CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Beethovenlaan 7_vastgesteld_1_toelichting_Bijlage 13 Mitigatieplan.pdf

Commissie Ruimte 30 november 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4c: Raadsvoorstel wijziging vaststelling bestemmingsplan Van Beethovenlaan 75.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis Hoogstraat 124, Roosendaal

Postadres Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen

085 7737676

info@regelink.nl | www.regelink.nl

KvK 14081365 BTW NL822004379.B01 Triodosbank NL84TRIO 0390980458

Colofon

Tekst, foto's en samenstelling

S. van Schaik

In opdracht van

Gemeente Roosendaal

Naam opdrachtgever

A. Kole

Rapportnummer

RA20528-01

Status rapport

Concept

Datum oplevering rapport

18 december 2020

Aantal pagina's

22

Collegiale toets

M. Mulder

Wijze van citeren

Schaik, van, S.A.G., 2020, Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal. Rapport RA2052801, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

Regelink Ecologie & Landschap Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen 085-7737676 info@regelink.nl www.regelink.nl Lid Netwerk Groene Bureaus

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

2

Inhoudsopgave Aanleiding

4

1.1 1.2

Aanleiding Doel

4 4

Huidige situatie

5

2.1 2.2

5 5

Plangebied Beschermde soorten

Ingreep

9

3.1 3.2

9 9

Omschrijving ingreep Planning

Wettelijke bepalingen

11

4.1 4.2

11 11

Overtredingen Wet natuurbescherming Voorwaarden voor een ontheffing

Mitigerende maatregelen

14

5.1

Alternatieve verblijfplaatsen gewone en ruige dwergvleermuis

14

5.2 5.3 5.4

Aangepaste werkwijze gewone en ruige dwergvleermuis Periode Overige maatregelen

15 16 17

Bronnen

18

6.1 6.2 6.3

18 18 18

Bijlage 1.

Zoogdieren Methoden, databanken, wetgeving Project gerelateerde bronnen

Wet natuurbescherming

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

19

RA20528-01

3

Aanleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van de gemeente Roosendaal is door Regelink Ecologie & Landschap in 2020 een ecologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied aan de Hoogstraat 124 in Roosendaal (Van Schaik, 2020). Aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen om het pand en de naastgelegen fietsenstalling binnen het plangebied te slopen en het bijbehorende groen te verwijderen. Bij het genoemde onderzoek werden één zomer-/ paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipustrellus) en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) binnen het plangebied aangetroffen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) en het voorkomen van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming moeten bij de geplande ingrepen voor de gewone en ruige dwergvleermuis mitigerende maatregelen worden getroffen. Dat zijn maatregelen die erop gericht zijn negatieve effecten op diersoorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten.

1.2 Doel Dit voorliggende rapport beschrijft de handelingen die moeten worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Het rapport beantwoordt de volgende vragen: •

In welke periode dient de ingreep te worden uitgevoerd om negatieve effecten op de gewone en ruige dwergvleermuis zoveel mogelijk te voorkomen?

•

Welke aanpassingen in de werkwijze tijdens de ingreep kunnen negatieve effecten op de gewone en ruige dwergvleermuis zoveel mogelijk voorkomen?

•

Welke voorwaarden moeten aan de ingreep gesteld worden om de functionaliteit van het leefgebied voor de gewone en ruige dwergvleermuis te behouden?

Bij het opstellen van deze rapportage is uitgegaan van de definities zoals weergegeven op de website van Regelink Ecologie & Landschap .

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

4

Huidige situatie 2.1 Plangebied Het plangebied, Hoogstraat 124, ligt nabij het centrum van Roosendaal in de provincie Noord-Brabant. In figuur 1 is de begrenzing van het plangebied met rood aangegeven. Het plangebied ligt tussen het centrum en woonwijken ‘Kalsdonk’ en ‘Roosendaal Oost’. Ten noorden ligt het ‘Burgemeester Coenenpark’ en ten westen het ‘Emile van Loonpark’. Ten noordoosten ligt een begraafplaats en in het zuiden staan enkele bedrijfspanden. In totaal heeft het plangebied een oppervlakte van ongeveer 0,29 hectare. Een gedetailleerde omschrijving van het plangebied is terug te vinden in de rapportage van de ecologische quickscan (Van Schaik, 2019).

