CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Programma van eisen archeologie

Commissie 17 september 2026, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplanwijziging Heerma van Vossstraat 12a Roosendaal13.528 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Alle sporen zullen worden voorzien van unieke volgnummers en geregistreerd worden op een daartoe geëigend formulier. Vondsten zullen worden geregistreerd op een daartoe geëigend formulier en voorzien van een vondstnummer. Hoogtematen zullen worden genomen van de vlakken , het maaiveld en alle sporen in de proefsleuven. Het gebruikte meetsysteem wordt gekoppeld aan het Rijksdriehoeksstelsel. Om tot een goede waardering van de vindplaats (en beantwoording van de vraagstellingen uit het PvE te komen) , dient een representatief deel van de grondsporen tijdens het IVO-P te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Bij een geringe spoordichtheid worden alle geïsoleerde sporen , behalve recente sporen en verstoringen (van na 1950) gecoupeerd. Grotere sporen worden in secties of door middel van kwadranten onderzocht. Bij het laagsgewijs verdiepen met de graafmachine dient men ook alert te zijn op archeologische mobilia (vuursteen , houtskool en/of crematieresten). Indien vuursteen , spikkels houtskool of crematieresten worden getraceerd , dan de locatie als bult laten staan. Locatie vervolgens met schep schavenderwijs verdiepen. Indien er aanwijzingen zijn voor spoorvervaging (uitloging) zal een dieper controlevlak aangelegd moeten worden.

• • • • • • • • • • • • • • • • AM25289 Pagina | 24 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P • Er wordt altijd een vlaktekening gemaakt , ook wanneer geen grondsporen of structuurresten zichtbaar zijn. Deze vlaktekening is altijd in het veld aanwezig (ook bij digitaal intekenen). Alle sporen , verstoringen en bodemverkleuringen worden ingetekend en beschreven op de vlaktekeningen. Het puttenplan geeft een overzicht van alle werkputten en het gehanteerde meetsysteem. Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden monsters genomen voor dateringen en voor botanisch onderzoek uit kansrijke sporen. Bij het aantreffen van sporen van uitzonderlijke aard wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. Indien archeozoölogische resten worden aangetroffen worden deze volledig geborgen en wordt niet volstaan met het nemen van een monster. Wanneer de sporen daartoe geschikt zijn , moeten alle sporen van één en dezelfde structuur bemonsterd worden ten behoeve het verzamelen van macroresten. Voor deze systematische monstername dient een specialist in het veld geraadpleegd te worden. Sloten en greppels dienen zodanig gecoupeerd te worden dat de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden. Tevens dient gelet te worden op het voorkomen van sporen in of onder de sloten en greppels (bijvoorbeeld door delen van de greppels in de lengterichting te couperen).

Indien sloten en greppels tot een erf behoren , dienen op regelmatige afstand monsters uit coupes genomen te worden , teneinde informatie over activiteitencentra op de erven te verzamelen. Landinrichtingssporen zijn als complex een vindplaats en worden als zodanig onderzocht , om informatie over de ontginnings- en/of landinrichtingsgeschiedenis te verzamelen. Bij het aantreffen van waterputten/beerputten dient de aard ervan te worden vastgesteld d. m. v. boringen. Couperen/onderzoeken dient in het vervolgonderzoek plaats te vinden. Bij het aantreffen van vermoedelijke graven dient een segment te worden uitgenomen om de aard van het spoor en de datering vast te stellen. Daarna dient het , vanwege de kwetsbare aard , direct (tijdens het IVO-P) te worden opgegraven. Bij het aantreffen van verstoringen dienen deze te worden verklaard en gedateerd. Er kan , anders gezegd , niet worden volstaan met een duiding van “(sub)recente verstoring”. • 14 C of dendrochronologische • • • • • • • • AM25289 Pagina | 25 Programma | van | Eisen | Heerma | van | Vossstraat | 12/IVO-P 6. 2 | Strategie Rekening | houdend | met | de | locatie | , is een | puttenplan | gemaakt | (bijlage | 2). | In het | veld | kan | gemotiveerd | van | dit | plan | worden afgeweken. | De | locatiekeuze | van | de | aan | te | leggen | sleuf | is aan | de | verantwoordelijke | senior | KNA | archeoloog | ter | plaatse.

| Het plangebied | bedraagt | circa | 1. 000 | m 2 , het | te onderzoeken | oppervlakte | binnen | het | plangebied | (het | onderzoeksgebied) | bedraagt 98536 , | m². | Binnen | het | puttenplan | wordt | uitgegaan | van | drie | proefsleuven | met | een | afmeting | van | 2 x | 15 | meter. | De | totaal | te onderzoeken | oppervlakte | bedraagt | hierbij | 90 | m². | Dit | komt | overeen | met | 91% , | van | de | oppervlakte | van | het | gehele onderzoeksgebied | plangebied. De | afwijkende | configuratie | voor | de | proefsleuven | is opgesteld | met | inachtneming | van | de | te behouden | bebouwing | , de | aanwezige nutsvoorzieningen | (kabels/leidingen) | en | de | (relatief | kleine) | onderzoeksgebied. | Deze | methode | biedt | de | mogelijkheid | om | alle delen | van | het | onderzoeksgebied | met | een | variërende | gebruikshistoriek | te onderzoeken. | De | overige | te | onderzoeken | vierkante meters | voor | het | behalen | van | de | 10% | dekkingsgraad | worden | dan | ook | als | vrij opneembare | vierkante | meters | ingezet | om | verder inzicht | te krijgen | in | het | onderzoeksgebied. | Naar | inzicht | van | een | senior | KNA-archeoloog | op | basis | van | de | veldwaarnemingen | en praktische | mogelijkheden.

| Daarnaast | kan | 20 | m 2 extra | worden | onderzocht | als | dit | noodzakelijk | blijkt | om | tot | een | goede waardestelling | te | kunnen | komen. | De | beslissing | om | deze | optionele | vierkante | meters | te | ontgraven | zal | vooraf | worden | overlegd tussen | de | verantwoordelijke | senior | KNA | archeoloog | en | de | bevoegde | overheid | (of | diens | adviseur). | De | opdrachtgever | zal vervolgens | op | te hoogte | worden | gesteld. Het | onderzoek | is erop | gericht | om | een | eventueel | aanwezige | vindplaats | te waarderen | op | basis | van | de | fysieke | en | inhoudelijke kwaliteit. | Daartoe | dient | het | vondstmateriaal | verzameld | te worden | en | een | deel | van | de | aanwezige | sporen | onderzocht | te | worden. Om | tot | een | goede | waardering | van | de | vindplaats | te | komen | , dienen | tijdens | het | proefsleuvenonderzoek | voldoende | sporen | te worden | gecoupeerd | om | de | kwaliteit | en | conservering | van | de | sporen | te | kunnen | inschatten. | Indien | onduidelijkheid | bestaat | over het | wel | of | niet | couperen | dient | contact | opgenomen | te | worden | met | de | bevoegde | overheid. | Om | zoveel | mogelijk | informatie | te bewaren | voor | een | eventuele | opgraving | , dienen | sporen | niet | afgewerkt | te worden.

