Bijlage Rapportage verkennend bodemonderzoek.pdf
Tekst van het document
10
1,1-dichloorpropaan
µg/l
< 0.2
1,2-dichloorethaan
µg/l
< 0.2
-
7
203.5
400
1,2-dichloorpropaan
µg/l
< 0.2
1,3-dichloorpropaan
µg/l
< 0.2
cis-1,2-dichlooretheen
µg/l
< 0.1
dichloormethaan
µg/l
< 0.2
-
0.01
500.005
1000
monochlooretheen (vinylchlori
µg/l
< 0.2
-
0.01
2.505
5
tetrachlooretheen
µg/l
< 0.1
-
0.01
20.005
40
tetrachloormethaan
µg/l
< 0.1
-
0.01
5.005
10
trans-1,2-dichlooretheen
µg/l
< 0.1
trichlooretheen
µg/l
< 0.2
-
24
262
500
trichloormethaan
µg/l
< 0.2
-
6
203
400
som C+T dichlooretheen
µg/l
0.1
-
0.01
10.005
20
som dichloorpropanen
µg/l
0.4
-
0.8
40.4
80
< 0.2
@
Minerale olie minerale olie (florisil clean-up)
Vluchtige aromaten
Sommaties aromaten som xylenen
Vluchtige chlooralifaten
Sommaties
Vluchtige gehalogeneerde alifaten - divers tribroommethaan (bromoform
µg/l
Toetsoordeel monster 5622534: Legenda @
Geen toetsoordeel mogelijk
-
<= Streefwaarde
xS
x maal Streefwaarde
Pagina 1 van 1
Overschrijding Streefwaarde
630
BIJLAGE 7 TOELICHTING EN ACHTERGROND TOETSINGSKADER
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
In deze bijlage wordt een toelichting gegeven op het toetsingskader dat gehanteerd wordt bij de beoordeling van de resultaten van uitgevoerd bodemonderzoek. Circulaire bodemsanering 2013 Op 27 juni is in de Staatscourant een nieuwe versie van de Circulaire bodemsanering gepubliceerd. Deze circulaire is per 1 juli 2013 in werking getreden Staatscourant 2013 nr. 16675 27 juni 2013 en in de plaats gekomen van de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd per 3 april 2012. De circulaire treedt in de plaats van de circulaire Saneringsregeling Wet bodembescherming: Beoordeling en afstemming (Staatscourant 1998, nr. 242), de circulaire Bepaling saneringstijdstip (Staatscourant 1997, nr. 47), de Circulaire bodemsanering 2006, de Circulaire bodemsanering 2006, zoals gewijzigd op 1 oktober 2008 en treedt tevens in de plaats van de Circulaire bodemsanering 2009 en de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd per 1 april 2012 (Stcrt 2012, 6563).Sinds oktober 2002 golden het Besluit en de Regeling locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering (LSO), bedoeld als invulling van de mogelijkheid om af te wijken van de doelstelling in artikel 38. Door de wijziging van artikel 38 zijn het Besluit en de Regeling vervallen sinds 1 januari 2006.
Met het in werking treden per 1 juli 2008 van het tweede deel van Besluit bodemkwaliteit dat betrekking heeft op het toepassen van grond en baggerspecie op landbodems zijn de Bodemgebruikswaarden (BGW’s) komen te vervallen. In het Besluit bodemkwaliteit zijn de Achtergrondwaarden en de Maximale Waarden opgenomen die in plaats komen van de BGW’s als terugsaneerwaarde. Een toelichting op de Maximale Waarden is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2002 (Staatscourant 2007, nr. 2477). De Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering is per 1 oktober 2008 vervallen. De streefwaarden grondwater blijven een rol houden in het bodemsaneringsbeleid en zijn daarom opgenomen in bijlage 1 van de circulaire. De interventiewaarden voor grond zijn in 2008 herzien op basis van recente wetenschappelijke inzichten. Als bijlage 1 van de Circulaire is ook de in de Beleidsbrief asbest aangekondigde interventiewaarde voor asbest opgenomen. Tevens zijn de indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’s) opgenomen. De Circulaire gaat in op de saneringsdoelstelling en de wijze waarop de ernst en spoedeisendheid van een geval van bodemverontreiniging wordt vastgesteld. De streefwaarden voor grond zijn vervangen door de achtergrondwaarden van het Besluit bodemkwaliteit.
