CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2020-06-05 FFQS Flaviadonk Roosendaal.pdf

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5c: Voorstel 52 Vaststelling bestemmingsplan Flaviadonk4.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QuickScan Flora en fauna Flaviadonk 2 Roosendaal Rapport nr. 2020012 Juni 2020

Taharo Ecologisch advies Valleiweg 51 30911 DB Rhenen www.taharo.nl

Inhoudsopgave 1 Inleiding Werkwijze QuickScan flora en fauna

2 2

2 Planbeschrijving Ligging van het plangebied Huidige situatie Toekomstige situatie

3 3 3 4

3 Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid 4 Toetsing beschermde houtopstanden

8 8 10 11

5 Toetsing soortbescherming Vogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelde dieren Vaatplanten

10 12 13 13 14 14 14 14 15

6 Conclusie

16

7 Samenvatting

17

8 Geraadpleegde bronnen

18

1

1

Inleiding

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van de sloop van een oud schoolgebouw met bijgebouwen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de huidige natuurwaarden is op 4 juni 2020 van circa 15.00 – 16.30 uur door een ecoloog van Taharo een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betroffen: vrijwel geheel bewolkt, met een noordwestenwind van 3 Bft, 12,8°C. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd.

Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.

2

2

Planbeschrijving

Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Flaviadonk 2 te Roosendaal, kadastraal bekend onder nummer 7402, in het zuidelijk deel van de stad, in een woonwijk. Volgens de topografische

kaart van Nederland kaartblad 30F (schaal 1:25.000) zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 092.002, Y = 392.464. Het plangebied is rood omkaderd weergegeven op de luchtfoto (figuur 1) en weergegeven als een rode ster op de topografische kaart (figuur 2).

Figuur 1. Luchtfoto met globaal aangegeven het plangebied, rood omlijnd.

Huidige situatie Het plangebied betreft een oud schoolgebouw met wat lage bijgebouwen en een wat hogere gymzaal. Er is redelijk veel houtige begroeiing rondom het gebouw, o.a. hoger opgaande struiken en relatief hoge bomen. Er is een binnenplaatsje waar een grote vijver is, die momenteel droogstaat, en waar omheen veel begroeiing is, met name lage houtige beplanting. De directe omgeving van het schoolgebouw is voor het grootste deel bestraat in de vorm van een schoolplein, met daaromheen hoog opgaand groen. Er is momenteel binnen en rondom het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig doordat de vijver in het binnenplaatsje geheel droogstaat. Het is niet bekend sinds wanneer er geen water meer staat in de vijver. Figuren 4 t/m 13 geven een impressie van het plangebied.

3

Figuur 2. Topografische kaart plangebied (rode ster).

Toekomstige gewenste situatie Het planvoornemen betreft de realisatie van acht semi-tijdelijke units met eenkamerwoningen die daar in elk geval 20 jaar zullen blijven staan. Hiervoor zullen alle gebouwen binnen het plangebied moeten worden gesloopt. De omringende begroeiing, met name de hoge bomen, zal zo veel mogelijk intact gelaten worden. De begroeiing direct rondom het schoolgebouw zal worden verwijderd en er zal grondverzet gepleegd worden. Figuur 3 geeft een impressie van de toekomstige gewenste situatie.

4

Figuur 3. Impressie van de toekomstige gewenste situatie

Figuur 4. Overzich plangebied, aanzicht van het lage deel van de school vanaf de entree van het schoolplein.

Figuur 5. Overzicht van een deel van het schoolgebouw, aanzicht vanaf de ingang van de gymzaal.

5

Figuur 6. De gymzaal, met daarvoor een ketelhuisje.

Figuur 7. Overzicht van het schoolplein. Foto genomen richting het noorden.

Figuur 8. Aanzicht van het westelijk deel van het schoolplein, met bomen en houtige onderbegroeiing, aan de randen van het schoolplein.

Figuur 9. Aanzicht van de zuidoostelijke rand van het schoolplein, met bomen en houtige onderbegroeiing.

Figuur 10. Het binnenplaatsje droogstaande vijver.

Figuur 11. Detail van het lage deel van het schoolgebouw, aanzicht vanaf de ingang van de gymzaal.

met

de

6

Figuur 12. Detail van de noordkant van het gymlokaal, met open stootvoegen en een invliegmogelijkheid voor vleermuizen bij de regenpijp.

Figuur 13. Berkenboom met holte, geschikt voor vleermuizen, in de directe omgeving van de gymzaal.

7

3

Toetsing gebiedsbescherming

Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied is de Brabantse Wal, op ruim 8 kilometer afstand (zie fig. 14). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de bouw van grondgebonden kleine woonunits.

