CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Milieuparagraaf Jac Vosstraat.pdf

Commissie 3 februari 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 6: Rvs Vaststelling bestemmingsplan Jacobus Vosstraat5.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MILIEUPARAGRAAF J. VOSSTRAAT TE ROOSENDAAL

Opdrachtgever: Uitvoering: Opgesteld door: Projectnummer: Datum rapport:

Gemeente Roosendaal Dhr. R. Kools Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Postbus 75 5000 AB TILBURG Martijn van der Wielen 20022471 28 april 2020

Dit advies is gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving. Indien u het advies niet direct gebruikt, dient u er rekening mee te houden dat wet- en regelgeving aan verandering onderhevig zijn en het advies naar verloop van tijd mogelijk (op onderdelen) niet meer correct is. Bij twijfel hierover kunt u met ons contact opnemen, zodat wij u kunnen adviseren over de bruikbaarheid van het advies.

Inhoudsopgave

1 2 3 4 5 6 7 8 9

Inleiding ...................................................................................................................... 2 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................... 3 Geur veehouderij .......................................................................................................... 6 Lucht .......................................................................................................................... 8 Stikstofdepositie .......................................................................................................... 10 Geluid ........................................................................................................................ 12 Externe veiligheid ........................................................................................................ 13 Bodem ....................................................................................................................... 16 MER ........................................................................................................................... 17

Bijlagen: Aerius berekeningen aanleg- en gebruiksfase, 28 april 2020 Akoestisch onderzoek, OMWB, 21 april 2020 Standaard verantwoording groepsrisico Standaard advies Veiligheidsregio

1

1

Inleiding

De gemeente Roosendaal is bezig met de voorbereiding van het bestemmingsplan voor de locatie Jacobus Vosstraat in Roosendaal. Met het bestemmingsplan worden circa 26 appartementen mogelijk gemaakt. De gemeente Roosendaal heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant gevraagd om een milieuparagraaf op te stellen. Voorliggende milieuparagraaf bevat de aspecten bedrijven en milieuzonering, geur veehouderij, lucht, stikstofdepositie, geluid, externe veiligheid, bodem en MER. Het plangebied is globaal weergegeven in afbeelding 1.

Afbeelding 1: Globale begrenzing plangebied

2

2 Bedrijven en milieuzonering 2.1

Toetsingskader

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009). Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. Tabel: Milieucategorieën en richtafstanden Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’* in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 1500 * indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (Zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3.).

De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: • Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. • Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Wijze van meten De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het (bestemming)plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

3

2.2

Situatie ter plaatse

Woningen zijn op basis van de VNG-brochure gevoelige objecten. Om die reden dient beschouwd te worden in hoeverre omliggende bedrijven of voorzieningen door de woningbouwontwikkeling worden beperkt in hun bedrijfsvoering en of het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar is. Het plangebied wordt gekenmerkt als een gemengd gebied. Het gebied is gelegen in de directe invloedsfeer van hoofdinfrastructuur. De Burgemeester Freijterslaan, die op circa 60 meter afstand van het plangebied ligt, betreft een gebiedsontsluitingsweg met een relatief hoge verkeersintensiteit van circa 16.000 – 18.000 motorvoertuigen per etmaal. Om die reden is het aanvaardbaar om uit te gaan van gemengd gebied en de richtafstanden met één stap te reduceren. In de omgeving het plangebied komen enkele inrichtingen en voorzieningen voor. Het gaat om de volgende percelen: • Jan van Eijkplein 2; • B. Freijterslaan 39-41a; • B. Freijterslaan 45; • Ettingenstraat 3; • Diverse adressen aan de Ettingenstraat. Jan van Eijkplein 2 Deze gronden hebben de bestemming ‘Kantoor’ en maken in de vigerende situatie juridischplanologisch uitsluitend kantoren mogelijk. Kantoren behoren tot milieucategorie 1. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De feitelijke afstand tussen het bestemmingsvlak en de nieuwe woningen bedraagt circa 15 meter. Er wordt voldaan aan richtafstand. B.

