CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1674.2129ESSENSEWEG15-0401_tb5.pdf

Gemeenteraad 11 november 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Essenseweg 15, Nispen9.407 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 3043 Nispen, Essenseweg 15 Gemeente Roosendaal Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

1

2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur

J. Rap MA

Versie

Concept

Projectcode

20080036

Datum

19-10-2020

Opdrachtgever

AGEL Adviseurs

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Postbus 4156 4900 CD Oosterhout Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

4909146100

Bevoegde overheid

Gemeente Roosendaal

Adviseur bevoegde overheid

Gemeente Roosendaal

Status rapportage

Nog niet goedgekeurd

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (14-10-2020).

Autorisatie Naam Drs. T. Nales KNA Senior Prospector

Datum

Paraaf

27-10-2020

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

3

Samenvatting In opdracht van AGEL Adviseurs heeft Transect b.v. in oktober 2020 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Essenseweg 15 in Nispen (gemeente Roosendaal). De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door het voornemen om het bestaande garagebedrijf in het plangebied op te heffen en nieuwe woningen te realiseren. De sloop van de bestaande bebouwing zal zorgen voor een verstoring van de ondergrond van 550 m² tot een diepte van 90 cm -Mv. Van de nieuwbouw zijn nog geen verstoringsoppervlakte en -diepte bekend. Voor de werkzaamheden is in eerste instantie een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk, in een later stadium is ook een omgevingsvergunning vereist. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase, om antwoord te kunnen geven op de volgende vragen: • • • •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Op basis van het bureauonderzoek had het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op een dekzandrug. Op deze dekzandrug zijn in de omgeving van het plangebied reeds nederzettingsterreinen vastgesteld uit de IJzertijd, de Late Middeleeuwen en uit de Nieuwe tijd, op hoogtes variërend van 9,5 tot 12,2 m +NAP. Bovendien ligt het plangebied in de historische kern van Nispen, waarvan de oorsprong teruggaat tot in de Late Middeleeuwen. In elk geval gedurende de vroege 19e eeuw is de westzijde van het plangebied bebouwd geweest. De oostzijde van het plangebied is voor zover bekend in gebruik geweest als erf tot het midden van de 20e eeuw. Gedurende de tweede helft van de 20e eeuw is het huidige garagebedrijf gebouwd in het plangebied, wat heeft gezorgd voor verstoringen van de ondergrond tot een diepte van 70-90 cm -Mv. Tevens heeft aan de westzijde van het plangebied een milieukundige sanering plaatsgevonden, waarvoor de ondergrond verstoord is geraakt tot een diepte van circa 170 cm -Mv over een oppervlakte van ongeveer 20 m². Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op de aanwezigheid van het archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.

Tijdens het veldwerk is aangetoond dat het plangebied inderdaad op een dekzandrug ligt. De top van het dekzand is aangetroffen vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). In de top van het dekzand is sprake van een intact archeologisch relevant niveau, gebaseerd op de aanwezigheid van een BChorizont in drie van de vijf boringen. Het dekzand is aangetroffen onder een bouwlanddek van 45-100 cm dikte, aangetroffen vanaf een diepte van 60-95 cm -Mv (11,6-12,3 m +NAP). Op het bouwlanddek is ophoogzand aangetroffen direct onder de bestrating. De diepteligging van de top van het dekzand valt binnen het bereik waarbinnen in de omgeving van het plangebied resten zijn aangetroffen. Daarom is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Neolithicum – Nieuwe tijd. Voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van resten, aangezien de top van het dekzand (eventuele E- en B-horizonten) niet meer intact aanwezig zijn in het plangebied. 4

Advies Het plangebied heeft een hoge verwachting op de aanwezigheid van intacte archeologische resten vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). Ten aanzien van de voorgenomen ingrepen adviseren wij daarom het volgende: •

•

•

Bij de voorgenomen sloop van het bestaande garagebedrijf, waarvoor de ontgrond tot een diepte van maximaal 90 cm -Mv (12,2 m +NAP) geroerd zal worden, zal het archeologisch relevante niveau buiten het bereik van de ingrepen liggen. Wij adviseren daarom om het plangebied vrij te geven voor deze ingreep. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Roosendaal (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). Bij de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied is het wellicht mogelijk om archeologiesparend te bouwen. Wanneer de toekomstige ingrepen in het plangebied beperkt kunnen blijven tot een diepte van circa 80 cm -Mv, dan blijft een bufferzone van minimaal 25 cm bestaan tussen de onderzijde van de ingrepen en de bovenzijde van het archeologisch relevante niveau. In dat geval adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen, met de bovenstaande kanttekening in het kader van toevalsvondsten. Mocht de toekomstige nieuwbouw zorgen voor een verstoring van de ondergrond tot een diepte van meer dan 80 cm -Mv, dan adviseren wij tot het uitvoeren van een karterend en waarderend archeologisch onderzoek.

Gezien de verwachting op het aantreffen van hoofdzakelijk nederzettingsterreinen bestaand uit grondsporen, kan dit onderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Roosendaal) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied

5

Inhoud 1. Aanleiding

7

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

8

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

9

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

11

5. Beleidskader

12

6. Landschap, geomorfologie en bodem

13

7. Bekende verwachtingen, onderzoeken en vondsten

15

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

17

9. Gespecificeerde archeologische verwachting

22

10. Resultaten veldonderzoek

24

11. Beantwoording onderzoeksvragen

26

12. Conclusie en Advies

27

13. Geraadpleegde bronnen

29

Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart

31

Bijlage 2: Geomorfologische kaart

33

Bijlage 3: Hoogtekaart

34

Bijlage 4: Bodemkaart

35

Bijlage 5: Archeologische waardenkaart

36

Bijlage 6: Boorpuntenkaart

37

Bijlage 7: Foto’s van de boringen

38

Bijlage 8: Boorbeschrijvingen

39

6

1. Aanleiding In opdracht van AGEL Adviseurs heeft Transect b.v.1 in oktober 2020 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Essenseweg 15 in Nispen (gemeente Roosendaal). De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door het voornemen om het bestaande garagebedrijf in het plangebied op te heffen en nieuwe woningen te realiseren. De sloop van de bestaande bebouwing zal zorgen voor een verstoring van de ondergrond van 550 m² tot een diepte van 90 cm -Mv. Van de nieuwbouw zijn nog geen verstoringsoppervlakte en -diepte bekend. Voor de werkzaamheden is in eerste instantie een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk, in een later stadium is ook een omgevingsvergunning vereist. In het plangebied geldt in het vigerende bestemmingsplan ‘Nispen’(2016; geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl) een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm Mv. Aangezien de voorgenomen ingrepen in het plangebied deze grenzen op het gebied van zowel oppervlakte als diepte overschrijden, is sprake van een archeologische onderzoeksplicht. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Rap, 2020).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

7

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit diverse historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologisch-geomorfologische kaarten geraadpleegd. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in hoofdstuk 13. Daarnaast is op 14-10-2020 informatie opgevraagd bij de Heemkundekring de Heerlijckheijd Nispen. Zij hebben geen aanvullende informatie aangeleverd. Door de intiatiefnemer zijn bouwtekeningen van de bestaande bebouwing in het plangebied aangeleverd.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De werkwijze is toegelicht in hoofdstuk 10. Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? • Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? • In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? • Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen.

Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).

8

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats

Nispen

Toponiem

Essenseweg 15

Gemeente

Roosendaal

Provincie

Noord-Brabant

Kaartblad

49F

Perceelnummer(s)

RSD00-F-3056, F-3057, F-3696 en F-3766

Centrumcoördinaat

90.703 / 388.420

Oppervlakte

Circa 1100 m²

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Essenseweg 15 in Nispen (gemeente Roosendaal). De ligging ervan is weergegeven in figuur 1. De grenzen van het plangebied worden gevormd door de perceelsgrenzen van het de percelen RSD00-F-3056, F3057, F-3696 en F-3766, die ten oosten van de Essenseweg liggen. Het plangebied was ten tijde van het onderzoek bebouwd met een garagebedrijf (circa 550 m²) en bestraat met klinker (circa 550 m²).

9

Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 2018. Kaartbron: www.pdok.nl

10

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Omgevingsvergunning

Planvorming

Sloop bestaand garagebedrijf, nieuwbouw woning

Bodemverstorende werkzaamheden

Graaf- en bouwwerkzaamheden

Omvang verstoringen

Sloop: 550 m² tot circa 90 cm -Mv Nieuwbouw: onbekend

In het plangebied bestaat het voornemen om het bestaande garagebedrijf te slopen waarna nieuwe woningen in het plangebied zullen worden gerealiseerd. Voor deze werkzaamheden is in eerste instantie een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Voor de daadwerkelijke grondroerende werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. De sloop van de bestaande bebouwing zal een verstoring van de ondergrond over een oppervlakte van circa 550 m² met zich meebrengen, waarbij de funderingen tot een diepte van circa 90 cm uitgebroken zullen worden. De exacte locatie, formaat en funderingsgegevens van de voorgenomen nieuwbouw zijn nog niet bekend, aangezien de plannen zich nog in de bestemmingsplanfase bevinden.

11

5. Beleidskader Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Bestemmingsplan Nispen (2016)

Onderzoeksgrens

>50 m2 en dieper dan 50 cm -Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Roosendaal inzake het plangebied staat verwoord in het bestemmingsplan “Nispen” (2016; geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl). Hierin heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Deze waarde is gebaseerd op de beleidskaart van de gemeente, waarop staat vastgelegd welke verwachting een bepaald gebied heeft.

Het plangebied bevindt zich volgens de archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente in een zone met een hoge archeologische verwachting (bijlage 1). Voor gebieden met dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een omvang vanaf 50 m2 en 50 cm -Mv.

12

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Zuid-Nederlandse zandgebied

Geomorfologie

Onbekend, waarschijnlijk terrasafzettingsheuvel met dekzand

Maaiveld

12,5-12,9 m +NAP

Bodem

Hoge zwarte enkeerdgrond in zwak siltig fijn zand

Grondwatertrap

VII

Landschap Nispen ligt in het westelijke deel van het Zuid-Nederlandse zandgebied (Berendsen 2005). Het dorp ligt in zijn geheel op een dekzandrug, die geflankeerd wordt door twee beekdalen aan de west- en oostzijde. Het dekzand is afgezet tijdens de laatste IJstijd (Weichselien) en behoort tot de Formatie van Boxtel (120000 – 10000 v. Chr.). Het zand is afgezet onder periglaciale omstandigheden in de vorm van paraboolduinen, vlaktes en lang gerekte dekzandruggen. De dekzandrug van Nispen loopt in noordwest-zuidoostelijke richting. Ook de beekdalen zijn ontstaan tijdens deze periode en zorgden voor afwatering van de dekzandruggen in noordelijke richting. Het dekzand is vastgelegd gedurende het Holoceen. Door de opwarming van het klimaat nam de begroeiing toe waardoor het dekzand niet meer verstoof. In de beekdalen wordt klei afgezet en vindt in sommige gevallen, zoals ten zuiden en westen van Nispen, veenvorming plaats. In het dekzand komen lokaal ook zeer lemige lagen voor, ook wel bekend als Brabants Leem en behorend tot de Laag van Liempde binnen de Formatie van Boxtel. Deze laag is onder andere bekend ten oosten van Nispen.