De gewijzigde streef- en interventiewaarden voor grondwater en gewijzigde interventiewaarden voor grond zijn opgenomen als bijlage in de Circulaire. Daarnaast wordt in de circulaire ingegaan op de uitwerking van de saneringsdoelstelling zoals die is opgenomen in de gewijzigde tekst van artikel 38 van de Wbb. Bij de uitwerking van de saneringsdoelstelling is aansluiting gezocht bij het Besluit bodemkwaliteit en wordt ruimte geboden voor een gebiedsgerichte aanpak. In de circulaire worden de volgende toetsingswaarden genoemd:
Streefwaarden grondwater en interventiewaarden bodemsanering Streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De getallen voor de streefwaarde grondwater zijn overeenkomstig de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000). Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater. Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen diep en ondiep grondwater. Als grens tussen diep en ondiep grondwater wordt een arbitraire grens van 10 m gebruikt.
Interventiewaarden bodemsanering De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. De interventiewaarden grond gelden voor droge bodem. Voor waterbodem zijn aparte interventiewaarden opgesteld die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (Staatscourant 20 december 2007, nr. 247) en in de Circulaire sanering waterbodems 2008 (Staatscourant 2007, nr. 245). De interventiewaarden grondwater zijn niet herzien en overgenomen uit de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000).
Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging Voor een aantal, niet bij regulier bodemonderzoek gangbare stoffen, zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging vastgesteld. Een interventiewaarde ontbreekt. De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan de status van de interventiewaarde en derhalve hier buiten beschouwing gelaten.
Tussenwaarde Naast de toetsingswaarden uit de circulaire is bij de interpretatie van bodemonderzoek de tussenwaarden van belang. De tussenwaarde is in beginsel het concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek behoort te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat. Voor grondwater is dit het gemiddelde van streef -en interventiewaarde en voor grond het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden.
Geval van ernstige verontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en er toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Als de bodem op een locatie is verontreinigd, maar het betreft geen geval van ernstige verontreiniging, hoeft niet te worden bepaald of er met spoed dient te worden gesaneerd. Verbeteren van de bodemkwaliteit kan niet worden voorgeschreven op grond van de regels voor bodemsanering. Als een gemeente een gebiedskwaliteit heeft vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit, dan kan de gemeente wel bevorderen dat bij bijvoorbeeld bouwactiviteiten de gebiedskwaliteit als uitgangspunt geldt. Als er grond moet worden toegepast kan dat ook verplicht worden gesteld. Het is echter niet zo dat bij niet ernstig verontreinigde grond een verplichting kan worden opgelegd op grond van de bodemregelgeving om de bodem schoner te maken.
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
Saneringscriterium Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Het saneringscriterium dient om vast te stellen of sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging met spoed dient te worden uitgevoerd. Wanneer sprake is van spoed, is het nemen van maatregelen verplicht. De werkwijze van het saneringscriterium geldt voor: Een geval van ernstige verontreiniging; Een historische verontreiniging. Voor verontreinigingen die sinds 1987 zijn ontstaan is artikel 13 van de Wbb (zorgplicht) van toepassing; Huidige en voorgenomen gebruik; Grond en grondwater. Voor waterbodem is een separate systematiek ontwikkeld; Alle stoffen waarvoor een interventiewaarde is afgeleid, met uitzondering van asbest. Daar asbest heel specifieke chemische en fysische eigenschappen heeft, is voor asbest separaat het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium, protocol asbest’ ontwikkeld hetgeen ook van toepassing is voor waterbodems. Wanneer sanering niet met spoed hoeft plaats te vinden kan voor de aanpak van de verontreiniging worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Deze saneringen vinden plaats op initiatief van de eigenaar of andere belanghebbende met het oog op gewenst gebruik van de bodem.
Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik. Het saneringscriterium is een instrument voor het bevoegd gezag waarmee zij een (schuldig) eigenaar kan verplichten tot saneren binnen een gestelde termijn. Risico’s hebben een directe relatie met het gebruik van de bodem en daarmee met de functie. Als er aan het gebruik binnen de aanwezige of toekomstige functie onaanvaardbare risico’s zijn verbonden staat voorop dat maatregelen zo snel mogelijk moeten worden genomen. De risico’s die aanleiding kunnen zijn om met spoed te saneren worden verdeeld in: a) risico’s voor de mens, b) risico’s voor het ecosysteem en c) risico’s van verspreiding van verontreiniging. ad a) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s voor de mens indien bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie een situatie bestaat waarbij: Chronische negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden; Acute negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden. Indien de aanwezigheid van bodemverontreiniging bij het huidig gebruik leidt tot aantoonbare hinder voor de mens (door o.a. huidirritatie en stank) dient eveneens met spoed te worden gesaneerd.
ad b) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s voor het ecosysteem indien bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie: De biodiversiteit kan worden aangetast (bescherming van soorten); Kringloopfuncties kunnen worden verstoord (bescherming van processen); Bio-accumulatie en doorvergiftiging kan plaatsvinden. ad c) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s van verspreiding van verontreiniging indien: Het gebruik van de bodem door mens of ecosysteem wordt bedreigd door de verspreiding van verontreiniging in het grondwater waardoor kwetsbare objecten hinder ondervinden; Er sprake is van een onbeheersbare situatie, dat wil zeggen indien: 1. Er een drijflaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; 2. Er een zaklaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; 3. De verspreiding heeft geleid tot een grote grondwaterverontreiniging en de verspreiding nog steeds plaatsvindt.
Geval van verontreiniging met asbest In het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’, dat is opgenomen als bijlage 3 van de circulaire, is geregeld wanneer er voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing.
Zorgplicht artikel 13 Wet bodembescherming Voor bodemverontreiniging veroorzaakt vanaf 1 januari 1987 geldt de zorgplicht (artikel 13 Wbb). Voor deze gevallen geldt dat degene die de in artikel 13 beschreven handelingen heeft verricht alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. Dat wil zeggen: zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk de gevolgen beperken of ongedaan maken, ongeacht de aangetroffen gehalten en de risico’s van de verontreinigde stoffen. De bepaling ernst van de verontreiniging en spoed van de sanering spelen hier geen rol.
Toetsing rapportagegrenzen De normen waaraan getoetst wordt kunnen lager zijn dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze waarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Bij een resultaat ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde normen. Indien het laboratorium een waarde ‘< een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (dit is hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000 dan dient de desbetreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normen.
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de van toepassing zijnde norm worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000. Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde normen uit de Regeling bodemkwaliteit. Indien een of meer individuele componenten het resultaat hebben ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’, of er een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normen uit de Regeling bodemkwaliteit. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens AS3000. Besluit bodemkwaliteit Op 1 januari 2008 is de eerste fase van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk)1 in werking getreden die het toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater regelt.
Op 1 juli 2008 is de tweede fase van het Bbk van kracht geworden die het toepassen van grond en baggerspecie op landbodems en het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem en in het oppervlaktewater regelt. De verschillende onderdelen, Kwalibo, Bouwstoffen en Grond en Baggerspecie zijn gefaseerd in werking getreden: Voor het toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater en het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater: per 1-1-2008; Voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie op landbodems: per 1-7- 2008.
Kwalibo-regelgeving De Kwalibo-regelgeving is vanaf 1 oktober 2006 van kracht. Kwalibo staat voor ‘kwaliteitsborging in het bodembeheer’ en is een maatregel om het bodembeheer te verbeteren. Kwalibo stelt eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. Dit betekent dat bepaalde werkzaamheden alleen nog maar door erkende personen en bedrijven (bodemintermediairs) uitgevoerd mogen worden. De Kwalibo-regelgeving heeft betrekking op bodemsanering, bodembeheer en bodembescherming. Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit is de Kwalibo-regelgeving ook voor waterbodems, landbodems en bouwstoffen van toepassing.
