Bijlage Ruimtelijke_onderbouwing_Zonneweide_Paapenbosch.pdf
Tekst van het document
De beoogde ontwikkeling voldoet aan deze eis en voldoet tevens aan de randvoorwaarden en aandachtspunten die voortvloeien uit het door de gemeente opgestelde stroomschema uit de zonnevisie dat gehanteerd dient te worden bij nieuwe ontwikkelingen van zonneparken. Bovendien wordt de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties zodanig landschappelijk ingepast dat het voldoet aan de gestelde eisen ten aanzien van zowel de landschappelijke inpassing als de kwaliteitsverbetering van 5%.
27/59
De zonneweide wordt, conform gemeentelijk beleid, gerealiseerd voor een periode van maximaal 25 jaar vanaf de start van de ingebruikname. Na die periode worden de gronden weer geschikt gemaakt voor het oorspronkelijke agrarische gebruik.
3.5
Conclusie beleidskader
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties past binnen het rijks-, provinciaal en het gemeentelijk beleid.
28/59
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
In dit hoofdstuk wordt de realisatie van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties getoetst aan de relevante milieuaspecten. Op basis van de toetsing aan de onderstaande milieuaspecten kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met één van deze aspecten. De leefomgevingskwaliteit vormt een belangrijk onderdeel van de totale afweging over ruimtelijke plannen binnen de gemeente Roosendaal.
4.1
Bodem
4.1.1 Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden beoordeeld. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffend bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij vookeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.1.2 Invloed van zonnepanelen op bodemkwaliteit Onlangs is grootschalig onderzoek uitgevoerd in Duitsland naar de mogelijke verontreinigende effecten van zonnepanelen op de bodem in grootschalige zonneparken1. In dit onderzoek is geconcludeerd dat de kans op vervuiling van intacte zonnepanelen zeer laag is vanwege het ingekapselde ontwerp van de panelen. Zonnepanelen zijn namelijk vaak ingekapseld in folie of giethars met een solarglasplaat aan de voorkant en een harde kunststoffolie aan de onderkant. In geval van beschadigde panelen door hagel of vandalisme is het raadzaam uit zowel bodemtechnisch oogpunt als uit het oogpunt van rendement van de zonnepanelen om de panelen zo snel mogelijk te vervangen. Een beschadigd paneel produceert namelijk geen energie meer.
Zonnepanelen zijn echter zo ontworpen dat ze natuurkrachten in de vorm van onweer en hagel kunnen weerstaan. 4.1.3 Toetsing Een zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties vormt geen gevoelig object in het kader van de Wet bodemkwaliteit. Daarnaast zijn er geen grootschalige bodemingrepen aan de orde, waardoor grond moet worden afgevoerd. Ten behoeve van de planologische procedure is derhalve geen bodemonderzoek benodigd. Om inzicht te geven in de bodemkwaliteit ter plaatse is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem verricht. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder weergegeven. Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem kan samenvattend geconcludeerd worden dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Op basis van de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de realisatie van een zonneweide met een energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
1
29/59
Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Het volledig onderzoeksrapport is bijgevoegd in bijlage 3.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
4.2.1 Toetsingskader Archeologie Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Monumentenwet In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan.
Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel. In artikel 41a van de Monumentenwet is bepaald dat artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m². Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden. Het planvoornemen betreft een gebied van circa 10 hectare. Om die reden wordt hierna het archeologisch belang getoetst. Archeologiebeleid Roosendaal Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging.
Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Op de gemeentelijke beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.
30/59
Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 4.2.2 Toetsing Archeologie Ten aanzien van het aspect archeologie kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied een lage trefkans geldt op archeologische vondsten (zie figuur 4.1). Ter plaatse van het plangebied geldt op basis van het geldende bestemmingsplan wel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’.
Ter plaatse van deze bestemming dient bij grondverstoringen groter dan 500m² en dieper dan 0,5 meter een archeologisch onderzoeksrapport overlegd te worden, waarmee is aangetoond dat eventuele archeologische waarden niet verloren gaan bij uitvoering van het plan. Hierdoor is een archeologische bureaustudie uitgevoerd in verband met mogelijke toekomstplannen op de kadastrale gronden. Het archeologisch bureauonderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Figuur 4.1 Uitsnede Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (bron: Atlas Leefomgeving; eigen bewerking) Archeologisch bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft aangetoond dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de landschappelijke ligging op een dekzandrug, tussen twee beekdalen in en de nabijheid van een vindplaats uit mogelijk het Laat-Neolithicum de kans op mogelijke archeologische waarden. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Inmiddels heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeentelijk archeoloog. Dit advies is opgenomen als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De gemeentelijk archeoloog is akkoord met het feit dat de bodemverstoring bij de aanleg van het zonnepark minimaal is aangezien de werkzaamheden bestaan uit het inschroeven of heien van palen die de panelen dragen. Daarnaast is in het landschappelijk inpassingsplan rekening gehouden met de aanleg van uitsluitend ondiep wortelende gewassen. Daarmee heeft de landschappelijke inpassing een minimale bodemverstoring.
