Bijlage 1 motivering TAM-omgevingsplan Herelsestraat 124 Heerle.pdf
Tekst van het document
Uit de informatie op de risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de planlocatie niet binnen de (gifwolkaandachtsgebieden, brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden) aandachtsgebieden van het water, het spoor, de wegen, de buisleidingen en risicovolle inrichtingen valt. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling en met de opgenomen regels in de bruidsschat (artikel 22.13 t/m 22.15) blijkt dat de veiligheid op de planlocatie is gewaarborgd.
5.10 Gezondheid Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Toetsing Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid / toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid.
31/58
In de paragraaf 'luchtkwaliteit' is geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarnaast is in de paragraaf 'bodem' geconcludeerd dat de bodem voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse wonen.
5.11 Cultureel erfgoed en archeologie Beleid en normstelling Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Bij de ontwikkeling van de plannen moet met de eventueel aanwezige waarden zoveel mogelijk rekening worden gehouden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaat-sen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Onderzoek Archeologie Bij de ontwikkeling van de woningen dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Ter plaatse van het plangebied geldt in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Heerle' de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Bij de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' geldt dat bij grondroerende werkzaamheden voor een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden, waarin aangetoond moet worden dat er geen archeologische waarden zullen worden geschaad door de ontwikkeling. Bij de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' geldt dat bij grondroerende werkzaamheden voor een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden, waarin aangetoond moet worden dat er geen archeologische waarden zullen worden geschaad door de ontwikkeling.
Aangezien er geen bodemwerkzaamheden uitgevoerd gaan worden die de vrijgestelde waarden overschrijden is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultureel erfgoed
32/58
Het pand aan de Herelsestraat 124 is aangeduid als gemeentelijk monument. Ten behoeve van deze ontwikkeling is daarom een bouwhistorisch onderzoek met waardestelling uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 4. Hierin is geconcludeerd dat bij een toekomstige verbouwen en/of herbestemming van belang is dat de nog afleesbare gelaagdheid van het industriële bouwwerk moet worden gerespecteerd. Ook moeten de nog overgebleven historische elementen zoveel mogelijk intact blijven zodat de bouw- en gebruiksgeschiedenis bijzonder herkenbaar blijft. Daarbij genieten een aantal aspecten bijzondere aandacht, deze zijn opgenomen in het rapport. Het ontwerp van de woningen sluit aan bij de conclusies die genomen zijn in het bouwhistorisch onderzoek met waardestelling. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) zal het ontwerp beoordelen.
5.12 Bodemkwaliteit Toetsingskader De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Voorafgaande aan de voorbereiding van deze ontwikkeling is het omgevingsplan nog niet gewijzigd, daarom gelden op grond van artikel 22.30 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan de interventiewaarden bedoeld in bijlage IIA van het Bal als grenswaarden voor de bouw van bo-demgevoelige gebouwen. Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 5. Het volgende kan geconcludeerd worden. Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse wonen. De ondergrond voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse wonen. Daarnaast is het grondwater niet verontreinigd.
Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS in bijlage 5). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek wordt de gestelde hypothese 'verdachte locatie' aangenomen.
33/58
Algemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat op basis van vastgestelde kwaliteitsklassen voor zowel de boven- als de ondergrond wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in het gemeente omgevingsplan. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek dan wel het nemen van maatregelen. Advies De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen.
5.13 Water Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Beleid en regelgeving Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig.
In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden
34/58
de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast.
Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt.
De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw
35/58
In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. De openbare ruimte binnen het bedrijventerrein wordt zo ingericht dat het problemen als hittestress en wateroverlast tegengaat. Denk hierbij aan het realiseren van bomenrijen, wadi’s en waterpartijen. Er wordt op deze manier een soort ‘laan-structuur’ gecreëerd.
