Bijlage rvs 1. Motivering besluit TAM-Imro Roselaarplein.pdf
Tekst van het document
Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken; Voor incidenteel aanwezige beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen; In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-aarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven; Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Zorgplicht
Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen en passende ontwikkelingsmaatregelen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek noodzakelijk naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen. Uit het vervolgonderzoek dient te blijken of er maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten tegen te gaan of zo veel mogelijk te beperken. Voor de omgevingsplanwijziging is dit nog geen belemmering. 4.9 Luchtkwaliteit De Omgevingswet stelt dat bij het toedelen van functies aan locaties rekening moet worden gehouden met de gezondheid van de inwoners en de kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in het gebied zorgvuldig moet worden beoordeeld en gewaarborgd. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) is er in de directe omgeving van het projectgebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Het plangebied ligt niet binnen een aangewezen aandachtsgebied zoals genoemd in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl. De herontwikkeling is van dusdanig kleine schaal dat het niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging in het gebied. Conclusie Gezien de aard van de herontwikkeling en de kleine schaal worden er geen negatieve effecten verwacht.
Er is sprake van een goede luchtkwaliteit en er is geen sprake van een aandachtsgebied. De luchtkwaliteit is daarmee voldoende geborgd. 4.10 Geur: agrarisch en milieubelastende activiteiten Bij een wijziging van het omgevingsplan is het aspect geur, met name afkomstig van agrarische en milieubelastende activiteiten, een belangrijk aandachtspunt. De Omgevingswet stelt dat bij het toedelen van functies aan locaties rekening moet worden gehouden met de geurbelasting om hinder voor bewoners te voorkomen. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Conclusie Het betreffende gebied bevindt zich in een stedelijk gebied waar agrarische activiteiten en andere milieubelastende activiteiten niet voorkomen. De nieuwe functie betreft geen geurgevoelige activiteit. Naar verwachting brengt de wijziging ook geen verhoging van geurhinder met zich mee voor het aangrenzende gebied. Het thema geur is daarmee voldoende geborgd. 4.11 Geluid De regels voor geluid zijn vastgelegd in de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij het toestaan van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw, moet het bevoegd gezag het geluid bij geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Het belangrijkste doel is om deze gebouwen te beschermen tegen geluidsoverlast uit de omgeving.
Volgens artikel 3.21 Bkl wordt een geluidgevoelig gebouw gedefinieerd als een gebouw of een deel ervan met een: woonfunctie en bijbehorende nevenfuncties; onderwijsfunctie en bijbehorende nevenfuncties; gezondheidszorgfunctie met bedden en bijbehorende nevenfuncties; Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
gebouw voor kinderopvang met bedden; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedden en bijbehorende nevenfuncties. De bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen gebeurt door middel van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij specifieke instructieregels van toepassing zijn.
4.11.1 Geluid door verkeer (wegen, spoorwegen) Er worden geen geluidgevoelige gebouwen toegelaten binnen geluidaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen. Ook is geen sprake van wegaanleg en/of wijzigingen van wegen. Daarom is toetsing aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet aan de orde. 4.11.2 Geluid door milieubelastende activiteiten Met de beoogde herontwikkeling worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ook worden er geen milieubelastende activiteiten aan het projectgebied toegevoegd die geluid veroorzaken binnen of buiten het projectgebied. Daarom is toetsing aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Bruidsschat niet aan de orde. 4.11.3 Geluid door andersoortige activiteiten Met de beoogde herontwikkeling worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ook worden er geen andere activiteiten aan het projectgebied toegevoegd die geluid veroorzaken binnen of buiten het projectgebied. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen benoemingswaardige andersoortige activiteiten aanwezig Daarom is toetsing aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Bruidsschat niet aan de orde.