Onder het dekzand en lokaal vlak aan het oppervlakte bevinden zich oudere terrasafzettingen van de Maas en Rijn, die vanuit België in noordelijke en oostelijke richting afwaterden gedurende het Vroeg – en Midden Pleistoceen (Berendsen 2000; De Mulder et al 2013). Deze terrassen zijn gevormd door de zeespiegelstijgingen gedurende deze het Laat-Pleistoceen en Vroeg-Holoceen overstoven door dekzand. Geologie Uit een geologische boring uitgevoerd op 150 m ten noordoosten van het plangebied blijkt dat tot een diepte van 2,3 m -Mv (8,7 m +NAP) sprake is van matig fijn tot zeer fijn zand van de Formatie van Boxtel (boring B49F0571; RD 90.800 / 388.525; bron: www.dinoloket.nl). Er zijn in de omgeving van het plangebied geen boringen bekend waarin de terrasafzettingen zijn geïdentificeerd. De diepteligging hiervan is dan ook onbekend. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd, wegens de ligging in bebouwd gebied (bijlage 2; bron: Alterra, 2017). Rondom dit bebouwd gebied ligt een terrasafzettingsheuvel die met dekzand is afgedekt (kaartcode 3B41yd en 4B41yd). Deze heuvel is zuidwest-noordoost georiënteerd. Op ongeveer 250 m ten oosten van het plangebied zijn ook terrasafzettingswelvingen afgedekt met dekzand aanwezig (kaartcode 3L41d).

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; bijlage 3; www.ahn.nl) is te zien dat het maaiveld in het plangebied grotendeels ongekarteerd is wegens bebouwing (witte vlek). Rondom de bebouwing daalt het maaiveld geleidelijk in oostelijke richting, van circa 12,8 m +NAP aan de westzijde van het plangebied tot circa 12,4 m +NAP aan de oostzijde van het plangebied. Verder naar het oosten blijft het plangebied dalen tot circa 10,0 m +NAP ter plaatse van de terrasafzettingswelvingen. 13

Bodem en grondwater Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als een hoge zwarte enkeerdgrond in zwak siltig fijn zand (kaartcode zEZ21; bijlage 4; Alterra, 2015). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn antropogene gronden, die over het algemeen op de middelhoge zandgronden werden aangelegd op de plek waar de bouwlanden lagen (Stouthamer, 2015). Door het bemesten van de bouwlanden met potstalmest, vermengd met (heide)plaggen of plaggen uit de beekdalen, konden enkeerdgronden ontstaan, gronden die zich kenmerken door een meer dan 50 cm dikke, donkere humeuze bovenlaag (Van Doesburg e.a., 2007). Archeologisch gezien zijn enkeerdgronden bijzonder, omdat het aangebrachte humeuze dek de oude pleistocene zandgronden, het begraven oppervlak van vóór de Late Middeleeuwen – en daarmee het archeologisch relevante niveau – heeft behoed voor tal van verstoringen (Van Doesburg e.a., 2007). De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele archeologische resten in het plangebied. In het plangebied is een grondwatertrap VII gekarteerd.

Dit duidt over het algemeen op relatief droge gronden waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich beneden 80 cm -Mv bevindt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand onder de 120 cm -Mv wordt aangetroffen. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat naar verwachting (onverbrande) organische archeologische resten in de bodem slecht tot niet geconserveerd zijn gebleven (zoals leer, textiel en hout) vanwege de sterk wisselende grondwaterstanden. Anorganisch vondstmateriaal (onder andere aardewerk en natuursteen) is nog wel te verwachten.

14

7. Bekende verwachtingen, onderzoeken en vondsten Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoog

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart (bijlage 1) is aan het terrein een hoge archeologische verwachting toegekend. Bekende waarden In het plangebied is niet eerder een archeologisch onderzoek uitgevoerd en er zijn geen vondsten bekend in het plangebied (bijlage 5, bron: Archis3). In de omgeving van het plangebied zijn echter verschillende onderzoeken uitgevoerd. •

•

•

Op ongeveer 130 m ten noorden van het plangebied, direct ten noorden van de Maria Hemelvaartkerk, is een archeologische begeleiding van bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zijn funderingsresten aangetroffen van bakstenen uit de 13 e tot en met de 15e eeuw, die onderdeel zijn van de verschillende voorgangers van de bestaande kerk ten zuiden van het plangebied. Ook zijn verschillende uitbreidingen en aanbouwen van deze kerk gedocumenteerd. De aangetroffen resten bestaan uit de noordzijde van het transept en een aantal steunberen. De muurresten zijn vrijwel direct vanaf de onderzijde van het grasveld aangetroffen. Tussen de muurresten zijn ook grafkuilen aangetroffen, die helaas niet dateerbaar zijn gebleken. Onder lemen vloeren tussen de funderingen zijn scherven Badorf-aardewerk aangetroffen (8e-10e eeuw), tussen de funderingsresten is vooral Pingsdorf, Paffrath en Andenneaardewerk aanwezig (10e-12e eeuw). Opvallend is de vondst van één scherf gedraaid Romeins aardewerk (2e eeuw na Chr.), waarvoor geen verklaring is (Vermunt, 2017; onderzoeksmelding 2459909100; vondstlocatie 1147025; vondstmelding 3133358100). Op ongeveer 200 m ten noorden van het plangebied, aan de Dorpsstraat 75, is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is vastgesteld dat het plangebied in elk geval vanaf de 18e eeuw bebouwd is geweest.