Definitie grond en bagger Het Besluit hanteert voor grond en baggerspecie de volgende definities: Grond is vast materiaal en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie; Baggerspecie is materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Bodemvreemd materiaal Het Besluit stelt aanvullend dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om bijmengingen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie nadat het materiaal is afgegraven.
Toetsingskaders De normstelling voor het toepassen van grond en baggerspecie en het verspreiden van baggerspecie is met het Besluit vernieuwd. De nieuwe normstelling sluit beter aan op de relatie tussen het gebruik en de kwaliteit van de (water)bodem en op de risico’s die een toepassing met zich mee kan brengen. Ook kunnen lokale normen worden vastgesteld, zodat beter rekening kan worden gehouden met de lokale situatie. Het Besluit maakt onderscheid tussen verschillende toepassingsmogelijkheden met bijbehorende toetsingskaders. Deze zijn onderstaand weergegeven. Het generieke kader is van toepassing op elk gebied waarvoor geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Uitgangspunt van het generieke kader voor landbodems is dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet aansluiten bij de functie die de bodem heeft. Ook mag de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Naast de toetsingskaders voor gebiedsspecifiek en generiek beleid, kent het Besluit nog een andere categorie van toepassingen: grootschalige toepassingen. Bij deze categorieën hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Wél moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en randvoorwaarden die het Besluit stelt aan deze toepassingen.
Tabel: Toetsingskaders grond en bagger Toepassingsmogelijkheden grond en baggerspecie Generiek of gebied specifiek beleid Alleen generiek beleid
Toepassen grond en baggerspecie
Verspreiden baggerspecie
Op de landbodem In oppervlaktewater In grootschalige toepassing
In oppervlaktewater Over aangrenzend perceel
Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels.
1
Stb. 2007, 469
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
Uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie is dat de toegepaste grond en baggerspecie onderdeel gaat uitmaken van de ontvangende bodem, zonder dat extra maatregelen zoals afscheidingslagen of maatregelen in het kader van isoleren, beheersen en controleren (IBC) worden toegepast.
Bodemfuncties en bodemfunctieklassen In die gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn zowel maximale waarden voor bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor bodemkwaliteitsklassen vastgelegd.
Klassenindeling voor bodemfuncties en bodemkwaliteit Om te toetsen of de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie aansluit bij de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt in het generieke kader gewerkt met een klassenindeling voor de kwaliteit en functie. Uitgangspunt van het Besluit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven zijn voor 7 bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld. Deze functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid. Voor toepassing in het generieke kader zijn de functies samengevoegd tot 2 bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat wil zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden.
Tabel: Bodemfuncties Gebiedspecifiek
Generiek beleid
wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie moestuinen/volkstuinen Landbouw Natuur
wonen industrie Kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden
Naast de bodemfuncties, wordt de bodemkwaliteit ook ingedeeld in de klassen wonen en industrie. De bodemkwaliteit geeft hiermee een maat voor de kwaliteit van zowel de ontvangende als de toe te passen bodem en toe te passen baggerspecie. Aan de bodemkwaliteitsklassen zijn nieuwe normen gekoppeld: de Maximale waarden voor de klasse wonen en de Maximale waarden voor de klasse industrie. Wanneer de maximale waarde voor industrie wordt overschreden, mag deze grond of baggerspecie binnen het generieke kader niet worden toegepast. Om een partij grond of baggerspecie toe te mogen passen, moet de partij worden getoetst aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Bij deze dubbele toetsing geldt dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. In onderstaand schema is de toepassingseis voor de toe te passen grond of baggerspecie gegeven.
