CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij motivering 1.1 - Analyse omgevingsaspecten Roosendaal Roselaarplein.pdf

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5d: Voorstel 94 - vaststelling omgevingsplanwijziging Roselaarplein13.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ROSELAARPLEIN ROOSENDAAL Inventarisatie en analyse omgevingsaspecten 7 november 2024

1/10

DATUM KENMERK

7 november 2024 20240797/159413/JvB

PROJECT PROJECTLEIDER

Roosendaal Roselaarplein wijziging omgevingsplan ing. J.A. van Broekhoven

OPDRACHTGEVER Gemeente Roosendaal PROJECTNUMMER 20240797 AUTEUR STATUS

2/10

Joris Dingemanse Concept

1. INLEIDING De gemeente Roosendaal werkt aan de verbetering van het winkelcentrum de Roselaar in het centrum van Roosendaal. Een onderdeel daarvan is de herontwikkeling van de V&D-locatie met zijn directe omgeving. Voor de nieuwe inrichting van de buitenruimte in de omgeving van de V&D worden twee gebouwen gesloopt, het winkelpand Roselaarplein 28-31 en het winkelpand Roselaarplein 9-13. De functie van deze twee panden zal daarbij veranderen van ‘Centrum – 1’ in ‘Verkeer-verblijf’. Ten behoeve van de gewenste herontwikkeling moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden gewijzigd. Om de wijziging van het omgevingsplan te motiveren zijn onderzoeken en onderbouwingen nodig om aan te tonen dat de herontwikkeling voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. In dit document worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten getoetst die invloed kunnen hebben op de fysieke leefomgeving. Uit deze inventarisatie en analyse van de omgevingsaspecten blijkt dat voor een aantal omgevingsaspecten nader onderzoek noodzakelijk is om te bepalen of er belemmeringen en/of voorwaarden zijn voor de herontwikkeling. Dit geldt voor: - Soortenbescherming flora en fauna - Stikstof

2. LIGGING PROJECTGEBIED EN BESCHRIJVING HUIDIGE LOCATIE Het projectgebied bestaat uit twee gebouwen, namelijk Roselaarplein 28-31 en Roselaarplein 9-13. Roselaarplein 28-31 staat kadastraal bekend als RSD00-D-9515 en RSD00-D-9516 en heeft een oppervlakte van circa 100 m2. In dit gebouw waren geruime tijd geleden enkele winkels gevestigd, maar het gebouw staat inmiddels geruime tijd leeg. Roselaarplein 9-13 staat kadastraal bekend als RSD00-D-8137, RSD00-D-7094, RSD00-D-7093, RSD00-D-7092, RSD00-D-7091 en RSD00-D-8136 en heeft een oppervlakte van circa 775 m2. In dit gebouw bevinden zich een bakkerij, een winkel voor gezondheids- en schoonheidsartikelen, een grillwinkel, Mexicaanse eetgelegenheid en twee kledingwinkels.

3/10

Figuur 1: Het projectgebied is rood omkaderd, aan de oostzijde bevindt zich Roselaarplein 28-31 en aan de westzijde bevindt zich Roselaarplein 9-13 (Bron: Google Maps, bewerking Rho adviseurs)

Figuur 2: Aanzicht Roselaarplein 9-13 (Bron: Cyclomedia d.d. 17 februari 2024)

Figuur 3: Aanzicht Roselaarplein 28-31 (Bron: Cyclomedia d.d. 17 februari 2024)

3. BEOOGDE HERONTWIKKELING De gebouwen aan het Roselaarplein 28-31 en Roselaarplein 9-13 worden gesloopt ten behoeve van de nieuwe inrichting van de buitenruimte. Dit leidt tot de verbetering van het centrum van Roosendaal. Doordat er een groter openbaar gebied ontstaat, ontstaan er voor het publiek betere looproutes.