Uit de boringen blijkt dat sprake is van een humeuze ophooglaag met een dikte van circa 50-100 dikte, dat wordt geïnterpreteerd als een vergraven oud bouwlanddek. In de top van het dekzand zijn zowel resten van verploeging als van Bhorizonten waargenomen. Er is aanbevolen tot het uitvoeren van vervolgonderzoek (Ras en Van Wilgen, 2007; onderzoeksmelding 2167052100). Op ongeveer 350 m ten noordoosten van het plangebied, in het uitbreidingsgebied Oostmoer 2, is een bureau-, boor-, proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd. Tijdens het bureau- en booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een archeologisch intacte bodemopbouw, bestaand uit een moderne bouwvoor en bouwlanddek met een dikte van 40-70 cm. In het bouwlanddek zijn fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk, kogelpot, blauwgrijs aardewerk en verbrand leem aangetroffen. Daarmee is een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vastgesteld (Moonen, 2006; onderzoeksmelding 2122412100). Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat sprake is van nederzettingsterreinen uit de Late Middeleeuwen. Deze bestaan uit zowel greppels als paalkuilen, samenhangend met boerderijen 15

•

en sporen van terreininrichting. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat hoofdzakelijk uit aardewerk en steengoed (Paffrath, Pingsdorf, Raeren, Westerwald). Er is aanbevolen tot het uitvoeren van een opgraving (Van Straten, 2007; onderzoeksmelding 2134790100; vondstlocatie 1082658 en 1083889). Uit de opgraving is gebleken dat sprake is van vier bewoningsfases, waarbij verschillende elementen uit verschillende periodes zijn aangetroffen. Uit de 8 e-10e eeuw zijn een greppel en een kuil aangetroffen. De vindplaats uit de 11e en 12e eeuw bestaat uit een huisplattegrond, twee bijgebouwen, vier waterkuilen en een waterput. Uit de vroege 13 e eeuw is een huisplattegrond en een greppel aangetroffen. Uit de 16 e eeuw zijn drie greppels aangetroffen, die een terrein met een leemkuil en twee waterputten omsluiten. Er zijn uit de 16e eeuw geen huisplattegronden aangetroffen. Deze grondsporen zijn allen aangetroffen vanaf de onderzijde van het bouwlanddek op circa 9,0 tot 9,5 m +NAP (Van Domburg en Vanden Borre, 2008; onderzoeksmelding 2147045100; vondstlocatie 1083981). Op ongeveer 180 m ten zuidwesten van het plangebied, aan de Essenseweg 58-60, is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.

Dit onderzoek is uitgevoerd nadat tijdens een veldkartering in 2012 en 2013 is gebleken dat scherven aardewerk en de IJzertijd, Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen aanwezig zijn in het plangebied (vondstmelding 4706565100). Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat sprake is van een bouwvoor en bouwlanddek van circa 5070 cm dikte, dat op een laag restveen van 10-40 cm ligt. Dit veenrestant is aangetroffen vanaf een diepte van 11,5-12,1 m +NAP en ligt direct op het dekzand. Het verschil in diepteligging van het restveen wordt gezocht in een verschil in intensiteit van turfsteken. Waarschijnlijk ligt het plangebied aan de rand van het veengebied. In de top van het dekzand zijn vanaf circa 11,9 m +NAP uit- en inspoelingshorizonten in aangetroffen, direct onder het restveen. Er is sprake van een daling van het dekzand in oostelijke richting. Aan de westzijde van het plangebied, vanaf circa 12,2 m +NAP, is een aantal paalkuilen uit de IJzertijd aangetroffen. In de verzameling paalsporen is geen structuur herkend. Deze vindplaats is nog niet begrensd en de vindplaats is als behoudenswaardig beschouwd. Er heeft nog geen opgraving plaatsgevonden ten tijde van het opstellen van dit onderzoek (Tolboom, 2016; onderzoeksmelding 2445977100; vondstlocatie 1113235).

In de omgeving van het plangebied is zijn tijdens onderzoeken resten aangetroffen uit de IJzertijdRomeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Deze resten zijn aangetroffen in de top van het dekzand onder een bouwlanddek van 40-70 cm dikte. De vindplaatsen bestaan hoofdzakelijk uit grondsporen (paalkuilen) en in mindere mate uit vondstmateriaal. Het is tijdens de onderzoeken vastgesteld dat de archeologische resten voor komen vanaf circa 9,0 tot 12,2 m +NAP.

16

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing

Ja

Historisch gebruik

Bebouwd, huiserf, moestuin

Huidig gebruik

Bebouwd, bestraat

Bodemverstoringen

Bebouwing tot circa 70-90 cm, sanering tot circa 1,7 m -Mv

Historische achtergronden Het plangebied ligt in de historische kern van Nispen, op ongeveer 120 m ten zuiden van de kerk. Het dorp wordt reeds in de vroege 12e eeuw vermeld in documenten van de Abdij van Tongerlo. Gedurende de 12e tot en met de 14e eeuw is het een zelfstandige heerlijkheid geweest. De staat van zelfstandige heerlijkheid tussen enclaves van het Hertogdom Brabant, de Baronie van Breda en Antwerpen zorgde door handel- en tolheffingen voor een betrekkelijke rijkdom en stabiliteit (bron: canon.heemkundenispen.nl). Op de kadastrale Minuutkaart uit 1811-1832 staat aan de westzijde van het plangebied bebouwing ingetekend. De oostzijde van het plangebied is op dat moment in gebruik als moestuin en huiserf (figuur 2; bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Direct ten westen van het plangebied ligt de “weg van Nispen naar Essen”. Deze situatie blijft op kaarten zichtbaar gedurende de late 19e en vroege 20e eeuw (figuur 3 en 4). Gedurende het midden van de 20e eeuw wordt de bebouwing in het plangebied meermaals gewijzigd. Aanvankelijk was sprake van een wagenmakerij in het plangebied, die gedurende de jaren ’70 wordt vervangen voor een garagebedrijf (bron: initiatiefnemer dhr. Bartelen; figuur 5 en 6). Dit garagebedrijf wordt gedurende de late 20 e eeuw en de vroege 21e eeuw meermaals uitgebreid, totdat de huidige situatie in circa 2003 tot stand komt (figuur 7-8).