| Tenzij | reeds | tijdens | het | proefsleuvenonderzoek al duidelijk | is dat | de | vindplaats | niet | behoudenswaardig | is. Indien | er | sprake | is van | een | zeer | lage | sporen | dichtheid | (maximaal twee | per | werkput) | is dan | worden | alle | sporen | gecoupeerd | en | afgewerkt. | Bij bijzondere | en/of | in situ | behoudenswaardige | vondsten dient | overleg | plaats | te | vinden | met | de | bevoegde | overheid | , diens | adviseur | en | de | opdrachtgever | over | de | te | volgen | strategie | , vóórdat | deze | verwijderd | mogen | worden. | Richtlijn | bij het | onderzoek | is de Veldhandleiding | Archeologie. | Het | veldwerk | vindt | plaats conform | de | vigerende | versie | van | de | KNA | (4. 2). Vuursteenvondsten Bij alle | aan | te leggen | proefsleuven | moet | met | de | vondst | van | vuursteenconcentraties | rekening | worden | gehouden | , hetgeen | als volgt | kan. | Indien | meer | dan | 2 | fragmenten | antropogeen | bewerkt | vuursteen | per | 4 m² | in het | vlak | worden | vastgesteld | , zonder | dat een | grondspoor | kan | worden | herkend | , kan | een | vuursteenconcentratie | aanwezig | zijn. | Hierover | dient | contact | te | worden opgenomen | met | het | bevoegd | gezag.

| Om | eerst | de | begrenzingen | van | de | concentratie | te kunnen | bepalen | , worden | binnen | de proefsleuf | minstens | zes | megaboringen | gezet | en | wel | in | twee | raaien | met | een | verspringend | grid | van | 25 , x 25 , m. Indien | duidelijke | begrenzingen | bestaan | , eventueel | na | verdichting | van | dit | boorgrid | , zal | een | verticale | verspreiding | van | het vuursteenmateriaal | achterhaald | moeten | worden | door | , per | concentratie | , minstens | twee | vakken | van | 50 | x | 50 | cm | in | laagjes | van 5 cm | te verdiepen | en | te zeven | (maaswijdte | van | de | zeef | is 3 bij 3 mm). | De | afstand | tussen | de | twee | zeefvakken | dient | minimaal | 1 , maximaal | 2 meter | te zijn. | Minstens | 3 laagjes | worden | gezeefd | en | voorts | totdat | geen | vuursteen | meer | wordt | aangetroffen. AM25289 | Pagina | | 26 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Een beslissing over het aantal uit te voeren boringen en zeefvakken dient te worden gemaakt door de voor het project verantwoordelijke senior KNA-archeoloog in overleg met de bevoegde overheid. 6. 3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters • Bij bijzondere of kwetsbare vondsten zullen materiaalspecialisten ingeschakeld worden voor de berging. Mochten deze niet beschikbaar zijn , zullen dergelijke vondsten en-bloc worden gelicht. Conform KNA 4.

2 worden kwetsbare en voor degradatie gevoelige vondsten binnen 1 week aan een daartoe erkend specialist aangeleverd. • 6. 4 Structuren en grondsporen • Alle sporen worden gedocumenteerd door ze te fotograferen en te tekenen (vlakfoto’s en vlaktekening). Dit gebeurt op schaal 1:50. Coupes en profielen zullen ook worden gefotografeerd en getekend. Dit dient te gebeuren op schaal 1:20. Van de aangetroffen structuren worden , indien dit niet de constructie in gevaar brengt , monsters worden genomen van de gebruikte bouwmaterialen (bakstenen , hout , mortel etc. ). Sporen behorend bij een één gebouw worden zoveel mogelijk in dezelfde richting gecoupeerd. Van structuren wordt een overzichtsfoto gemaakt. Bij voorkeur voordat de sporen gecoupeerd zijn , alsook daarna. Grondsporen worden gecoupeerd en afgewerkt voor zover nodig om de onderzoeksvragen te beantwoorden (bijv. aard , datering , conservering , gaafheid). Indien het aantal sporen gering is (circa 1 of 2 per put) , zullen alle sporen worden gecoupeerd en afgewerkt. Uitzondering hierop vormen zeer grote sporen als water- of beerputten. Hiervan zal getracht worden de diepte vast te stellen d. m. v. een boring. Van aanwezige lagen zullen representatieve aandelen monster en vondsmateriaal worden verzameld. Daarnaast zal ook de vorm , omvang en dikte van deze lagen worden bepaald.

Van muurwerk wordt tenminste het volgende gedocumenteerd: - het metselverband - vijf- en tienlagenmaat - eventueel herbruik - baksteenformaten - hoogte bovenkant en onderkant muurwerk - funderingswijze - mortelwerk (type) - baksteentype Resten uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog worden behandeld als archeologische resten. • • • • • • • 6. 5 Aardwetenschappelijk onderzoek Van iedere werkput dient een goede bodemkundige beschrijving te worden opgesteld om inzicht te krijgen in de landschappelijke en bodemkundige context van het onderzoeksgebied (o. a. benaming van horizonten , textuur en bodemtype , zie KNA 4. 2 - voor verdere specificaties OS05). AM25289 Pagina | 27 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Ten behoeve van aardwetenschappelijk onderzoek is het uitgangspunt dat per proefsleuf één profielwand volledig wordt gedocumenteerd. Als blijkt dat sprake is van een eenduidige bodemopbouw binnen de proefsleuf , kan volstaan worden met het 16 documenteren van profielstaten van 1 m breed , ten minste aan het begin en het einde van de proefsleuf. Deze dienen te worden gefotografeerd , getekend en beschreven. De beschrijving van de profielen kan worden opgesteld door de veldarcheoloog , tenzij er sprake is van een zodanig complex profiel dat de veldarcheoloog hiervoor ontoereikende kennis heeft (uitgezonderd antropogene lagen).