Freijterslaan 39-41a Op deze gronden vigeert de bestemming ‘Maatschappelijk’. Deze bestemming maakt functies mogelijk tot maximaal milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Omdat de werkelijk afstand tot het plangebied circa 80 meter betreft, wordt voldaan aan de richtafstand. B. Freijterslaan 45 Aan de Burgemeester Freijterslaan 45 zijn gronden gelegen met de bestemming ‘Bedrijf – 3’. Op deze gronden wordt milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt, middels een aanduiding. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. Omdat de werkelijke afstand circa 125 meter betreft, wordt voldaan aan deze afstand. Ettingenstraat 2 – 10 Op deze gronden met de bestemming ‘Gemengd – 5’ worden diverse functies toegelaten die behoren tot milieucategorie 1 en 2. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van maximaal 10 meter. Omdat de werkelijke afstand circa 35 meter bedraagt, wordt voldaan aan de richtafstanden. Ettingenstraat 3 Aan de Ettingenstraat 3 is een kleinschalig bedrijfsperceel gelegen met bestemming ‘Bedrijf – 2’. Op deze gronden wordt maximaal milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De werkelijke afstand tot de woningbouw bedraagt circa 10 meter.

Omdat het een kleinschalig volledig bebouwd bedrijfsperceel betreft, met direct aangrenzend woningen in de huidige situatie, kan gesteld worden dat het bedrijf niet beperkt wordt in de bedrijfsvoering. Reeds bestaande woningen zijn bepalend voor de milieuruimte van dit bedrijfsperceel. Omdat de achtergevel een blinde muur betreft, wordt ook niet verwacht dat er relevante geluidsemissie uitgaat van dit perceel wat het woon- en leefklimaat onevenredig beïnvloedt. Ettingenstraat 18 Aan de Ettingenstraat 18 zijn gronden gelegen met bestemming ‘Bedrijf – 2’. Op deze gronden wordt maximaal milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De werkelijke afstand tot de woningbouw bedraagt minimaal 35 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan.

4

2.3

Conclusie

Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden er geen belemmeringen voor de haalbaarheid. Het woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt.

5

3 Geur veehouderij 3.1

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).

De Wgv stelt gemeenten in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geurbeleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. Gemeentelijk geurbeleid De gemeente Roosendaal heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld. Dat betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Het plangebied is conform de wet gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom. Ter plaatse geldt dan een geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht en een afstandsnorm van 100 meter voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. 3.2

Situatie ter plaatse

Met het bestemmingsplan worden woningen gerealiseerd. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Belang omliggende veehouderijen In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Heirweg 2A op circa 1.750 meter van het plangebied. Gelet op de afstand in relatie tot de geuremissie kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied voldaan wordt aan de geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht. Agrarische bedrijven worden bovendien niet beperkt in hun bedrijfsvoering, mede omdat andere geurgevoelige objecten op kortere afstand zijn gelegen. Woon- en leefklimaat In afbeelding 2 (bron: Atlas Leefomgeving) is de GES score (gezondsheidseffectscreening-score) voor geur in beeld gebracht. Het plangebied heeft een GES score 1 (goed). Hieruit blijkt dat 0-5% van de mensen die gevraagd wordt in een enquête aangeeft dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als goed te kwalificeren is.

6

Ges 0: Zeer goed

Ges 1: Goed Ges 3a: Vrij matig Ges 3b: Vrij matig-matig

Afbeelding 2: GES-score geur (Atlas Leefomgeving) 3.3

Conclusie

Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

7

4 Lucht 4.1

Toetsingskader

Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: • de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; • het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; • de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; • de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; • de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; • het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.

Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: • als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); • als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); • als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); • als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of • het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).

Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.2

Situatie ter plaatse

Met het bestemmingsplan worden 26 appartementen mogelijk gemaakt. Woningen vallen rechtstreeks onder de categorieën die genoemd zijn in de Regeling ‘Niet in betekenende mate’. Een nieuwbouwplan met 1.500 woningen met één ontsluitingsweg draagt niet in betekenende mate bij. Om die reden zullen 26 appartementen ook niet in betekenende bijdragen aan de verontreiniging van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit geldt daarmee geen nadere onderzoeksplicht.