Militair Erfgoed Het plangebied heeft geen bijzondere betekenis of rol gespeeld in het militair verleden. Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME), www.tracesofwar.nl, www.bhic.nl en de Kaart van Verdedigingswerken (bron: https://www.landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart) staat geen aanduiding voor de aanwezigheid van militair erfgoed in het plangebied. Wel is bekend dat het dorp Nispen in 1593 vrijwel volledig verwoest is geraakt door plunderingen tijdens de Tachtigjarige oorlog (bron: canon.heemkundenispen.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen • Het bestaande garagebedrijf in het plangebied in het plangebied is in meerdere fases tot stand gekomen gedurende 1977, 1984, 1988, 1997 en 2003. Op bouwtekeningen aangeleverd door de opdrachtgever zijn funderingen tot een diepte van 70-90 cm -Mv ingetekend (12,2 m +NAP). Er zijn geen oliekelders of putten aangemerkt op deze tekeningen. • Aan de westzijde van de bebouwing heeft in 1997-2003 de sanering van een tankstation plaatsgevonden. Hier is de ondergrond lokaal tot 1,7 m -Mv ontgraven over een oppervlakte van circa 20 m² (11,1 m +NAP; figuur 9, bron: Moerdijk Bodemsanering BV; kenmerk 369.01.032.e1). In de Omgevingsrapportage van de provincie Noord-Brabant zijn geen aanvullende gegevens bekend over eerder uitgevoerde saneringsactiviteiten (bron: noordbrabant.omgevingsrapportage.nl).

• Op de ontgrondingenkaart van Noord-Brabant zijn geen vergunningen voor het afgraven van zand bekend uit de periode 1950-1998 (2005; Provincie Noord-Brabant).

17

Figuur 2. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) op de kadastrale Minuutkaart uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Figuur 3. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1875. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl

18

Figuur 4. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1920. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl

Figuur 5. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl

19

Figuur 6. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1980. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl

Figuur 7. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1999. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl

20

Figuur 8. Het plangebied op een luchtfoto uit 2019. Bron: www.pdok.nl

Figuur 9. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto met de verstoring door de bestaande bebouwing in het blauw, de saneringscontour is groenrood gearceerd. Bron luchtfoto: www.pdok.nl.

21

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden

Hoog

Periode

Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd

Complextypen

Vondstconcentraties, nederzettingen, sporen van landgebruik

Stratigrafische positie

In de top van het dekzand

Aanwezigheid en dichtheid Op basis van het bureauonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachting op archeologische waarden. Deze verwachting is gebaseerd op de vermoedelijke ligging van het plangebied op een dekzandrug op terrasafzettingen. De diepteligging van de terrasafzettingen is onbekend en zal daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. Op het dekzand kan vanaf de Late Middeleeuwen een bouwlanddek zijn aangelegd. Aan de basis van het bouwlanddek en in de top van het dekzand zijn vanaf een diepte van 9,0 tot 12,2 m +NAP sporen van nederzettingsterreinen uit de IJzertijd, Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Op historische kaarten is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van de historische kern van Nispen. De westzijde van het plangebied is in elk geval vanaf de 19e eeuw bebouwd geweest. Stratigrafische positie Archeologische resten uit alle periodes worden verwacht in de top van het pleistocene dekzand, waarbij zij bewaard kunnen zijn gebleven onder een bouwlanddek van 40-70 cm. In de top van het dekzand kunnen uit- en inspoelingshorizonten (E- en B-horizonten) aanwezig zijn die een aanwijzing zijn voor de mate van intactheid van de ondergrond. De afwezigheid van deze horizonten hoeft echter niet de afwezigheid van archeologische resten te betekenen, zoals is aangetoond ter plaatse van het plangebied Oostmoer 2.

Complextypen • Archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum zullen vooral bestaan uit restanten van tijdelijke kampementen. Deze resten zijn vooral te herkennen aan vondstconcentraties. De vondstconcentraties zullen vooral houtskool, vuursteen, bewerkt natuursteen, (on)verbrand botmateriaal bevatten. Dergelijke resten zullen zich in de top van het dekzand bevinden. Wanneer het ontbreekt aan intacte E- of B-horizonten in de top van het dekzand, dan is het archeologisch relevante niveau voor deze periodes waarschijnlijk verstoord geraakt. Vondstcomplexen uit deze periode zullen naar verwachting enkele tientallen vierkante meters beslaan. Dergelijke complexen zijn in de omgeving van het plangebied nog niet aangetroffen. • Gedurende het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen zullen de vondstconcentraties bestaan uit concentraties van aardewerk, houtskool, vuursteen, (on)verbrand botmateriaal en bewerkt natuursteen. Mogelijk zijn ook sporen van huisplaatsen of sporen van landgebruik (akkerbouw) uit deze periode aan te treffen. Dergelijke sporen kenmerken zich door paalkuilen, ploegkrassen, afvalkuilen of andere diepliggende sporen. Vanaf de Bronstijd kan tevens (sterk gecorrodeerd) metaal worden aangetroffen in de bodem. Deze resten zullen zich in de top van het dekzand bevinden.

Vindplaatsen uit deze periodes kunnen een oppervlakte van tientallen vierkante meters beslaan (neolithisch extractiekamp) tot duizenden vierkante meters (nederzetting met meerdere huizen) en is dus mogelijk niet te begrenzen in het plangebied. In de omgeving van het plangebied is reeds een

22

•

Vondsten en sporen uit de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd zijn te relateren aan de historische kern van Nispen. Er zijn sporen van nederzettingsterreinen, bebouwing en erfinrichting aan te treffen. Op basis van historische kaarten zal de bebouwing zich aan de westzijde van het plangebied bevinden en kunnen aan de oostzijde van het plangebied zaken als waterputten en bijgebouwen worden aangetroffen. Dergelijke vondstcomplexen kunnen enkele duizenden vierkante meters beslaan.