Figuur 1: Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. © Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2020

2.2 Beschermde soorten Hieronder worden beknopt de resultaten van de soorten die zijn waargenomen tijdens het soortgericht onderzoek beschreven. De onderzoeksmethodes en een uitgebreide beschrijving van de resultaten staan in de rapportage van het soortgericht onderzoek beschreven (Van Schaik, 2020).

2.2.1 Huismus, gierzwaluw, spreeuw en zwarte roodstaart Gedurende het onderzoek werden geen nestlocaties van de huismus (Passer domesticus), gierzwaluw (Apus apus), spreeuw (Sturnus vulgaris) of zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) waargenomen. Ook werd geen gedrag waargenomen dat kan duiden op de aanwezigheid van een nestlocatie. Daarom kan worden geconcludeerd dat beschermde nestlocaties of essentieel leefgebied van deze soorten niet binnen het plangebied aanwezig zijn

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

5

2.2.2 Gewone dwergvleermuis Foerageergebied Tijdens het kraamseizoen zijn naar schatting drie tot vijf foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Tijdens het paarseizoen lag dit aantal op twee tot drie. Aan het begin van de avond maken de vleermuizen gebruik van de donkere zuidzijde van het pand, waar ze langs de gevel, boven de heg en tussen de bomen foerageren. Later op de avond foerageren ze rond het gebouw en tussen de bomen ten noorden en zuiden van het plangebied. In de directe omgeving staan meerdere soortgelijke gebouwen. Daarnaast zijn er diverse groenstructuren zoals de bomenrijen langs de Van Beethovenlaan, Park ‘De Verfraaiing’ en de begraafplaats ten noordoosten van het plangebied. Op de eerste twee genoemde locaties foerageren gedurende de hele nacht meerdere gewone dwergvleermuizen. Op grond van kwalitatief hogere alternatieve foerageermogelijkheden in de directe omgeving kan worden gesteld dat het plangebied geen essentieel foerageergebied is voor de gewone dwergvleermuis. Vliegroute Gedurende het onderzoek werden geen vliegroutes of gedrag dat duidt op de aanwezigheid van vliegroutes waargenomen. Daarom kan worden geconcludeerd dat essentiële vliegroutes niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Verblijfplaatsen Gedurende het kraamseizoen zijn geen kraamverblijfplaatsen binnen of in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen.

Gedurende het onderzoek is één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis binnen het plangebied aangetroffen. Deze bevindt zich tussen de houten dakplaten en de uitstekende bakstenen muur aan de zuidzijde van het plangebied (Figuur 2). Tijdens de paarperiode (augustus – september) is binnen het plangebied één roepend mannetje van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Gewone dwergvleermuizen vliegen al roepend rond om vrouwtjes naar hun paarverblijfplaats te lokken. Doordat zij hierbij door hun hele territorium vliegen is het doorgaans lastig om de exacte paarverblijfplaats te lokaliseren. Op basis van het waargenomen gedrag is de locatie van de paarverblijfplaats geïnterpreteerd. Deze bevindt zich op dezelfde locatie als dat van de zomerverblijfplaats (Figuur 3). Tijdens het onderzoek is geen zwermactiviteit waargenomen dat indicatief is voor een winterverblijfplaats voor een grote groep vleermuizen.