31/59
De beoogde werkzaamheden kunnen volgens de gemeentelijk archeoloog worden vrijgegeven met uitzondering van de technische installaties. Dan gaat het om de installaties in de uiterste noordoostelijke terreinhoek. Dat hoeft niet van tevoren onderzocht te worden, maar het is wenselijk om de aanleg archeologisch te begeleiden. Bij dergelijke werken wordt meestal een bouwvlak gemaakt door de teelaarde te verwijderen. Juist op dat punt bevinden zich de archeologische sporen. Als het na het afgraven van de teelaarde sporen tevoorschijn komen, kunnen die vrij snel en eenvoudig door een archeoloog worden gedocumenteerd. De aanvrager wordt verzocht om de grondwerken die nodig zijn voor het bouwen van de installaties, tijdig bij de gemeentelijk archeoloog te melden zodat de begeleiding afgesproken kan worden. Cultuurhistorie De cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.2 is te zien dat er binnen het plangebied geen bouwhistorische objecten aanwezig zijn. In de directe omgeving is een cultuurhistorisch waardevol object gelegen op een afstand van circa 330 meter vanaf de noordzijde van het beoogde perceel. Het betreft de cultuurhistorische waarden van de West-Brabantse venen.
De voorgenomen ontwikkeling belemmert het meest nabij gelegen cultuurhistorische waardevolle object niet en het aspect cultuurhistorie staat de beoogde ontwikkeling daarmee niet in de weg.
Figuur 4.2 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: kaart Cultuurhistorische Hoofdstructuur Provincie Noord-Brabant) 4.2.3 Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek en advies van de gemeentelijk archeoloog kan de realisatie van de zonneweide archeologisch worden vrijgegeven gezien de beperkte bodemroering. Alleen de graafwerkzaamheden in het kader van de realisatie van de bebouwing voor het energie-opslagsysteem en bijbehorende installaties zal onder archeologische begeleiding moeten plaatsvinden. Er zijn geen cultuurhistorische waarden in het gebied aanwezig. Archeologie en cultuurhistorie vormen derhalve geen belemmering voor de realisatie van de zonneweide inclusief het energieopslagsysteem en de bijbehorende installaties.
32/59
4.3
Water
4.3.1
Toetsingskader
Waterbeheer De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De eventuele opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Op Europees en landelijk niveau is het overkoepelende waterbeleid vastgelegd in de Kaderichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Nationaal Bestuursakkoord Water. De doorvertaling van dit beleid is regionaal vastgelegd in het Provinciaal Waterplan en het Waterbeheersplan van het Waterschap. Daarnaast wordt op gemeentelijk niveau het waterbeleid vastgelegd in een waterplan of een (verbreed) rioleringsplan.
Watertoets Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij ruimtelijke plannen zoals deze rekening gehouden dient te worden met de waterhuishouding. Middels het uitvoeren van een Watertoets worden alle relevante zaken met betrekking tot de waterhuishouding afgestemd en besproken met de waterbeheerder(s). De watertoets is een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Brabantse Delta. 4.3.2 Toetsing In het kader van het planvoornemen geldt dat Waterschap Brabantse Delta de volgende voorwaarden stelt ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties: de zonnepanelen en andere bebouwing mogen niet worden geplaatst binnen de (zonering van de) waterkering; de zonnepanelen en andere bebouwing mogen niet binnen 5 meter vanuit de insteek van het A-water (blauw in figuur 4.3) worden geplaatst; de perceelseigenaar moet de B-wateren (roze in figuur 4.3) kunnen onderhouden en dient in dit opzicht akkoord te zijn met de realisatie van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties.
33/59
Figuur 4.3 Uitsnede legger Waterschap Brabantse Delta (bron: Waterschap Brabantse Delta) Aan de gestelde voorwaarden wordt in het plan voldaan. Nabij de projectlocatie zijn alleen B-watergangen gelegen. Er wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid tot de B-watergangen ten behoeve van het reguliere onderhoud. Onder de zonnepanelen wordt geen gesloten verharding aangelegd. Dit betekent dat het regenwater vrij kan infiltreren en compensatie van verharding is daarom niet aan de orde. Bovendien worden geen watergangen gedempt ten behoeven van de beoogde ontwikkeling. Wel wordt er een energie-opslagsysteem en bijbehorende installaties gerealiseerd. De volgende bouwwerken zullen worden gerealiseerd: • Opslag materiaalcontainer met een oppervlakte van 17 m²; • Monitoringsysteem met een oppervlakte van 13 m²; • Onderstation met een oppervlakte van 20 m²; • 2 transformatoren van 20 m² per stuk, in totaal dus 40 m²; • 2 conversie units met een oppervlakte van 27 m² per stuk, in totaal dus 57 m²; • 2 Energie opslag units met een oppervlakte van 100 m², in totaal dus 200 m²; • 1 reserve aggregaat met een oppervlakte van 25 m². Daarmee komt het totaal aantal te bebouwen vierkante meters op circa 375 m². Rondom deze bebouwing zal ook bestrating worden aangelegd in de vorm van half-verharding. Deze bestrating krijgt een oppervlakte van circa 200 m².