4/10

4. TOETSING OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn voor de herontwikkelingen aan het Roselaarplein te Roosendaal. Gevolgen voor de fysieke leefomgeving Haalbaarheid M.e.r.-beoordeling Gezien de aard en omvang van dit project, de sloop van de bebouwing en de functieverandering naar ‘Verkeer-verblijf’, kan er vanuit worden gegaan dat dit geen stedelijk ontwikkelingsproject is. Een mer-beoordeling of mer-procedure is om die reden niet vereist. Bodemkwaliteit

Er wordt een niet-bodemgevoelige activiteit op een nietbodemgevoelige activiteit gerealiseerd. Hierdoor is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk.

Water

De herontwikkeling ligt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De locaties van de te slopen gebouwen zijn niet gelegen in een kernof beschermingszone van een (regionale) waterkering. In de huidige situatie is bebouwing aanwezig. in de toekomstige wordt de bebouwing gesloopt en zullen de locaties onderdeel worden van de openbare ruimte. De openbare ruimte krijgt een deels groene invulling waardoor verharding deels beperkt wordt.

Trillingen

In de omgeving van het projectgebied vinden geen trillingbelastende activiteiten plaats die mogelijk een belemmering vormen voor de beoogde herontwikkeling. Specifiek onderzoek is niet noodzakelijk.

Ecologie: gebiedsbescherming

Ten behoeve van natuur is er geen instructieregel in het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) opgenomen bij wijziging van het omgevingsplan. De regels voor natuur zijn van toepassing op het uitvoeren van de activiteiten en er is een ander bevoegd gezag dan de gemeente. In het kader van het principe ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt in de motivering van de wijziging van het omgevingsplan wel aandacht besteed aan de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied (Natuurnetwerk Nederland) ligt op een afstand van circa 1,7 kilometer van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Brabantse Wal en ligt op circa 7,5 kilometer. Negatieve effecten op deze gebieden met uitzondering van stikstof kunnen uitgesloten worden.

5/10

De ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. De effecten op beschermde (gevoelige) gebieden dienen onderzocht te worden. Aangetoond moet worden dat de herontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Door middel van de meest recente AERIUS-rekentool wordt inzicht verkregen in de mogelijke toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase en in de aanlegfase. Naar verwachting vormt stikstof geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Ecologie: soortenbescherming

Ten behoeve van de herontwikkeling vinden er sloopwerkzaamheden plaats. Mogelijk hebben deze werkzaamheden effect op beschermde dier- en plantensoorten. Om te bepalen of de bebouwing of directe omgeving een functie zou kunnen vervullen voor beschermde soorten is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna noodzakelijk. De uitgevoerde quickscan flora en fauna is bijgevoegd als bijlage. Het volgende is daarbij geconcludeerd. •

•

•

•

6/10

Het projectgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten blijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het betreffende plan. In het projectgebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen betreft de periode dat actieve nesten van vogels aanwezig zijn. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt (normaliter) grofweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het projectgebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het projectgebied biedt geen

•

•

•

•

essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor incidenteel aanwezige beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het projectgebied en de ruime aanwezigheid van vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het projectgebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. In het projectgebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het projectgebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel Groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

Zorgplicht Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen en passende ontwikkelingsmaatregelen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek noodzakelijk naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen.

Cultureel erfgoed

7/10

Archeologie Ter plaatse van het projectgebied is in 2004 een aanvullende archeologische inventarisatie (bureau- en booronderzoek) uitgevoerd. Naar aanleiding van dit uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van

het projectgebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het uitvoeren van een (nader) archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Cultuurhistorie Ter plaatse van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. De herontwikkeling heeft dan ook geen invloed op cultuurhistorische objecten. Geluid door activiteiten

Met de beoogde herontwikkeling worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ook worden er geen activiteiten aan het projectgebied toegevoegd die geluid veroorzaken binnen of buiten het projectgebied. Daarom is toetsing aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Bruidsschat niet aan de orde.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Er worden geen geluidgevoelige gebouwen toegelaten binnen geluidaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen. Ook is geen sprake van wegaanleg en/of wijzigingen van wegen. Daarom is toetsing aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet aan de orde.

