CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 2 bij toelichting MER advies .pdf

Gemeenteraad 21 juli 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 44 - Vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied Wouw3.942 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Buitengebied Wouw Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 1 maart 2021 / projectnummer: 3531

Advies over het MER in het kort De gemeente Roosendaal wil het bestemmingsplan voor het buitengebied bij Wouw actualiseren. Met de actualisatie zorgt de gemeente ervoor dat het bestemmingsplan aansluit op het plan voor het oostelijk deel van de gemeente: Roosendaal-Nispen1. Ook krijgen de regels uit de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant2 een plek in het plan. Voor het besluit over het bestemmingsplan is een milieueffectrapport (MER) opgesteld.3 De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van hiervan.

Wat blijkt uit het MER? Het MER richt zich vooral op de effecten van uitbreidingen of aanpassingen van bestaande agrarische bedrijven. Dit kan leiden tot negatieve effecten op beschermde natuur, zoals extra stikstofdepositie en verstoring. Door in het ontwerpbestemmingsplan4 voorwaarden te stellen aan uitbreidingen, worden een deel van deze effecten voorkomen. Omdat het plan geen grote nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, zijn er geen alternatieven onderzocht.

Wat is het advies van de Commissie? De conclusie dat het plan kan leiden tot negatieve effecten op natuur is niet volledig onderbouwd. De omvang van de effecten op natuur is onvoldoende uitgewerkt in het MER. Ook is niet uitgelegd in hoeverre de voorgestelde maatregelen en voorwaarden deze effecten beperken of voorkomen. Dit laatste geldt ook voor andere onderwerpen dan natuur en is daar een verbeterpunt. Informatie over effecten op natuur en daarvoor noodzakelijke maatregelen zijn echter essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan buitengebied Wouw. Het gaat om de volgende punten: •

Effecten van stikstofdepositie: om toename van stikstofdepositie te voorkomen zijn maatregelen noodzakelijk, zo staat in het MER. Een goede onderbouwing van de huidige situatie op basis van actuele gegevens en een compleet beeld van effecten ontbreekt echter. Voorwaarden die het plan wel uitvoerbaar maken, zijn onvoldoende uitgewerkt.

•

Effecten op beschermde soorten van Natura 2000-gebieden: Het MER beschrijft dat het plan leidt tot toename van recreatie, wat negatieve effecten kan hebben op soorten in beschermde natuurgebieden. Daarom stelt het MER maatregelen voor. Omdat deze pas in de toekomst plaats gaan vinden is de uitvoering ervan onvoldoende zeker om nu al rekening mee te kunnen houden.

•

Effecten op beschermde soorten: Het is niet duidelijk of effecten door aantasting van leefgebied en verstoring zijn gebaseerd op de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Het MER laat nu niet goed zien wat de risico’s van het plan zijn voor beschermde soorten en met welke maatregelen deze te voorkomen of te beperken zijn.

1

Bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen, 2017.

2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, 2020.

3

Anteagroup, 2020. Plan-MER Buitengebied Wouw.

4

Regels van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Wouw 2020.

-1-

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan buitengebied Wouw. Naast deze essentiële informatie constateert de Commissie dat het MER op een aantal punten verbeterd kan worden. Het gaat om de volgende punten: •

Door alleen te kiezen voor actualisatie op bestaande regels en afspraken ontbreekt een doorkijk naar de betekenis die toekomstige ontwikkelingen gaan hebben op het buitengebied. Denk hierbij aan de energie- en de landbouwtransitie.

•

Voor een aantal onderwerpen, zoals landschap, water en natuur, noemt het MER mogelijke maatregelen en voorwaarden om negatieve effecten te beperken of te voorkomen. Het is niet altijd duidelijk wat dit betekent voor de regels van het bestemmingsplan.

•

Het plan is op veel aspecten (enigszins) negatief beoordeeld, ondanks de doelstelling om bestaande waarden en belangen veilig te stellen. Het MER laat vervolgens niet zien met welke maatregelen deze doelstellingen toch bereikt worden, terwijl wel maatregelen denkbaar zijn.