In dat geval dient de beschrijving plaats te vinden door een fysisch geograaf. De tekening van de profielen dient op schaal 1:20 te gebeuren ; hierop moeten tevens de NAP-hoogtes en de grens met het opgravingsvlak worden aangegeven. 6. 6 Anorganische artefacten • Alle vondsten zullen worden geborgen conform Specificatie PS06 Richtlijnen voor (de)selectie van vondsten , KNA 4.2 , met uitzondering van uitzonderlijk grote hoeveelheden. In dergelijke gevallen zal alleen een representatief aandeel worden verzameld (in overleg met de bevoegde overheid/diens adviseur archeologie). Indien er sprake is van vondsten van groot belang of vondsten welke aanvullende kosten met zich meebrengen zal hierover eerst overleg gepleegd worden met de initiatiefnemer en de bevoegde overheid. (fragmenten van) Kookpotten (ongeglazuurd) uit een gesloten context zullen met handschoenen aan in het veld worden verpakt met aluminiumfolie. Dit om eventueel residu-onderzoek mogelijk te maken. Diepe sporen als beerputten , waterputten en grachten worden gecoupeerd , gedocumenteerd en afgewerkt tot de diepte van de niet-archeologische werkzaamheden. Indien hierbij niet de totale diepte wordt bereikt , wordt de diepte van dergelijke sporen d. m. v. een boring vastgesteld. Conform KNA 4. 2 worden kwetsbare en voor degradatie gevoelige vondsten binnen 1 week aan een daartoe erkend specialist aangeleverd.

Monsters worden uitsluitend genomen voor zover ze bijdragen aan beantwoording van de vraagstelling. Datering en aard zijn hierbij de belangrijkste nadrukken. Indien er sprake is van uitzonderlijk rijke vondstcontexten welke niet direct geborgen kunnen worden , dienen deze te worden afgedekt door betonplaten zonder hijsogen (géén Stelcon). • • • • • • 6. 7 Organische artefacten • Organische vondsten zullen worden geborgen conform Specificatie PS06 Richtlijnen voor (de)selectie van vondsten , KNA 4. 2. In het veld zullen ze een tijdelijke verpakking krijgen om verslechtering van de conditie te minimaliseren. Dergelijke vondsten worden dagelijks afgevoerd naar beter controleerbare omstandigheden. 6. 8 Archeozoölogische , archeobotanische en fysisch antropologische resten Ten behoeve van paleo-ecologisch onderzoek zullen sporen en lagen worden bemonsterd conform de leidraden KNA botanie , KNA archeozoölogie en KNA Eerste hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal , zowel door middel van algemene bodemmonsters als door middel van slaan van pollenbakken. 16 Richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de regio West-Brabant , 2024 pagina 13. AM25289 Pagina | 28 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 6. 9 Overige resten Overige resten worden behandeld als de hierboven genoemde artefacten.

Als er sprake is van een bijzondere vondst , worden opdrachtgever en bevoegde overheid gewaarschuwd. In gezamenlijk overleg tussen deze partijen zal vervolgens worden bepaald hoe met deze vondst dient te worden omgegaan. 6. 10 Dateringstechnieken Datering van sporen en structuren zal primair geschieden op basis van determinatie van het vondstmateriaal. Indien noodzakelijk , zullen monsters voor 14 C of OSL datering worden genomen. 6. 11 Beperkingen • Indien blijkt dat de bodemomstandigheden ongunstig zijn kan het aantal paleo-ecologische monsters beperkt worden tot enkele indicatieve monsters. Onvoorziene omstandigheden (vertraging , vorst , zwaar weer , lekkages , instorten profielen , ed. ) waardoor niet aan de eisen gesteld in dit PvE kan worden voldaan dienen tijdens het veldwerk gemeld te worden bij de opdrachtgever , de bevoegde overheid en diens adviseur. Indien blijkt dat bij het aantreffen van graven of uitzonderlijk rijke contexten deze niet voor het einde van de dag geborgen kunnen worden , dienen deze afdoende beschermd te worden (stelcon volstaat hiervoor niet , wenselijker is het gebruik van betonplaten zonder bevestigingsogen). Indien munitie of andere niet gesprongen explosieven worden aangetroffen zal melding worden gedaan aan de politie. De werkzaamheden worden bij aantreffen stilgelegd.

In geval van grondwateroverlast of overlast van hemelwater dienen grondwaterbemaling of pompen aanwezig te zijn. Hiervoor dient door de opdrachtgever zorggedragen te worden. In geval van waarneembare verontreiniging zullen de werkzaamheden worden stilgelegd. • • • • • AM25289 Pagina | 29 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 7. Uitwerking en conservering 7. 1 Evaluatieverslag • Na het veldwerk en na de technische uitwerking wordt door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies- een evaluatieverslag opgesteld volgens specificatie OS12. In het evaluatieverslag worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen , monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek) , voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport , waaronder de keus van de te tekenen , te fotograferen en af te beelden objecten. Voorgesteld wordt welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd) hoeven te worden. Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering.

Het evaluatieverslag wordt binnen 8 weken na het veldwerk digitaal bij de opdrachtgever ingediend. Deze dient het evaluatieverslag ter beoordeling voor te leggen aan de bevoegde overheid. Het evaluatieverslag wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling van dit Programma van Eisen. Na vaststelling van het evaluatieverslag door de bevoegde overheid geeft de vergunningaanvrager opdracht tot uitwerking , rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatieverslag , rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concepteindrapport. Na goedkeuring van het evaluatieverslag vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats , waarbij materiaal- en andere specialisten worden ingeschakeld , eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt , objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden verder gewaardeerd en geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database. • • • • • 7. 2 Structuren , grondsporen , scheepwrak of vliegtuig , vondstspreidingen Uitwerking van de aangetroffen sporen en structuren dient conform de eisen in de KNA , versie 4. 2 en bijbehorende protocollen te worden uitgevoerd.

Sporen worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau dat noodzakelijk is om bovengenoemde onderzoeksvragen en eventueel aanvullend gestelde vragen te beantwoorden. De beschrijving van de sporen dient zoveel mogelijk in te gaan op de aard , karakter , datering , gaafheid en conservering van de aangetroffen vindplaatsen. Alle gekarakteriseerde vondsten , sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand en worden afgebeeld op een allesporenkaart of op (bij een complexe stratigrafie) op gecombineerde vlaktekeningen. AM25289 Pagina | 30 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Typochronologische analyse en determinatie van structuren en sites vindt plaats binnen het kader van de archeoregio. Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart (ASK) voorzien van het landelijke coördinatengrid. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. Tenslotte zal nog een overzichtskaart worden gemaakt van de landschappelijke situatie met de sporen daarop geprojecteerd. In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van bodemopbouw , sporen , vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst , voorzien van deugdelijke argumentatie , referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen , foto’s en tekeningen.