Een netto toename aan schade aan het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Brabantse Wal, door van stikstof door verkeersbewegingen tijdens de sloop en bouw, maar mogelijk ook permanent door het bewonen van de units, met als gevolg een toename in stikstofdepositie, kan niet geheel uitgesloten worden. Volledig inzicht hieromtrent kan alleen worden verkregen middels een Aerius-berekening.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. . Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 14). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 400 meter ten oosten van het plangebied.

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNN niet worden aangetast. Negatieve gevolgen zijn redelijkerwijze uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast valt het plangebied niet binnen of in de buurt van de groene buffer, of

8

strategische reservering natuur. Ook deze gebieden zullen bij de uitvoer van de plannen niet worden aangetast.

Figuur 14. Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de rode pijl geeft de ligging van het plangebied weer.

9

4

Toetsing beschermde houtopstanden

De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

10

5

Toetsing soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Vogels (artikel 3.1 Wnb) De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 Wet natuurbescherming) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (artikel 1.11 Wnb).

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn.

Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat

11

deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn rond het plangebied een paar merels, koolmeesjes, een kokmeeuw en een kolonie kauwen aangetroffen. De kauwen hebben hun slaapplaats in de bomen aan de oostzijde van het plangebied. In deze bomen zijn geen nesten aangetroffen. Wel zijn, volgens een paar buurtbewoners, enkele nesten aanwezig in woningen in de directe omgeving van het schoolgebouw.

In de nabije omgeving (op 0-1 km afstand van het plangebied) zijn waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in bomen zoals boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil, kerkuil, steenuil en gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoals huismus en gierzwaluw. De gebouwen hebben allen een plat dak, waarop geen nestmogelijkheden zijn voor huismus of gierzwaluw. Er zijn eveneens geen huismussen of gierzwaluwen in de directe omgeving van de school aangetroffen. Om die redenen is het voorkomen van gebouwbewonende vogels uitgesloten. Binnen het plangebied zijn voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals dag-actieve roofvogels geen geschikte nestplaatsen aangetroffen. In de bomen zijn geen grote takkennesten aangetroffen, geschikt voor dagactieve roofvogels of roeken. Het plangebied is eveneens ongeschikt als foerageergebied voor deze roofvogels, het ligt hiervoor te stedelijk, en ingesloten binnen de bebouwing van de stad. Hoewel er wel sparrenbomen aanwezig zijn, en het plangebied in principe mogelijk geschikt zou kunnen zijn voor ransuil, zijn in het geheel geen sporen van ransuil aangetroffen. Er is geen nestmateriaal, en er zijn geen braakballen of krijtsporen aanwezig. Om die reden mag redelijkerwijze aangenomen worden dat in de sparren geen roestplaats of andere verblijfplaats van de ransuil aanwezig is.

Voor de in de omgeving bekende kerkuil en steenuil biedt het plangebied geen geschikt habitat. Subconclusie Negatieve effecten op vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn op voorhand uitgesloten. Door de ingreep kan in de opgaande houtige beplanting en de sparrenbomen rondom het schoolplein door de planontwikkeling, verstoring plaatsvinden van broedende vogels, zoals merel, houtduif, heggemus, koolmees, winterkoning en andere zangvogels. Hierbij is met name de groep kauwen in de bomen direct ten oosten van het schoolgebouw een aandachtspunt. De kauwen broeden weliswaar niet in de bomen maar hebben in de broedperiode hun slaap- en rustplaats (roestplaats) daar, die verstoord kan worden

12

tijdens het broedseizoen. Een roestplaats wordt eveneens gerekend als vaste rust- en verblijfplaats en mag om die reden tijdens het broedseizoen niet verstoord te worden (Wnb, Art. 3.1, lid 2). Door werkzaamheden buiten de broedperiode (als broedseizoen kan de periode tussen half maart en half juli globaal worden aangehouden) uit te voeren dan wel te starten, wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd. Indien op een locatie geen bewoonde nesten, broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mogen ook tijdens het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd. Het is dan wel vereist dat voor aanvang van werkzaamheden het opgaande groen geïnspecteerd wordt op aanwezige bewoonde nesten, legsels of nestjongen en, indien deze aanwezig zijn, de werkzaamheden uit te stellen tot nadat de jongen zijn uitgevlogen. Vleermuizen Uit het plangebied en/of nabije omgeving (0-1 km) zijn waarnemingen bekend van diverse soorten vleermuizen, o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, franjestaart, rosse vleermuis en laatvlieger. Alle soorten vleermuizen zijn Europees beschermde soorten, hiervoor geldt geen provinciale vrijstelling.