2.2.3 Ruige dwergvleermuis Foerageergebied Tijdens het onderzoek is tweemaal een ruige dwergvleermuis overvliegend waargenomen. Een waarneming is aan de noordzijde van het plangebied gedaan, de andere aan de zuidzijde. Op basis van de zeer korte tijdsduur, de geschikte foerageergebieden in de directe omgeving, het ontbreken van waarnemingen tijdens de andere bezoeken en het ontbreken van meerdere dieren kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen essentieel foerageergebied is voor de ruige dwergvleermuis.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

6

Vliegroute Gedurende het onderzoek werden geen vliegroutes of gedrag dat duidt op de aanwezigheid van vliegroutes waargenomen. Daarom kan worden geconcludeerd dat essentiële vliegroutes niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Verblijfplaatsen Gedurende het kraamseizoen zijn geen kraamverblijfplaatsen binnen of in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen. Gedurende het onderzoek zijn geen zomerverblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied aangetroffen. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn dergelijke verblijfplaatsen niet gevonden. Tijdens de paarperiode (augustus – september) is één roepend mannetje van de ruige dwergvleermuis waargenomen. Het dier bevond zich in een opening tussen het dak en de muur aan de zuidzijde van het plangebied (Figuur 3).

Figuur 2: Locatie van de aangetroffen zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. © Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2020.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

7

Figuur 3: Locatie van de aangetroffen paarverblijfplaatsen van de gewone en ruige dwergvleermuis. © Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2020.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

8

Ingreep 3.1 Omschrijving ingreep Gemeente Roosendaal is van plan om het voormalige schoolgebouw en bijbehorende fietsenstalling aan de Hoogstraat 124, Roosendaal te slopen. Daarnaast wordt ook al het opgaande groen verwijderd en worden enkele bomen gekapt. Ingrepen die daartoe in het plangebied plaatsvinden bestaan uit: •

Plaatsen van opslag voor materialen;

•

Kappen van de bomen ten noorden en oosten van de voormalige school;

•

Kortzagen en afvoeren van de stammen en takken;

•

Verwijderen van het opgaande groen;

•

Slopen van het voormalige schoolgebouw;

•

Slopen van de voormalige fietsenschuur;

•

Verwijderen van de bestrating;

•

Afvoeren van het sloopmateriaal;

•

Bouwrijp maken van de grond;

•

Realiseren van een nieuw gebouw*.

*Doordat de lokale Jumbo gaat uitbreiden, moet het gebouw voor de Jehova’s getuigen worden gesloopt. Het nieuwe gebouw voor de Jehova’s getuigen wordt gerealiseerd op de locatie van het plangebied.

3.2 Planning Hieronder volgt een omschrijving van de geplande werkzaamheden. In tabel 1 is de planning van alle werkzaamheden binnen het plangebied weergegeven. Planning werkzaamheden jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Aanvragen ontheffing – 2020 X

Opstellen mitigatieplan

X

Indienen aanvraag

Werkzaamheden – 2021 Plaatsen tijdelijke

X

X

vleermuiskasten Ontvangen

X

X

ontheffing Opstellen

X

X

werkprotocol Ongeschikt

X

verblijfplaatsen gewone en ruige dwergvleermuis

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

9

X

Sloop -

X

werkzaamheden

X

X

X

X

X

X

X

X

Bouwrijp maken van de grond

Werkzaamheden – 2022 Realisatie

X

X

X

X

X

X

X

X

X

nieuwbouw (vervolg) Realisatie permanente verblijfplaatsen vleermuizen

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

10

Wettelijke bepalingen 4.1 Overtredingen Wet natuurbescherming De gewone en ruige dwergvleermuis zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, § 3.2, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. De soorten staan genoemd in bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn. Ten gevolge van de ingreep kunnen negatieve effecten voor gewone en ruige dwergvleermuis ontstaan: •

Bij het slopen van het pand kunnen gewone en ruige dwergvleermuis worden gedood.

•

Bij het slopen van het pand kunnen gewone en ruige dwergvleermuis worden verstoord.

•

Bij het slopen van de bebouwing worden een zomer-/paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vernield.

Deze negatieve effecten van de ingreep zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming: Artikel 3.5 −

Artikel 3.5 lid 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

−

Artikel 3.5 lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

−

Artikel 3.5 lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

4.2 Voorwaarden voor een ontheffing Conform artikel 3.8 lid 5 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing alleen worden verstrekt wanneer er is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden : -

er bestaat geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging § 4.2.1)

-

wanneer de ingreep valt onder een wettelijk belang (§ 4.2.2) en

-

wanneer de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (§ 4.2.2).