In de synthese worden complexen en perioden onderscheiden en in een breder (ten minste regionaal) kader geplaatst. 7. 3 Analyse aardewetenschappelijke gegevens Fysisch-geografische analyse (beschrijving bodemopbouw , analyse van gaafheid) vindt zoveel mogelijk plaats binnen de technische uitwerking. In de analyse dient in ieder geval de (paleo)landschappelijke context voor de aangetroffen activiteiten en functies beredeneerd te worden (locatiekeuzeanalyse) en de wisselwerking tussen antropogeen landgebruik en de vorming van het landschap. Hierbij dient ook de relatie met de aangetroffen archeologische resten te worden behandeld. 7. 4 Anorganische artefacten Alle geselecteerde anorganische artefacten worden per spoor , laag en vondstnummer beschreven en gedetermineerd in een digitaal gegevensverband , conform het Archeologisch Basis Register (ABR) of andere in de beroepsgroep geldende richtlijnen (bijv. Deventer Classificatiesysteem voor post/middeleeuws aardewerk en glas) , indien hierdoor meer details te vergaren zijn. De beschrijving wordt voorafgegaan door motivatie t. a. v. selectie van materiaal. Al het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen (tenzij niet toegestaan in verband met de conservering). Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd.

Deze specialist beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Van metaalvondsten , waarvan de aard niet duidelijk is , wordt een röntgenfoto gemaakt. Voor de evaluatiefase worden alle vondsten op basisniveau geanalyseerd en geteld (minimaal op niveau van vondstcategorie). Een senior specialist materialen zal het vondstmateriaal analyseren en determineren. Hij/zij doet vervolgens een uitwerkingsvoorstel welke wordt opgenomen in het evaluatieverslag (Welke vondsten analyseren , bijzondere contexten , vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak oppervlakkig bekijken of juist niet?) De uitwerking zal eveneens door een senior KNA-specialist materialen worden uitgevoerd. Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd , sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht , kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd.

De informatie uit de deelrapportages wordt meegewogen in het beantwoorden van de onderzoeksvragen en het opstellen van de synthese. AM25289 Pagina | 31 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 7. 5 Organische artefacten Al het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen (tenzij niet toegestaan in verband met de conservering). Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden slechts oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Een archeoloog (senior KNA-specialist materialen) zal het vondstmateriaal analyseren en determineren middels een quickscan ten behoeve van de evaluatie. Deze specialist of een senior KNA archeoloog beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. In de evaluatiefase dienen de monsters te worden gescand zodat duidelijk is of deze de gestelde onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. De uitwerking zal door een senior KNA-specialist materialen worden uitgevoerd.

Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd , sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht , kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd. 7. 6 Archeozoölogische en -botanische resten Monsters voor botanische macroresten en palynologische resten worden na het veldwerk , op grond van de kwetsbaarheid , direct overgedragen aan de betreffende specialist voor de bepaling van de kwaliteit en het archeologisch potentieel. In de evaluatiefase dienen de monsters te worden gescand , zodat duidelijk is of deze de gestelde onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. Hout wordt eveneens op grond van de kwetsbaarheid , al tijdens het veldwerk of daar onmiddellijk na overgedragen aan de betreffende specialist. Het hout wordt al in de evaluatiefase volledig beschreven en gedetermineerd. Er worden keuzes gemaakt voor dendrochronologisch onderzoek en eventueel te conserveren stukken. De uitwerking zal eveneens door een senior specialist materialen worden uitgevoerd.

Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd , sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht , kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd. AM25289 Pagina | 32 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 7. 7 Beeldrapportage (objecttekeningen , foto’s , kaarten e. d. ) Tijdens de uitwerking worden tekeningen , kaarten , materiaalfoto's en objecttekeningen gemaakt ten einde de vraagstelling te beantwoorden , argumentatie te onderbouwen en advisering te verantwoorden. In het rapport dienen minimaal de volgende kaarten/foto’s opgenomen te worden: • • • Ligging van het plangebied. Planvorming: aangelegde/onderzochte werkputten. Overzichtskaart(en) met goed leesbare aanduiding van sporen , structuren en grootschalige verstoringen (indien noodzakelijk ook detailkaarten). Kaarten , vlak- , profiel- en coupetekeningen worden van een legenda voorzien , verwijzend naar gehanteerde kleur of arcering of andere code (bijvoorbeeld nummers van lagen). Op alle tekeningen van een horizontaal vlak worden op regelmatige plaatsen NAP-hoogten gezet.

In profieltekeningen moeten x , y , z-waarden in RD-coördinaten en NAP worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen. In profieltekeningen worden de niveaus van de aangelegde vlakken aangegeven. Met gekleurde (contour)lijnen , pijlen en tekst worden foto’s van profielen , complexe structuren e. d. verduidelijkt. Tekeningen van (in principe) alle (gecombineerde) vlakken , profielen , structuren , belangrijke individuele sporen (vlak en coupe) , overzichtstekeningen , analytische en interpretatieve tekeningen en kaarten , foto’s en afbeeldingen worden voor publicatie gereed gemaakt ; evenals foto’s en tekeningen van relevante objecten. In het rapport dient een vondstenlijst met verwijzing naar de vondstcontext (spoornummer) te worden opgenomen. In het rapport dient een determinatielijst per vondstcategorie met verwijzing naar de vondstcontext (spoornummer) te worden opgenomen. In het rapport dient kaartmateriaal te zijn opgenomen met verspreiding van vondstmateriaal gerelateerd aan sporen. Alle afbeeldingen worden weergegeven op een conventionele , goed leesbare schaal. • • • • • • • • • • AM25289 Pagina | 33 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 8. (De)selectie en conservering 8.

1 Selectie materiaal voor uitwerking Hoewel het opstellen van een evaluatieverslag niet noodzakelijk is in protocol 4003 van de KNA 4.2 , kan het wel verstandig zijn indien er veel vondstmateriaal wordt aangetroffen. Bij kleine hoeveelheden vondstmateriaal kan meteen een concept eindrapport worden opgesteld , uiteraard in overleg met bevoegde overheid en opdrachtgever. Een evaluatieverslag bevat een uitwerkingsvoorstel en begroting. Dit uitwerkingsvoorstel dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Dit evaluatieverslag heeft als doel de uitwerking van het onderzoek te plannen en een definitieve begroting aan de opdrachtgever voor te leggen. Het is daarvoor van belang dat vondsten , monsters en sporen zijn beoordeeld op hun potentie voor het beantwoorden aan de in het PvE gestelde vragen. Op basis van deze beoordeling wordt besloten welke vondsten , grondsporen en monsters worden uitgewerkt. Welke artefacten daadwerkelijk in aanmerking komen voor uitwerking , conservering en/of restauratie wordt in overleg met de bevoegde overheid , diens adviseur en de opdrachtgever bepaald. Ook kunnen afspraken worden gemaakt over de omgang met bijzondere of niet in het PvE of ontwerp voorziene , en daarmee doorgaans niet begrote , vondsten.