8

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. 4.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

9

5 Stikstofdepositie

5.1

Toetsingskader

Natura 2000-gebieden zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden in Nederland zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Het is verboden zonder vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Dit programma heeft tot doel de effecten van stikstofdepositie op beschermde waarden weg te nemen en ruimte voor ontwikkeling te creëren door: • emissie van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) te verminderen (bronmaatregelen), en • (herstel)maatregelen in de Natura 2000-gebieden. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan dat het PAS niet als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten. De passende beoordeling van het PAS bevat niet de vereiste motivering om depositieruimte uit te geven voor toestemmingsbesluiten en om activiteiten toe te staan zonder toestemmingsbesluit.

Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een mogelijk significant effect door depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een project dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect waarvoor een Wnbvergunning moet worden aangevraagd. 5.2

Situatie ter plaatse

Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op circa 7,4 kilometer. Het gaat om het Natura2000 gebied Brabantse Wal. Het plan genereert in twee fases stikstof. In de aanlegfase en in de gebruiksfase. Aanlegfase In de aanlegfase veroorzaakt het gebruik van mobiele werktuigen, zoals bouwkranen, graafmachines, vrachtwagens en dergelijke stikstof. Het gehanteerde rekenjaar is 2021. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle bouwwerkzaamheden in 2021 worden uitgevoerd. Wanneer een deel van de bouw plaatsvindt in een ander jaar, is dit alleen maar gunstiger voor de hoogste hoeveelheid emissie in een jaar. Voor de aanlegfase (bouwfase) is rekening gehouden met een geschat verbruik van 22.500 liter brandstof per jaar. Als uitgangspunt wordt aangehouden dat de mobiele werktuigen uit stageklasse IIIA komen, hetgeen reëel wordt geacht gezien economische en technische levensduur van de mobiele werktuigen. Het verbruik van 22.500 liter is als volgt verdeeld: ▪ 130-560 kW, bouwjaar 2006, 10.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 20 liter brandstof per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 500 uur. ▪ 75- 130 kW, bouwjaar 2007, 7.500 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 15 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 500 uur. ▪ 37-75 kW, bouwjaar 2008, 5.000 liter brandstof.

Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 10 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 500 uur. Deze mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron. De totale emissie bedraagt ruim 250 kg NOx in het rekenjaar 2021. In werkelijkheid worden mogelijk ook stageklasse IV mobiele werktuigen ingezet, die ook een lager gemiddelde brandstofverbruik kennen. Daarnaast is rekening gehouden met 200 vrachtwagenbewegingen per jaar voor het afleveren en ophalen van materiaal en materieel en 20 motovoertuigbewegingen licht verkeer per etmaal voor het bouwpersoneel. De rijroute is ingevoerd tot de B. Freijterslaan, daar waar het (vracht)verkeer met zekerheid zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is een worst-case benadering. 10

Uit de berekeningen blijkt dat de aanlegfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt voor het rekenjaar 2021. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze notitie gevoegd. Gebruiksfase De gebruiksfase is de fase waarin de woningen worden bewoond. De woningen zullen niet worden aangesloten op het gasnetwerk, waardoor de emissie van stikstof uitsluitend veroorzaakt wordt door de verkeersaantrekkende werking. Worst-case is uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal, in totaal dus 26 x 8 = 208 motorvoertuigbewegingen. De berekening is uitgevoerd voor het rekenjaar 2021. De rijroute is tot de B. Freijterslaan ingevoerd, omdat de personenauto’s daar op zullen gaan in het heersende verkeersbeeld. De totale emissie NOx als gevolg van deze verkeersaantrekkende werking bedraagt circa 8 kg NOx per jaar. Daarmee is duidelijk dat de aanlegfase de maatgevende fase is. Uit de berekeningen blijkt dat de gebruiksfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Conclusie en voorwaarden Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar, bij de genoemde uitgangspunten. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