•

Het MER start met een uitgebreide samenvatting; veel aandacht gaat daarin naar beschrijving van de huidige situatie en teksten over regels en beleid. De beschrijving van de effecten op het milieu is vervolgens erg beknopt. Ditzelfde gebeurt in de hoofdtekst van het MER.

In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe.

Afbeelding 1 Plangebied bestemmingsplan buitengebied Wouw (bron: MER)

-2-

Achtergrond De gemeente wil voor het buitengebied aan de westzijde van Roosendaal, de voormalige gemeente Wouw, een nieuw bestemmingsplan vaststellen. Hiermee brengt zij het ruimtelijk-planologisch kader voor dit gebied in overeenstemming met dat voor het oostelijk buitengebied, Roosendaal-Nispen. Om die reden is ervoor gekozen geen Omgevingsplan maar een traditioneel bestemmingsplan5 vast te stellen. Het bestemmingsplan biedt een kader voor de uitbreiding van agrarische bedrijven (categorie C14/D14, de wijziging van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren). Daarnaast zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten en is een passende beoordeling nodig. Dit betekent dat voor het besluit over het bestemmingsplan een plan-MER opgesteld moet worden. De rol van de Commissie m.e.r. De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Roosendaal - besluit over het bestemmingsplan buitengebied Wouw. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies.

U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3531 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeente Roosendaal. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Effecten op Natura 2000-gebieden Het MER concludeert dat het plan leidt tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofemissie, verdroging en verstoring.6 Om dit te voorkomen bevat het bestemmingsplan regels waardoor bijvoorbeeld de uitbreiding van een veehouderij niet tot meer ammoniakemissie mag leiden. Vervolgens moet in het MER worden beoordeeld of de ruimte die het bestemmingsplan geeft voor dergelijke ontwikkelingen, in werkelijkheid ook kan worden ingevuld binnen de randvoorwaarden van wet- en regelgeving. Met andere woorden, of de geboden uitbreidingsruimte in het bestemmingsplan in de praktijk uitvoerbaar is. De omvang van de effecten van met name stikstofdepositie en verstoring zijn echter niet goed uitgewerkt. Ook is niet duidelijk wélke beperkingen of voorwaarden noodzakelijk zijn om tot een uitvoerbaar plan te komen en of de regel in het plan daar invulling aan geeft.

5

Een bestemmingsplan volgens de vigerende wet- en regelgeving; er wordt geen Omgevingsplan opgesteld conform de toekomstige Omgevingswet.

6

Zie bladzijde 147 van het MER.

-3-

Daarnaast sluit het bestemmingsplan wat betreft extern salderen en compenserende maatregelen niet aan op de conclusies in het MER en de passende beoordeling. Op een aantal onderwerpen is daarom een aanvulling van het MER en de passende beoordeling nodig.

2.1.1

Effecten van de stikstofdepositie De conclusie dat het plan door extra stikstof leidt tot negatieve effecten op Natura 2000gebieden is niet onderbouwd met een berekening. Hiermee hangt samen dat de huidige situatie, en daarmee de referentiesituatie, niet goed in beeld is gebracht. Ook zijn niet alle activiteiten die tot extra stikstofdepositie kunnen leiden onderzocht.

Referentiesituatie Het MER maakt niet duidelijk of er sprake is van niet-benutte ruimte in de bestaande stallen en wat de omvang hiervan is. Hierdoor is de huidige feitelijke situatie niet gekwantificeerd en is niet inzichtelijk of hier bij de effectbepaling van het plan rekening mee is gehouden. Ook is niet duidelijk of bestaande bedrijven mogelijkheden hebben de emissie te beperken. Dit kan voor veehouderijen onder andere door toepassing van staltechnieken. Het MER moet per (type) bedrijf laten zien dat er staltechnieken beschikbaar zijn waarmee de emissies zodanig kunnen worden beperkt dat het volledige bouwvlak ingevuld kan worden, terwijl aan de planregels met betrekking tot emissie en depositie wordt voldaan. Om te bepalen in hoeverre bedrijven de ontwikkelruimte van het plan kunnen gebruiken en het plan dus in de praktijk uitvoerbaar is, is het nodig inzicht te bieden in: •

de huidige feitelijke situatie met betrekking tot dieraantallen (de huidige bezetting),

•

de maximaal mogelijke bezetting in de huidige situatie;

•

bestaande stalsystemen;

•

of sprake is van weidegang;

•

wat beschikbare emissiebeperkende technieken per diercategorie zijn.