Aangezien het halfverharding betreft wordt die verharding voor 50%, zijnde 100 m2 meegeteld. Daarmee blijft de toename van de verharding onder de 500 m². Op basis van het beleid van het waterschap dient bij toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m², compensatie plaats te vinden. Die compensatie is voor het planvoornemen dus niet noodzakelijk. 4.3.3 Conclusie Doordat het hemelwater ter plaatse van de te realiseren zonneweide direct kan infiltreren, heeft het planvoornemen geen nadelige gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het beperkte extra verhard oppervlak als gevolg van bebouwing en (half)verharding geeft geen aanleiding om compenserende maatregelen te treffen. Het water afkomstig van de daken van de bebouwing kan ter plaatse infiltreren.
34/59
4.4
Ecologie
4.4.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de onderwerpen soortbescherming en gebiedsbescherming van belang. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
35/59
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. In de provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. Mochten deze soorten binnen een projectlocatie aangetroffen worden, geldt hier dus een vrijstelling voor. 4.4.2 Toetsing Gebiedsbescherming Natuur Netwerk Nederland Uit de kaart van Atlas Leefomgeving (figuur 4.4) blijkt dat circa 500 meter ten westen bossen zijn gelegen die onderdeel zijn van het NNN. Dit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat de gemeente alleen een 'nee, tenzij'-principe hanteert indien bebossing die deel uitmaakt van het NNN binnen de plangrens valt; dan zijn ruimtelijke ontwikkeling in eerste instantie niet toegestaan.
Het is echter wel van belang dat de gehele zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties zodanig landschappelijk wordt ingepast dat het plan opgaat in de nabij gelegen omgeving en natuur.
Figuur 4.4 Uitsnede plangebied ter plaatse van NNN en Natura 2000 (bron: Atlas Leefomgeving)
Natura 2000-gebieden De afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’ is meer dan 2 kilometer (zie figuur 4.5). Directe effecten zoals areaalverlies, versnippering en verstoring zijn hierdoor uitgesloten. Stikstofdepositie is echter niet direct uit te sluiten. Middels een AERIUS-berekening wordt de stikstofdepositie van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase berekend.
36/59
Figuur 4.5 Uitsnede plangebied ter plaatse van Natura 2000 (bron: Natura2000.nl) Stikstofberekening In bijlage 6 is het volledig stikstofonderzoek bijgevoegd. Dit bestaat uit een memo waarin de invoergegevens zijn toegelicht en een AERIUS-berekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Uit beide berekeningen (aanleg en gebruiksfase) is gebleken dat de ontwikkeling een bijdrage levert van 0,00 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie. Het aspect stikstof vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Soortenbescherming Bij de ontwikkeling vinden werkzaamheden plaats die eventueel aanwezige beschermde diersoorten kunnen verstoren. Om erachter te komen of er zich beschermde diersoorten in het plangebied bevinden is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het volledig ecologisch onderzoek is weergegeven in bijlage 7. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder beknopt weergegeven: •
•
Indien het grote nest dat bij de onderzoekslocatie is aangetroffen in gebruik is door een roofvogel, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Dit kan zich voordoen als er binnen een straal van 75 meter van het nest wordt gewerkt tijdens het broedseizoen voor deze soorten, dat loopt van februari tot en met september. Indien tijdens het broedseizoen van roofvogels gewerkt moet worden binnen de verstoringsafstand, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het aanwezige nest. Om verstoring van roofvogels te voorkomen, wordt aanbevolen om een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de
37/59
•
•
•
•
•
werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren hoe de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder algemene broedvogels te verstoren. De onderzoekslocatie en het bosschage nabij de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als foerageergebied verblijfplaats, of vliegroute voor vleermuizen. Doordat het bosschage met de voorgenomen ingreep niet wordt aangetast, wordt nader onderzoek echter niet als nodig geacht. Het is echter wel van belang dat het bosschage te allen tijde niet verlicht wordt tijdens en na de werkzaamheden. Op deze manier wordt verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen. Hierdoor zal de functionaliteit van het bosschage behouden blijven tijdens en na de voorgenomen ingrepen. De steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn zijn beschermde inheemse diersoorten volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is hierdoor verboden om de soorten in hun natuurlijk verspreidingshabitat opzettelijk te doden en vangen, alsook om vaste rustplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van de soorten te beschadigen of vernielen.
Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van kleine marterachtigen en steenmarter aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De ruigtes op en nabij de onderzoekslocatie bieden potentieel habitat en mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen voor deze soorten. Het is daarom van belang om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat steenmarters en/of kleine marterachtigen gebruik maken van de onderzoekslocatie. De rugstreeppad is een beschermde inheemse diersoort volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de rugstreeppad aanwezig zijn, zoals voortplantingslocatie of schuil- en overwinteringslocaties, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zullen de voorgenomen ingrepen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het nader onderzoek met betrekking tot de rugstreeppad wordt uitgevoerd tussen de maanden april en juli. Dit nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen voor welke functies de rugstreeppad de onderzoekslocatie gebruiken.