4.2.1 Alternatievenafweging Voor de ingreep bestaat geen andere bevredigende oplossing. Alternatieven zouden beschikbaar kunnen zijn voor wat betreft locatie, inrichting, werkwijze en periode. Hieronder wordt onderbouwd waarom deze alternatieven niet van toepassing zijn. Locatie Voor wat betreft de locatie van de ingreep is er binnen redelijke grenzen geen alternatief; de ingreep kan alleen plaatsvinden op de locatie van het huidige plangebied, aan de Hoogstraat 124 te Roosendaal. Het overwegen van alternatieven ten aanzien van de locatie is, binnen redelijke grenzen, niet mogelijk. Inrichting Ook voor wat betreft de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er geen alternatieven. Het is, binnen redelijke grenzen, niet mogelijk het plangebied in de toekomst zo in te richten dat de zomer-

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

11

/paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en de paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis behouden blijven. Een alternatieve inrichting van het plangebied waarbij deze verblijfplaats behouden blijft is, binnen redelijke grenzen, niet mogelijk, zie verder toelichting bij § 4.2.2. Werkwijze Voor de zomer/paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en de paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis worden vervangende tijdelijke verblijfplaatsen in de vorm van 8 vleermuiskasten opgehangen in de omgeving van het plangebied. Deze kasten worden tijdig opgehangen in verband met de gewenningstijd voor de vleermuizen. De kasten hangen daarom uiterlijk eind februari 2021. Na afronding van de nieuwbouwwerkzaamheden worden permanente voorzieningen opgenomen die geschikt zijn als zomer-/paarverblijfplaats voor de gewone en ruige dwergvleermuis. Het opnemen van permanente voorzieningen wordt opgenomen in de uitvraag naar de architect/aannemer die het plan verder gaat uitwerken. De voorwaarden waar deze voorzieningen aan moeten voldoen staan in hoofdstuk 0. Planning De tijdelijk vervangende zomer-/paarverblijfplaatsen voor gewone en ruige dwergvleermuis worden uiterlijk een halfjaar voor uitvoering van de sloop gerealiseerd. De sloop vindt plaats buiten de kwetsbare periode van de gewone en ruige dwergvleermuis.

De start van de sloopwerkzaamheden vindt op zijn vroegst plaats in de tweede helft van oktober 2021. Dit is net na de paarperiode en daarmee buiten de kwetsbare periode van de gewone en ruige dwergvleermuis. Daarna zal vanaf november 2021 met de nieuwbouw worden begonnen. Verwachtte oplevering van de nieuwbouw is 2022. Een planning die meer rekening houdt met de functie van het plangebied als paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis is ons niet bekend. Een alternatieve planning is daarom niet overwogen.

4.2.2 Belangen De Wet natuurbescherming hanteert een aantal belangen waar een ingreep onder kan vallen. De belangen voor soorten van de Vogelrichtlijn verschillen van de belangen voor soorten van de Habitatrichtlijn. Belangen Habitatrichtlijn •

In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

Onderbouwing van het belang In overleg met Gemeente Roosendaal zijn de onderstaande belangen opgesteld. Asbest RPA-advies heeft in december 2019 in het gebouw aan de Hoogstraat 124 een asbestinventarisatie uitgevoerd. Daaruit blijkt dat op diverse plekken asbest is aangetroffen. Het asbest is met name aangetroffen in de cv-ruimte, de gevels, klaslokalen en de gang en bestaat uit chrysoliet en crocidoliet (soorten asbest). Beide stoffen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid en dienen derhalve te worden verwijderd.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

12

Openbare veiligheid Het gebouw aan de Hoogstraat 124 verkeerd in staat van verval. Op enkele plaatsen zitten diepe scheuren in de muur en de houten daklijsten en draagbalken voor het bitumen dak zijn op diverse plaatsen rot. Door de slechte staat waarin het gebouw verkeerd en de aanwezige hoeveelheid asbest heeft de gemeente besloten om tijdelijk leegstandbeheer toe te passen. Dit brengt echter een verhoogd risico voor de openbare veiligheid met zich mee. In het verleden is in en nabij het pand meerdere keren sprake geweest van drugsgebruik. Doordat het pand niet wordt bewoond of gebruikt wordt het interessanter voor illegale kraak, drugsgebruik en andere illegale praktijken. Om verdere verpaupering en onveilige situaties te voorkomen, dient het pand te worden gesloopt.