Hiermee kan onderbouwd worden dat de dieraantallen die het plan mogelijk maakt, gerealiseerd kunnen worden zonder extra stikstofdepositie op daarvoor gevoelig natuur.

Activiteiten die kunnen leiden extra stikstofdepositie Het MER stelt dat de uitbreiding van bestaande kwekerijen en werken binnen het vergunningenstelsel niet leiden tot een toename van stikstofuitstoot en daarmee tot extra stikstofdepositie.7 Deze conclusie is niet volledig onderbouwd: niet duidelijk is of rekening is gehouden met de invloed van emissies van NOx. Denk bijvoorbeeld aan uitstoot via verwarming, warmte-krachtkoppeling, verkeer en aanwending van meststoffen. Effecten van de uitbreiding van recreatieve voorzieningen op vermesting en verzuring door stikstof zijn niet op voorhand uit te sluiten, zo staat in het MER.8 De omvang van deze effecten is niet beschreven, en ook is niet duidelijk welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn.

7

Zie bladzijde 144 van het MER.

8

Zie bladzijde 144 van het MER.

-4-

Uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan In specifieke gevallen laat het plan een toename van ammoniakemissie toe bij uitbreiding van de veestapel.9 Op het moment van individuele vergunningverlening is dan een passende beoordeling nodig. Echter, al bij het besluit over het bestemmingsplan moet duidelijk zijn of de ontwikkelruimte die het plan biedt, gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat: •

noodzakelijke maatregelen of beperkingen om aan wettelijke normen te voldoen, voldoende concreet moeten zijn, en

•

de passende beoordeling bij het bestemmingsplan aantoont dat met deze maatregelen de gewenste ontwikkelingen ook echt uitvoerbaar zijn.

Conclusie De Commissie adviseert in aanvulling op het MER en de passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen en de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen door: •

inzicht te bieden in de huidige feitelijke situatie met betrekking tot dieraantallen, bestaande stalsystemen en beschikbare emissiebeperkende technieken per diercategorie;

•

aan te tonen hoe de aanwezige veehouderijen de gebruiks- en ontwikkelruimte die het plan biedt, daadwerkelijk in kunnen vullen zonder toename van stikstofdepositie;

•

te beschrijven wat activiteiten die het plan mogelijk maakt, zoals uitbreiding of aanpassing van bestaande kwekerijen en recreatieve voorzieningen, bijdragen aan de stikstofdepositie en welke mitigerende maatregelen hiervoor nodig zijn;

•

te onderbouwen dat de voorgestelde maatregelen niet leiden tot negatieve effecten door stikstofdepositie.

2.1.2

Verstoring door recreatie Het plan maakt uitbreiding van recreatieve voorzieningen mogelijk. Dit leidt tot meer verstoring in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Hoe groot deze toename van recreatie is en tot welke extra verstoring dit leidt is vervolgens niet toegelicht. Het Beheerplan Natura 2000 voor de Brabantse Wal10 beschrijft maatregelen om in de toekomst de recreatiedruk te reguleren. Daarom is er ook geen sprake van negatieve effecten door het ontwerpbestemmingsplan, zo staat in het MER. Deze conclusie is echter niet terecht omdat effecten op Natura 2000-gebieden afgezet moeten worden tegen de huidige feitelijke situatie. Hierbij mag nog geen rekening gehouden worden met (onzekere) toekomstige maatregelen. Bij vaststelling van het plan moet duidelijk zijn hoeveel de recreatie gaat toenemen en tot hoeveel extra verstoring dit leidt, vóórdat de effecten in beeld gebracht kunnen worden.

9

Zie artikel 3.5.1 in de regels bij het ontwerpbestemmingsplan.

10

Provincie Noord-Brabant, 2018. Beheerplan Brabantse Wal.