Tabel: Bepaling toepassingseis voor een partij grond of baggerspecie Functie op kaart Wonen
Industrie
Niet ingedeeld (bijv. landbouw/natuur
Actuele bodemkwaliteit
Toepassingseis
Achtergrondwaarde Wonen industrie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Achtergrondwaarde Wonen industrie
Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde wonen Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde Industrie Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde
Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse wonen en de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Deze Generieken Maximale Waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen locale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Als randvoorwaarde voor het opstellen van gebiedsspecifiek beleid geldt dat sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. De ruimte voor de Lokale Maximale Waarden ligt tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. Wanneer de Lokale Maximale Waarden een verruiming van de normen ten opzicht van het generieke kader zijn, moet getoetst worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de gevolgen van de gekozen Lokale Maximale Waarden is een Risicotoolbox ontwikkeld. In onderstaande figuur is de normstelling schematisch weergegeven.
Figuur: Normstelling en toepassingskader bodem Achtergrond waarden
Generiek Gebieds specifiek
Maximale waarden klasse wonen
Klasse wonen
Maximale waarden klasse industrie
Klasse industrie
Niet toepasbaar
Altijd toepasbaar
Nooit toepasbaar
Ruimte voor lokale maximale waarden Achtergrond waarden
Interventiewaarden droge bodem
Sanerings criterium
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
Normenblad AS3000 onderzoek grond en waterbodem
Regeling Bodemkwaliteit, 20 december 2007, DJZ2007124397, Integrale versie geldend op 1-1-2015. Interventiewaarden grond: Circulaire Bodemsanering 2013. (Alle grenswaarden gelden voor een standaard bodem met 10% organisch stof en 25% lutum) GROND *)
WATERBODEM **)
AW2000
Wonen
Industrie
20
27
76
IW
AW
A
B
76
20
29
85
Rapportagegrens ***) IW
Grond/ waterbodem
GRONDWATER *) SW On diep
AW diep
SW diep
IW
Metalen Arseen [As] Barium [Ba]
5
Cadmium [Cd] Chroom [Cr]
1
920
85
4
10
7
7,2
60
625
20
50
200
200
625
0,6
1,2
4,3
13
0,6
4
14
14
0,2
0,4
0,06
0,06
6
55
62
180
180
55
120
380
380
10
1
2,4
2,5
30 100
Cobalt [Co]
15
35
190
190
15
25
240
240
3
20
0,6
0,7
Koper [Cu]
40
54
190
190
40
96
190
190
5
15
1,3
1,3
75
0,15
0,83
4,8
36
0,15
1,2
10
10
0,05
0,05
0,01
0,3
Lood [Pb]
50
210
530
530
50
138
580
580
10
15
1,6
1,7
75
Molybdeen [Mo]
1,5
88
190
190
1,5
5
200
200
1,5
5
0,7
3,6
300
50
210
210
4
15
2,1
2,1
75
Kwik [Hg]
2
Nikkel [Ni]
35
39
100
100
35
Tin [Sn]
4
6,5
180
900
900
6,5
1,5
Vanadium [V]
4
80
97
250
250
80
10
Zink [Zn]