Dit gaat niet alleen de hittestress en wateroverlast tegen, maar het zorgt er ook voor dat het terrein beter in de context past en daarnaast de uitstraling van een groen en duurzaam bedrijventerrein krijgt. Op deze manier ontstaat een robuust watersysteem dat voldoet aan het uitgangspunt 'Water en Bodem Sturend'. Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het regionale waterbeheer. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen de doelstelling van het Waterbeheerplan 2022-2027. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 gaat uit van 6 kerntaken: klimaatadaptatie, waterveiligheid, gezond water, voldoende water, vaarwegen en waterketen. Het Waterbeheerprogramma komt voort uit de Omgevingswet: er is rekening gehouden met diverse trends en ontwikkelingen en de inbreng van belanghebbenden is belangrijk. Water is immers een belangrijke factor bij ruimtelijke ontwikkeling en goed waterbeheer draagt bij aan duurzame ontwikkeling van het werkgebied (en daarbuiten).
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Waterschapsverordening en de legger. De Waterschapsverordening bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.
36/58
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater'. Doelstelling Meerlaagsveiligheid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap is continu betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen in hun beheergebied. Meerlaagsveiligheid is voor het waterschap steeds meer een manier om continu te werken aan: het reduceren van overstromingsrisico's (kansen en gevolgen) het verminderen van kwetsbaarheid het leefbaarder maken van de (bedreigde) omgeving De bedoeling is om bescherming tegen overstromingen en omgaan met overstromingsrisico expliciet bespreekbaar te maken in de ruimtelijke ontwikkeling. Impliciet worden nu risico's geaccepteerd: men denkt dat het veilig is, maar het risico is nooit nul.
Door middel van een aanvulling in het toetsen van plannen wil het waterschap proberen om (de acceptatie van) deze risico's expliciet te maken. Gemeentelijk beleid Het waterbeleid van de gemeente Roosendaal Sinds 17 mei 2024 geldt in de gemeente Roosendaal het Water- en Rioleringsprogramma 2024-2027 (WRP). In het WRP is het beleid opgenomen van de gemeente met betrekking tot het stedelijk water en het afvalwater. Hierin zijn de zorgplichten van de gemeente uitgewerkt tot ambities voor de komende jaren. In het VGRP zijn ook beleidsregels opgenomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. In het referentieschema Stedelijk waterbeheer (bijlage C van het WRP) is op basis van de gezamenlijke visie vanuit de Water- en Klimaatkring West voor het stedelijk waterbeheer een referentielijn opgenomen. Elke gemeente in de samenwerking onderschrijft deze visie maar heeft ook de ruimte om hier gemotiveerd van af te wijken. Voor de zorgplichten voor hemelwater ligt de verantwoordelijkheid primair bij de perceel eigenaar. De gemeentelijke zorgplicht treedt in werking als redelijkerwijs niet van de perceel eigenaar verwacht kan worden dat deze zelf het hemelwater verwerkt. Zowel bij nieuwbouw als bij ontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied wordt van de perceeleigenaar verlangt dat deze zijn/haar verantwoordelijkheid neemt om wateroverlast te voorkomen.
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt daarom gestuurd op principes zoals het niet onnodig verharden van de bodem en het niet afwentelen van hemelwater van private naar publieke ruimte. Het toetsingskader Roosendaal Natuurstad wordt hierbij als leidraad gebruikt. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt van de perceeleigenaar verlangd dat er hydrologisch neutraal gebouwd wordt en een (v)gs met retentievoorziening met gedoseerde afvoer (binnen 24 uur) wordt toegepast. De gemeente vult dit praktisch in met een verplichting tot het aanbrengen van 60 mm waterberging bij nieuwe ontwikkelingen en ontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied en het nastreven van een voorkeursvolgorde voor de omgang met water zie navolgend:
37/58
1. Hergebruik; 2. Bergen en infiltreren op eigen terrein; 3. Tijdelijke opslag in openbaar gebied met uitloop naar groen; 4. Afvoeren op bovengrondse hemelwatervoorziening; 5. Afvoeren op een ondergrondse hemelwatervoorziening; 6. Afvoeren op een gemengd rioolstelsel richting RWZI. Omgevingsaspecten Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van 6,80 m +NAP. Bodemopbouw Op basis van een op locatie uitgevoerd verkennend bodemonderzoek bestaat de bodem tot de maximaal onderzochte diepte op 3,0 meter beneden maaiveld voornamelijk te bestaan uit zeer fijn tot matig fijn zand. Tussen 0,5 en 1,0 meter beneden maaiveld is de bodem wisselend matig humeus. Zintuiglijk is de bovengrond lokaal matig baksteenhoudend. Vanaf ongeveer 1,5 meter beneden maaiveld is de bodem bestaande uit zeer fijn en matig fijn zand bovendien zwak tot matig leemhoudend en lokaal sterk siltig. In bijlage 5 zijn de gegevens van het verkennend bodemonderzoek weergegeven. Grondwater Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen.
Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar het plangebied. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noord tot noordoostelijke richting. Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor het plangebied ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op 5,50 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op 1,3 m -mv bevinden. Ten tijde van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is bij de bemonstering van het grondwater op 05-11-2024 een grondwaterstand gemeten op 1,86 m -mv. Rond de plaats(en) waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening (voor menselijke consumptie) zijn beschermingszones gecreëerd.
Binnen die zones gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau. Er is namelijk van uitgegaan dat met een geringer beschermingsniveau kan worden volstaan, naarmate: op het maaiveld de (horizontale) afstand tot de winningsmiddelen toeneemt; in de bodem slecht doorlatende lagen boven het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken (de verticale
38/58
afstand), aanwezig zijn. Dit heeft geleid tot een onderverdeling van de beschermingszones in waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, of attentiegebied. Een deel van het plangebied is aangemerkt als boringsvrijezone. Bij de boringsvrije zones bevindt zich in de ondergrond een aaneengesloten slecht doordringbare kleilaag. Deze gebieden zijn minder kwetsbaar voor verontreinigingen en aantastingen dan grondwaterbeschermingsgebieden. Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. De vaststelling van de zonegrens wordt bepaald door de horizontale reistijd van 25 jaar in het watervoerend pakket waaruit onttrokken wordt. Doel van de regels in boringsvrije zone is het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord. Binnen boringsvrije zone gelden geen absolute verboden. Vanuit het doel zijn wel voorwaarden gesteld aan activiteiten die een risico geven voor schade aan de beschermende kleilaag.
Als milieubelastende activiteit binnen Boringsvrije zone wordt aangewezen (artikel 3.41 omgevingsverordening Noord-Brabant): het verrichten van een activiteit in de bodem op een diepte van 10 m of meer onder maaiveld; het verrichten van een activiteit waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater. De beoogde planactiviteiten voorzien niet in een milieubelastende activiteit zoals hierboven beschreven. Indien in de Boringsvrije zone activiteiten in de bodem worden verricht op een diepte van 10 m of meer onder het maaiveld (sonderingen of mechanische boringen), zal een startmelding worden gedaan als bedoeld in Artikel 3.5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen die de boringsvrije zone beschermen. Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen.
Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op basis van de leggerkaart van waterschap Brabantse Delta is in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. Het dichtstbij gelegen oppervlaktewater (categorie B waterloop OWL 28153) ligt ten noorden van het plangebied op circa 200 meter afstand.
39/58
Figuur 5.5 Legger waterkeringen, rood omkaderd het plangebied (Bron: Waterschap Brabantse Delta) Planvoornemen Verhard oppervlak In de huidige situatie bestaat het plangebied namelijk uit bebouwing, bestrating en groen. In de toekomstige situatie wordt een deel van de bebouwing gesloopt en worden twee woningen en vier parkeerplaatsen gerealiseerd. Het plangebied heeft een oppervlakte van 469 m2. De oppervlakte van de aanwezige bebouwing bedraagt 230 m2. In de toekomstige situatie bedraagt de oppervlakte bebouwing 200 m2. De verharding (parkeerplaatsen/fietsenstalling/toegangsweg parkeren/voetpad) van de aanwezige verharding bedraagt 220 m2. In de toekomstige situatie bedraagt de verharding 200 m2. Deze verharding zal bestaan uit grastegels wat de infiltratie zal bevorderen. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak daardoor afnemen met 50 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt 400 m2. Waterbergingsopgave Verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Voor nieuwe ontwikkelingen in zowel nieuw te ontwikkelen als het bestaande gebied van Roosendaal wordt van de perceeleigenaar verlangt dat deze zijn/haar verantwoordelijkheid neemt om water op straat te voorkomen en waterhinder of overlast op het perceel niet afwentelt op openbaar gebied.