-5-

De Commissie adviseert in aanvulling op het MER en de passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van de toename van recreatieve voorzieningen op Natura 2000-gebieden te onderbouwen door: •

de omvang en verspreiding van de toename van het aantal recreanten concreet te maken op basis van de maximale mogelijkheden die het plan biedt;

•

de verspreiding van voor verstoring gevoelige soorten van Natura 2000-gebieden in beeld te brengen;

•

de effecten van de recreatie op deze soorten te beschrijven en beoordelen ten opzichte van de huidige feitelijke situatie.

2.1.3

Extern salderen en compenserende maatregelen Het is niet duidelijk hoe de conclusies uit het MER en de passende beoordeling zijn gebruikt bij opstellen van het ontwerpbestemmingsplan.11 Zo biedt het plan de mogelijkheid tot extern salderen.12 Omdat extern salderen als mitigerende maatregel wordt beschouwd, moet in dat geval een passende beoordeling worden opgesteld. De passende beoordeling bij het MER gaat nu niet in op extern salderen. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan mogelijkheden biedt die niet zijn onderzocht in het MER. Het MER spreekt alleen over mitigerende maatregelen, terwijl het ontwerpbestemmingsplan ook de mogelijkheid biedt tot compensatie met inrichting- of beheermaatregelen.13 Relevant in dit kader is dat wanneer sprake is van compenserende maatregelen, een ADC-toets14 plaats moet vinden. Ook is relevant dat, mocht er sprake zijn van nadelige effecten op Natura 2000-gebieden in België, een grensoverschrijdende procedure doorlopen moet worden. De Commissie adviseert in aanvulling op het MER en de passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming: •

te onderbouwen dat alle mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voldoende zijn onderzocht, denk daarbij specifiek aan extern salderen en compenserende maatregelen;

•

te laten zien hoe de conclusies en mogelijke maatregelen uit het MER en de passende beoordeling een rol hebben gespeeld bij het formuleren van de regels in het ontwerpbestemmingsplan.

Effecten op beschermde soorten Het MER laat zien dat er veel beschermde soorten in en direct rondom het plangebied voorkomen, en dat het plan door aantasting van leefgebied en verstoring tot negatieve effecten op deze soorten kan leiden. Bij het in beeld brengen van de effecten van een bestemmingsplan, geldt als uitgangspunt dat alle mogelijkheden die het plan biedt gerealiseerd gaan worden. Denk aan de mogelijkheid dat alle agrarische bedrijven het bouwvlak uitbreiden of omschakelen naar

11

In een toelichtend gesprek op 13 januari 2021 heeft de gemeente Roosendaal vermeld dat zij gaat controleren of de stikstofvoorwaarde voldoende dekkend in de bestemmingsplanregels is opgenomen. Voorliggend advies is gebaseerd op de in december 2020 beschikbaar gestelde documenten en anticipeert niet op eventuele aanpassingen.

12

Zie bijvoorbeeld artikel 3.5.1 onder b sub 2.

13

Zie regel 3.5.1, lid b, sub 3 van de planregels.

14

ADC staat voor: Alternatieven, Dwingende redenen van groot openbaar belang en Compensatie.

-6-

andere bedrijfsvormen. Vervolgens moet onderzocht worden of dit leidt tot (cumulatieve) risico’s voor de gunstige staat van instandhouding van soorten(groepen) op populatieniveau. Aan de hand van deze verkenning moeten maatregelen genomen worden die deze risico’s kunnen voorkomen of beperken. Een dergelijke benadering ontbreekt in het MER. 15 Het MER beschrijft in algemene zin hoe (onder andere) uitbreiding van veehouderijen tot ruimtebeslag op leefgebied en verstoring kan leiden, maar stelt vervolgens dat deze effecten lokaal en gering zijn en de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Niet duidelijk is, waarom het MER vervolgens wel een uitgebreide lijst van mitigerende maatregelen bevat en wat de status hiervan is.16 De Commissie adviseert in aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van de maximale mogelijkheden die het plan biedt op beschermde soorten te onderbouwen door: •

te beschrijven wat de grootste risico’s en/of bedreigingen zijn voor beschermde soorten, uitgaande van de maximale mogelijkheden die het plan biedt;

•

te beschrijven welke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn om wezenlijk negatieve gevolgen te voorkomen.