Verkeer en parkeren

In het TAM-omgevingsplan (Tijdelijke alternatieve maatregelen) dient inzicht te worden gegeven in de verkeersgeneratie, de parkeerbehoefte en de wijze waarop daarin wordt voorzien. De benodigde parkeerbehoefte en verkeersgeneratie ten behoeve van de winkels in de twee gebouwen zal verdwijnen. Hierdoor kan er geconcludeerd worden dat er een afname is aan beide aspecten. Knelpunten worden dan ook niet verwacht. Het aspect verkeer en parkeren kan dan ook kwalitatief onderbouwd worden.

Omgevingsveiligheid

Het perceel aan het Roselaarplein 28-31 bevindt zich in het explosieaandachtsgebied van het spoor. Het perceel aan de Roselaarplein 9-13 valt buiten de aandachtsgebieden, maar binnen de PR 10-8 contour van het spoor. In de beoogde situatie zijn de locaties onderdeel van het openbaar gebied. Hierdoor zijn de locaties geen kwetsbaar object. Dit aspect kan dus kwalitatief onderbouwd worden.

Luchtkwaliteit

Het projectgebied ligt niet binnen een aangewezen aandachtsgebied zoals genoemd in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Het project is van dusdanig kleine schaal dat het NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging in het gebied. Dit betekent dat het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten

8/10

Nederland (2020) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Duurzaamheid, klimaatadaptatie en gezondheid

5. ACTIELIJST Voor een aantal omgevingsaspecten is nader onderzoek noodzakelijk om te bepalen of er belemmeringen en/of voorwaarden zijn voor de ontwikkeling. Deze onderzoeken zijn in de volgende tabel opgenomen. De resultaten van deze onderzoeken zijn nodig voor het doorlopen van een procedure voor de ontwikkeling.

Onderdeel

Onderzoek

Opmerking

Natuur soortenbescherming

Nader onderzoek ecologie

Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek noodzakelijk naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen.

Natuur gebiedsbescherming

Onderzoek stikstofdepositie A.d.h.v. gegevens omtrent materieel en – aanlegfase en gebruiksfase planning komen tot een worst-case berekening. Dit onderzoek is uitgezet.

9/10

Bijlage 1 Quickscan flora en fauna

10/10

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

G&G-advies QS2024-323

Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

C.A.M. Van der Heijde

2024

Opdrachtgever RHO Adviseurs

G&G-advies QS2024-323

Datum Versie

31 oktober 2024 V1

Gecontroleerd door: L. Hartog De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Ligging van het plangebied ...................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden ...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 7

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden................................................................................................................ 10

3

Aanwezige biotopen

11

4

Aanwezige beschermde soorten

12

4.1

Planten ................................................................................................................... 12 4.1.1 Aangetroffen soorten .............................................................................................. 12 4.1.2 Potentie plangebied ................................................................................................ 12

4.2

Vissen ..................................................................................................................... 12

4.3

Amfibieën............................................................................................................... 12 4.3.1 Aangetroffen soorten .............................................................................................. 12 4.3.2 Potentie plangebied ................................................................................................ 12

4.4

Vogels..................................................................................................................... 13 4.4.1 Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten ............................... 13 4.4.2 Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten .................... 13 4.4.3 Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten ....................................... 13 4.4.4 Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten............................................... 13

4.5

Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 14 4.5.1 Aangetroffen soorten .............................................................................................. 14 4.5.2 Potentie plangebied ................................................................................................ 15

4.6

Vleermuizen ........................................................................................................... 15 4.6.1 Aangetroffen soorten .............................................................................................. 15 4.6.2 Potentie verblijfplaatsen ......................................................................................... 16 4.6.3 Potentie foerageergebied ....................................................................................... 18 4.6.4 Potentie vliegroute .................................................................................................. 18

4.7

Overige fauna ........................................................................................................ 18

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

4

4.7.1 Aangetroffen soorten ............................................................................................. 18 4.7.2 Potentie plangebied................................................................................................ 18