Er wordt in beeld gebracht waar zich de locaties van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (foerageergebieden) van de soort bevinden. Op de onderzoekslocatie bevinden zich geschikte waardplanten (gewone kattenstaarten) voor de beschermde vlindersoort teunisbloempijlstaart. Indien deze waardplanten met de voorgenomen ingreep worden weggenomen, dient de functie van het gebied voor de teunisbloempijlstaart vast te worden gesteld. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Voor een dergelijk aanvullend onderzoek zijn voorafgaand aan de werkzaamheden drie aanvullende veldbezoeken nodig om de soort binnen de onderzoekslocatie aan te kunnen tonen dan wel uit te sluiten. Dit aanvullend ecologisch onderzoek dient plaats te vinden in het rupsstadium van de soort (juni – september). Voor de te verwachten algemene soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd.
Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Vervolgonderzoek Rugstreeppad Uit onderzoek (opgeleverd augustus 2023 ) is gebleken dat er binnen het projectgebied potentieel geschikt habitat voor rugstreeppadden aanwezig is. Bij dit onderzoek ontbreekt het aan een meer gedetailleerde benadering vanuit huidig landgebruik, de voorgenomen ingreep en de eindsituatie. Dit is ook niet persé gebruikelijk. Maar als gevolg van tegenstrijdige resultaten wel wenselijk. Een kritische beschouwing heeft de volgende resultaat opgeleverd: In het projectgebied bevindt zich geen populatie rugstreeppadden. De aanwezigheid van een verdwaald individu is niet uitgesloten maar wel erg klein. Potentieel, maar matig geschikt voortplantingshabitat wordt niet verstoord als gewerkt wordt conform huidig plan. De akkers zijn potentieel overwinteringsgebied. Maar bij afwezigheid van populaties ondervind een enkele aanwezige individu geen concurrentie bij het vinden van meer geschikt winterhabitat. De kans is dat een verdwaald aanwezige individu om komt als gevolg van bouwwerkzaamheden is zeer klein. In de huidige situatie is deze kans vele malen groter (oogsten en ploegen in het najaar). De aanbevelingen in de beschouwing worden meegenomen, waarbij er het streven is om de werkzaamheden in de zomer te vermijden en voorkomen dat ondiepe poelen voor langere tijd onbeheerd blijven.
Daarnaast zullen evnetueel paddenschermen in bufferzone nabij watergangen worden geplaatst.
38/59
Marterarchtigen Resultaten vanuit het vervolgonderzoek naar de marterachtigen wordt in het voorjaar van 2024 verwacht. Indien hieruit blijkt dat een van deze soorten zich in het plangebied bevindt, wordt ontheffing aangevraagd voor het verstoren van de Wet Natuurbescherming. Daarnaast zullen, indien nodig, mitigerende maatregelen worden getroffen. In geen geval vormt dit een belemmering in het kader van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.4.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van de zonneweide met het energieopslagsysteem en de bijbehorende installaties. Verder wordt tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de algemene zorgplicht in acht genomen, zodat er zo min mogelijk individuen worden verstoord of gedood. Ook worden de waardplanten in het plangebied niet aangetast, worden er geen werkzaamheden uitgevoerd in het broedseizoen en geen gebruik gemaakt van bouwverlichting.
39/59
4.5
Kabels en leidingen
4.5.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijk beperkingen gelden (belemmeringszones). 4.5.2 Toetsing Zowel binnen de plangrens als buiten de plangrens (grenzend aan het plangebied) liggen bestaande leidingen, zowel ondergronds als bovengronds. Figuren 4.5 en 4.6 geven een weergave van de planologisch relevante kabels en leidingen binnen en grenzend aan de plangrens. De volgende leidingen en reserveringsstrook zijn van belang: Beoogde combi 380/150 kV-verbinding van Rilland naar Tilburg; bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding; ondergrondse buisleidingstraat ten zuiden van het plangebied.
Figuur 4.5 Planologisch relevante kabels en leidingen binnen en grenzend aan de projectgrens (bron: TenneT)
40/59
Figuur 4.6 Buisleidingenstraat ten opzichte van het projectgebied (bron: AtlasLeefomgeving) Bij het ontwerp en de inrichting van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties is rekening gehouden met de relevante kabels en leidingen. De beoogde combi 380/150 kV-verbinding van Rilland naar Tilburg ligt binnen de projectgrenzen evenals de bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding en 2 masten. De 150 kV-hoogspanningsverbinding zal (op termijn) geamoveerd worden. De ondergrondse buisleidingstraat behoort niet tot de kadastrale percelen en dus ook niet tot het plangebied. De vrijwaringszone ten behoeve van deze ondergrondse buisleidingstraat ligt echter wel binnen de projectgrenzen. Binnen het ontwerp is hier rekening mee gehouden en er heeft overleg plaatsgevonden met de leidingbeheerder. Ook onder de hoogspanningskabels zullen zonnepanelen worden aangelegd. De inrichting van de zonneweide houdt echter wel rekening met een onderhoudspad voor, onder andere, de hoogspanningkabels en masten. Hierover is overeenstemming met de leidingbeheerder.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
4.6.1 Toetsingskader Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) moet worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen of bedrijfsfuncties in de omgeving van het plangebied. De zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties is niet opgenomen in de VNG-publicatie, waardoor onderzoek of nadere onderbouwing op de relevante milieuaspecten noodzakelijk is. Uit het beleidsdocument Visie op zonne-energie van gemeente Roosendaal blijkt dat de minimum afstand van het transformatorgebouw en het omvormerrek ten behoeve van de zonneweide tot bestaande woningen van derden 30 meter bedraagt: het maatgevende hinderaspect betreft geluid. Vanaf 20 hectare aan zonnepanelen neemt de richtafstand toe tot 50 meter. De VNG-publicatie heeft wel richtafstanden opgenomen voor elektriciteitsdistributiebedrijven. De aan te houden richtafstand wordt voor die bedrijven gevormd door het transformatorvermogen. In deze ruimtelijke onderbouwing gaan we er, op basis van een worst-case scenario, vanuit dat het transformatorvermogen niet meer bedraagt dan 200 MVA. Een dergelijk bedrijf valt daarmee binnen milieu-categorie 3.2 met een aan te houden richtafstand van 100 meter in verband met het aspect geluid.