4.2.3 Gunstige staat van instandhouding Habitatrichtlijn In de huidige situatie is één zomer-/ paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis in het plangebied aanwezig. Met de sloop verdwijnen deze verblijfplaatsen. Uit dit onderzoek is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied meerdere (potentieel geschikte) verblijfplaatsen van gewone- en ruige dwergvleermuis aanwezig zijn. De ingreep zal dus niet bijdragen aan een verslechtering van de staat van instandhouding van de lokale populatie van de gewone- en ruige dwergvleermuis. Omdat het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen in overtreding is met de Wet natuurbescherming, worden voorafgaand aan de ingreep tijdelijke vleermuiskasten geplaatst. Daarnaast worden na afronding van de renovatiewerkzaamheden en de nieuwbouwwerkzaamheden permanente verblijfplaatsen voor de gewone en ruige dwergvleermuis gerealiseerd. Hierdoor zullen de gewone en ruige dwergvleermuizen ook in de toekomst gebruik kunnen blijven maken van het plangebied als zomerverblijfplaats en/of paarterritorium.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

13

Mitigerende maatregelen Negatieve effecten op de gewone en ruige dwergvleermuis kunnen ontstaan doordat bij de sloop vleermuizen kunnen worden gedood, verwond, verstoord en verblijfplaatsen worden vernietigd. Deze effecten leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. In dit hoofdstuk staan de maatregelen beschreven die genomen dienen te worden om schade aan deze beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Hierbij wordt het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis en het Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (BIJ12, 2017) gevolgd. Door de werkzaamheden uit te voeren volgens de eisen uit deze standaard is er een grote mate van zekerheid dat de mitigerende maatregelen van voldoende kwaliteit zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming zoveel mogelijk te voorkomen.

5.1 Alternatieve verblijfplaatsen gewone en ruige dwergvleermuis 5.1.1 Tijdelijke verblijfplaatsen •

Om de periode tussen sloop en voltooiing van de nieuwbouw te overbruggen worden in de directe omgeving van het plangebied acht vleermuiskasten opgehangen die aantoonbaar geschikt zijn als zomer-/paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuizen en als paarverblijfplaats voor de ruige dwergvleermuis (bijvoorbeeld type “VK WS 02” van Vivara Pro). Deze kasten moeten blijven hangen tot minimaal zes maanden nadat permanente verblijfplaatsen in de nieuwbouw gerealiseerd zijn.

•

De kasten dienen bij voorkeur binnen 100 m en maximaal 200 m van de oorspronkelijke verblijfplaats en buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te worden geplaatst.

•

De kasten moeten zo worden opgehangen dat deze verschillende microklimaten aanbieden (bijvoorbeeld door een cluster van kasten op te hangen met verschillende exposities ten opzichte van de zon).

•

De kasten moeten een locatie hebben die vergelijkbaar is met of van betere kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (minimaal 3 m hoogte), vrije aanvliegroute en duisternis (afscherming van verlichting). Daarnaast moeten de kasten vrij zijn van verstoring en buiten bereik van predatoren hangen.

•

De locaties dienen zoveel mogelijk afgestemd te worden op de reeds ingenomen territoria.

•

Om ervoor te zorgen dat de vleermuizen voldoende tijd hebben om de nieuw aangeboden vleermuiskasten te ontdekken dient rekening te worden gehouden met een gewenningsperiode van minimaal zes maanden voorafgaande aan het paarseizoen (dat loopt van augustus – september). De kasten dienen dus uiterlijk eind februari te worden geplaatst.

•

Het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen is niet noodzakelijk. Wanneer de vleermuiskasten geen belemmering vormen komt het de vleermuizen ten goede als deze blijven hangen zolang de kasten functioneel zijn.