In het evaluatieverslag kan bovendien een globaal antwoord op de vraagstelling opgenomen worden ; niet alleen een indicatie of het mogelijk is de onderzoeksvragen te beantwoorden , maar alvast de eerste indruk en hoeverre dit afwijkt van de verwachting voorafgaand aan het onderzoek. In het evaluatieverslag worden ook foto´s van belangrijke vondsten opgenomen , alsook kaartmateriaal om het onderzoek te duiden. Na oplevering van het evaluatieverslag vindt overleg plaats tussen de archeologische aannemer , de opdrachtgever , de bevoegde overheid en de depotbeheerder. 8. 2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Vondstmateriaal aangetroffen tijdens de werkzaamheden is krachtens de wet eigendom van de provincie Noord-Brabant. De beslissing over definitieve verwijdering hiervan valt derhalve onder de verantwoordelijkheid van de Depothouder het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant. Vondsten worden aangeleverd aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord- Brabant. Na evaluatie van het veldwerk vindt overleg plaats met de opdrachtgever , de depothouder , de bevoegde overheid en diens adviseur , waarbij op basis van een opgesteld selectierapport , een definitieve selectie van te conserveren en te deponeren materialen wordt gemaakt. De resultaten van het overleg worden schriftelijk vastgelegd en aan alle partijen beschikbaar gesteld.

De evaluatiefase is ook het moment waarop voor het eerst nauwkeurig kan worden geschat hoeveel materiaal ter deponering zal worden aangeboden. De schatting van de hoeveelheid te deponeren materiaal dient aan het aangewezen depot te worden doorgegeven. In het evaluatieverslag wordt tevens aangegeven welk materiaal ter deponering wordt aangeboden. Vondsten en monsters die niet worden uitgewerkt en gedeponeerd , worden door de opdrachtnemer vernietigd , tenzij de depothouder anders besluit. Kwetsbaar vondstmateriaal dient in tussentijd zodanig bewaard te worden opdat de toestand stabiel blijft. AM25289 Pagina | 34 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 8. 3 Selectie materiaal voor conservering Conform de eisen van KNA 4. 2 zullen alle vondsten onderhevig aan degradatie binnen een week worden aangeboden aan de daartoe erkende conservator. Dit om eventuele verdere degradatie te voorkomen. Na stabilisatie zal in overleg met de depotbeheerder en bevoegde overheid bepaald worden welk materiaal in aanmerking komt voor conservering. In het geval van eventuele uitzonderlijke vondsten zal direct contact opgenomen worden met depotbeheerder , bevoegd overheid en opdrachtgever over de te volgen stappen. AM25289 Pagina | 35 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Dd aeres «milieu 9.

Deponering | Chuk Eisen betreffende depot Vondsten, monsters en documentatie worden binnen twee jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten van de provincie Noord-Brabant conform de daar geldende eisen (https:/Avww.brabant.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed-en-monumenten/archeologie/provinciaal-depotbodemvondsten). Na afronding van het onderzoek wordt het geheel, conform de daarvoor geldende normen en eisen (KNA-specificatie DSO2 & DS03) aangeleverd via het landelijk e-loket ArcheoDepot (www.archeodepot.nl), geüpload via het E-formulier (https://fd9.formdesk.com/gboprod/Aanmelden_Pakbon Update) en zo overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (PDB). Het deponeren van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie vindt plaats volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, protocol 4004 Opgraven, OS17: “Gestandaardiseerde beschrijving van projectdocumentatie bij het deponeren van archeologisch vondsten en monsters (d.m.v. pakbon)”. Onder protocol 4004 wordt onder het begrip pakbon verstaan: het document dat bij het te deponeren materiaal en/of de documentatie wordt gevoegd en op gestandaardiseerde wijze een beschrijving geeft van de inhoud van het aangeleverde.

Bij de digitale aanlevering bestaat de pakbon uit een Xml-bestand, conform SIKB-protocol 0102 en wordt zo tevens als digitale documentatie, conform KNA- specificatie DSO5, overgedragen aan het e-Depot DANS. Na deponering is het Onderzoeksmeldingsnummer (ARCHIS) structureel gelinkt met de Persistent Identifier (DANS), zodat de data digitaal altijd te traceren zijn. Vondstmateriaal en documentatie van het onderzoek dient gedeponeerd te worden bij: Provinciaal Depot Bodemvondsten Provincie Noord-Brabant Depotbeheerder: | (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Waterstraat 16 5211 JD ‘s-Hertogenbosch 7:06 E-mail: BM vrabant.nl (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) De digitale documentatie wordt gedeponeerd in een E-depot (bijvoorbeeld easy.dans.knaw.nl). AM25289 Paginal 36 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Het deponeren van de vondsten en de documentatie bij bovenvermelde instituten dient plaats te vinden conform de daarvoor opgestelde eisen van aanlevering. Bij de overdracht van vondsten en documentatie aan het Provinciaal depot Bodemvondsten Noord-Brabant dient een bewijs van overdracht afgegeven te worden door het depot aan de opdrachtnemer conform KNA 4. 2 protocol 4010 , DS03.

Bij aanvang van de voorbereiding van het onderzoek neemt de opdrachtnemer contact op met de depotbeheerder van het provinciaal depot inzake de eisen van aanlevering van de vondsten , vondstdocumentatie en opgravingsdocumentatie. Deponering van vondsten en documentatie vindt plaats na afronding van het eindrapport. Voor het deponeren van de vondsten en documentatie dient een afspraak gemaakt te worden met de depotbeheerder van het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant op bovenvermelde contactgegevens. Aangezien er geen gravend vooronderzoek heeft plaatsgevonden kan er slechts een globale inschatting worden gedaan over de te verwachte aantallen vondsten in dit PvE voor het plangebied (zie bijlage 3). 9. 2 Te leveren product Een brief- of evaluatieverslag (o. a. afhankelijk van de hoeveelheid vondstmateriaal) wordt binnen een termijn van 8 weken na einde veldwerk ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever. Eindrapport: de inhoudelijke eisen , die zijn ondergebracht in het handboek KNA (versie 4. 2) vormen hiervoor de leidraad. Deze dient in eerste instantie als concept te worden opgestuurd. Het onderzoeksrapport wordt uitgegeven door het uitvoerend bedrijf (opdrachtnemer). De opdrachtnemer verstrekt het conceptrapport aan de opdrachtgever en bevoegde overheid en diens adviseur archeologie.