41/59
4.6.2 Toetsing De zonnepanelen zelf hebben geen invloed op de aspecten die in de VNG-publicatie worden getoetst; namelijk stof, geur, geluid en gevaar. Het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties kunnen echter wel zorgen voor een zoemend geluid. Uitgaande van de randvoorwaarde die gemeente Roosendaal stelt, betekent dit dat voor het aspect geluid 30 meter afstand als minimale afstand dient te worden gehouden van woningen, omdat de zonneweide een oppervlakte beslaat van circa 10 hectare. Op basis van de VNG-publicatie geldt, worst-case, een aan te houden richtafstand van 100 meter. Deze afstand dient te worden gerespecteerd bij de realisatie van de zonneweide. De meest nabijgelegen woning is de agrarische bedrijfswoning ten westen. Bij het ontwerp van de zonneweide is een afstand van minimaal 100 meter tot deze woning aangehouden. Ook het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties zijn op die minimale afstand tot woningen gelegen. Geconcludeerd kan worden dat de omvormers en schakelstation geen belemmering opleveren voor omliggende woningen. De zonneweide vormt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. De zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties is een type A-inrichting.
De inrichting valt daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit maar er is geen melding of omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu nodig. Op voorhand kan, ook op basis van de VNGpublicatie, worden geconstateerd dat deze inrichting geen relevante geluidbelasting veroorzaakt. Er wordt een ruime afstand van minimaal 100 meter aangehouden tussen de zonneweide, het energieopslagsysteem en de bijbehorende installaties. Specifiek geluidsonderzoek is dan ook niet aan de orde. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het oogpunt bedrijven en milieuzonering wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.
4.7
Elektromagnetische velden
4.7.1 Toetsingskader Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn UV-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden (EMV) zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspanningsverbindingen). Uit voorzorg adviseert de rijksoverheid om in nieuwe situaties blootstelling van kinderen aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen hoger dan 0,4 microtesla te voorkomen. 4.7.2 Beoordeling De zonnepanelen, het energieopslagsysteem en de bijbehorende installaties zelf wekken alleen gelijkstroom op. Dit gaat niet gepaard met elektromagnetische straling en velden. De omvormers zorgen voor wisselstroom, dit veroorzaakt wel elektrische velden. De veldsterkte die hierbij worden opgewerkt is in vergelijking met een hoogspanningsmast nihil. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van een zonnepark en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. 4.7.3 Conclusie De zonneweide voldoet vanuit het aspect elektromagnetische velden aan een goede ruimtelijke ordening.
42/59
4.8
Lichtreflectie
4.8.1 Toetsingskader Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat géén specifiek beleid of regelgeving. Voor hinder voor omwonenden geldt echter dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het in standhouden van een goed woonklimaat alle relevante aspecten moeten worden meegenomen. Reflectiehinder kan in dit kader worden beschouwd. Er zijn wel richtlijnen voor het wegverkeer opgesteld. Rijkswaterstaat heeft in samenwerking met TNO onderzocht wanneer en in welke mate reflectie hinder of verblinding voor de weggebruiker kan opleveren, met name veroorzaakt door geluidsschermen. Lichtreflectie Reflectie kan in bepaalde gevallen leiden tot – tijdelijke - verblinding. Bij TNO Defensie en Veiligheid is een rekenmodel ontwikkeld dat de verblinding kwantificeert aan de hand van de parameters: • Verblindings-/verlichtingssterkte; • Verblindingshoek; • Achtergrondluminantie en • Dynamische eigenschappen, zoals duur en knipperfrequentie. Verblinding wordt omschreven als een witte waas in de ogen waardoor de omgeving niet meer kan worden waargenomen. Verblinding Verblinding treedt op als er zich in het gezichtsveld van de waarnemer een felle lichtbron bevindt die een veel hogere luminantie heeft dan de omgeving.