4
140
200
720
720
140
Beryllium [Be]
4
Antimoon
563
2000
2000
30 4
15
22
22
4
15
15
20
2,2 1,2 65
24
1
0,05
1,5
0,09
1,5
0,07
Seleen [Se]
4
100
Tellurium [Te]
4
600
2
Thallium [Tl]
4
15
1
Zilver [Ag]
4
15
1
50 70
24
800 15
0,15
20 160 70
2
7 40
Overige anorganische stoffen Chloride
3
150
Cyanide (vrij)
3
3
20
20
3
20
20
2
5
1500
Cyanide (totaal)
5,5
5,5
50
50
5,5
50
50
3
10
1500
Thiocyanaten ( Σ)
6
6
20
20
6
20
20
Benzeen
0,2
0,2
1
1,1
0,2
1
1
0,05
0,2
30
Ethylbenzeen
0,2
0,2
1,25
110
0,2
50
50
0,05
4
150 1000
1500
Aromatische stoffen
Tolueen
0,2
0,2
1,25
32
0,2
130
130
0,05
7
Xylenen ( Σ, 0.7 factor)
0,45
0,45
1,25
17
0,45
25
25
0,105
0,2
70
Styreen (Vinylbenzeen)
0,25
0,25
2,5
86
0,25
100
100
0,05
6
300
Fenol
0,25
0,25
1,25
14
0,25
40
40
0,2
2000
Cresolen (0,7 Σ)
0,3
0,3
5
13
0,3
5
5
0,2
0,35
0,35
0,35
1000
0,35
1,2,3Trimethylbenzeen
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
1,2,4Trimethylbenzeen 1,3,5Trimethylbenzeen (Mesityleen)
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
2Ethyltolueen
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
3Ethyltolueen
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
4Ethyltolueen
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
isoPropylbenzeen (Cumeen)
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
Propylbenzeen
0,45
0,45
0,45
0,45
0,1
Aromatische oplosmiddelen ( Σ)
2,5
2,5
2,5
dodecylbenzeen
4
200
200 0,02
150
2,5
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen naftaleen
0,05
0,01
70
fenantreen
0,05
0,003
5
antraceen
0,05
0,0007
5
fluorantheen
0,05
0,003
1
chryseen
0,05
0,003
0,2
benzo(a)antraceen
0,05
0,0001
0,5
benzo(a)pyreen
0,05
0,0005
0,05
benzo(k)fluorantheen
0,05
0,0004
0,05
indeno(1,2,3cd)pyreen
0,05
0,0004
0,05
benzo(ghi)peryleen
0,05
0,0003
0,05
Pak-totaal (10 VROM) (0.7 factor)
1,5
6,8
40
40
1,5
9
40
40
0,35
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
Vluchtige chloorkoolwaterstoffen Vinylchloride
0,1
0,1
0,1
0,1
0,1
0,1
0,1
0,05
0,01
5
Dichloormethaan
0,1
0,1
3,9
3,9
0,1
10
10
0,05
0,01
1000
1,1Dichloorethaan
0,2
0,2
0,2
15
0,2
15
15
0,1
7
900
1,2Dichloorethaan
0,2
0,2
4
6,4
0,2
4
4
0,1
7
400
1,1Dichlooretheen
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
0,1
0,01
10
1.2-Dichloorethenen ( Σ, 0.7) Dichloorpropanen (0,7 Σ; 1,1+1,2+1,3)
0,3
0,3
0,3
1
0,3
1
1
0,14
0,01
20
0,8
0,8
0,8
2
0,8
2
2
0,105
0,8
80
Trichloormethaan (Chloroform)
0,25
0,25
3
5,6
0,25
10
10
0,05
6
400
1,1,1Trichloorethaan
0,25
0,25
0,25
15
0,25
15
15
0,05
0,01
300
1,1,2Trichloorethaan
0,3
0,3
0,3
10
0,3
10
10
0,05
0,01
130
Trichlooretheen (Tri)
0,25
0,25
2,5
2,5
0,25
60
60
0,05
24
500
Tetrachloormethaan (Tetra)
0,3
0,3
0,7
0,7
0,3
1
1
0,05
0,01
10
Tetrachlooretheen (Per)
0,15
0,15
4
8,8
0,15
4
4
0,05
0,01
40
Monochloorbenzeen
0,2
0,2
5
15
0,2