Na beoordeling van de bevoegde overheid en diens adviseur archeologie wordt het rapport verstrekt aan de opdrachtgever. Tevens wordt een digitaal exemplaar aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant. Ook dient een versie te worden verzonden aan de lokale AWN afdeling en plaatselijke heemkundekring. AM25289 Pagina | 37 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 10. Randvoorwaarden en aanvullende eisen 10. 1 Personele randvoorwaarden • Het onderzoek moet verricht worden door een conform de BRL SIKB 4000 gecertificeerd archeologisch bedrijf. De certificaathouder houdt zich aan de normen die in de archeologische beroepsgroep gelden voor het doen van opgravingen. Voorafgaand aan de start van het proefsleuvenonderzoek dient de bovengrondse bebouwing en begroeiing verwijderd dan wel gesloopt te zijn. Ondergrondse funderingen/kelderruimtes en stronken of wortels in het geval van bomen dienen behouden te blijven en mogen enkel onder toezicht van een (senior) KNA-archeoloog verwijderd worden. Bij het aanleggen van de proefsleuven dient een voldoende veilige afstand te worden bewaard van de bestaande en de te behouden bebouwing.

Het onderzoek dient fulltime onder leiding te staan van een senior KNA Archeoloog met aantoonbare werkervaring en actuele kennis van de problematiek van de nederzettingsgeschiedenis van het zuidelijke (Brabantse) zandgebied. Het PvA dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de gemeente (of diens adviseur). De gemeente (of diens adviseur) houdt verder toezicht op de kwaliteit van het archeologisch onderzoek zoals vastgelegd in dit PvE. • • • • 10. 2 Overlegmomenten Indien tijdens de werkzaamheden zich onverwachte zaken voordoen of sporen en/of vondsten worden aangetroffen die vertraging teweeg brengen of een aangepaste werkwijze vereisen , dan zal contact opgenomen worden met de bevoegde overheid en opdrachtgever. Na uitvoering van het veldwerk zal een overlegmoment plaatsvinden ter evaluatie. Na oplevering van het brief-/ evaluatieverslag vindt overleg plaats tussen de archeologische aannemer , de opdrachtgever en de bevoegde overheid m. b. t. het uitwerkingsniveau en de planning. 10. 3 Kwaliteitsbewaking , toezicht , overleg en evaluatie De eindverantwoordelijkheid en het toezicht op de werkzaamheden liggen in handen van de archeologische projectleider. De gemeentelijk adviseur en de bevoegde overheid zien erop toe dat het geheel volgens dit Programma van Eisen wordt uitgevoerd en beoordelen het brief-/ evaluatieverslag en het concept van het standaardrapport. 10.

4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen • Het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever na het goedkeuren van het PvE worden ingepland. Hierbij wordt rekening gehouden met een minimale voorbereidingstijd van tien werkdagen. De bevoegde overheid wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van het veldwerk op de hoogte gebracht van de start. De duur van het veldwerk is afhankelijk van diverse elementen (weer , grondwaterstand , bereikbaarheid locatie , planning aannemer , aard van sporen en vondsten , grote hoeveelheden sporen en/of vondstmateriaal of zeer complexe structuren). Deze zaken kunnen vertraging tot gevolg hebben. • • AM25289 Pagina | 38 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P • Over de toegankelijkheid van het terrein en eventuele afzettingen en vergunningen dient overleg gevoerd te worden met de opdrachtgever. De opdrachtgever verzorgt hiernaast een tekening met daarop aangegeven wat de ligging is van de kabels en leidingen door het privé terrein. Voor de huisaansluitingen van de nutsvoorzieningen dient een KLIC-melding voor aanvang van het veldwerk te worden aangeleverd. Beide dienen reeds in het bezit van de opdrachtnemer te zijn voor aanvang van de werkzaamheden.

Binnen 8 weken na afronding van het veldwerk wordt een kort briefrapport (per mail) dan wel evaluatieverslag met de voorlopige resultaten aan de opdrachtgever , de bevoegde overheid c. q. de provincie ter beschikking gesteld. Het basisrapport dient binnen twee jaar na afronding van het veldwerk gereed te zijn. De vondsten en documentatie dienen binnen twee jaar na afronding van het veldwerk gedeponeerd te worden. Het conceptrapport wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Het commentaar wordt verwerkt in een definitieve rapportage. • • AM25289 Pagina | 39 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 11. Wijzigingen t. o. v. het vastgestelde PvE 11. 1 Wijzigingen tijdens het veldwerk • Als bij de ontsluiting van het terrein , tijdens het veldwerk of bij de uitwerking van de veldgegevens blijkt dat het opgestelde PvE naar het zich laat aanzien onvoldoende aansluit op de aanwezige archeologische situatie , dan dient in samenspraak met de opdrachtgever en de bevoegde overheid het PvE te worden geëvalueerd en een wijziging te worden voorgesteld. De bevoegde overheid beslist over wijzigingen in de strategie , methodiek en andere in het PvE vastgelegde zaken. De uitvoerder staat te allen tijde ter beschikking om de opdrachtgever/bevoegde overheid van informatie en advies te voorzien.

Pas na goedkeuring van het gewijzigde PvE door de bevoegde overheid kan het veldwerk/uitwerking worden vervolgd. De bevoegde overheid kan evenwel ook de noodzaak tot wijziging eisen , waarna overleg volgt met de uitvoerder. Indien belangwekkende zaken worden aangetroffen die niet in het PvE waren voorzien vindt overleg plaats met de bevoegde overheid/opdrachtgever. Indien substantieel van het PvE afgeweken dient te worden , bijvoorbeeld bij het aantreffen van onverwachte sporen en structuren of indien een geringer deel van het onderzoeksterrein kan worden onderzocht dan dient hiervoor schriftelijk toestemming te worden verkregen van de bevoegde overheid. Wijzigingen aan het puttenplan of de in dit PvE geformuleerde onderzoeksstrategie worden door de projectleider / Senior KNA Archeoloog besproken en vastgesteld met de bevoegde overheid. Ook alle afwijkingen van de standaardmethode worden besproken. Beslissing tot uitbreiding of inperking van het onderzoek of nader onderzoek is onderwerp van separate besluitvorming. • • • • • 11.