4.8

5

Conclusie beschermde soorten ..............................................................................19

Effectbeoordeling en maatregelen

20

5.1

Vogels .....................................................................................................................20

5.2

Vleermuizen ...........................................................................................................21 5.2.1 Verblijfplaatsen....................................................................................................... 21 5.2.2 Foerageergebied ..................................................................................................... 21

5.3

6

7

8

Conclusie effectbeoordeling ..................................................................................22

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

23

6.1

Natura 2000 ...........................................................................................................23

6.2

Natuurnetwerk Brabant (NNB) ..............................................................................23

6.3

Weidevogelgebieden .............................................................................................24

6.4

Houtopstanden ......................................................................................................24

6.5

Overige relevante wetgeving .................................................................................24

6.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................25

Zorgplicht

26

7.1

Passende preventieve maatregelen.......................................................................27

7.2

Passende ontwikkelingsmaatregelen.....................................................................27

Conclusies

28

8.1

Beschermde soorten ..............................................................................................28

8.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................29

8.3

Zorgplicht ...............................................................................................................29

9

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

30

10

Bijlagen

32

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen twee objecten aan de Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal te slopen. Roosendaal ligt in de gelijknamige gemeente in de provincie Noord-Brabant. De bebouwing in het plangebied wordt gesloopt om ruimte te maken voor een nieuwe inrichting van de buitenruimte. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Omgevingswet (hierna Ow) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (zie Bijlage 1), waaronder een ‘flora- en fauna-activiteit’ (zie Bijlage 1.2.7). In opdracht van RHO Adviseurs heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Ow. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken en wordt de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1) gerelateerd tot de plannen besproken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en de noodzaak een omgevingsvergunning beschermde soorten aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

6

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft twee gebouwen en bevindt zich in de stedelijke omgeving van Roosendaal. Op 450 meter afstand ten zuiden van het plangebied loopt de A58, een drukke verkeersader. Op 8 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Brabantse Wal.

1.4

Werkzaamheden De bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt om ruimte te maken voor een nieuwe inrichting van de buitenruimte. De omliggende ruimte word enkel gebruikt voor de tijdelijke opslag van materialen. Tijdens de uitvoer van de werkzaamheden worden geen bomen gesnoeid of gekapt. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van bebouwing en implementatie van energetische verbeteringen met zware constructiewerkzaamheden, benodigd hak-, breek- en zaagwerk, het vergraven van de bodem en het opbrengen van grond. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen en licht en verandering van microklimaat, verstoring optreden van (beschermde) soorten.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

1.5

7

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt beoordeeld of passende maatregelen genomen moeten worden. Ten slotte bevat hoofdstuk 8 de conclusies. Hoofdstuk 9 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of een vergunning moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is onderzocht in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied ligt en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gericht gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Voor de bronnenstudie wordt naar alle waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2014-2024). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard, de waarde en de relevantie van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning, de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met andere vogels moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook Bijlage 1.2.5).

Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Naar Rode lijst-soorten (waarvoor de specifieke zorgplicht geldt) is gericht gezocht binnen het gehele plangebied en omliggende 100 meter. Op basis van de aanwezige biotopen wordt in hoofdstuk 7 een inschatting gemaakt of dergelijke soorten voor kunnen komen in het plangebied. Voor deze soorten worden afhankelijk van de situatie passende aanbevelingen gedaan waarmee het plangebied geschikt blijft of schade kan worden beperkt. Voor alle hierboven genoemde

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

9

soortgroepen geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de algemene zorgplicht welke wordt besproken in hoofdstuk 7 en Bijlage 1.1.1. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken. Potentiebeoordeling Het plangebied is op 10 oktober 2024 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.