Aanwezigheid en intactheid In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten aangetroffen onder een bouwlanddek in de top van het dekzand, op een diepte van 50-70 cm -Mv (9,0-12,2 m +NAP). Ter plaatse van de bekende sanering aan de westzijde van het plangebied is het archeologisch relevante niveau waarschijnlijk volledig verstoord tot een diepte van 1,7 m -Mv (circa 11,1 m +NAP), over een oppervlakte van circa 20 m². Ter plaatse van de funderingen van de bestaande bebouwing zullen funderingen gezorgd hebben voor een verstoring tot circa 70-90 cm -Mv (12,2 m +NAP). Het is onduidelijk of de funderingen zullen hebben gezorgd voor een ontgraving van het dekzand. Om de onbekendheid met de ondergrond weg te nemen en de archeologische verwachting te toetsen, is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

23

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoekstrategie

Verkennend booronderzoek

Aantal boringen

5

Type boor

Edelmanboor

Boordiameter

7 cm

Maximale boordiepte

200 cm -Mv

Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het Plan van Aanpak; Rap, 2020). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). De boringen hebben een diepte van maximaal 200 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). De foto’s van de boringen zijn terug te vinden in bijlage 7, de beschrijvingen in bijlage 8. Na beschrijving zijn de monsters handmatig doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn gelijkmatig verdeeld over het plangebied, de verdeling van de boringen is op kaart weergegeven in bijlage 6. De locatie van de boringen is met een meetlint bepaald aan de hand van de bestaande topografie in het plangebied. De hoogteligging van de boringen is bepaald aan de hand van het AHN. Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied bebouwd met garagebedrijf voorzien van betonvloeren.

Er zijn inpandig geen kelders of zinkputten vastgesteld. De initiatiefnemer geeft aan dat centraal onder de bestaande bebouwing een gewelfde put van de voormalige wagenmakerij ligt (bron: dhr. Bartelen; ingetekend in bijlage 6). De diepte van deze put is niet bekend. Het maaiveld daalt ongeveer 40 cm over de gehele lengte van het plangebied. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 10.

Figuur 10. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 14-10-2020. Links de oostzijde van het plangebied ter plaatse van boringen 4 en 5. Rechts een zicht op een noordzijde van het plangebied, vanaf boorpunt 1 richting het oosten. Fotograaf: J. Rap.

24

Lithologie en bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is relatief eenduidig. • De diepst aangetroffen afzettingen bestaan uit goed gesorteerd zwak siltig matig fijn grijs zand. Dit is aangetroffen vanaf een diepte van 130-160 cm -Mv (11,0-11,5 m +NAP). Deze laag is geïnterpreteerd als dekzand. In boring 3 ontbreekt het aan sporen van bodemvorming in het dekzand, waarbij dus direct de C-horizont is aangetroffen. Ter plaatse van boringen 1, 4 en 5 is de top van het dekzand vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m -NAP) lichtbruingrijs van kleur en zeer zwak humeus, waarbij sprake is van een geleidelijke overgang naar het onderliggende zand. Hier is sprake van een BC-horizont in de top van het dekzand. • Op het dekzand zijn in alle boringen twee lagen zwak tot matig humeus, matig siltig matig fijn zand aangetroffen vanaf een diepte van 60-95 cm -Mv (11,6-12,3 m +NAP) tot een diepte van 105160 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). Dit betreft een bouwlanddek, met een dikte van 45-100 cm. De diepst gelegen van deze lagen bevat grijze zandkorrel en fijne spikkels houtskool. • Op het bouwlanddek is vanaf de onderzijde van de bestrating een laag zwak siltig grijsbruin tot bruingrijs zand aanwezig, waarin ook veel puin aanwezig is. Dit is matig fijn van korrelgrootte .Het is aangetroffen tot een diepte van 60-95 cm -Mv. Het wordt afgedekt door de bestaande klinkerbestrating.

Boring 2 is drie keer gestaakt in deze laag op zeer vast puin. Archeologische indicatoren Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat ook nadrukkelijk niet het doel van dit onderzoek is geweest. Archeologische interpretatie Aan de hand van het veldonderzoek is de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de periode Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd te handhaven. Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat het plangebied op een dekzandrug ligt, waarbij sprake is van een daling van het dekzand in oostelijke richting. Direct op het dekzand ligt een humeus dek met een dikte van circa 45-100 cm, dat waarschijnlijk een oud bouwlanddek betreft. In de top van het dekzand is in drie van de vijf boringen een intacte BC-horizont. Daarom is sprake van een intact archeologisch relevant niveau in de top van het dekzand, dat is aan te treffen vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). De diepteligging van het dekzand valt binnen het bereik van de diepte van het dekzand waarop in de omgeving van het plangebied archeologische resten zijn aangetroffen (9,0-12,2 m +NAP). Gezien het ontbreken van intacte E-horizonten is wel sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van intacte vondstconcentraties uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum.

25

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt op een dekzandrug, waarop een oud bouwlanddek aanwezig is.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van het dekzand is het archeologisch relevant niveau, dat in het plangebied is aangetroffen vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). Ter plaatse van boringen 1, 4 en 5 is in de top van het dekzand nog sprake van een BC-horizont. Het dekzand wordt afgedekt door een bouwlanddek van 45-100 cm dikte en grijs ophoogzand.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Het dekzand in het plangebied wordt afgedekt door een bouwlanddek en modern ophoogzand. Het moderne ophoogzand is aangetroffen vanaf maaiveld tot een diepte van 60-95 cm -Mv (11,6-12,3 m +NAP). Het bouwlanddek is aangetroffen tot een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP).

