bijlage 1 Ecologische_Quickscan_Dahliastraat_36a_Roosendaal_BE-0731.pdf
Tekst van het document
Natuur
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Dahliastraat 36a Roosendaal Rapportnummer: 2023-BE-0731 In opdracht van: De heer E. van Hooijdonk Sint Josephstraat 16 4702 CW Roosendaal
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2023-BE-0731 Opdrachtgever De heer E. van Hooijdonk
Locatie Dahliastraat 36a Roosendaal
Auteur Frenk van de Wal
Opleverdatum 2 december 2023
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4 1.5 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 5
2.
BELEIDSKADER .............................................................................................................. 6 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 6 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 6 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 8 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 8
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 9 3.1 Huidige situatie ..................................................................................................................... 9
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 12 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 12 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 13 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 13
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 15 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 15 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 16 5.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 24
6.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 25 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 25 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 25
7.
BRONNEN ................................................................................................................... 27
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
SAMENVATTING
Opdrachtgever is voornemens om de bestemming van Dahliastraat 36a te Roosendaal te wijzigen. Dit perceel is gelegen in de achtertuin van Sint Josephstraat 16. Er zal een nieuwe woning gerealiseerd worden. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied.
Het terrein is in aanbouw waarbij de voorzieningen voor de fundering inmiddels zijn aangebracht en de direct aansluitende en naastgelegen bebouwing is geheel gesloten waardoor er geen potentiële openingen zijn waar beschermde soorten nest-, schuil- of verblijfplaatsen kunnen vinden. Er is in het plangebied geen vegetatie aanwezig. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient aangetoond of uitgesloten te worden met een Aerius berekening. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco December 2023
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever de heer E. van Hooijdonk is het voornemen de bestemming van de Dahliastraat 36a te Roosendaal te wijzigen. De planlocatie is gelegen in de achtertuin van Sint Josephstraat 16. Beoogd wordt om hier een nieuwe woning te realiseren. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving.
Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
1.5 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
2. BELEIDSKADER
De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.
2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.
2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
o
o
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).
Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.
2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming
2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.
2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Dahliastraat 36a, in de kern van Roosendaal, in gelijknamige gemeente. Roosendaal is een gemeente in de provincie Noord-Brabant en heeft een totale oppervlakte van 107,21 km2. De gemeente telt 77.578 inwoners (31 januari 2023) en bestaat uit de plaatsen Roosendaal, Nispen, Wouw, Moerstraten, Wouwse Plantage en Heerle. De plaats Roosendaal ligt oostelijk van Bergen op Zoom en westelijk van Breda, oostelijk van de A17, de A58 loopt dwars door Roosendaal heen. Het plangebied is gelegen in de kern van Roosendaal en is nu in gebruik als achtertuin behorende bij Sint Josephstraat 16. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit burgerbebouwing en een kerk. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Roosendaal
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
Het plangebied bestaat uit een bouwrijpgemaakte achtertuin. Zonder struiken en of bomen. Het invloedsgebied bestaat vooral uit burgerwoningen afgewisseld met tuinpercelen behorende bij de omliggende woningen. Op ongeveer 50 meter afstand naar het zuiden staat de Sint Josephkerk. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied in de omgeving globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Eindhoven
9
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit een bestemmingswijziging van het perceel gelegen in de achtertuin van Sint Josephstraat 16 te Roosendaal, bekend als Dahliastraat 36a te Roosendaal. Het voornemen is om een nieuwe woning te realiseren als houten skeletbouw aan de Dahliastraat 36a te Roosendaal. De oppervlakte van het perceel beslaat 180m2. De nieuwe woning heeft een grondoppervlakte van 65m2.