→https://www.nvwa.nl/

onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten

Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (Hoofdstuk 4) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyses en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. De aangetroffen biotopen binnen het plangebied worden onderverdeeld in typeringen. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn, wordt aangegeven of specifieke of passende maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of een vergunning dient te worden aangevraagd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

10

2.2

Gebieden Op de ‘InformatieKaart Natuur’ van BIJ12 is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden die horen bij Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie: https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: Noord-Brabant: https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=aadee d0954ee4cebaa058ed0ae6a4c40 Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

3

11

Aanwezige biotopen In dit hoofdstuk worden de aanwezige biotopen beschreven zoals deze in het veld zijn getypeerd: bebouwing. Bebouwing De bebouwing binnen het plangebied betreft twee gebouwen met een winkelfunctie. Beide gebouwen bestaan uit één bouwlaag en hebben een plat dak, dat is bedekt met bitumen. Het dak is afgesloten met metalen daklijsten. Onder de metalen daklijsten, van beide gebouwen, zijn incidenteel opvallende spleten aanwezig. De gevels van beide gebouwen zijn opgebouwd met gepolijste stenen platen. Tussen de gepolijste stenen zijn opvallende spleten aanwezig. Achter de stenengevelbekleding is veel ruimte aanwezig. De raamkozijnen laten geen ruimte over voor mogelijke achterliggende ruimtes. De directe omgeving van het plangebied is geheel verhard.

Het oostelijke winkelgebouw, gebouwd in 1992.

Het westelijke winkelgebouw, gebouwd in 1994.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

12

4

Aanwezige beschermde soorten In dit hoofdstuk worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld-bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

4.1

Planten

4.1.1

Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen (NDFF 2014-2024).

4.1.2

Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor de genoemde soorten. Het plangebied is volledig versteend.

4.2

Vissen Omdat in het plangebied zelf geen water aanwezig is, kunnen hier geen (beschermde) vissoorten voorkomen.

4.3

Amfibieën

4.3.1

Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied is in het verleden Alpenwatersalamander waargenomen (NDFF 2014-2024). De Alpenwatersalamander is een beschermde soort die wordt genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1).

→https://www.verspreidings

atlas.nl/amfibieën

In de omgeving van het plangebied is in het verleden Alpenwatersalamander aangetroffen (NDFF 2014-2024). Het plangebied ligt ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied← van deze soort en het betreft daarom waarschijnlijk uitgezette of aangevoerde exemplaren. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soort.

4.3.2

Potentie plangebied In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig voor amfibieën. Het gebied levert ook geen geschikt landbiotoop.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

4.4

13

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5).

4.4.1

Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden enkele vogelsoorten waargenomen: Houtduif, Ekster (cat. 5) en Kauw.

4.4.2

Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Op de platte daken van de bebouwing binnen het plangebied kunnen mogelijk soorten als Scholekster, Zilvermeeuw, Kleine mantelmeeuw en Stormmeeuw tot broeden komen. In de bebouwing kunnen categorie 5-soorten broeden als Spreeuw, Koolmees en Pimpelmees.

4.4.3

Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende roofvogels, uilen en overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vastgesteld (NDFF 2014-2024). Deze soorten hebben echter geen aantoonbare binding met het plangebied. De meeste bekende waarnemingen betreffen overvliegende (trek)vogels of deze soorten hebben gebroed in andere biotopen zoals bebouwing en bos in de omgeving (NDFF 2014-2024). De soorten broeden niet in de directe omgeving van het plangebied. Huismus en Gierzwaluw broeden in de nabije stedelijke omgeving op ongeveer 500 meter van het plangebied. De overige waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan.

4.4.4

Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen geschikte bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of grote nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

14

Er is geen broedbiotoop voor roofvogels en uilen aanwezig, zoals hoge bomen met grote nesten of schuren en open zolders. Er werden geen sporen van dergelijke soorten aangetroffen zoals braakballen, prooiresten en krijtsporen. Huismus broedt in bebouwing en bouwt nesten onder dakpannen of golfplaten met onderbetimmering, in gaten in muren en op spantconstructies. Vanuit de nestlocatie of omliggende uitzichtpunten moet de Huismus overzicht hebben op de omgeving. Huismus stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van dekking biedende struiken, voedselvoorzieningen (voederplekken of kruidenrijke overhoeken) en open zandplekken voor het nemen van zandbaden. Het plangebied biedt vanwege het ontbreken van deze elementen geen essentieel leefgebied voor de Huismus. Gierzwaluw broedt in stedelijke bebouwing onder dakpannen, randpannen, loodslabben of achter boeidelen. Gebouwen met platte daken zonder speciale kasten zijn niet geschikt. De nestlocaties moeten beschikken over ‘vrije uitvalmogelijkheden’ omdat de poten van Gierzwaluw te zwak zijn om op eigen kracht op te stijgen. Gierzwaluw wordt in het plangebied niet verblijvend verwacht vanwege het ontbreken van dergelijke geschikte nestlocaties.

Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus, Sperwer en Ransuil. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten.

4.5

Grondgebonden zoogdieren

4.5.1

Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Eekhoorn en kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) waargenomen (NDFF 2014-2024). Eekhoorn en kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). De meeste waarnemingen van de beschreven soorten werden gedaan op minimaal 500 meter afstand van het plangebied (NDFF 2014-2024). De soorten zijn nooit in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Wezel werd op 500 meter afstand van het plangebied vastgesteld (NDFF 2014-2024). De soort werd eenmaal waargenomen in het Vrouwenhofpark ten zuiden van het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

15

Van Bunzing zijn meerdere waarnemingen bekend op minstens 1 kilometer afstand van het plangebied. Het betroffen voornamelijk verkeersslachtoffers langs de A17 (NDFF 2014-2024). In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten.

4.5.2

Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Ow maar ze zijn in Noord-Brabant ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het plangebied biedt geen schuilmogelijkheden zoals dichte begroeiing en dekking waar beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren gebruik van kunnen maken. Ook ontbreekt gunstig jachtgebied met veel prooidieren (muizen). Tevens zijn er rond de bebouwing vaak mensen aanwezig zodat noodzakelijke rust voor de dieren ontbreekt. Het is wel mogelijk dat incidenteel beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren die elders verblijven, in het plangebied voorkomen. Gezien de grootte en geïsoleerde ligging maakt het plangebied geen onderdeel uit van essentieel leefgebied.

4.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Alle soorten vleermuizen, evenals verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1).

4.6.1

Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied zijn zes soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2014-2024). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Watervleermuis en Meervleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Van de Gewone dwergvleermuis is een zomerverblijf bekend op ongeveer 100 meter afstand van het plangebied (NDFF 2014-2024).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

16

4.6.2

Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. Bebouwing De waargenomen gaten, kieren en spleten in de muren en daken van de bebouwing geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes om te verblijven. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten als Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis en Gewone grootoorvleermuis. Meervleermuis: Omdat het plangebied niet grenst aan een belangrijke waterverbinding met mogelijk langsvliegende (vrouwelijke) Meervleermuizen, en geen verblijven (kraam- of satellietverblijven) bekend zijn nabij het plangebied, worden op voorhand geen ‘transitieverblijven’ (mannen- en paarverblijven) van de Meervleermuis verwacht. Als gedurende het vleermuisonderzoek indicatieve waarnemingen worden gedaan van de Meervleermuis, moeten bezoekrondes en bezoektijden zodanig worden aangepast dat de genoemde verblijftypes alsnog volledig kunnen worden onderzocht.

Overige soorten Andere soorten vleermuizen zoals Kleine dwergvleermuis, Baardvleermuis en Tweekleurige vleermuis zijn zeldzaam of worden op voorhand niet verwacht in de onderzochte bebouwing. Deze soorten dienen tijdens vervolgonderzoek (zie §5.3) wel te worden meegenomen. Als tijdens het vleermuisonderzoek indicatieve waarnemingen worden gedaan van deze soorten, moeten bezoekrondes en bezoektijden worden aangepast conform het geldende onderzoeksprotocol. Indien er indicaties zijn dat een van deze soorten (verblijvend) aanwezig is, kan door het onderzoek hier op af te stemmen, het eventuele voorkomen van deze soorten volledig in beeld worden gebracht. Type potentiële verblijfplaatsen De gaten, kieren en spleten met potentie voor verblijvende vleermuizen bevinden zich tussen de spleten in de dakrand en de gevels en achter loszittende gevelbekleding. De potentie bevindt zich verspreid over alle gevels van de bebouwing.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