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? In het bureauonderzoek is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op een dekzandrug. Op deze dekzandrug zijn reeds archeologische resten aangetroffen uit de IJzertijd, de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Ook ligt het plangebied in de historische kern van het dorp Nispen. Op historische kaarten is aan de westzijde van het plangebied bebouwing ingetekend, de oostzijde van het plangebied is gedurende de Nieuwe tijd voor zover zichtbaar altijd in gebruik geweest als achtererf bij deze bebouwing. De ondergrond in het plangebied is voor zover bekend verstoord geraakt tot een diepte van circa 70-90 cm -Mv (12,2 m +NAP) door de aanleg van bestaande funderingen. Ook heeft een sanering aan de westzijde van het plangebied gezorgd voor een lokale verstoring tot een diepte van 170 cm -Mv over een oppervlakte van circa 20 m². Uit het veldonderzoek is gebleken dat de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten is te handhaven voor de periode Neolithicum – Nieuwe tijd. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied inderdaad op een dekzandrug ligt.

In de top van het dekzand is vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP)een BC-horizont aangetroffen. Dit vormt een intact archeologisch relevant niveau voor de periode Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het dekzand wordt afgedekt door een bouwlanddek en door ophoogzand. Op basis van het ontbreken van intacte E-horizonten in de top van het dekzand is wel sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum.

26

12. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek had het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op een dekzandrug. Op deze dekzandrug zijn in de omgeving van het plangebied reeds nederzettingsterreinen vastgesteld uit de IJzertijd, de Late Middeleeuwen en uit de Nieuwe tijd, op hoogtes variërend van 9,5 tot 12,2 m +NAP. Bovendien ligt het plangebied in de historische kern van Nispen, waarvan de oorsprong teruggaat tot in de Late Middeleeuwen. In elk geval gedurende de vroege 19e eeuw is de westzijde van het plangebied bebouwd geweest. De oostzijde van het plangebied is voor zover bekend in gebruik geweest als erf tot het midden van de 20e eeuw. Gedurende de tweede helft van de 20e eeuw is het huidige garagebedrijf gebouwd in het plangebied, wat heeft gezorgd voor verstoringen van de ondergrond tot een diepte van 70-90 cm -Mv. Tevens heeft aan de westzijde van het plangebied een milieukundige sanering plaatsgevonden, waarvoor de ondergrond verstoord is geraakt tot een diepte van circa 170 cm -Mv over een oppervlakte van ongeveer 20 m².

Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op de aanwezigheid van het archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Tijdens het veldwerk is aangetoond dat het plangebied inderdaad op een dekzandrug ligt. De top van het dekzand is aangetroffen vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). In de top van het dekzand is sprake van een intact archeologisch relevant niveau, gebaseerd op de aanwezigheid van een BChorizont in drie van de vijf boringen. Het dekzand is aangetroffen onder een bouwlanddek van 45-100 cm dikte, aangetroffen vanaf een diepte van 60-95 cm -Mv (11,6-12,3 m +NAP). Op het bouwlanddek is ophoogzand aangetroffen direct onder de bestrating. De diepteligging van de top van het dekzand valt binnen het bereik waarbinnen in de omgeving van het plangebied resten zijn aangetroffen. Daarom is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Neolithicum – Nieuwe tijd. Voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van resten, aangezien de top van het dekzand (eventuele E- en B-horizonten) niet meer intact aanwezig zijn in het plangebied. Advies Het plangebied heeft een hoge verwachting op de aanwezigheid van intacte archeologische resten vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP).

Ten aanzien van de voorgenomen ingrepen adviseren wij daarom het volgende: Bij de voorgenomen sloop van het bestaande garagebedrijf, waarvoor de ontgrond tot een diepte van maximaal 90 cm -Mv (12,2 m +NAP) geroerd zal worden, zal het archeologisch relevante niveau buiten het bereik van de ingrepen liggen. Wij adviseren daarom om het plangebied vrij te geven voor deze ingreep. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Roosendaal (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). Bij de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied is het wellicht mogelijk om archeologie-sparend te bouwen. Wanneer de toekomstige ingrepen in het plangebied beperkt kunnen blijven tot een diepte van circa 80 cm -Mv, dan blijft een bufferzone van minimaal 25 cm bestaan tussen de onderzijde van de ingrepen en de bovenzijde van het archeologisch relevante niveau. In dat geval adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen, met de bovenstaande kanttekening in het kader van toevalsvondsten. 27

Mocht de toekomstige nieuwbouw zorgen voor een verstoring van de ondergrond tot een diepte van meer dan 80 cm -Mv, dan adviseren wij tot het uitvoeren van een karterend en waarderend archeologisch onderzoek. Gezien de verwachting op het aantreffen van hoofdzakelijk nederzettingsterreinen bestaand uit grondsporen, kan dit onderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Roosendaal) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

28

13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Beleidskaart van de gemeente Drimmelen • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • Ontgrondingenkaart van de provincie Noord-Brabant (2005). • www.gahetna.nl • Geologische Overzichtskaart van Nederland (2010), TNO. • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.planviewer.nlwww.topotijdreis.nl • www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.ikme.nl • www.dans.easy.knaw.nl • www.pdok.nl • www.landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart • www.bhic.nl Afbeeldingenlijst Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 2018. Kaartbron: www.pdok.nl .. 10 Figuur 2. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) op de kadastrale Minuutkaart uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl................................................................................................................ 18 Figuur 3. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1875. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl ............................................................................................... 18 Figuur 4.

Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1920. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl ............................................................................................... 19 Figuur 5. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl ............................................................................................... 19 Figuur 6. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1980. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl ............................................................................................... 20 Figuur 7. Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1999. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl ............................................................................................... 20 Figuur 8. Het plangebied op een luchtfoto uit 2019. Bron: www.pdok.nl .............................................. 21 Figuur 9. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto met de verstoring door de bestaande bebouwing in het blauw, de saneringscontour is groen-rood gearceerd. Bron luchtfoto: www.pdok.nl.

................................................................................................................................................................ 21 Figuur 10. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 14-10-2020. Links de oostzijde van het plangebied ter plaatse van boringen 4 en 5. Rechts een zicht op een noordzijde van het plangebied, vanaf boorpunt 1 richting het oosten. Fotograaf: J. Rap. ................................................... 24

29

Literatuur Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenwoudt & T. de Groot (red.), 2007. Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. NAR 34, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Amersfoort Domburg, K.M. van en J. Vanden Borre, 2008, Een nederzetting uit de Volle-Middeleeuwen aan de Oostmoer in Nispen, gemeente Roosendaal, Een archeologisch opgraving. Amersfoort (ADC-rapport 925). Koopmanschap, H, M. Visser-Poldervaart en M. Arkema, 2013. Erfgoedkaart Drimmelen; een verleden op zand en onder klei: Archeologische rapporten Oranjewoud 2010/120. Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen Venen, een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad 1250 – 1750, Actualisering 2013. Woudrichem: Picture Publishers Moonen, B.J., 2006, Plangebied uitbreidingslocatie Oostmoer 2e fase, gemeente Roosendaal; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, Amsterdam (RAAPnotitie 1734) Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland.

Houten. Rap, J., 2020, Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Nispen, Essenseweg 15. Transect, Nieuwegein. Ras, J. en L.R. van Wilgen, 2007, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen bouwlocatie Dorpsstraat 75, Nispen, Gemeente Roosendaal, Heinenoord (SOB research-rapport 1376-0708) Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands). Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314). Straten, K.J.C. van, 2007, Plangebied Oostmoer 2e fase te Nispen, gemeente Roosendaal; archeologisch vooronderzoek: een proefsleuvenonderzoek, Amsterdam (RAAP-rapport 1455). Tebbens, L.A., 2016: Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. In: Ball, E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort Tolboom, M.A., 2016, Nispen, Essenseweg 58-60, Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven, ’s-Hertogenbosch (BAAC-rapport A-14.0113). Vermunt, M.J.A., 2017, Archeologisch onderzoek naar de Maria Hemelvaartkerk in Nispen, Bergen op Zoom (Archeologische rapporten Bergen op Zoom 40).

Vos, P.C./S. de Vries, 2015. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd, www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015). Van Zijverden, W.K. & J. de Moor, 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voor archeologen. Leiden.

30

Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart

31

32

Bijlage 2: Geomorfologische kaart

33

Bijlage 3: Hoogtekaart

34

Bijlage 4: Bodemkaart

35

Bijlage 5: Archeologische waardenkaart

36

Bijlage 6: Boorpuntenkaart

37

Bijlage 7: Foto’s van de boringen Hieronder volgen enkele opnames van boringen. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn van links naar rechts uitgelegd per 50 cm, waarbij de onderkanten van de boringen naar boven wijzen.

Boring 1: 0-170 cm -Mv.

Boring 4: 0-190 cm -Mv.

Boring 5: 0-200 cm -Mv.

38

Bijlage 8: Boorbeschrijvingen

39

boring: 20836-1 beschrijver: JR, datum: 14-10-2020, X: 90.676, Y: 388.430, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,84, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Roosendaal, plaatsnaam: Nispen, opdrachtgever: AGEL Adviseurs, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,84 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, grijs, matig fijn Opmerking: klinker

10 cm -Mv / 12,74 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: ophoog/woellaag, veel puin

60 cm -Mv / 12,24 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: afgedekt/begraven A-horizont, enkele Fe-vlekken Opmerking: esdek

95 cm -Mv / 11,89 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig fijn Bodemkundig: AE-horizont, enkele Fe-vlekken Opmerking: grijze korrel, oud maaiveld?

105 cm -Mv / 11,79 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgrijsbruin, matig fijn Bodemkundig: BC-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: lichte humus/ijzerspoel

130 cm -Mv / 11,54 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, grijs, matig fijn Bodemkundig: C-horizont Opmerking: schoon/bleek dekzand

Einde boring op 170 cm -Mv / 11,14 m +NAP

boring: 20836-2 beschrijver: JR, datum: 14-10-2020, X: 90.678, Y: 388.419, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,90, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Roosendaal, plaatsnaam: Nispen, opdrachtgever: AGEL Adviseurs, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, grijs, matig fijn Opmerking: klinker

10 cm -Mv / 12,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: ophoog/woellaag, veel puin, drie keer gestaakt.

Einde boring op 60 cm -Mv / 12,30 m +NAP

1

boring: 20836-3 beschrijver: JR, datum: 14-10-2020, X: 90.693, Y: 388.430, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,90, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Roosendaal, plaatsnaam: Nispen, opdrachtgever: AGEL Adviseurs, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, grijs, matig fijn Opmerking: klinker

10 cm -Mv / 12,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: ophoog/woellaag, veel puin

60 cm -Mv / 12,30 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgeelgrijs, matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: vlekkig grijs/bruin gebrokt ophoogzand

110 cm -Mv / 11,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig fijn Bodemkundig: AE-horizont, enkele Fe-vlekken Opmerking: grijze korrel, oud maaiveld?

160 cm -Mv / 11,30 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, grijs, matig fijn Bodemkundig: C-horizont Opmerking: schoon/bleek dekzand

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1208/documents/31010