Op basis van deze uitgangspunten in het onderzoek blijkt dat er geen Wnb-vergunning nodig is voor het aspect stikstof. Op dit moment is nog geen aannemer in beeld en kunnen de exacte werkzaamheden nog lastig worden overzien. Indien ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de ureninzet wezenlijk anders wordt ingeschat, wordt aanbevolen om een actualisatie te verrichten van de Aerius-berekening. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

11

6 Geluid 6.1

Toetsingskader

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en industrieterreinen. 6.2

Situatie ter plaatse

Met de ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. 6.2.1 Wegverkeer Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Burgemeester Freijterslaan, Jan Vermeerlaan en Hulsdonksestraat. Alle overige omliggende wegen kennen een snelheidsregime van 30 km/uur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel een afweging gemaakt te worden in hoeverre de geluidsituatie van 30 kilometerwegen aanvaarbaar is. Daarom dient ook het akoestisch klimaat vanwege de direct aan de nieuwbouwlocatie gelegen 30 kilometerwegen te worden onderzocht. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Voor een beschrijving van de uitgangspunten en resultaten wordt verwezen naar het onderzoek, dat is opgenomen in de bijlage. In het onderstaande worden de conclusies benoemd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van enkele nieuwe woningen sprake is van overschrijding van de geluidnormen op basis van de Wgh als gevolg van het wegverkeer op de gezoneerde B. Freijterslaan. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 51 dB. Een hogere waardenprocedure is hiervoor noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is verder onderzocht in hoeverre de geluidsituatie van de direct aan het plangebied gelegen 30 kilometerwegen aanvaardbaar is.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de milieukwaliteit vanwege de 30 kilometerwegen op de te bouwen appartementen als goed is te beoordelen. De geluidbelastingen van de 30 kilometerwegen worden dan ook aanvaardbaar geacht. 6.2.2 Railverkeer Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoortraject. 6.2.3 Gezoneerde industrieterreinen Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. 6.3

Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Een hogere waarden procedure is noodzakelijk.

12

7 Externe veiligheid 7.1

Inleiding

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. 7.2

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – in dezen de gemeente en de provincie – afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Voor de risico-inventarisatie is uitgegaan van de navolgende informatiebronnen: • Professionele risicokaart provincie Noord-Brabant1; • Informatie gemeente Roosendaal (RRGS2); • Regeling Basisnet. In afbeelding 3 is een deel van de EV-signaleringskaart weergegeven van gemeente Roosendaal. De ligging van het plangebied is hierin weergegeven.

De Risicokaart geeft weer waar risicobronnen zich bevinden. Het RRGS is en centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. 1 2

13

Afbeelding 3: Risicobronnen en plangebied (bron: EV-signaleringskaart) Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, zijn het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) en de professionele risicokaart geraadpleegd. Het RRGS is en centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De professionele risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Hieruit blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen is gelegen. 7.3

Transportassen

Met het in werking treden van de Wet basisnet is ook Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg, vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Wat de berekening van het groepsrisico betreft, dient voor bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen e.d. die ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen van de in de Regeling basisnet genoemde transportassen, uit te worden gegaan van de in de bijlage vermelde vervoerscijfers. Die vervoerscijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het vervoer. Bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit dient het groepsrisico te worden verantwoord. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het basisnet weg, water en/of spoor, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet.

Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor basisnet weg geldt bijvoorbeeld dat daar waar in bijlage I de afstand ‘0’ is vermeld, het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

14

Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden, moet voor sommige transportassen rekening worden gehouden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor bijvoorbeeld een rijksweg wordt de 30 meter voor het PAG gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In het Bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen binnen een PAG moet voldoen. Als binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 m van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Het invloedsgebied kan dus verder reiken dan 200 meter.