De relatie met afleiding van personen is dat een felle lichtbron afhankelijk van de context (met name of het licht of donker is) meestal erg opvallend is en de aandacht kan trekken (los van het feit dat verblinding op zichzelf al onveiligheidsverhogend is). Er zijn twee soorten verblinding: maskerende verblinding (disability glare) en oncomfortabele verblinding (discomfort glare). Maskerende verblinding werpt een sluier (sluierluminantie) over het beeld waardoor het waarneembare contrast en daarmee de zichtbaarheid van objecten vermindert. Oncomfortabele verblinding veroorzaakt ongemak zonder daadwerkelijk het zicht te belemmeren. Rijkswaterstaat heeft een voorkeur voor het hanteren van maskerende verblinding als toetsingscriterium. In dit reflectieonderzoek wordt oncomfortabele verblinding daarom niet verder behandeld. 4.8.2 Toetsing Om inzichtelijk te maken of er sprake is van reflectiehinder als gevolg van de beoogde zonneweide is een onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 8 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Er is onderzocht of weggebruikers van de A58, de Plantagebaan en de op- en afrit die beiden verbindt, hinder kunnen ondervinden van de reflectie afkomstig van de zonneweide. Wenselijk voor de verkeersveiligheid is dat alle reflectie in het groene bereik van de modeluitkomsten ligt, of dat er geen reflectie wordt waargenomen.
Dat is de situatie voor de beoogde Zonneweide Paapenbosch. Op de A58 zal in oostelijke rijrichting (Richting Roosendaal) geen reflectie waargenomen worden. In westelijke rijrichting (richting Bergen op Zoom) kunnen zowel automobilisten als vrachtwagenchauffeurs hinderlijke schittering ervaren. Voor automobilisten valt deze binnen de richtlijnen van rijkswaterstaat, voor vrachtwagenchauffeurs zijn zal de reflectie geblokkeerd worden door de struweel, welke in de landschappelijke inpassing is opgenomen. De struweel moet dan wel minimaal 3 meter boven maaiveld hoog worden. In deze situatie is er wel sprake van verzachtende omstandigheden. Ten tijde van de reflectie zal de vrachtwagenchauffeur, als deze hinder ondervindt van de reflectie, ook hinder ondervinden van de zon. De (laagstaande) zon staat namelijk in de kijkrichting van de vrachtwagenchauffeur ten tijde dat de hinder optreedt. Hinder van de zon is vele malen groter dan hinder van de reflectie. Maatregelen tegen de zon, zoals een zonnebril, zullen ook positief effect hebben op de hinder van de reflectie. Op de op- en afrit zal door de weggebruikers ook geen hinder worden ondervonden van de reflectie. Er zal hier geen reflectie optreden of deze zal volledig geblokkeerd worden door aanwezige bebouwing en groenstructuren.
43/59
Op de Plantagebaan zal er in zuidelijke rijrichting ook geen hinder ontstaan. In noordelijke rijrichting wel. Gedeeltelijk wordt deze geblokkeerd door aanwezige bebouwing en groenstructuren. Het overige gedeelte zal geblokkeerd worden door de struweel, welke in de landschappelijke inpassing is opgenomen. De struweel moet dan wel minimaal 2 meter boven maaiveld hoog worden. 4.8.3 Conclusie Op basis van het reflectieonderzoek kan worden geconcludeerd dat de realisatie van de zonneweide in combinatie met de landschappelijke inpassing (zie bijlage 1) niet zorgt voor hinderlijke reflectie die buiten de richtlijnen valt.
4.9
Overige sectorale aspecten
Naast de hiervoor beschreven sectorale aspecten is er ook een aantal sectorale aspecten die geen uitgebreide toelichting vragen, omdat er geen relatie is tussen de aanleg van de zonneweide (met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties) en deze aspecten. In tabel 4.2 worden deze beknopt behandeld en wordt toegelicht waarom ze geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Het gaat om de sectorale aspecten milieuzonering, geluid, verkeer en parkeren, externe veiligheid, luchtkwaliteit en kabels en leidingen. Tabel 4.2 Overige sectorale aspecten Aspect Geluid - wegverkeers- en spoorlawaai
Verkeer en parkeren
Externe veiligheid
Luchtkwaliteit
44/59
Beoordeling De zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties is geen geluidgevoelige functie en daarom is dit aspect niet relevant voor de realisatie van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties. De realisatie van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties zorgt voor een minimale hoeveelheid extra verkeersstromen ten behoeve van onderhoud van het park. Dit is zeer beperkt en verwaarloosbaar in ruimtelijk perspectief en daarom vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Een zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties is geen gevoelige functie en geen gevaar-veroorzakende functie en daarom heeft het aspect externe veiligheid geen invloed op de ontwikkeling. In de omgeving van het projectgebied zijn geen risicobronnen gesitueerd en vinden geen transporten van gevaarlijke stoffen plaats. Bovendien neemt het aantal personen binnen het projectgebied niet toe. Het planvoornemen heeft dan ook geen invloed op het plaatsgebonden- en groepsrisico. Een plan heeft, op basis van het “Besluit niet in betekenende mate” invloed op de luchtkwaliteit indien door het project een toename van meer dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 heeft. Dat komt neer op een toename van 1,2 µg/m³.
Een dergelijke toename treedt, in vergelijking, pas op bij projecten waarbij meer dan 1.500 woningen worden gerealiseerd. Zoals eerder in deze tabel aangegeven zorgt de realisatie van de zonneweide voor een minimale hoeveelheid extra verkeersstromen, alleen sporadisch in verband met onderhoud. Door deze verwaarloosbare toename is er in geen geval sprake van een toename van meer dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat de zonneweide met het energieopslagsysteem en de bijbehorende installaties geen negatieve effecten op de luchtkwaliteit heeft. Er kan dus geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.