Bestaande situatie. Bron: Studio Ground to Ground
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Beoogde situatie. Bron: Studio Ground to Ground
Beoogde situatie. Bron: Studio Ground to Ground
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig in het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving. Het is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl, zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
4.2 Veldonderzoek Op woensdag 29 november 2023 in de middag heeft ecoloog Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een westenwind met windkracht 1 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 4 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. De waarnemingen uit de NDFF zijn bij de beoordeling betrokken. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
4.3 Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen ongeveer 50 meter noordelijk van de Sint Josephkerk aan de rand van het centrum van Roosendaal in een van de oudste wijken van Roosendaal; de wijk Burgerhout. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een achterom-pad van de buren met nummer 36 waarnaast een pad op het plangebied zal worden aangelegd. Dit tot de achterzijde van de bebouwing van de buren. Verder naar achter (richting west) wordt de grens bepaald met een schutting van houten planken en bebouwing van de buren. Het noordelijke aangrenzende pand is een deel van een twee onder een kapper met een dak in zadeldakvorm. De wand is op twee kleine vensters na geheel gesloten. De zuidelijke grens is gelegen aan de zijgevel van het naastgelegen pand war bestaat uit een eenlaags gebouw met een plat dak belegd met bitumen en in gebruik is als opslagloods. Het gebouw is aan de voorzijde bereikbaar via een grote roldeur. De aangrenzende gevel is geheel gesloten. De achterzijde (westen) wordt begrenst door een te behouden overkapping horende bij Sint Josephstraat 16. Op het moment van veldinventarisatie was het plangebied klaar om bebouwd te worden. Naast het trottoir aan de Dahliastraat was het plangebied afgeschermd met stalen hekken. De ondergrond was niet begroeid en het gehele perceel was vrij van vegetatie.
De voorbereidingen voor het storten van de fundering waren uitgevoerd en afgedekt met een zeil.
Plangebied vanuit oost
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Plangebied vanuit west
13
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Zuidelijke zijgevel waaraan gebouwd worden zal vanaf west
en vanaf oost
Aangrenzende wand noordelijke zijde
Aangrenzende wand zuidelijke zijde
Plangebied vanaf zuiden Dahliastraat
Plangebied rechts met op achtergrond de Sint Josephkerk
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van verspreidingsgegevens van NDFF opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 8 kilometer afstand van zuidwestelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000 gebied Brabantse Wal. Op ongeveer 11,5 kilometer afstand naar het zuiden ligt Natura 2000 gebied Kalmthoutse Heide en zuidwestelijk op 11,8 kilometer Natura 2000 gebied De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in rood aangegeven.
Minimaal 8 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius berekening kan dit staven.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 1 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in groene kleur.
Minimaal 1 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Atlas Leefomgeving
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebieden. Een Aerius berekening is nodig om externe effecten op Natura-2000 gebieden uit te sluiten.
5.2 Soortenbescherming Bijlage 1, project Dahliastraat met nummer BE-0731 d.d. 25 november 2023 geeft een overzicht van de waargenomen plant- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. De soorten worden per alinea beschreven.
5.2.1 Flora Volgens de NDFF is er de laatste vijf jaar 1 beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze plant staat op de rode lijst en is sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoort is te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Afstand plangebied
Habitat
Kluwenklokje
0-2 km
Zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot vaak vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humushoudende grond (lemig zand, leem, zavel, mergel en stenige plaatsen)
Het plangebied bestaat naast de bebouwing en verharding uit braakliggende grond en biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten.
Conclusie Het ontbreekt volledig aan geschikte plaatsen waar beschermde planten kunnen groeien. De aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten wordt gezien de aanwezige biotopen uitgesloten.
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 14 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 11 vleermuissoorten, 1 marterachtige en 2 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort
Afstand plangebied
Habitat en bescherming
Baardvleermuis
0-2 km
Vooral bomen, strikt beschermd
Franjestaart Gewone dwergvleermuis Grijze grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger
0-2 km 0-2 km
Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd
0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd
0-2 km 0-2 km
Vooral bebouwing, soms bomen, strikt beschermd Vaak bebouwing, strikt beschermd
Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
0-2 km 0-2 km 0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Tweekleurige vleermuis
0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd
Watervleermuis
0-2 km
Vooral bomen, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied is geheel geen vegetatie aanwezig. De bomen in de Dahliastraat zijn maximaal 20 jaar oud en te klein om verblijfplaatsen voor vleermuizen te herbergen. Op 50 meter naar het zuiden bij de Sint Josephkerk of 120 meter naar het noorden op het Beatrixplein staan de dichtstbijzijnde bomen. Alle bomen in de omgeving van het plangebied blijven behouden tijdens de voorgenomen werkzaamheden waardoor eventuele verblijfplaatsen in deze ook behouden blijven. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. De naastgelegen muren aangrenzend ten zuiden en noorden aan het plangebied zijn vrij van potentiële openingen waar vleermuizen verblijfplaatsen zouden kunnen vinden. Er zijn geen open stootvoegen of naden en kieren waargenomen tijdens het veldbezoek. De noordelijke zijgevel is geheel gesloten en de twee kleine vensters zijn aansluitend met de kozijnen in de muur ingebouwd.