0,04
7
180
Dichloorbenzenen (0.7 factor)
2
2
5
19
2
0,21
3
50
Trichloorbenzenen ( Σ, 0.7 fact)
0,015
0,015
5
11
0,015
0,0021
0,01
10
Tetrachloorbenzenen ( Σ, 0.7 fact)
0,009
0,009
2,2
2,2
0,009
0,0021
0,01
2,5
Pentachloorbenzeen (QCB)
0,0025
0,0025
5
6,7
0,0025
0,007
0,001
1
Hexachloorbenzeen (HCB)
0,0085
0,027
1,4
2
0,0085
0,044
0,003 0,0000 9
0,5
Chloorbenzenen
Chloorbenzenen ( Σ, 0.7 factor)
2
0,001 30
30
0,2436
Chloorfenolen Monochloorfenolen (0,7 Σ)
0,045
0,045
5,4
5,4
0,045
0,3
100
Dichloorfenolen (0,7 Σ)
0,2
0,2
6
22
0,2
0,2
30
Trichloorfenolen (0,7 Σ)
0,003
0,003
6
22
0,003
0,03
10
Tetrachloorfenolen (0,7 Σ)
0,015
1
6
21
0,015
0,01
10
Pentachloorfenol (PCP)
0,003
1,4
5
12
0,003
0,04
3
Chloorfenolen ( Σ, 0.7 factor)
0,2
0,01
0,01
0,016
0,2
5
5
10
10
0,003
PCB PCB 28
0,0015
0,014
0,001
PCB 52
0,002
0,015
0,001
PCB 101
0,0015
0,023
0,001
PCB 118
0,0045
0,016
0,001
PCB 138
0,004
0,027
0,001
PCB 153
0,0035
0,033
0,001
PCB 180
0,0025
0,018
1
0,02
0,139
0,32
PCB (7) ( Σ, 0.7 factor)
0,02
0,04
0,5
0,001 1
1
0,0049
Organochloorverbindingen 0,0008
0,0013
0,001
Dieldrin
Aldrin
0,008
0,008
0,001
Endrin
0,0035
0,0035
Isodrin
0,001
Telodrin Aldrin/dieldrin/endrin ( Σ, 0.7 fac)
0,001 0,001
0,0005 0,015
0,04
0,14
4
0,015
0,001 0,015
4
4
0,0021
DDT ( Σ, 0.7 factor)
0,2
0,2
1
1,7
0,0014
DDD ( Σ, 0.7 factor)
0,02
0,84
34
34
0,0014
DDE ( Σ, 0.7 factor)
0,1
0,13
1,3
2,3
DDT,DDE,DDD ( Σ, 0.7 factor)
0,009 ng/l 0,1 ng/l 0,04 ng/l
0,0014 0,3
0,3
4
4
0,0042
0,004
0,01
4
4
0,001
0,2 ng/l
5
alfaEndosulfan
0,0009
0,0009
0,1
4
0,0009
0,0021
alfaHCH
0,001
0,001
0,5
17
0,001
0,0012
0,001
33 ng/l
betaHCH
0,002
0,002
0,5
1,6
0,002
0,0065
0,001
8 ng/l
gammaHCH
0,003
0,04
0,5
1,2
0,003
0,003
0,001
9 ng/l
0,01
0,01
2
2
0,0021
4
4
0,001
0,05 0,005 ng/l 0,005 ng/l 0,02 ng/l
HCH ( Σ, 0.7 factor) Heptachloor Heptachloorepoxide ( Σ, 0.7 factor)
0,0007
0,0007
0,1
4
0,0007
0,004
0,002
0,002
0,1
4
0,002
0,004
Chloordaan (som, 0.7 factor)
0,002
0,002
0,1
4
0,002
Hexachloorbutadieen
0,003
0,003
OCB (som, 0.7 factor)
0,4
0,4
Minerale olie (totaal)
190
190
500
5000
190
1250
5000
5000
Minerale olie C10 C40
190
190
500
5000
190
1250
5000
5000
4
4
0,0014
4
4
0,0014
0,0075
1 0,3 3 0,2
0,001
35
50
600
50
600
AGEL adviseurs BIJLAGE 7
Overige gechloreerde koolwaterstoffen Chlooraniline (som o+m+p)
4
Dichlooranilinen (som)
4
Trichlooranilinen
4
Pentachlooraniline
4
dioxine Chloornaftaleen
0,2
0,2
0,2
50
0,2
50
50
100
10
10
0,15
0,15
0,15
10
0,15
0,000055
0,000055
0,000055
0,00018
0,000055
0,001
1
0,07
0,07
10
23
0,07
10
0,0075
0,0075
0,0075
2
0,0075
0,065
0,065
0,065
0,15
0,5
0,001ng/l 10
Organofosforpesticiden Azinphosmethyl
30
50
0,085 4
Organotin bestrijdingsmiddelen Tributyltin (als Sn)
0,065
0,25
0,065
Trifenyltin (als Sn)
0,085