4.12 Omgevingsveiligheid (activiteiten bedrijven, transport gevaarlijke stoffen, buisleidingen) Bij het opstellen van dit omgevingsplan is rekening gehouden met de omgevingsveiligheid zoals voorgeschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het volgende artikel vormt de basis voor dit toetsingskader: Artikel 5.1.2 Bkl: Dit artikel vereist dat omgevingsplannen bijdragen aan een veilige fysieke leefomgeving. Dit omvat het nemen van maatregelen om risico's zoals overstromingen, natuurbranden en industriële ongevallen te beheersen. 4.12.1 Bedrijven Er zijn geen bedrijven in de directe omgeving die activiteiten uitvoeren die een significant risico vormen voor de omgevingsveiligheid. 4.12.2 Transport gevaarlijke stoffen Ten noorden/noordwest van het projectgebied is de spoorlijn Bergen op Zoom - Roosendaal West gelegen. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het perceel aan de Roselaarplein 28-32 bevindt zich in het explosieaandachtsgebied van het spoor. Het perceel aan de Roselaarplein 1a valt buiten de aandachtsgebieden, maar binnen de PR 10-8 contour van het spoor. 4.12.3 Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen gelegen in of nabij het projectgebied. Er is geen sprake van een belemmeringsstrook voor het onderhouden van buisleidingen. Conclusie Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
In de beoogde situatie worden de onderhavige locaties onderdeel van het openbaar gebied. Hierdoor zijn de locaties geen kwetsbaar object. Het thema omgevingsveiligheid is daarmee voldoende geborgd. 4.13 Trillingen Bij het opstellen van dit omgevingsplan is rekening gehouden met trillingen zoals voorgeschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het volgende artikel vormt de basis voor dit toetsingskader: Artikel 5.80 Bkl: Dit artikel wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillingsgevoelige gebouwen. Dit betekent dat activiteiten die trillingen veroorzaken, moeten voldoen aan specifieke normen om hinder en schade te voorkomen. Conclusie In de omgeving van het projectgebied vinden geen trillingbelastende activiteiten plaats die mogelijk een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkelingen. De beoogde situatie betreft geen trillingsgevoelig object. Het thema trillingen is dan ook voldoende geborgd. 4.14 Overige aandachts‐ en beperkingsgebieden (straalpaden, radarverstoringsgebieden) Bij het opstellen van dit omgevingsplan is rekening gehouden met straalpaden en radarverstoringsgebieden zoals voorgeschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving .
Het volgende artikel vormt de basis voor dit toetsingskader: Artikel 5.155 Bkl: Dit artikel geeft instructies over de bescherming van straalpaden en radarverstoringsgebieden om verstoring van radar- en communicatiesystemen te voorkomen. 4.14.1 Straalpaden Het projectgebied bevindt zich niet in een gebied dat is aangewezen als straalpad. Straalpaden zijn gebieden waar de aanwezigheid van hoge gebouwen of andere obstakels de werking van communicatiesystemen kan verstoren. Aangezien er geen straalpaden in de directe omgeving van het pand zijn, is er geen risico op verstoring van communicatiesystemen. 4.14.2 Radarverstoringsgebieden Het projectgebied bevindt zich binnen een radarverstoringsgebied zoals gedefinieerd door het ministerie van Defensie, van vliegbasis Woensdrecht. Radarverstoringsgebieden zijn gebieden rondom radarinstallaties waar bepaalde bouwwerken en activiteiten kunnen interfereren met de werking van radarapparatuur. De Omgevingswet bevat specifieke regels voor deze gebieden om de werking van radarinstallaties te beschermen. Omdat er in het projectgebied bouwen niet mogelijk gemaakt wordt, is er geen risico op radarverstoring. 4.14 Gezondheid Bij het opstellen van dit omgevingsplan is de gezondheid van de bevolking een belangrijk aandachtspunt, zoals voorgeschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gezondheid wordt in het omgevingsplan onder andere geborgd door te voldoen aan de randvoorwaarden van overige milieuthema’s zoals geluid, lucht, geur en waterkwaliteit. Daarnaast kan in het omgevingsplan ook op andere wijzen de gezondheid van burgers bevorderd of gewaarborgd worden. De GGD kan hierin een adviserende rol spelen.
Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
Op basis van het standaard GGD Omgevingsadvies is bij een ontwikkeling in openbaar gebied belangrijk om gezond gedrag uit te nodigen. Hierbij kan worden gedacht aan het creëren van aantrekkelijke plakken en zorgen dat de leefomgeving bijdraagt aan een gezond gewicht. Conclusie Onderhavige herontwikkeling naar openbaar gebied wordt in de uitvoering groen toegevoegd. Er wordt een omgeving gecreëerd die aantrekkelijk is voor voetgangers en fietsers en om tot rust te komen en elkaar te ontmoeten. Door middel van groene plantsoenen, bankjes en loop- en fietsroutes wordt het gebied aantrekkelijk gemaakt voor de burgers. Dit is in lijn met de aandachtspunten van de GGD. Daarnaast is in de andere milieuthema’s geconcludeerd dat er voldaan wordt aan de randvoorwaarden en er sprake is van een goede omgevingsgezondheid. Het thema gezondheid is daarmee voldoende geborgd en gewaarborgd. 4.15 Duurzaamheid Duurzaamheid draait om het vinden van een evenwicht tussen mens, milieu en financiën. Bij gebiedsontwikkeling gaat het niet alleen om technische maatregelen bij gebouwen, maar ook om het functioneren van het hele gebied. Bepaalde randvoorwaarden en de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen mogelijkheden bieden voor duurzaamheid. Duurzaam bouwen gaat verder dan alleen energie-efficiëntie.