Langs enkele randen van het dak van het schoolgebouw, bij de aanhechtingen van meerdere regenlijpen aan de dakranden, en in de muren van de gymzaal zijn openingen aanwezig die geschikt zijn als invliegopening voor gebouwbewonende vleermuizen. Er zijn net buiten het schoolplein minimaal 2 bomen met holtes, geschikt voor boombewonende vleermuizen. subconclusie Het verdwijnen van vaste rust- en verblijfplaatsen in de school en in minimaal twee bomen is niet op voorhand uit te sluiten. De grote hoeveelheid groen langs de randen van het schoolplein, is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Nader onderzoek naar de functies van de gebouwen voor vleermuizen is noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, veldmuis en huisspitsmuis kunnen wel gebruik maken van het plangebied. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten.

Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. In de omgeving van het plangebied komt de niet vrijgestelde rosse woelmuis (Wnb-hrl), boommarter, bunzing en eekhoorn (Wnb-andere soorten) voor. Voor de rosse woelmuis, boommarter en bunzing ligt het plangebied te stedelijk. Er is geen geschikt habitat voor deze soorten aanwezig. Er zijn in de bomen geen nesten van eekhoorn aangetroffen. Ook zijn er in de dennenappels die onder de sparren lagen geen vraatsporen aangetroffen van eekhoorn. Bij de planvorming zal (nagenoeg) geen groen verdwijnen, zodat er sowieso geen essentieel leefgebied voor de eekhoorn verdwijnt. Daarnaast gaat het hier

13

om een binnenstedelijk gebied. De aanwezigheid van niet vrijgestelde beschermde grondgebonden zoogdieren is uitgesloten. Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen en gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden beschermde zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voor. Beschermde soorten reptielen zijn, gezien het aanwezige ongeschikte habitat en de binnenstedelijke ligging, ook niet te verwachten binnen, en in de buurt van het plangebied. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van RAVON komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde amfibieën voor. Beschermde soorten amfibieën zijn, gezien het aanwezige ongeschikte habitat, de binnenstedelijke ligging en het momenteel ontbreken van oppervlaktewater, ook niet te verwachten binnen, en in de buurt van het plangebied. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde amfibieën zijn op voorhand uitgesloten.

Vissen Vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Beschermde ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten ongewervelden. Het plangebied biedt ook geen geschikt (voortplantings)habitat voor beschermde libellen of vlinders. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

14

Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten. Gezien de binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.

15

6

Conclusie

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Ten aanzien van vleermuizen dient nader (protocollair) onderzoek uit te wijzen of door de sloop van de school en de gymzaal mogelijk rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort verdwijnen. Indien aanwezig dient een ontheffing aangevraagd te worden alvorens met de sloop kan worden begonnen. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Ondanks de ligging van het plangebied op ruim 8 kilometer afstand van het stikstofgevoelig Natura 2000-gebied Brabantse Wal, is een toename aan stikstofdepositie op dit stikstofgevoelige Natura 2000-gebied niet geheel uit te sluiten. Volledig inzicht hieromtrent kan alleen worden verkregen middels een Aerius-berekening.

Verder heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden aan kunnen tasten. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde.

16

7

Samenvatting

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Potentieel

Sprake van

Vervolgtraject / maatre-

Bijzonderheden / opmerkin-

aanwezig

verstoring

gelen

gen

Plangebied buiten broedAlgemeen

Ja

Nee

seizoen bouwrijp maken of controle vooraf

Broedvogels Jaarrond

Globale broedseizoen loopt van maart tot half juli

Nee

Nee

-

Mogelijk

Mogelijk

Vervolgonderzoek naar Bij aanwezigheid is voor de gebruik van de gebouwen sloop mogelijk een ontheffing door vleermuizen nodig

Mogelijk

Mogelijk

Vervolgonderzoek naar foerageergedrag vleermuizen

Bij aanwezigheid in combinatie met verblijfplaatsen, is voor de sloop mogelijk een ontheffing nodig

Minimaal

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Mogelijk

Zorgplicht

Reptielen

Nee

Nee

-

Amfibieën

Ja

Mogelijk

Zorgplicht

Vissen

nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Afstand tot

Sprake van

gebied

aantasting

Natura 2000

ca. 8 km

Mogelijk

AERIUS-berekening om het effect van de stikstofuitstoot op beschermde gebieden te toetsen

Natuurnetwerk Nederland

ca. 0,4 km

Nee

-

Houtopstanden

-

Nee

-

beschermd Verblijfplaatsen

Vleermuizen

Foerageerhabitat Vliegroutes

Gebiedsbescherming

Vervolgtraject

-

Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Bijzonderheden / opmerkingen Geen overige externe verstorende factoren

Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing

17

8

Geraadpleegde bronnen

Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden/ European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Algemene websites bij12.nl (kennisdocumenten van o.a.

huismus en diverse vleermuissoorten) eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) floron.nl (soortgegevens planten) ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) sovon.nl (soortgegevens vogels) synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1343/documents/34984