5.1.2 Permanente verblijfplaatsen •

Na afronding van de nieuwbouwwerkzaamheden worden acht alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd die aantoonbaar geschikt zijn als zomer-/paarverblijfplaats voor de gewone

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

14

dwergvleermuizen en als paarverblijfplaats voor de ruige dwergvleermuis. Dit moeten inpandige verblijfplaatsen zijn zoals bijvoorbeeld “IB VL 04” van Vivara Pro. •

De inbouwstenen dienen bij voorkeur binnen 100 m en maximaal 200 m van de oorspronkelijke verblijfplaats.

•

De inbouwstenen moeten zo worden opgehangen dat deze verschillende microklimaten aanbieden (bijvoorbeeld door een cluster van kasten op te hangen met verschillende exposities ten opzichte van de zon).

•

De inbouwstenen moeten een locatie hebben die vergelijkbaar is met of van betere kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (minimaal 3 m hoogte), vrije aanvliegroute en duisternis (afscherming van verlichting). Daarnaast moeten de kasten vrij zijn van verstoring en buiten bereik van predatoren hangen.

•

De locaties dienen zoveel mogelijk afgestemd te worden op de al ingenomen territoria.

Door bovenstaande maatregelen te treffen ontstaan voor gewone en ruige dwergvleermuizen mogelijkheden om meerdere zomer-/ paarverblijfplaatsen in te nemen die duurzaam kunnen voortbestaan.

5.2 Aangepaste werkwijze gewone en ruige dwergvleermuis •

Voorafgaand aan het ongeschikt maken worden acht tijdelijke vleermuiskasten geplaatst in de directe omgeving van de huidige verblijfplaatsen. In paragraaf 5.1 staat uitgebreid beschreven waar deze tijdelijke voorzieningen aan moeten voldoen;

•

De gebouwen worden ongeschikt gemaakt door het aanbrengen van exclusion tubes (Afbeelding 1). Deze worden over ongeveer 1/4 deel van de openingen geplaatst. De overige openingen en kieren worden dichtgemaakt met purschuim. Met behulp van deze exclusion tubes kunnen vleermuizen veilig het gebouw verlaten, maar door de gladde ondergrond kunnen ze niet meer terug in het gebouw komen;

•

Nadat het gebouw ongeschikt gemaakt is voor vleermuizen moet het gebouw minimaal drie dagen met avondtemperaturen van meer dan 10 ºC ongemoeid staan alvorens wordt overgegaan tot de sloop. Dit is noodzakelijk om vleermuizen die zich toch nog onverhoopt ergens in het gebouw bevinden de kans te geven het gebouw te verlaten;

•

Vervolgens wordt een aanvullende vleermuiscontrole uitgevoerd, waarbij vanaf zonsondergang tot tenminste twee uur na zonsondergang wordt gelet op uit- en invliegende vleermuizen of zwermgedrag van vleermuizen;

•

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn, kan over worden gegaan tot de renovatie en sloopwerkzaamheden;

•

Als tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen moeten de werkzaamheden onmiddellijk worden stopgezet en moet een vleermuisdeskundige worden geraadpleegd over de manier waarop de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden met zo min mogelijk negatieve effecten voor de aangetroffen vleermuizen;

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

15

•

In de nieuwbouwsituatie worden nieuwe permanente verblijfplaatsen gerealiseerd voor de gewone dwergvleermuis. In hoofdstuk 5.1 staat uitgebreid beschreven waar deze verblijfplaatsen aan moeten voldoen.

In de tabel 2 zijn de meest gunstige en ongunstige perioden voor het uitvoeren van de renovat ie en sloopwerkzaamheden weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis.

Afbeelding 1: Voorbeelden van geplaatste exclusion tubes.

5.3 Periode •

Het onklaar maken van de gebouwen voor de gewone en ruige dwergvleermuis moet gedaan worden in het actieve seizoen (april – oktober). Dit dient te gebeuren onder de begeleiding van een specialist op het gebied van vleermuizen. Het meest geschikte moment om dit te doen is in eind september of begin oktober, tijdens de paarperiode. In de paarperiode zijn vleermuizen nog erg actief en de dieren zullen na het ongeschikt maken van de oude paarverblijfplaatsen, dan ook gemakkelijk hun intrek nemen in een ander verblijf. Eind september of begin oktober is ook ruim voldaan aan de gewenningsperiode die voorgeschreven staat voor paarverblijfplaatsen voor de gewone en ruige dwergvleermuis.