De overstekende kantpannen zijn aangesmeerd waardoor ook hier vleermuizen geen doorgang kunnen vinden om verblijfplaatsen te vinden. De gootbetimmeringen van het ten noorden naastgelegen pand zijn strak tegen de buitengevels geplaatst, waardoor geen gaten en kieren ontstaan die vleermuizen de kans bieden de spouw van deze woning te betreden. De wand op de zuidelijke grens van het plangebied waartegen aan gebouwd zal worden bestaat uit een door de jaren heen uitbreidende bebouwing van een bouwlaag met een bitumen plat dak. In de wand zijn enkele kozijnen bevestigd zonder ramen en dichtgemaakt met houten betimmering. De dakrand is deels afgetimmerd met een boeiboord welke uit hout en trespa is gemaakt. De boeiboord is geheel gesloten met latten aan de achterzijde waardoor er voor vleermuizen geen openingen zijn om potentieel verblijfplaatsen te vinden. Een ander deel is een betimmering van de dakrand die ook nauw aansluit op de muur. Ook zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, dakpan, loodslab of windveer of in het plangebied waargenomen. In bebouwing in de omgeving van het plangebied, met name de Sint Josephkerk zijn wel mogelijkheden om voor vleermuizen verblijfplaatsen te vinden.
Deze zullen met de voorgenomen werkzaamheden niet worden verstoord, mits er geen bouwlichten op deze potentiële verblijfplaatsen gericht worden.
Afgesloten gevel ten noorden
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Aangesmeerde gesloten kantpannen ten noorden
18
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Aansluitende gootbetimmering ten noorden gelegen pand.
Aansluitende boeiboord van trespa
Aansluitende daklijst
Aansluitende houten boeiboord boven kozijn
Aansluitende boeiboord
Aansluitende houten boeiboord boven kozijn
Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of voedselgebied zelfs niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoort is afhankelijk van de hoeveelheid licht, de lichtkleur en de gevoeligheid van een soort voor licht. Wit, blauw en groen licht is door het aandeel Uv-licht veel verstorender dan rood licht. Verlichting kan door verstoring van het gedrag van insecten ook hun voortplanting verstoren, waardoor ook het voedselaanbod voor vleermuizen afneemt. Omdat er bij de in de omgeving staande panden mogelijkheden zijn om voor vleermuizen verblijfplaatsen te vinden is het uitvoeren van werkzaamheden met kunstlicht niet aan te bevelen. De werkzaamheden dienen bij daglicht uitgevoerd te worden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Bunzing
Afstand plangebied 0-2 km
Bescherming Beschermd
Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. Het plangebied is te opgeruimd en er is geen vegetatie aanwezig. Daardoor zijn er voor marterachtigen geen ruigtehoekjes aanwezig om te schuilen. Het plangebied is daarom geen essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen en de werkzaamheden hebben geen negatief effect op aanwezige soorten. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten.
Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Eekhoorn Wolf
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Eekhoorn De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In en rond het plangebied is wel te foerageren voor de eekhoorn door het aanwezig zijn van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Alle bomen blijven behouden en in de bomen in het plangebied zijn geen nesten van eekhoorns waargenomen tijdens het veldbezoek. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 Wolf Bij voorkeur leeft de wolf in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. Deze gebieden bieden namelijk vaak veel dekking en er leven veel reeën. De soort is echter een ‘cultuurvolger’ en heeft geleerd te overleven in gebieden waar ook mensen wonen. De directe omgeving van het plangebied is ongunstig voor typische prooidieren van de wolf zoals de ree, waardoor de wolf zelf hier ook niet voor zal komen. Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de wolf. Er zijn bomen in het plangebied of de directe omgeving ervan waar eekhoorns nesten in zouden kunnen hebben. Alle bomen in de omgeving van het plangebied blijven behouden. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen.
De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen geen marterachtigen voor. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.