Bij deze ontwikkelingen wordt een berging verlangd van 60 mm t.o.v. het verhard oppervlak waarbij de afvoer wordt beperkt en in minimaal 24 uur mag worden geloosd op de riolering. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal 24 m3 (400 m2 x 60 mm). Hemelwater In de toekomstige situatie wordt er een tuin gerealiseerd van 75 m2 en 30 m2 groen op het achterterrein
40/58
gerealiseerd. Het hemelwater zal infiltreren in de onverharde terreindelen. Daarnaast worden sedum daken aangelegd van in totaal 120 m2. Naast de waterberging op het dak kan hemelwater worden geborgen onder de aanwezige verhardingen door de aanleg van bijv. infiltratiekratten, het Rockflow-systeem of waterbergende fundatiematerialen zoals lava, grind of schelpen. Afvalwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld en verwerkt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal twee woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename va 0,6 m3/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. De beoogde woningen worden aangesloten op het rioolstelsel in de Herelsestraat. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse van de ontwikkeling.
5.14 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het TAM-omgevingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.
5.15 Duurzaamheid In het ontwerp hebben de woningen ruime tuinen die groen ingericht kunnen worden. De openbare parkeerplaatsen en oprit worden half verhard en half groen. Dit ten behoeve van de biodiversiteit, een kwalitatief goede woonomgeving en ter voorkoming van hittestress en wateroverlast. De daken van de woningen zullen worden voorzien van sedum (groendaken), regenwaterretentie wordt opgevangen met watertonnen en worden er laadpunten voor elektrische auto's en fietsen geplaatst. Tot slot zullen er ook zonnepanelen en een warmtepomp gerealiseerd worden en wordt de isolatie van het pand verbeterd, met behoud van voldoende ventilatie.
41/58
42/58
Hoofdstuk 6 6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Deze motivering vormt het toetsingskader voor de geplande ontwikkeling. De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden ter plaatse van het projectgebied. Hierdoor is het plan financieel haalbaar.
43/58
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit moet in het kader van het omgevingsplan worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat er met de resultaten is gedaan.
7.1
Participatie omgeving
Initiatiefnemers hebben de omgeving geïnformeerd over de ontwikkeling. Dit is in verschillende stappen gebeurd. Op 20 augustus 2024 is de omgeving uitgenodigd voor een omgevingsdialoog. Vervolgens is op 4 september 2024 op locatie de ontwikkeling aan de genodigden gepresenteerd en zijn vragen beantwoord. De genodigden hebben positief gereageerd op de ontwikkeling. Van de omgevingsdialoog is een verslag gemaakt, zie hiervoor bijlage 6.
7.2
Procedure
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 7 juli 2025 tot en met 17 augustus 2025, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerp TAM-omgevingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend die betrekking heeft op het ontwerp TAM-omgevingsplan. De zienswijze is tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk. Naar aanleiding van de zienswijze is in paragraaf 5.13 Water de tekst over boringsvrije zone en het waterwingebied aangepast. De zienswijze is samengevat en beantwoord in de nota zienswijzen.
44/58
Hoofdstuk 8
Evenwichtige todeling van functies aan locaties
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 3, 4 en 5. Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat de ontwikkeling bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leiden tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Alles overwegende zijn de ontwikkelingen aanvaardbaar.
45/58
Bijlagen bij toelichting
46/58
47/58
Bijlage 1 Memo stikstofberekeningen
48/58
49/58
Bijlage 2 Quickscan flora en fauna
50/58
51/58
Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
52/58
53/58
Bijlage 4 Bouwhistorisch onderzoek met waardestelling
54/58
55/58
Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek
56/58
57/58
Bijlage 6 Verslag omgevingsdialoog
58/58