•

Het slopen van de gebouwen waarin zich de zomer- en paarverblijfplaatsen bevinden, kan na het onklaar maken plaatsvinden, mits er tenminste drie avonden op rij een avondtemperatuur was van minimaal 10°C en uit een aanvullende controleronde is gebleken dat de vleermuizen niet meer aanwezig zijn. Op die manier is er lang genoeg de tijd geweest voor vleermuizen om een vervangende

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

16

verblijfplaats te vinden en kan worden aangenomen dat de oude paarverblijfplaatsen in de gebouwen verlaten zijn. •

Desgewenst kunnen een jaar na afronding van de nieuwbouw (of eerder indien vastgesteld is dat de in de nieuwbouw aangebrachte voorzieningen door vleermuizen in gebruik genomen zijn) de tijdelijke vleermuiskasten worden verwijderd, maar dit is niet noodzakelijk. Mocht tot verwijdering worden overgegaan, dan moet dit gebeuren op een moment dat de kasten niet door vleermuizen worden gebruikt. De winterrust van de gewone dwergvleermuis (de periode van november maart) is hiervoor dan een geschikte periode.

•

De paarperiode en winterperiode kunnen eerder beginnen of later eindigen, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden. Hierover kan een deskundige op het gebied van vleermuizen worden geraadpleegd.

In de onderstaande tabel zijn de meest gunstige en ongunstige perioden voor het uitvoeren van de ingrepen weergegeven, rekening houdend met de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis Tabel 1 Periode ongeschikt maken verblijfplaats jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Zomerverblijf Paarverblijf

Totaal

5.4 Overige maatregelen •

Bij verdere (toekomstige) werkzaamheden binnen het plangebied is het van belang dat het plangebied en de directe omgeving niet méér of op andere locaties verlicht worden dan in de huidige situatie het geval is. Door verlichting kan verstoring van vleermuizen optreden, waardoor vleermuizen het gebied gaan mijden. Omdat de omgeving van het plangebied vermoedelijk essentieel foerageergebied vormt voor vleermuizen en hier vermoedelijk verblijfplaatsen van lichtgevoelige vleermuissoorten aanwezig zijn kan de Wet natuurbescherming alsnog overtreden worden.

•

Indien gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is dient deze zoveel mogelijk beperkt te worden en gericht te worden op die plaatsen waar verlichting nodig is. Uitstraling van verlichting naar boven, naar water en naar de omgeving toe moet zoveel mogelijk voorkomen worden door gebruik te maken van armaturen die licht bundelen.

•

Alle werkzaamheden die een negatief effect kunnen hebben op de gewone en ruige dwergvleermuis moeten aantoonbaar worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen.

•

Voordat de ingreep plaatsvindt dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

17

Bronnen 6.1 Zoogdieren •

BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht

•

BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht

•

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Tirion Natuur.

•

Dietz, C., A. Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. Alle soorten van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist.

•

Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

•

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.

•

Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman, 2011. Cursus vleermuizen en planologie. Cursusmap, Zoogdiervereniging.

•

Regelink, J.R. & T. Bosch, 2007. Grote bosmuis in Winterswijk. Zoogdier 18 (2): 23.

•

www.zoogdiervereniging.nl

6.2 Methoden, databanken, wetgeving •

www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen

•

www.ndff-ecogrid.nl

•

www.telmee.nl

•

www.verspreidingsatlas.nl

•

www.minez.nederlandsesoorten.nl/zoeken-naar-soort

•

www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx

•

www.ruimtelijkeplannen.nl

•

Heusden, W.R.M. & S.J. Vreugdenhil, 2006. Handreiking Wet natuurbescherming. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Rapport, Dienst Landelijk Gebied, Utrecht.