2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan alle betrokken partijen: • • • • • Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode ; Afwijking van de archeologische verwachting ; Wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden ; Vastleggen overleg- en evaluatiemomenten ; Onvoorziene omstandigheden die leiden tot meerwerk. Meerwerk kan alleen worden verricht nadat het is opgedragen door de opdrachtgever. AM25289 Pagina | 40 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Dd aeres «milieu be Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan alle betrokken partijen en de eigenaar- depothouder: . Afwijking van de archeologische verwachting; . Onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld m.b.t. omvang vindplaats, aantallen m?, vlakken, vondsten, vondsttypen et cetera). Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van het PvE, is overleg nodig tussen uitvoerder, opdrachtgever, bevoegde overheid en depothouder (als eigenaar). Veldbezoek vanuit de provincie en telefonisch overleg zijn uiteraard ook mogelijk, vooral daar waar snel handelen vereist is. De depothouder geeft aan of het onvoorziene/onverwachte materiaal voor deponering in aanmerking komt.

De depothouder gaat niet over het onderzoek zelf, zoals nieuwe of gewijzigde onderzoeksvragen of meer/minderwerk. De reguliere reactie termijn van de depothouder betreft maximaal zes weken. 11.35 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van het PvE, is overleg nodig tussen bevoegd gezag, opdrachtgever en depothouder (/ eigenaar) op aangeven van de uitvoerder. Er vindt een overleg plaats tussen de depothouder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid. De depothouder maakt zijn wensen t.a.v. selectie-deselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide eventuele extra kosten aan bod. De uitvoerder van het onderzoek wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder. In principe worden wijzigingen van het PvE overeengekomen tussen opdrachtgever en bevoegde overheid en vastgelegd in een document; dit kan ook in overleg met de uitvoerder, maar elke wijziging van het PvE blijft een zaak tussen de opdrachtgever en de overheid. De uitvoerder voert de wijziging vervolgens uit namens de opdrachtgever.

Vast contactpersoon depothouder voor de provincie Noord-Brabant: , Ml evrebent.nt (OEEn A (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) De depothouder dient binnen twee werkdagen op de afwijking te reageren (zie PS04). Bij het uitblijven van een reactie van de depothouder / eigenaar binnen de gestelde termijn dan worden vondsten en monsters tijdelijk geconserveerd en opgeslagen totdat besluitvorming heeft plaatsgevonden over het wel/niet deponeren (en conserveren) van de onverwachte/onvoorziene vondsten en monsters. Wanneer tijdig wordt gereageerd door de depothouder / eigenaar en een overleg wordt gepland tussen de betrokken partijen dan geldt een termijn van zes weken voor dit overleg en de daaruit voortvloeiende besluitvorming (die leidend is voor de vervolgstappen). AM25289 Pagina | 41 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P 11. 4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering Kwetsbaar vondstmateriaal dient zodanig te worden geconserveerd dat de toestand stabiel blijft. De selectie van de te conserveren vondsten wordt in overleg met de bevoegde overheid bepaald. Indien blijkt dat zich hier wijzigingen in voordoen , wordt dit in overleg met de bevoegde overheid schriftelijk vastgelegd.

AM25289 Pagina | 42 Programma | van | Eisen | Heerma | van | Vossstraat | 12/IVO-P Literatuur | en | bijlagen Literatuur Auwerda | , F. / P. Grimm | , 2008: | Verliesregister | 1939-1945 | , Alle militaire | vliegtuigverliezen | in Nederland | tijdens | de | Tweede | Wereldoorlog | , Den | Haag. Bakker | , de , H. , 1966: | ‘De | subgroepen | van | het | systeem | van | bodemclassificatie | voor | Nederland’ | , in Boor | en | spade: | verspreide bijdragen | tot de kennis | van | de bodem | van | Nederland | , Wageningen. Bakker | , de , H. / J. Schelling | , 1989: | Systeem | van | bodemclassificatie | voor | Nederland | , de hogere | niveaus. | Staring | Centrum | , Wageningen. Berendsen | , H.J.A. , 2010: | Fysisch-geografisch | onderzoek | , Assen. Berendsen | , H.J.A. , 2011: | De | vorming | van | het | land. | Inleiding | in de | geologie | en | Geomorfologie | , Assen. Berendsen | , H.J.A. , 2005: | Landschappelijk | Nederland | , Assen. Berendsen | , H. J. A. /E. Stouthamer/K. | M. | Cohen/W. | Z. Hoek | , 2019: | Landschap | in delen. | De | fysisch-geografische | regio’s | , Utrecht. Berkel | , G. van/ | K. Samplonius | , 2006: | Nederlandse | plaatsnamen. | Herkomst | en | Historie | , Utrecht | (Prisma). Blankenstein | , van | , E. , 2006: | Defensie- | en | oorlogsschade | in kaart | gebracht | (1939 | – | 1945) | , Zeist. Cate | , ten , J. A. | M. / A. F.

van | Holst/ | H. Kleijer/ | J. Stolp | , 1995: | Handleiding | bodemgeografisch | onderzoek | , richtlijnen | en voorschriften. Deel | A: | Bodem | , Wageningen | , DLO-Staring | Centrum. | Technisch | Document | 19A. Hiddink | , H. / H. | Renes | , 2007: | ‘De | oude | akkercomplexen | in | de | oostelijke | helft | van | Noord-Brabant | en | het | noorden | en | midden | van Limburg’ | , in: Van | Doesburg | e. a. (red.) , 2007: | Essen | in zicht: | Essen | en | plaggendekken | in Nederland: | onderzoek | en | beleid | , Amersfoort (RCE). Leenders | , K.A.H.W. | , 2013: | Verdwenen | Venen. | Een | onderzoek | naar | de | ligging | en | exploitatie | van | thans | verdwenen | venen | in het | gebied tussen | Antwerpen | , Turnhout | , Geertruidenberg | en | Willemstad. | 1250 | - 1750. | Een | actualisering | , Woudrichem. Mulder | , de , E. J. F. / M. C. Geluk/ | I. Ritsema/ | W. E. Westerhoff/ | T. E. Wong | , 2003: | De | ondergrond | van | Nederland. | Utrecht. Rensink | , E. / H. J. T. Smeets/ | M. | Kosian/ | H. | Feiken/ | B. I. Smit | , 2019: | Archeologische | Landschappenkaart | van | Nederland | , versie | 3.0 , Amersfoort. Sanders | , | J. G. M. / W. A. | van | Ham/ | J. Vriens | , 1996: | Noord-Brabant | tijdens | de | Republiek | der | Verenigde | Nederlanden | 1572-1795 | , Hilversum.