17

Gezien de aard van de bebouwing is tijdelijk verblijf in de zomer en in de paarperiode van de Gewone dwergvleermuis het meest waarschijnlijk. Er worden gezien de beperkte buffering van de aanwezige holtes geen (massa-) winterverblijven verwacht. Laat in het najaar aanwezige vleermuisverblijven zouden gedurende warme periodes in de winter wél gebruikt kunnen worden door actieve vleermuizen die nog niet in diepe winterrust verkeren.

De openingen tussen de gevelbekleding en de dakranden geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte achterliggende ruimtes.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

18

4.6.3

Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De schaars aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.

4.6.4

Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied en het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, doorlopende watergangen of brede rietkragen kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.

4.7

Overige fauna

4.7.1

Aangetroffen soorten Er zijn waarnemingen bekend van Teunisbloempijlstaart (nachtvlinders) in de omgeving van het plangebied (NDFF 2014-2024). Teunisbloempijlstaart is driemaal waargenomen in de omgeving van het plangebied.

4.7.2

Potentie plangebied Het plangebied is ongeschikt voor Teunisbloempijlstaart. Binnen het plangebied ontbreken vegetaties met Wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik of kattenstaart, de waardplanten voor deze soort. Daarnaast ontbreekt een losse strooisellaag waar de rupsen in kunnen verpoppen gedurende de winterperiode. Het plangebied is niet geschikt voor overige beschermde fauna in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

4.8

19

Conclusie beschermde soorten Op grond van §4.1 t/m §4.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt uiteengezet welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in plangebied

Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het plangebied

Planten

nee

nee

nee

Vissen

nee

nee

nee

Amfibieën

NDFF

nee

nee

veldbezoek, NDFF

ja

niet-jaarrond beschermde nesten

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

NDFF

incidenteel

nee

Grondgebonden zoogdieren

NDFF

incidenteel

nee

Vleermuizen

NDFF

ja

verblijfplaatsen

Overige beschermde fauna

NDFF

nee

nee

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

20

5

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

5.1

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals de sloop van de bebouwing. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de aanwezige soorten, ieder aanwezig actief nest is beschermd ongeacht de periode van het jaar. Als onverhoopt buiten deze periode broedende vogels aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt de periode van februari t/m augustus gezien als de gevoelige periode. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt. ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Spreeuw, Koolmees en Pimpelmees), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied.

Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

21

vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

5.2

Vleermuizen

5.2.1

Verblijfplaatsen Bij de sloop van de bebouwing zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Aanbevolen wordt algemene gebouwbewonende soorten (Gewoneen Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger) te onderzoeken. Tevens moeten kraamverblijven van Meervleermuis alsmede de verblijven van Grootoorvleermuis in de initiële onderzoeksopzet worden betrokken. Als gedurende vleermuisonderzoek naar algemene soorten aanwijzingen worden verkrijgen dat andere soorten dan in beginsel verwacht, aanwezig zijn en kunnen verblijven in het plangebied, dient de onderzoeksstrategie te worden aangepast en toegespitst. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is dan tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.

5.2.2

Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de werkzaamheden omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

22

5.3

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om algemene gebouwbewonende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek dient te worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Aanbevolen wordt de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg half maart – half juli) óf het plangebied voor de broedperiode ongeschikt te maken voor broedvogels.

Soort/Soortgroep Periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied.

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger

Van der Goes en Groot

onderzoeksperiode Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken)

Paarverblijven en zwermgedrag (3 bezoeken)

Aantal bezoeken 6

half mei – half juli augustus – oktober half mei – half juli augustus – oktober half mei – half juli augustus – oktober

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

6

23

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstukken 4 en 5 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Omgevingswet kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3.4). In de bepalingen die staan uitgewerkt in de Ow kunnen gebieden ook beschermd zijn als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

6.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 8 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Brabantse wal (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming door stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.