•

Ministerie van EL&I, 2010. Buiten aan het Werk? Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren! Brochure. [http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/brochures/2010/03/01/buiten-aan-het-werk-houd-tijdig-rekening-met-beschermdedieren-en-planten.html (21-04-2014)].

•

6.3 Project gerelateerde bronnen •

Van Schaik, S.A.G., 2019, Ecologische quickscan Hoogstraat 124, Roosendaal.Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport RA19479-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen

•

Schaik, van, S.A.G., 2020, Onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Hoogstraat 124, Roosendaal. Rapport RA20082-01, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

18

Mitigatieplan gewone en ruige dwergvleermuis. Hoogstraat 124, Roosendaal

RA20528-01

19

Bijlage 1.

Wet natuurbescherming

Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent drie pijlers, namelijk: •

bescherming van Natura 2000-gebieden,

•

bescherming van soorten,

•

bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is er een belangrijke plaats ingeruimd voor de zorgplicht (artikel 1.11). Vanuit deze zorgplicht moeten handelingen achterwege blijven waarvan men kan vermoeden zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde gebieden of soorten. In dit hoofdstuk volgt een eenvoudige weergave van de essentie van de Wet natuurbescherming, voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen en festiviteiten. Verbodsartikelen worden voor de leesbaarheid vereenvoudigd weergegeven. Raadpleeg voor de exacte formulering de wetstekst (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2016-34.html).

Bescherming Natura 2000-gebieden Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: •

leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of

•

natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de

Habitatrichtlijn. Verboden (volgens artikel 2.7, lid 2) is elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: •

de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of,

•

een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

De activiteit kan alleen doorgang vinden als Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verlenen. Voor diverse werkzaamheden in nationaal belang (zoals werkzaamheden rond de hoofdspoorwegen) is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag.

Bescherming van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1.

beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,

2.

beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,

3.

beschermingsregime andere soorten.

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Op basis van artikel 3.1 is het verboden om:

1.

opzettelijk vogels te doden of te vangen;

2.

opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen;

3.

eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben;

4.

opzettelijk vogels te storen.

Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kan het verlaten van nesten als gevolg van verstoring leiden tot het indirect doden van dieren of het aantasten van de functionaliteit van nesten en dus tot een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest zijn verdeeld over vier categorieën waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn.

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn vallen alle dieren uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a,

•

het Verdrag van Bern, bijlage II,

•

het Verdrag van Bonn, bijlage I,

en alle planten uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b,

•

het Verdrag van Bern, bijlage I.

Volgend artikel 3.5 is het verboden om, voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

opzettelijk dieren te verstoren;

3.

opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen;

4.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

5.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te

ontwortelen of te vernielen. In de genoemde bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn staan ook diverse vogelsoorten genoemd. Dit betekent dat voor deze soorten het (ver)storen ook verboden is wanneer dit geen effect heeft op de instandhouding van de betreffende soort. 3. Beschermingsregime andere (nationale) soorten Onder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens artikel 3.10. is het verboden om, voor zover het soorten uit deze lijst betreft: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

3.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te

ontwortelen of te vernielen.

Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten, en geven een initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de Minister van Economische zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: •

geen andere bevredigende oplossing bestaat;

•

geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort;

•

en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen (artikel 3.3, lid 4b, artikel 3.8, lid 5b en artikel

3.10, lid 2). Voor het beschermingsregime overige soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang.

Bescherming van houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens artikel 4.2 vallen buiten de bescherming houtopstanden: •

houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden;

•

houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

•

naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed;

•

uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

•

het dunnen van een houtopstand;

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o

ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

o

bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter;

o

zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland.

Wet dieren De Wet natuurbescherming kent geen verbod op het verwonden van dieren. Dit is namelijk al verboden in de Wet dieren. Volgens artikel 2.1 van de Wet dieren, eerste lid, is het namelijk verboden om: •

zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid, maar alleen als het belang van het welzijn van dieren zich er niet tegen verzet. Een ontheffing is niet nodig wanneer vaststaat dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. In deze rapportage wordt niet getoetst aan de Wet dieren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1452/documents/40235