Als dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied, dan moeten wel maatregelen worden overwogen. Bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). Ook hier gelden geen beperkingen voor ruimtegebruik voor het (plan)gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas. In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante transportroutes: • De Rijksweg A17 en A58; • Het spoortraject Roosendaal - Bergen op Zoom/Essen. Alle transportroutes zijn gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Daarom zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en is het groepsrisico niet beschouwd. Omdat het plangebied wel is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische scenario’s, kan volstaan worden met een zogenaamde beperkte verantwoording waarbij aandacht wordt besteed aan hulpverlening, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico. 7.4

Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Buisleidingen Om te bepalen of er in het plangebied of in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat het plangebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van planologisch relevante leidingen met gevaarlijke stoffen. 7.5

Verantwoording groepsrisico

Omdat het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van drie transportroutes dient een verantwoording groepsrisico te worden opgesteld. Omdat voor de beschreven risicobronnen een beperkte verantwoordingsplicht volstaat, wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording, zoals opgenomen in de bijlage. 7.6

Conclusie

Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

15

8 Bodem 8.1

Toetsingskader

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van het bestemmingsplan speelt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. 8.2

Situatie ter plaatse

Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de grond vervuild is en dat een sanering dient te worden uitgevoerd. Ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan worden de resultaten van dit onderzoek toegevoegd. 8.3

Conclusie

Voor dit bestemmingsplan wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan worden de resultaten van dit onderzoek toegevoegd.

16

9 MER 9.1

Toetsingskader

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit Mer) in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag dient te bepalen in hoeverre de activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen hebben, ook wanneer de activiteiten (ruimschoots) onder de drempelwaarden zijn gelegen. Voor deze toetst wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: ▪ Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r-beoordeling noodzakelijk; ▪ Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.rbeoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een milieueffectrapportage. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: ▪ De kenmerken van het project; ▪ De plaats van het project; ▪ De kenmerken van de potentiële effecten. 9.2

Situatie ter plaatse

Met dit bestemmingsplan worden 26 woningen gerealiseerd. Om te bepalen of een m.e.r.beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Het plan kan gerekend worden tot de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2). In artikel 1.1.1, lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat het begrip stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De bijbehorende drempelwaarde is 2.000 woningen of meer. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied. 3. In de milieuparagraaf zijn de verschillende milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door onderhavig plan geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen.

Hoewel de drempelwaarde niet wordt gehaald, dient toch bepaald te worden of sprake is van relevante milieueffecten. Een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus aan de orde. In het onderstaande wordt hier beknopt op ingegaan. Kenmerken van het project Het project betreft de realisatie van 26 appartementen. Met het project wordt met name een verkeersaantrekkende werking naar het plangebied gerealiseerd. Voor het overige gelden er geen noemenswaardige milieueffecten naar de omgeving toe. De verkeersaantrekkende werking betreft maximaal 208 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Plaats van het project Het plangebied is gelegen in binnenstedelijk gebied en ligt dus in een omgeving waar verstedelijking reeds heeft opgetreden. Het plangebied is reeds bebouwd en voorheen in gebruik als bedrijfsperceel. Het gebied heeft geen cultuurhistorische waarde. Gebieden, die deel uit maken van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen op ruime afstand. De kenmerken van de potentiële effecten Ten aanzien van de kenmerken van de potentiële effecten kan het volgende worden opgemerkt: • De woningen belemmeren omliggende bedrijven en voorzieningen niet (zie hoofdstuk 2);

17

• • • • • • • •

Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging (zie hoofdstuk 4); Het plan kent vanuit stikstofdepositie geen significante effecten op Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 5); Het plan realiseert een verkeersaantrekkende werking die past binnen de omgeving en waarbij het omliggende weggennet toereikend is; Er zijn geen nadelige effecten op de waterhuishouding in de omgeving; Het plan maakt geen risicobron mogelijk in het kader van externe veiligheid of zorgt niet voor een significante toename van het groepsrisico; Het plan leidt niet tot significante effecten op beschermde flora- en faunasoorten in of in de omgeving van het plangebied; Het plan heeft geen onevenredige effecten op cultuurhistorie of archeologie; Een woning is geen bodembelastende functie voor de bodemkwaliteit.

Uit de uitgevoerde onderzoeken en motiveringen blijkt dat het plan geen onevenredige milieueffecten heeft op de omgeving. Een m.e.r-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk. 9.3

Conclusie

Het plan, dat woningbouw mogelijk maakt, wordt gerekend tot de activiteiten genoemd in de D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Het plan ligt onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredige milieueffecten op de omgeving. Er is derhalve geen m.e.r-beoordeling of milieueffectrapportage noodzakelijk.

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1229/documents/32576