5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Bescherming categorie* en habitat 4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend
21
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief
0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
2, boom bewonend 3, gebouw bewonend 4, boom bewonend 1, gebouw bewonend 4, boom bewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust - en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw en huismus De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. De bebouwing in de directe omgeving van het plangebied bestaat vooral uit woningen met pannendaken. Dit zijn in deze bebouwde omgeving goede mogelijkheden voor gierzwaluwen en huismussen om nestlocaties te vinden. De rondom gelegen tuinen kunnen voor huismussen in schuil-, slaap- en foerageermogelijkheden voorzien. Deze omgeving wordt tijdens de voorgenomen werkzaamheden niet aangetast waardoor deze biotoop behouden zal blijven.
In het plangebied zijn geen mogelijkheden om voor huismussen en gierzwaluwen nestlocaties te vinden. Het ten noorden van het plangebied dak met pannen is geheel gesloten waardoor ook hier geen nestlocaties aanwezig zullen zijn. Het aangrenzende pand ten zuiden is voorzien van een plat dak.
Aangesmeerd pannendak ten noorden van plangebied
Aangesmeerde nokpannen in directe omgeving plangebied
Uilen, ooievaar, roek, grote gele kwikstaart en roofvogels Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze uitgesloten kan worden. Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Roofvogels hebben in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Het plangebied is te klein in oppervlakte om geschikt te zijn als leef- en nestlocatie voor genoemde soorten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Er zijn in het plangebied geen bomen en in de directe omgeving geen bomen van voldoende grootte aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig in de directe omgeving. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied in het geheel geen geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende aanleg van een tuin met streekeigen groen zullen nesten foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels zeker niet afnemen.
In het opgaande groen in de gecultiveerde tuinen in de directe omgeving kunnen algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Conclusie Er zijn tijdens het veldbezoek geen bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuinen in de omgeving bieden schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten. Deze worden met de bouw van de skeletwoning niet verstoord. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Alpenwatersalamander
Afstand plangebied 0-2 km
Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd
Gezien de grootte, ligging en gebruik van het plangebied is het voorkomen van alpenwatersalamander uitgesloten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. Daarnaast is het voorkomen in landfase van amfibieën niet aannemelijk en ontbreekt het in het plangebied aan geschikt habitat voor reptielen zodat het voorkomen ervan is uit te sluiten. Het is echter altijd noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april-september) van de rugstreeppad te worden voorkomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar geen waarnemingen van libellensoorten. Er is 1 dagvlindersoort en 1 nachtvlindersoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Soort
Soortgroep en habitat
Grote vos
Afstand plangebied 0-2 km
Teunisbloempijlstaart
2 km
Nachtvlinder, vochtige bossen en bosranden, waardplant: teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart
Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen
Overige soorten Er zijn de laatste vijf jaar in een straal van twee kilometer rond het plangebied geen waarnemingen van beschermde soorten. Overige beschermde soorten insecten zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen. Het voorkomen van deze soorten kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten.
5.3 Houtopstanden Volgens artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Er zijn geen bomen aanwezig. Een nadere toetsing houtopstanden is niet nodig.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731
6. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Het plangebied heeft op het moment van veldbezoek een lage ecologische waarde door het afwezig zijn van enige vegetatie. Met de bouw van de woning gaat geen leefgebied van beschermde soorten verloren. Daardoor zijn er geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Er is geen bebouwing aanwezig, noch zijn er bomen of struiken. Hierdoor is het plangebied volledig ongeschikt als nest- of verblijfplaats van beschermde diersoorten. Door het aanleggen van een tuin rondom en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming o De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. o Wanneer in de actieve periode van vleermuizen wordt gewerkt, welke grofweg duurt van maart t/m oktober, dient rekening gehouden te worden met het werken met kunstmatige verlichting. Het wordt aanbevolen om alle werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren. Wanneer toch tussen zonsondergang en zonsopkomst gewerkt wordt, dient uitstraling naar omliggende bebouwing of groen te allen tijde voorkomen te worden, om zo overvliegende en foeragerende vleermuizen niet te verstoren; o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren.
In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura-2000 gebieden voor. Ook effecten op het Natuurnetwerk Nederland zijn er niet. Een nadere toetsing is dus niet aan de orde. o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische quickscan Dahliastraat 36a Roosendaal, BE-0731 Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).