordt een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg om advies gevraagd.
16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.3.1 Verbod Het is op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; d. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; f. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook gerekend wordt het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen en ontginnen; g. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies; h. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; i. het aanbrengen van verhardingen. 16.3.2 Uitgezonderde werkzaamheden Het in 16.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt; c. tot een oppervlakte kleiner dan 50 m² en een diepte minder dan 0,5 m beneden maaiveld; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 16.3.3 Toelaatbaarheid De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in zijn slechts toelaatbaar indien en voor zover door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan. 16.3.4 Opgraving Indien het om zwaarwegende redenen niet mogelijk is de archeologische waarden geheel of gedeeltelijk te behouden, wordt aan de omgevingsvergunning de regel verbonden dat voorafgaand aan het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden een archeologische opgraving zal plaatsvinden. 16.3.5 Advies Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 16.3.1 wordt verleend, wordt archeologisch advies ingewonnen bij een archeologische deskundige. 16.4 wijzigingsbevoegdheid https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601/r_NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601.html
41/44
02-06-2022 09:40
Stadsoevers
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' van de verbeelding te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Hoofdstuk 3 algemene regels Artikel 17 Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 18 algemene bouwregels 18.1 Bestaande afstanden en andere maten 18.1.1 Maximaal toelaatbaar Indien afstanden tot, en hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de wetgeving, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 18.1.2 Minimaal toelaatbaar In die gevallen dat afstand tot, en hoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de wetgeving, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 18.1.3 Heroprichting In het geval van heroprichting van gebouwen is het bepaalde in 18.1.1 en 18.1.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 18.2 Overschrijding bouwgrenzen De aangegeven bouwgrenzen/voorgevellijn mogen/mag uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, trappen- c.q.
lifthuizen, hellingbanen, funderingen, entreeportalen, veranda's, balkons en hiermee vergelijkbare bouwonderdelen, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 m bedraagt. 18.3 Onderstations warmtenet 18.3.1 Bouwregels In aanvulling op de bouwregels van de bestemmingen 'Gemengd - Stadsoevers 1' tot en met 'Gemengd - Stadsoevers 4', de bestemmingen 'Woongebied - Stadsoevers 1', 'Woongebied - Stadsoevers 2' en 'Groen' gelden de volgende regels voor onderstations ten behoeve van het warmtenet: a. in de genoemde bestemmingen zijn in totaal maximaal 2 onderstations toegestaan; b. de oppervlakte van een onderstation bedraagt maximaal 200 m²; c. de bouwhoogte van een onderstation bedraagt maximaal 4 m. 18.3.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en inpassing van de onderstations door het stellen van nadere eisen. a. Met het stellen van de nadere eisen wordt gewaarborgd dat de hoge stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied behouden blijft. b. Voor de bestemmingen 'Gemengd - Stadsoevers 1' tot en met 'Gemengd - Stadsoevers 4' en de bestemmingen Woongebied - Stadsoevers 1' en 'Woongebied - Stadsoevers 2' wordt bevorderd dat het onderstation past bij de woonbebouwing, bij voorkeur door het opnemen in een (woon)gebouw en in ieder geval door een hoogwaardige vormgeving, die aansluit op de aangrenzende gebouwen.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601/r_NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601.html
42/44
02-06-2022 09:40
Stadsoevers
c. Voor de bestemming 'Groen' wordt rekening gehouden met de kwaliteit van het openbaar gebied, bij voorkeur door situering op een locatie waar dit niet beeldbepalend is en in ieder geval niet op de zichtassen tussen de bouwblokken. Er is sprake van een hoogwaardige vormgeving, die aansluit op de aangrenzende gebouwen. Ook is sprake van een goede inpassing in de groenstructuur. d. De goot- of bouwhoogte van gebouwen, ook niet van delen, wordt niet teruggebracht tot minder dan 4 m. e. Het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden zoals bepaald in lid 18.3.1 onder b wordt niet beperkt. f. De gebruikswaarde van de gronden wordt niet beperkt.
Artikel 19 algemene aanduidingsregels 19.1 Geluidzone-industrie 19.1.1 Omschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone-industrie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 53 van de Wet geluidhinder. 19.1.2 Bouwregels Binnen de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'geluidzone-industrie' is de bouw en het gebruik van nieuwe geluidgevoelige functies niet toegestaan. 19.1.3 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen in die zin, dat de gebiedsaanduiding 'geluidzone-industrie' opgeheven of veranderd wordt indien de bron van de geluidszone is opgehouden te bestaan dan wel het gebied voor geluidshinderlijke bedrijven is aangepast.
Artikel 20 algemene afwijkingsregels 20.1 Afwijking bouwen Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woon- en milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, en tenzij daardoor belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, met een omgevingsvergunning afwijken van het in dit plan bepaalde: a. ten aanzien van de plaats van de bebouwingsgrenzen, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van andere ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op de praktische uitvoering gerechtvaardigd is, respectievelijk indien de aanpassing aan de terreingesteldheid dit noodzakelijk maakt; b. van de in de artikelen 3 tot en met 16 genoemde maten resp. percentages, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10%; c. van enige bestemming van gronden uitsluitend ten behoeve van het bouwen van bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, telefooncellen en wachthuisjes, met dien verstande, dat de inhoud per op te richten bouwwerk niet meer dan 50 m³ zal bedragen en de goothoogte ervan niet meer dan 3 m zal bedragen; d.
voordat tot afwijking kan worden overgegaan dient daar waar de onderhavige bestemming samenvalt met de dubbelbestemming Leiding-Gas eerst schriftelijk advies ingewonnen te worden bij de leidingbeheerder, waarbij geldt dat de wijziging alleen kan worden toegestaan indien deze geen belemmering vormt uit een oogpunt van externe veiligheid.
Artikel 21 algemene wijzigingsregels 21.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. Voordat tot wijziging kan worden overgegaan dient daar waar de onderhavige bestemming samenvalt met de dubbelbestemming Leiding-Gas eerst schriftelijk advies ingewonnen te worden bij de leidingbeheerder, waarbij geldt dat de wijziging alleen kan worden toegestaan indien deze geen belemmering vormt uit een oogpunt van externe veiligheid.
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601/r_NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601.html
43/44
02-06-2022 09:40
Stadsoevers
Hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels Artikel 22 Overgangsregels 22.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 22.2 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van 22.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 22.1 met maximaal 10%. 22.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Lid 22.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 22.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
22.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 22.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdi gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 22.6 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 22.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 22.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 22.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 23 Slotregels De regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Stadsoevers' van de gemeente Roosendaal.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van De griffier, De voorzitter,
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601/r_NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601.html
44/44