SIKB | , 2006: | Leidraad | inventariserend | veldonderzoek | , Deel: | karterend | booronderzoek | , Gouda. Stiboka | (Stichting | voor | Bodemkartering) | , 1985: | Toelichting | bij de | kaartbladen | 49 | Oost | , Wageningen. Stouthamer | , E. / K. M. | Cohen/ | W. Z. Hoek | , 2020: | De | vorming | van | het | land. | Geologie | en | Geomorfologie | , Utrecht. AM25289 | Pagina | | 43 Programma | van | Eisen | Heerma | van | Vossstraat | 12/IVO-P Tebbens | , L.A. , 2016: | Ontstaansgeschiedenis | van | het | landschap | , het gebruik | en | de locatiekeuze. | In: Ball , E. A. G. & | R. M. van | Heeringen (red.) , 2016. | Westelijk | Noord-Brabant | in het | Malta-tijdperk. | Synthetiserend | onderzoek | naar | de bewoningsgeschiedenis | van | het westelijk deel | van | het | Brabants | zandgebied. | Nederlandse | Archeologische | Rapporten | 51 , Rijksdienst | voor | het | Cultureel | Erfgoed | , Amersfoort. TNO | , 2021: | Geologische | overzichtskaart | van | Nederland | , Den | Haag | (www. | dinoloket. | nl). Vos , P. /M. | van | der | Meulen/H. | Weerts/J. | Bazelmans | , 2018: | Atlas | van | Nederland | in het | Holoceen | Landschap | en bewoning | vanaf | de laatste | ijstijd | tot | nu , | Amsterdam | (Prometheus) | https://www. | cultureelerfgoed. | nl/onderwerpen/bronnen-enkaarten/ overzicht/paleografische-kaarten). Zonneveld | , J.I.S.

, 1981: | Vormen | in het | landschap | , hoofdlijnen | van | de | geomorfologie | , Utrecht. Digitale | bronnen: www. | archis. | cultureelerfgoed. | nl | RCE | , Archis3 | (zoeken | & | vinden) www. | bagviewer. | kadaster. | nl | Basisregistratie | Adressen | en | Gebouwen | (BAG) www. | beeldbank. | cultureelerfgoed. | nl | Kadastraal | minuutplan www. | cultureelerfgoed. | nl | Bronnen | en | kaarten www. | pdok. | nl | Basisregistratie | Grootschalige | Topografie | (2017) | , kadaster www. | ruimtelijkeplannen. | nl | Bestemmingsplan www. | topotijdreis. | nl | Bonnebladen | en | Topografische | kaarten | van | Nederland\ www. | omgevingswet. | overheid. | nl/regels-op-de-kaart | Omgevingsloket Archeologische | kaarten | en databestanden: Actueel | Hoogtebestand | van | Nederland | (2008-2021). | AHN3 | en | AHN4 | (Geraadpleegd | via | www.arcgis.com | , bijlage | in | QGIS vervaardigd | op | basis | van | digitale | data). Alterra | 2023: | Bodemkaart | van | Nederland | , | schaal | 1:50.000 | , | blad | 49 | Oost | , | Wageningen | UR | (Geraadpleegd | via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl | , bijlage | in QGIS | vervaardigd | op | basis | van | digitale | data | Alterra).

Alterra | 2023: | Geomorfologische | kaart | van | Nederland | , | schaal | 1:50.000 | , | Wageningen | UR | (Geraadpleegd | via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl | , bijlage | in QGIS | vervaardigd | op | basis | van | digitale | data | Alterra). Archeologische | Monumenten | Kaart | (AMK) | , Rijksdienst | voor | Cultureel | erfgoed | (RCE) | , Amersfoort | , 2007 | (Geraadpleegd | via https://zoeken. | cultureelerfgoed. | nl). AM25289 | Pagina | | 44 Programma van Eisen Heerma van Vossstraat 12/IVO-P Archeologisch Informatie Systeem II (Archis3) , Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE) , Amersfoort , 2015 (Geraadpleegd via https://zoeken. cultureelerfgoed. nl). Koopmanschap , H. J. L. C. / M. Visser-Poldervaart , 2011: Een Cultuurhistorische inventarisatie en archeologische Waardenkaart voor de gemeente Roosendaal , Archeologische Rapporten Oranjewoud 2009/78. Maas , G. J. / W. M. van der Meij/ S. P. J. v. Delft/ A. H. Heidema , 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland , 1: (2019). 000 1:50 schaal https://legendageomorfologie. wur. nl/).

Wageningen , Wageningen Environmental Research (geraadpleegd via AM25289 Pagina | 45 aeres milieu AM25289 Bijlage Topografische kaart 1 Legenda Plangebied aeres milieu AM25289 Bijlage 2 Voorstel Puttenplan IVO-P Legenda Plangebied Proefsleuven KLIC-gegevens gasLageDruk 1 water 1 laagspanning 1 datatransport 1 aeres milieu AM25289 Bijlage 3 Lijst van verwachte aantallen AM25289 Bijlage 3 bij het PvE: Lijst met te verwachten aantallen Onderstaande referentietabel gaat uit van de genoemde verwachting en van de te volgen strategie tijdens het proefsleuvenonderzoek (zie hoofdstuk 6 van het PvE , waarvan deze bijlage een integraal onderdeel uitmaakt). De aantallen genoemd in deze bijlage geven een doorsnede van materiaal aan te treffen op een gemiddelde vindplaats. De daadwerkelijk aangetroffen aantallen tijdens het nog uit te voeren proefsleuvenonderzoek kunnen derhalve (sterk) afwijken van de hieronder genoemde aantallen.

Onderzoek: proefsleuvenonderzoek Nederzettingsterrein: (laat-)paleolithicum – late bronstijd Ijzertijd – vroege middeleeuwen hoge verwachting off-site resten in de omgeving Risse Beek Nederzettingsterrein: late middeleeuwen , nieuwe tijd Omvang 1000 m² Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Verwachting 2 Verwachte aantal m 100 m² Verwachte aantallen (N) 30 20 10 10 5 5 5 10 0 0 5 0 0 0 5 0 0 0 5 Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen , diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (C) 14 Vismonsters DNA Dendrochronologisch monster Verwachte aantallen (N) 1 0 1 0 0 0 2 0 0 1 aeres milieu AM25289 Bijlage 4 Overzicht te raadplegen specialisten/ specialismen AM25289 Bijlage 4 bij het PvE: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA” nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee In PvE voorschrijven “Raadplegen bij 1

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking” Ja nee Ja Ja nee Ja nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja nee Vondstcategorie veldwerk” nee nee nee nee nee nee nee nee ja ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen , diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) 14 Monsters voor koolstofdatering (C) DNA Dendrochronologisch monster nee nee nee nee Ja Ja nee nee Ja nee nee Ja nee nee nee nee nee nee nee nee Ja nee Ja Ja Ja Ja Ja 1 Zonodig kan een specialist ingeschakeld worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1964/documents/54627