Toekomstige ontwikkelingen en kansen De gemeente wil met het bestemmingsplan inspelen op toekomstige ontwikkelingen.17 Om welke ontwikkelingen het gaat en hoe hier rekening mee wordt gehouden blijkt niet uit het MER. Verwachte ontwikkelingen zoals de Wet stikstofreductie en natuurverbetering18 komen niet aan bod, net als de gemeentelijke visie op zonne-energie19 en de plannen uit de concept-RES20. Tegelijkertijd biedt het plan wel de mogelijkheid om zonneparken aan te leggen ter plaatse van de hoogspanningsleiding. Niet duidelijk is of dit in het MER is onderzocht. Verder valt op dat eventuele kansen voor (verdere) verbetering van het milieu niet aan bod komen. Zo is niet ingespeeld op scenario’s voor klimaatverandering, verbetering van bodem en water21 en bijvoorbeeld natuurinclusieve en kringloop-landbouw. De Commissie constateert dat in het MER een doorkijk naar de betekenis van toekomstige ontwikkelingen op het buitengebied ontbreekt en dat het MER niet laat zien hoe kansen voor verbetering van het milieu verzilverd kunnen worden.

15

Paragraaf 3.6.5 van het MER beschrijft overigens goed hoe effecten op beschermde plant- en diersoorten getoetst moeten worden.

16

Zie bijvoorbeeld tabel 5.12 op bladzijde 157 van het MER.

17

Zie bladzijde 4 van het MER.

18

Deze wet is op 17 december 2020 door de Tweede Kamer aangenomen. De datum waarop deze in werking treedt is nog niet bekend.

19

Gemeente Roosendaal, 2018. Visie op zonne-energie en bijbehorende Visiekaart.

20

De Concept RES West-Brabant is in juni 2020 vastgesteld door de betrokken partijen, waaronder de gemeente Roosendaal. Binnen de gemeente is circa 45 hectare zonprojecten op veld voorzien.

21

In aansluiting op de provinciale Contourennotitie Regionale water- en bodemprogramma 2022-2027.

-7-

Mitigerende maatregelen en doelstelling Maatregelen om milieueffecten te beperken Hoofdstuk 5 van het MER beschrijft per aspect met welke maatregelen effecten voorkomen of beperkt kunnen worden (de mogelijke mitigerende maatregelen). Het MER maakt niet concreet of deze maatregelen ook plaats gaan vinden, en in welke mate de milieueffecten daarmee verminderen. Het ontwerpbestemmingsplan bevat vervolgens wel specifieke voorwaarden om effecten te beperken of te voorkomen en borgt daarmee de beoogde maatregelen. Als voorbeeld: bij mogelijke mitigerende maatregelen voor het aspect landschap verwijst het MER naar bestaande regelingen waarmee effecten gemitigeerd worden.22 Ook zijn verdere maatregelen, in de vorm van voorwaarden, nodig om landschappelijke waarden te behouden. Om welke voorwaarden het gaat, voor welke functies en activiteiten dit geldt en in welke de mate de effecten hiermee verminderen is niet toegelicht.

Bijdrage aan de doelstelling Voor het bestemmingsplan zijn twee doelstellingen geformuleerd. Hoe de tweede doelstelling, ‘het veiligstellen en vastleggen van de bestaande waarden en belangen’ , een plek in het plan heeft gekregen staat niet in het MER. In dat kader valt op dat het plan op veel aspecten (enigszins) negatief is beoordeeld, zoals voor landschap, water en natuur. 23 Omdat de mitigerende maatregelen niet concreet zijn, lijkt de tweede doelstelling niet binnen handbereik te liggen. Ook hier geldt dat deze doelstelling wel een duidelijke plek heeft gekregen in de voorwaarden in het ontwerpbestemmingsplan. Om bij het aspect landschap te blijven: de beschrijving van de huidige situatie gaat in op de verschillende landschapstypen en geeft een uitgebreid overzicht van de waarden van de hiervan binnen het plangebied. De effectbeschrijving laat vervolgens zien dat het plan leidt tot negatieve effecten op landschappelijke structuren en elementen. Een relatie met de doelstelling om waarden veilig te stellen ontbreekt echter.