Organotin (som TBT+TFT, als Sn) Organotin Chloorfenoxy azijnzuur herbiciden 4Chloor2methylfenoxyazijnzuur (MCPA)
0,55
0,55
0,15 2,5
2,5
0,55
4
0,15 2,5
2,5
0,05-16
0,7 ng/l
0,55
4
4
0,02
50
150
Overige bestrijdingsmiddelen Atrazine
0,035
0,035
0,5
0,71
0,035
6
6
29 ng/l
Carbaryl
0,15
0,15
0,45
0,45
0,15
5
5
2 ng/l
60
Carbofuran
0,017
0,017
0,017
0,017
0,017
2
2
9 ng/l
100
0,6
0,6
0,6
15
0,6
0,09
0,09
0,5
15000
4-chloormethylfenolen (som) niet chl.pest ONB+OPB (som, 0.7 factor)
4
0,09
Overige stoffen 100
100
100
Cyclohexanon
Asbest in grond (gewogen) 2
2
150
150
100
100
2
Dimethylftalaat
0,045
9,2
60
82
Diethylftalaat
0,045
5,3
53
53
Diisobutylftalaat
0,045
1,3
17
17
Dibutylftalaat
0,07
5
36
36
Butylbenzylftalaat
0,07
2,6
48
48
Dihexylftalaat
0,07
18
60
220
Bis(2ethylhexyl)ftalaat (DEHP)
0,045
8,3
60
60
Ftalaten (totaal)
0,25
Pyridine
0,15
0,15
1
Tetrahydrofuraan
0,45
0,45
Tetrahydrothiofeen
1,5
1,5
Tribroommethaan (bromoform)
0,2
0,2
Acrylonitril
0,1
0,1
Butanol
2
Butylacetaat Ethylacetaat
100
45
45
0,5
60
60
0,5
5
11
0,15
0,5
0,5
0,5
30
2
7
0,45
2
2
0,5
300
8,8
8,8
1,5
90
90
0,5
5000
0,2
75
0,2
75
75
0,1
0,1
0,1
2
2
30
2
2
2
2
200
2
6300
2
2
2
75
2
15000
Diethyleenglycol
8
8
8
270
8
13000
Ethyleenglycol
5
5
5
100
5
5500
Formaldehyde
0,1
0,1
0,1
0,1
0,1
50
isoPropanol
0,75
0,75
0,75
220
0,75
31000
Methanol
3
3
3
30
3
24000
Methylethylketon (MEK)
2
2
2
35
2
630 0,08
5 5600
6000
ETBE Methyltertbutylether (MTBE)
0,1
0,3 0,2
0,2
0,2
100
0,2
44
0,1
9400
*) Betreft toepassen van grond of bagger op landbodem of de kwaliteit van de landbodem waarop de grond of waterbodem wordt toegepast. **) Betreft toepassen van grond of bagger onder oppervlaktewater of de kwaliteit van de waterbodem waarop de grond of waterbodem wordt toegepast.. ***) Ten minste te behalen rapportagegrenzen volgens tabel 1, staatscourant 2012 nr 22335, 2 november 2012. Ingangsdatum 1 juli 2013. De eis aan som-parameters is gebaseerd op de som van de AS300-eisen aan de individuele parameters (met verrekening van 0,7 factor). 1 Er wordt getoetst tegen de interventiewaardenorm voor chroom III. Alleen in specifieke verdachte situaties behoeft te worden getoetst tegen de Interventiewaarde van Cr VI (78 mg/kgds). 2 Er wordt getoetst tegen de interventiewaardenorm voor anorganisch kwik. Alleen in specifieke verdachte situaties behoeft te worden getoetst tegen de Interventiewaarde voor Hg organisch. 3 Er wordt getoetst voor toepassing als zeezand. 4 Geen interventiewaarde vastgesteld, getoetst tegen indicatief niveau voor ernstige verontreiniging (INEV). 5 Barium: de Interventiewaarde geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene oorsprong.
BIJLAGE 8 FOTOREPORTAGE
D01 Verkennend bodemonderzoek Thorbeckelaan 237 Roosendaal
Foto 1. :
Foto 2. :
20180018 Maart 2018 BIJLAGE 9
BIJLAGE 9 ONAFHANKELIJKHEIDSVERKLARING