Het omvat ook het gebruik van duurzame materialen, comfort, binnenmilieu, toekomstbestendig bouwen en slim bouwen. Duurzaam bouwen streeft naast de vermindering van CO2-uitstoot ook naar: Het bevorderen van het welzijn van gebruikers (kwaliteitsverbetering); Het verminderen van de uitputting van grondstoffen; Het tegengaan van vervuiling van bodem, water en lucht. Conclusie Voor de beoogde situatie zijn er geen bouwwerkzaamheden benodigd, maar juist het verwijderen van bebouwing. In plaats van de huidige bebouwing wordt een fiets- en voetgangersgebied aangelegd met groene plantsoenen. Hiermee wordt een stap gezet in kwaliteitsverbetering van het gebied. Er is daarmee voldoende rekening gehouden met het thema duurzaamheid. 4.16 Kostenverhaal Volgens de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er verschillende manieren waarop kostenverhaal kan plaatsvinden: -
-
Omgevingsplan: De gemeente kan in het omgevingsplan regels vaststellen over het kostenverhaal. Anterieure overeenkomst: De gemeente en de initiatiefnemer kunnen een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten. Dit biedt de mogelijkheid om maatwerkafspraken te maken die passen bij de specifieke situatie van het project. Kostenverhaalsregeling: Indien er geen anterieure overeenkomst is, kan de gemeente gebruik maken van de kostenverhaalsregeling zoals opgenomen in de Omgevingswet.
In onderhavig geval is er geen sprake van een kostenverhaalsregeling of anterieure overeenkomst. Er is geen sprake van kostenverhaal plichtige activiteiten en de gemeente is zelf initiatiefnemer. Financiële uitvoerbaarheid Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
Onderhavige herontwikkeling is op eigen initiatief van de gemeente Roosendaal, echter wordt door middel van het ‘Impulsaanpak Winkelgebieden’ budget beschikbaar gesteld door het ministerie van EZK. De impulsaanpak heeft als doel om winkelgebieden aantrekkelijker te maken door leegstand te verminderen, meer woningen te creëren en meer groen toe te voegen. In meerdere openstellingsperiodes konden gemeenten zich inschrijven voor financiële steun voor gebiedsgerichte projecten. In totaal zijn er gedurende de vier openingstellingen 41 gemeentes geselecteerd voor financiële steun. De gemeente Roosendaal heeft zich tijdens de eerste openingstelling ingeschreven en is gehonoreerd voor de financiële steun. Dit met het project ‘Transformatie Dr. Braberstraat en Roselaarplein’. De gemeente Roosendaal kreeg een te ontvangen ondersteuning toegewezen van 2.349.975,-. 3 Met deze financiële steun is er budget beschikbaar voor de ontwikkelingen die vallen binnen het project. Indien er onvoldoende budget zou zijn om alle projecten mee te bekostigen, zal er extra budget beschikbaar dienen te worden gesteld vanuit de begroting van de gemeente Roosendaal.
Hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Een wijziging van het omgevingsplan zal moeten passen binnen de vereisten die daaraan op grond van de Omgevingswet (art. 2.4, juncto art. 4.1 en 4.2 Ow) worden gesteld, de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en de door de gemeente vastgestelde kaders in de omgevingsvisie. Dit houdt in dat het plan alleen wordt goedgekeurd als het bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving, die betrekking hebben op de gevraagde activiteit, onderzocht in de hoofdstukken 2, 3 en 4. In hoofdstuk 4 is getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. Hieruit blijkt dat aan de instructieregels en het beleid wordt voldaan. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en geen onacceptabele effecten heeft op de leefomgeving. Bovendien zijn er geen beperkingen of knelpunten die de herontwikkeling onaanvaardbaar maken binnen de fysieke leefomgeving. De verbeterde infrastructuur voor fietsers en voetgangers, de verbeterde bereikbaarheid en bevordert het gebruik van duurzame vervoersmiddelen.