Borging van maatregelen en doelstelling in het ontwerpbestemmingsplan De regels in het ontwerpbestemmingsplan borgen dat effecten zoveel mogelijk beperkt blijven en sluiten aan op de tweede doelstelling van het plan. De invulling die de regels geven aan de Interim Omgevingsverordening en het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant24 zorgen hiervoor. Beiden richten zich namelijk op onder andere behoud en versterking van bestaande waarden, zoals landschap, water en natuur. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan vertaalt naar voorwaarden bij een groot aantal uitbreidingsmogelijkheden. Dus ondanks dat het MER onvoldoende ingaat op de benodigde maatregelen en doelstelling, heeft dit wel een plek in het ontwerpbestemmingsplan gekregen. Dit laat zien dat de conclusies in het MER geen duidelijke relatie leggen met de regels in het ontwerpbestemmingsplan.

22

Zie bladzijde 134 van het MER.

23

Zie de samenvattende tabel S.1 in het MER.

24

Vastgesteld in het RRO West-Brabant, 18-12-2014.

-8-

Conclusie Het MER licht onvoldoende toe welke concrete maatregelen nodig zijn en wat deze bijdragen aan het beperken van effecten. De bijdrage van het plan aan de doelstelling om bestaande waarden veilig te stellen laat het MER ook niet zien. De Commissie beveelt aan dit wel in beeld te brengen en in te gaan op de betekenis voor het ontwerpbestemmingsplan. De Commissie beveelt daarom aan om voorafgaand aan besluitvorming te laten zien: •

in welke mate de voorgestelde mitigerende maatregelen leiden tot minder milieueffecten en een beter doelbereik, en

•

hoe de maatregelen een rol hebben gespeeld bij het formuleren van de regels van het bestemmingsplan.

Leesbaarheid van het MER Duidelijke samenvatting Het MER start met een zeer uitgebreide samenvatting. Deze bevat niet alleen veel kaartmateriaal maar ook tekstdelen die letterlijk uit het MER overgenomen zijn. Het MER is een belangrijk middel om de omgeving te informeren. Dit vraagt vooral in de samenvatting om bondige en krachtige teksten. Houd bij het schrijven van de samenvatting in het achterhoofd dat deze de kern van het MER moet weergeven en leesbaar moet zijn voor een algemeen publiek. De Commissie beveelt aan hier in de toelichting voor de besluitvorming aandacht aan te besteden.

Relatie tussen beleid en het plan De beschrijvingen van de huidige situatie en het beleidskader zijn grondig uitgewerkt. Deze informatie kan beter benut worden in de rest van het MER. Door de beschikbare en gepresenteerde informatie beter te koppelen aan de effectbeschrijving doet het MER meer recht aan de specifieke kenmerken van (delen van) het buitengebied. De Commissie beveelt aan hier bij toekomstige besluiten meer aandacht aan te besteden. Hoofdstuk 2 bevat bijvoorbeeld veel tekst om het beleid te beschrijven, zonder de betekenis ervan voor dit specifieke plan duidelijk te maken. Door dit wel te doen, kan het MER beter laten zien hoe beleid en plan op elkaar aansluiten. Denk bijvoorbeeld aan de doelen van het Landschapsontwikkelingsplan25 en de Structuurvisie26 die richting geven aan de gewenste ontwikkelingen in het buitengebied27.

25

Zie paragraaf 3.4.3 Landschapsstructuur en landschappelijke waarden in het MER.

26

Gemeente Roosendaal, 2012. Structuurvisie Roosendaal 2025.

27

Zie de Ruimtelijke uitgangspunten Buitengebied op bladzijde 34 van het MER.

-9-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Jan Bakker Eric van der Burg (voorzitter) drs. Aletta Lüchtenborg (secretaris) drs. Rob van Woerden Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan buitengebied Wouw 2020. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit C/D14, “uitbreiding veehouderijen”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven.

Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit De gemeenteraad van Roosendaal Initiatiefnemer besluit College van Burgemeester en Wethouders van Roosendaal Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3531 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1301/documents/34657