Bijlage 3.2 Toelichting wijziging Verordening reclamebelasting.pdf
Tekst van het document
Bijlage 4.1 – toelichting op wijzigingen in de voorgestelde verordening 2026 – 2030 ten opzichte van de huidige verordening 2021 – 2025 (reclamebelasting Majoppeveld en Borchwerf I)
Artikel 1 - Begripsomschrijvingen De begripsomschrijvingen zijn in artikel 1 op alfabetische volgorde geplaatst. Artikel 1, aanhef en sub a, kent een nieuw begrip, namelijk ‘exploitant’. Dit begrip wordt al gehanteerd in de huidige verordening, maar is voor de duidelijkheid nu voorzien van een definitie. Deze definitie is afkomstig uit de VNG-modelverordening. Artikel 1 van de huidige verordening kent het begrip ‘reclameobject’. Dit begrip is in de hele verordening vervangen door het begrip ‘openbare aankondiging’, zo ook in artikel 1. De definitie van ‘openbare aankondiging’ in het voorgestelde artikel 1, aanhef en sub c, sluit nu aan op de uitleg die daaraan in vaste jurisprudentie wordt gegeven. Artikel 2 - Gebiedsomschrijving Artikel 2, lid 2 en sub a en sub b is op ondergeschikte wijze aangepast; dit is louter ter verduidelijking en zonder inhoudelijke reden. Er wordt geen wijziging in de gebiedsomschrijvingen van Borchwerf I en Majoppeveld aangebracht (bijlagen 1 en 2 bij de verordening). Artikel 3 – Belastbaar feit Dit artikel is op ondergeschikte wijze aangepast; hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Artikel 4 - Belastingplicht Het nieuwe artikellid 1 is op ondergeschikte wijze aangepast, bijvoorbeeld door niet langer te spreken van een reclameobject maar van het (wettelijke) begrip ‘openbare aankondiging’. Deze en de andere wijzigingen van lid 1 zijn niet inhoudelijk van aard. In het nieuwe artikel 4 is het nu bestaande artikellid 3 over de heffingsplicht voor openbare aankondigingen van een ‘tussenpersoon’ ten behoeve van de verhuur of verkoop van onroerende zaken verwijderd, omdat hiervoor óók een vrijstellingsbepaling in artikel 5 bestaat. Dit is innerlijk tegenstrijdig. Er is voor gekozen om deze categorie openbare aankondigingen vrijgesteld (te houden) van de belastingplicht.
Artikel 5 – Vrijstellingen op de belastingplicht De vrijstellingen op de belastingplicht blijken in de huidige verordening uit artikel 11. Dit artikel is in de nieuwe verordening verplaatst naar artikel 5; direct achter de bepaling die beschrijft wie belastingplichtig is.
Aan artikel 5, aanhef en sub c, is toegevoegd de tekst ‘of een andere publiekrechtelijke rechtspersonen’. Hiermee wordt beoogd dat eventuele openbare aankondigingen van andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan de gemeente, ook van de reclamebelasting zijn vrijgesteld. Denk hierbij aan een aankondiging van provincie of waterschap. Aan artikel 5, aanhef en sub e, is toegevoegd de tekst ‘of de daarvoor geldende werk- en veiligheidsinstructies’. Hiermee is beoogd verder te verduidelijken dat de vrijstelling van openbare aankondigingen die zijn aangebracht op bouwterreinen expliciet is afgebakend tot het informeren van het publiek over de concrete bouwwerkzaamheden die op het betreffende bouwterrein plaatsvinden. Artikel 5, aanhef sub j, geeft een vrijstelling voor openbare aankondigingen waarvan de totale oppervlakte per vestiging minder dan 0,01 vierkante meter bedraagt. Deze vrijstelling geldt in de huidige verordening voor oppervlaktes die minder dan 0,1 vierkante meter bedragen. De nu opgenomen grens van 0,01 vierkante meter sluit beter aan op andere reclamebelastingverordeningen.
Artikel 6 – Belastingobject Dit artikel is op ondergeschikte wijze aangepast; hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Artikel 7 – Berekening van de hoogte van de reclamebelasting Artikel 7 lid 1 is tekstueel aangepast met het doel om verder te verduidelijken dat de reclamebelasting bestaat uit een vast bedrag per vestiging vermeerderd met een variabel bedrag waarvan de hoogte afhangt van de waarde van die vestiging. Deze systematiek zit ook al in de huidige verordening, dus dit betreft geen inhoudelijke wijziging. De overige leden van artikel 7 zijn ongewijzigd gebleven.
Artikel 8 – Belastingtarief Artikel 8 bevat de regels over de berekening van de hoogte van het belastingtarief. Dit artikel geeft de afspraken weer die tussen de gemeente, de ondernemersverenigingen en SOFR voor de periode 2026-2030 zijn gemaakt. Er is in gezamenlijkheid besloten om het vaste bedrag en het maximumbedrag van de heffing jaarlijks te indexeren (en het jaar daarna het reeds daarvoor geïndexeerde bedrag weer als basis te nemen voor opnieuw indexeren). Het toepasselijke vaste bedrag en het maximumbedrag die gelden voor een bepaald belastingtijdvak, worden vóór aanvang van dat belastingtijdvak als een zakelijke mededeling in het Gemeenteblad gepubliceerd. Op deze manier is voor alle ondernemers tijdig duidelijk welke precieze bedragen voor het betreffende belastingtijdvak gelden, die vanwege de afspraak van jaarlijkse indexering op indexering niet in één oogopslag duidelijk zijn.
Indexering geschiedt met toepassing van de Consumentenprijsindex (CPI). Gekozen is voor een systematiek om de hoogte van het toe te passen indexatiepercentage te bepalen door het gemiddelde te nemen van de indexeringspercentages van het CPI van 1 november tot en met 1 november voorafgaand aan het toepasselijke belastingtijdvak. Een voorbeeld: voor berekening van het geïndexeerde vaste bedrag voor het belastingtijdvak 2026 wordt het indexatiepercentage bepaald door het gemiddelde te nemen van de percentages van het CPI van 1 november 2024 tot en met 1 november 2025. Door alle partijen is afgesproken dat het toe te passen indexeringspercentage maximaal 3% is, dus ook als het hiervoor bedoelde gemiddelde boven die 3% uitstijgt. Het voorgaande heeft zijn plek gekregen in artikel 8 leden 3, 6 en 7.
Artikel 9 – Belastingtijdvak Deze bepaling is ongewijzigd.
Artikel 10 – Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang Deze bepaling is ongewijzigd.
Artikel 11 Wijze van heffing Deze bepaling is ongewijzigd.
Artikel 12 – Termijnen van betaling Deze bepaling is aangepast op verzoek van de BWB, om de betalingstermijnen van alle verordeningen te uniformeren en daarmee de uitvoerbaarheid van de belastingheffing door de BWB te bevorderen.
Artikel 13 – Kwijtschelding Deze bepaling is ongewijzigd.
Artikel 14 – Nadere regels door het dagelijks bestuur Aan artikel 14 is toegevoegd dat de bevoegdheid van de BWB tot het stellen van nadere regels is afgebakend tot hetgeen daartoe redelijkerwijs toelaatbaar is, naast dat die regels ook met inachtneming moeten zijn van hetgeen de verordening bepaalt. Dit laatste staat al in de huidige verordening, het eerste nog niet.
Artikel 15 – Inwerkingtreding en citeertitel Data en naamgeving zijn aangepast.