6.2

Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

24

6.3

Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.

6.4

Houtopstanden De werkzaamheden binnen het plangebied zullen uitsluitend aan de bebouwing plaatsvinden. Bijzondere houtopstanden binnen het plangebied zijn daarom niet aan de orde.

6.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied en het NNB.

Natura 2000-gebied Brabantse Wal

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

6.6

25

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van de precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Brabant.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

26

7

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Eventueel in het plangebied verwachte soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten worden ook besproken in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5. Aangezien natuurlijke habitats en belangrijke leefgebieden voor deze soorten ook vallen onder de specifieke zorgplicht en deze onder de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast, wordt hier ook rekening mee gehouden bij de hieronder beschreven maatregelen. Met behulp van passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De te nemen maatregelen worden besproken in relatie tot de werkzaamheden en de in het plangebied aanwezige biotopen (zie §1.4 en hoofdstuk 3). Ook worden maatregelen ter bevordering van in het wild levende soorten en hun leefomgeving geadviseerd.

In het plangebied worden vanwege het ontbreken van geschikte biotopen geen kwetsbare of bedreigde soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht verwacht. De bebouwing is grotendeels afgedicht en het gehele omliggende terrein is verhard. Daarom worden in dit geval geen gerichte maatregelen ten behoeve van de specifieke zorgplicht besproken. Wel worden enkele maatregelen genoemd die bevorderend kunnen zijn voor de natuur, waarmee de algemene zorgplicht nageleefd kan worden. In §7.1 en §7.2 worden maatregelen genoemd ten behoeve van de algemene en specifieke zorgplichten. Deze maatregelen zijn bevorderend voor de natuur en zijn in deze situatie ook toepasbaar om mogelijke negatieve effecten op in het plangebied voorkomende Rode Lijst-soorten te voorkomen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

7.1

27

Passende preventieve maatregelen Teneinde de zorgplicht na te leven dient men voorafgaand en tijdens de werkzaamheden met betrekking tot de aanwezige biotopen (zie hoofdstuk 3) de volgende preventieve maatregelen te nemen:  Alle aanwezige bebouwing moet gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig gewerkt worden dat de meest gevoelige periodes van te verwachten soorten (vooral voortplantings- en winterrustperiodes) vermeden worden.  Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt om verstoring van nachtactieve soorten te beperken.

7.2

→https://www.checklist

groenbouwen.nl/

Passende ontwikkelingsmaatregelen Met behulp van de hieronder beschreven maatregelen kan de natuur in het plangebied ontwikkeld worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe situatie de ruimte. Aanvullend zijn er veel ←websites beschikbaar met tips en informatie over groen bouwen en het natuurlijk inrichten van de omgeving.  Het plaatsen van speciale nestkasten, inmetselstenen en vogelvides ten behoeve van Huismussen, Gierzwaluwen en Spreeuwen.  Het plaatsen van speciale vleermuiskasten in gevelmuren ten behoeve van verblijvende vleermuizen.  Het gebruiken van vleermuisvriendelijke verlichting en inschijnen waar mogelijk te voorkomen door deze enkel naar de grond te richten.  Indien bij de nieuwe inrichting van het plangebied ook groenstructuren gerealiseerd worden kunnen ook insectenhotels aan gevelmuren of in de omgeving van groenstructuren geplaatst worden.  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals Eenstijlige meidoorn, Wilde liguster, Gewone vlier, Sleedoorn en Klimop, welke vogels en insecten als vlinders, wilde bijen en zweefvliegen kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, (spits)muizen en vleermuizen.

 Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten als Muurvaren, Tongvaren en Steenbreekvaren.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-323

Roselaarplein 28-32 en 1a te Roosendaal

28

8

Conclusies 8.1

Beschermde soorten  Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen betreft de periode dat actieve nesten van vogels aanwezig zijn. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt (normaliter) grofweg van half maart tot half juli.  Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1796/documents/51530