Daarnaast komt er meer groen en minder bebouwing, hetgeen ook een positief effect heeft op de leefbaarheid en duurzaamheid. Hierdoor wordt het centrum aantrekkelijker en functioneler voor zowel bewoners als bezoekers. Alles overziend kan deze wijziging van het omgevingsplan worden vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3
https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/impulsaanpak-winkelgebieden/resultatenwinkelgebieden#resultaten-1e-ronde
Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
Hoofdstuk 6 6.1
Uitwerking in het omgevingsplan
Uitwerking in het omgevingsplan
De gemeente is bezig met het opstellen van een nieuw omgevingsplan voor de gehele gemeente. Inhoudelijk sluiten de regels in dit TAM-omgevingsplan aan op de regels die we voor het (nieuwe) omgevingsplan aan het opstellen zijn. Om te voorkomen dat al te grote verschillen ontstaan tussen de TAM-omgevingsplannen en de regeling in het omgevingsplan later, is het van belang dat deze standaard als uitgangspunt wordt gebruikt. Het prototype is voor nu alleen nog gericht op wonen en openbaar gebied. Wanneer voor een andere ontwikkeling dan woningbouw een TAM-omgevingsplan moet worden opgesteld is een aanvulling van het prototype vereist. Een TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan conform de Omgevingswet, maar wordt opgesteld met techniek van de bestemmingsplannen. Dit heeft te maken met het feit dat bepaalde functionaliteiten in de software nog ontbreken en de gebruiksvriendelijkheid van het nieuwe digitale omgevingsloket nog erg slecht is. De TAM-omgevingsplannen zijn een tijdelijke alternatieve maatregel totdat de omgevingsplansoftware en het digitale loket verder ontwikkeld zijn. Het TAM-omgevingsplan vormt een apart hoofdstuk in het omgevingsplan. Het eerste TAMomgevingsplan krijgt hoofdstuk 22A, het tweede TAM-omgevingsplan krijgt hoofdstuk 22B en zo verder. Op termijn worden de TAM- omgevingsplannen geheel geïntegreerd in het omgevingsplan.
Het TAM-omgevingsplan lijkt dus vanwege de oude techniek op een bestemmingsplan, maar is dit zeker niet. Het plan is als volgt ingedeeld. Het plan start met een Pre-ambule. Daarna volgen de juridische regels in de verschillende hoofdstukken. De hoofdstukken hebben de volgende inhoud: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4: Hoofdstuk 5: Hoofdstuk 6:
Inleidende regels: reken- en meetbepalingen, begrippen en toepassingsbereik; Regels voor de functie openbaar gebied; Gebruiksactiviteiten: verboden gebruiksactiviteiten; Bouwen: algemene regels voor bouwen en bouwen in het openbaar gebied; Algemene regels: anti-dubbeltelregel, aanvullende beoordelingsregels voor bouwen, aanvullende aanvraagvereisten en parkeren; Overgangsregels: overgangsrecht bouwwerken en overgangsrecht gebruik.
Aan de opbouw van het TAM-omgevingsplan wordt de indeling van het nieuwe omgevingsplan al wat meer duidelijk. Zo worden functies gebruikt in plaats van bestemmingen. De functies geven echter alleen aan waar de functie voor bedoeld is. In het omgevingsplan worden regels vastgesteld voor de verschillende activiteiten in de fysieke leefomgeving. De activiteiten worden onderverdeeld in verschillende hoofdstukken. Ook dubbelbestemmingen komen niet meer voor. In plaats daarvan worden waarden- en beperkingengebieden aangewezen. 7.2
Procedure TAM-omgevingsplan
Nadat het concept voor de omgevingsplanwijziging is beschikbaar is gesteld voor participatie kan het ontwerp ter inzage wordt gelegd (voor de duur van zes weken). Gedurende deze periode kan iedereen op het TAM-omgevingsplan een zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het omgevingsplan aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het omgevingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein
Na vaststelling wordt het TAM-omgevingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 7 Participatie 7.1 Participatie Participatie betreft het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit in en/of met de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Dit betekent niet dat partijen het met elkaar eens moeten worden. Het doel van participatie is om zo vroeg mogelijk belangen en ideeën op te halen. Participatie zorgt voor een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. Participatie is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in verdere planvorming. Ter invulling van participatie is een concept van de wijziging van het omgevingsplan ter inzage gelegd waarbij is gevraagd aan de burgers om een reactie te geven. Hierop is één participatiereactie ingediend. Deze reactie is door de gemeente Roosendaal verwerkt in een participatieverslag welke is bijgevoegd bij het ontwerp van de omgevingsplanwijziging. 7.2 Zienswijzen Het ontwerp omgevingsplanwijziging is zes weken ter inzage gelegd voor de vaststellingsprocedure. Tijdens deze periode kan iedereen een zienswijze op het plan indienen.
Hierop is één zienswijze ingediend. Deze reactie is door de gemeente Roosendaal verwerkt in een zienswijzenota welke is bijgevoegd bij de vaststelling van de omgevingsplanwijziging. 7.3 Beroep Na vaststelling wordt het gewijzigde omgevingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Motivering omgevingsplanwijziging Roselaarplein