4.10
M.e.r.-beoordelingsplicht
4.10.1 Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Er moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt door het college voorafgaand aan de procedure genomen .
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
4.10.2 Beoordeling Het was lang onduidelijk of een zonnepark valt onder het Besluit milieueffectrapportage. Uit de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) blijkt dat dit niet het geval is. Deze uitspraak gaat over een zonnepark waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend. Het park bevat ongeveer 22.500 zonnepanelen, is 4.3 hectare groot en bevat enkele trafostations. De Raad van State geeft aan dat een zonnepark geen landinrichtingsproject (categorie 9, onderdeel D), geen stedelijk ontwikkelingsproject (categorie 11.2, onderdeel D) en ook geen industriële installatie is bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (categorie 22.1, onderdeel D). Een zonnepark valt daarmee niet onder de reikwijdte van het Besluit milieueffectrapportage en is derhalve niet m.e.rbeoordelingsplichtig. De beoogde zonneweide Paapenbosch vergelijkbaar met het zonnepark waarop gedoeld wordt in de uitspraak. 4.10.3 Conclusie Voor de realisatie van de zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties is het niet noodzakelijk om een vormvrije m.e.r.-beoordeling op te stellen. In dit hoofdstuk is ook verder onderbouwd dat het planvoornemen milieutechnisch haalbaar is.
45/59
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning. Het gaat daarbij zowel om de financieel-economische onderbouwing van de omgevingsvergunning als om de overige aspecten die met de uitvoering ervan te maken hebben. Daarnaast moet worden aangegeven hoe om is gegaan met de betrekking tot omwonenden en belanghebbenden bij dit project. De aspecten economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in de volgende twee paragrafen besproken.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1 Kostenverhaal Krachtens de Wet ruimtelijke ordening, waarin in afdeling 6.4 bepalingen zijn opgenomen betreffende de grondexploitatie, geldt de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van: de bouw van één of meer woningen en hoofdgebouwen; uitbreidingen van gebouwen met ten minste 1.000 m² of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren bij ingebruikname voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties. Aangezien hiermee geen sprake is van de bouw van een hoofdgebouw zoals bedoeld in artikel 6.2.1. sub b van het Besluit ruimtelijke ordening, is kostenverhaal niet verplicht.
Wel zal een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Roosendaal worden gesloten waarin onder andere afspraken over plan- en procedure kosten worden vastgelegd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid / meerwaarde
Het creëren van maatschappelijk draagvlak is een belangrijk aspect in de realisatie van zonneweides. Deze paragraaf omschrijft de maatschappelijke uitvoerbaarheid waarmee wordt aangetoond dat er draagvlak is voor het voorgenomen plan. Om te voldoen aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt inzicht gegeven in op welke wijze draagvlak is gecreëerd, inspraak is verleend of anderszins de omgeving is geïnformeerd en betrokken bij de planvorming, als ook welke partijen zijn betrokken. De zonneweide met het energie-opslagsysteem en de bijbehorende installaties leveren een positieve bijdrage aan de energieambities van provincie Noord-Brabant en gemeente Roosendaal. 5.2.1 Communicatie met omgeving Een belangrijk uitgangspunt van initiatiefnemer in de voorbereidingsfase is om alle stakeholders zoveel mogelijk te betrekken bij de plannen door hen te informeren over het planvoornemen. In dat kader zijn keukentafelgesprekken gevoerd en hebben informatiebijeenkomsten plaatsgevonden. 5.2.2
46/59
Procedure
De aanvraag, de bijlagen en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing zijn allen onderdeel van de omgevingsvergunning. Het ontwerp van de ruimtelijke onderbouwing wordt gedurende zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode van zes weken kan een ieder een zienswijze indienen. De zienswijzen worden gelezen, samengevat en beantwoord en op basis van de ingebrachte zienswijzen neemt het college van burgemeester en wethouders een definitief besluit over het al dan niet afgeven van de omgevingsvergunning. Hierbij is tevens een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist. Na verlening van de omgevingsvergunning wordt deze voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode wordt aan belanghebbenden die tijdig een zienswijze hebben ingediend tegen de ontwerpvergunning of daartoe redelijkerwijs niet in staat zijn geweest, de gelegenheid geboden om beroep in te stellen tegen de omgevingsvergunning bij de rechter. Indien binnen de beroepstermijn geen beroep wordt ingesteld, is de omgevingsvergunning na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.
5.2.3 Maatschappelijke meerwaarde In het provinciale beleid als een belangrijke voorwaarde voor een grondgebonden zonnepark in landelijk gebied stelt dat het zonnepark een maatschappelijke meerwaarde geeft. Dit hoofdstuk beschrijft de maatschappelijke meerwaarde van het zonnepark. De maatschappelijke meerwaarde wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria: a. De mate van meervoudig ruimtegebruik Het planvoornemen past onder meer meervoudig ruimtegebruik toe door een zodanige plaatsing van de zonnepanelen dat begrazing door schapen mogelijk is. De begrazing door schapen voor een natuurlijk en natuurvriendelijk gebruik van de gronden dat de blijvende agrarische bestemming van de gronden benadrukt. Daarnaast zal ook onder de toekomstige hoogspanningskabel zonnepanelen worden geinstalleerd, waarmee ook voor dat gebied sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Daarnaast zal het plan meerwaarde creeren in de biodiversiteit. Waar nu sprake is van monocultuur, namelijk agrarisch grondgebruik. Zal door de komst van de zonneweide en de daarbij horende landschappelijke inpassing en bloemrijk grasland binnen de afrasting bijdrage aan natuur en landschap. Verder zal middels een educatief informatiepunt informatie geboden over duurzame energie en de energietransitie, Zo is er ook nog sprake van educatie vanuit het project b.
De maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken i. Door de landschappelijke inpassing (door middel van o.a. een 5-10 m brede struweelhaag van inheemse bloeiende struiken); ii. de omvangrijke landschappelijke kwaliteitsverbetering door geheel gebied in te zaaien met bloemrijk grasland vindt een (een aanzienlijke natuurversterking plaats. iii. Omwonenden zijn betrokken bij de ontwikkeling en kunnen op verschillende manieren participeren in het zonnepark (zie ook onder punt c hieronder). iv. Zoals reeds aangegeven worden de momenteel gebruikt voor intensieve landbouw met gebruik van bestrijdingsmiddelen en mest, hetgeen naar de omgeving (de omliggende woningen en bedrijven) en de passanten een negatieve impact heeft; v. tijdens de levensduur van het zonnepark zullen geen bestrijdingsmiddelen en geen meststoffen worden gebruikt maar zal een zo sterk mogelijk ecologisch beheer plaatsvinden; vi. mede als gevolg van de voorgaande punten zal een sterke verbetering optreden van de biodiversiteit (die ook gemonitord zal worden).
c. De bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen De ontwikkeling, realisatie en exploitatie van het zonnepark zal zodanig worden georganiseerd dat een maximale bijdrage aan maatschappelijke doelen resulteert. Deze bijdrage omvat onder andere: i. Een aanzienlijke lokale productie van hernieuwbare energie, namelijk circa 12.000.000 kWh per jaar, vergelijkbaar met het stroomverbruik van ca. 4.000 huishoudens (landelijk gemiddelde van ca 3000 KWh/jaar/huishouden) ii. Vergroten van de betrokkenheid van de lokale bevolking, bedrijven en instellingen bij energietransitie, o.a. door het bieden van mogelijkheden voor participatie van burgers en bedrijven in het zonneparkproject op het vlak van financiele participatie middels obligaties, als ook te kijken naar mogelijkheden als afname van deze groene stroom.
47/59
iii. Stimuleren van inzet lokale partijen bij de realisatie en instandhouding van de zonneweide. Hierbij kan gedacht worden aan inzet lokale partijen voor de aanleg en het onderhoud van de groenvoorziening). Bieden van werkgelegenheid voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld bij de aanleg en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
Aanvullende educatieve meerwaarde door o.a. informatiebord bij het zonnepark, goed bezochte informatieavonden en een goed bezochte informatieve website van het zonnepark
48/59
Hoofdstuk 6
Conclusie
Het voornemen tot de realisatie van een zonneweide ten zuiden van de Rijksweg 58 (A58) en de kern van Wouw past binnen de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Zoals in de ruimtelijke onderbouwing omschreven, is de beoogde locatie een geschikte locatie voor energieopwekking door middel van zonnepanelen. Bovendien past de voorgenomen ontwikkeling binnen de gestelde rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleidskaders en past de realisatie van de zonneweide binnen het stroomschema zoals opgesteld door de gemeente Roosendaal als onderdeel van de Visie op zonne-energie. Tevens zal het perceel vanuit een goede ruimtelijke ordening en vanuit randvoorwaarden van de gemeente Roosendaal zodanig landschappelijk worden ingepast dat de omgevingskwaliteit wordt verbeterd. Met het plan wordt immers ingezet op landschappelijke en ecologische waarden door het aanplanten van struweelranden, zaaien van bloemrijk grasland en behouden van ecologische waarden die zijn gebleken uit de ecologische quickscan. Ten slotte past het planvoornemen binnen de wet- en regelgeving ten aanzien van de sectorale aspecten, zoals beschreven in hoofdstuk 4. De ruimtelijke- en milieu aspecten staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Het plan is financieel uitvoerbaar en er is draagvlak voor de ontwikkeling. Bovendien zijn de gronden direct beschikbaar voor plaatsing van de zonnepanelen.
De zonneweide wordt, conform gemeentelijk beleid, gerealiseerd voor een periode van maximaal 25 jaar vanaf de start van de ingebruikname. Na die 25 jaar worden de gronden weer geschikt gemaakt voor het oorspronkelijke gebruik. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling past binnen de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
49/59
Bijlagen
50/59
51/59
Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan
52/59
Bijlage 2 Stroomschema Beleidsvisie zonne-energie Roosendaal
53/59
Bijlage 3 Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem
54/59
Bijlage 4 – Archeologisch bureauonderzoek
55/59
Bijlage 5 – Advies gemeentelijk archeoloog
56/59
Bijlage 6 – Stikstofdepositieonderzoek incl. Aeriusberekeningen
57/59
Bijlage 7 – Quickscan Flora en fauna
58/59
Bijlage 8 – Reflectieonderzoek
59/59