b_NL.IMRO.1674.2129ESSENSEWEG15-0401_tb4.pdf
Tekst van het document
Milieuhygiënisch vooronderzoek Essenseweg 15 te Nispen
samen onze omgeving creëren VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken.
AGEL adviseurs 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
Projectdossier Titel
:
Milieuhygiënisch vooronderzoek
:
Essenseweg 15 te Nispen
Opdrachtgever
:
Familie Bartelen
Projectnummer
:
20200379
Versie / status
:
D01
Datum
:
19 oktober 2020
Opgesteld door
:
M.K. Westerman MSc.
Gecontroleerd door
:
Ing. C. van den Broek
Akkoord Projectcoördinator
:
M. Kooijman
Paraaf: . . . . . .
AGEL adviseurs Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout 0162 - 456481 info@ageladviseurs.nl www.ageladviseurs.nl
VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken. AGEL adviseurs 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
SAMENVATTING Algemeen Opdrachtgever Adres onderzoekslocatie Kadastrale registratie Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik Type onderzoek Aanleiding onderzoek
: : : : : : :
Familie Bartelen Essenseweg 15 te Nispen Roosendaal, F, 3056 499 m2 Berging – stalling (garage-schuur) Milieuhygiënisch vooronderzoek NEN5725 Bestemmingswijziging
Conclusie vooronderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde milieuhygiënisch vooronderzoek wordt geconcludeerd:
De bovengrond is verdacht op asbest, OCB’s, PAK’s, zware metalen en olieproducten.
De ondergrond is verdacht op olieproducten en zware metalen.
Het grondwater is verdacht op olieproducten, oplosmiddelen en zware metalen.
Middels het milieuhygiënisch vooronderzoek is de vermoedelijke milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld. De resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek geven aanleiding tot het verrichten van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 alsmede een verkennend bodemonderzoek naar asbest in bodem conform de NEN 5707.
Aanbevelingen en opmerkingen Aanbevolen wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren om de verdachte (deel)locaties en mogelijke (rest)verontreinigingen in beeld te brengen. Het verkennend bodemonderzoek is er niet op gericht om de aard en omvang van verontreinigingen in beeld te brengen. Indien er in de voorgestelde fase verontreinigingen worden aangetoond, kan het noodzakelijk zijn deze nader te onderzoeken volgens de NTA 5755. De verdenking op niet-gedefinieerde funderingsmaterialen en de resultaten van de asbestinventarisatie geven aanleiding tot het verrichten van een onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707. Dit kan gelijktijdig met de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 1 1
2
INLEIDING ................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding en doel ...................................................................................................... 1
1.2
Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid ......................................................................... 1
1.3
Leeswijzer .................................................................................................................. 1
VOORONDERZOEK ....................................................................................................... 2 2.1
Inleiding ..................................................................................................................... 2
2.2
Aanleiding vooronderzoek ........................................................................................... 2
2.3
Bronvermelding .......................................................................................................... 2
2.4
Locatiegegevens ......................................................................................................... 3
2.5
Gebruik en beïnvloeding van de locatie ........................................................................ 4
2.6
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit ........................................................... 5
2.7
Toekomstig gebruik .................................................................................................... 8
2.8
Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................. 8
2.9
Conclusie vooronderzoek en hypothese(n).................................................................... 8
3
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ............................................................................ 10
4
NORMERING EN BETROUWBAARHEID ...................................................................... 11
Bijlagen BIJLAGE 1
LOCATIEKAART EN KADASTRALE INFORMATIE
BIJLAGE 2
TOELICHTING EN ACHTERGROND TOETSINGSKADER
BIJLAGE 3
RELEVANTE INFORMATIE VOORONDERZOEK
BIJLAGE 4
FOTOBIJLAGE
BIJLAGE 5
VRAGENLIJST INTERVIEW
BIJLAGE 6
KWALITEITSBORGING EN ONAFHANKELIJKHEIDSVERKLARING
A G E L
adviseurs 1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
ruimte infra bouw milieu
In opdracht van de Familie Bartelen heeft AGEL adviseurs een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd naar een locatie aan de Essenseweg 15 te Nispen. De locatie is in gebruik als garage en heeft een oppervlakte van circa 499 m2. De aanleiding voor het uitvoeren van het milieuhygiënisch vooronderzoek vormt de voorgenomen functiewijziging van de locatie. In het kader hiervan is inzicht gewenst in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het milieuhygiënisch vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725. De doelstelling van het milieuhygiënisch vooronderzoek is inzicht te krijgen in de te verwachten actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (de grond en het freatisch grondwater). Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek dient te worden vastgesteld of uitvoering van een bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk is en welke bijzonderheden daarbij in acht moeten worden genomen om de geschiktheid van de bodem voor de functiewijziging te onderbouwen. 1.2
Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitssysteem van AGEL adviseurs. AGEL adviseurs is gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20258). In bijlage 6 is de kwaliteitsborging en onafhankelijkheidsverklaring opgenomen.
1.3
Leeswijzer Voorliggend rapport is als volgt opgebouwd: Vooronderzoek en onderzoekshypothese (hoofdstuk 2); Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 wordt tenslotte een toelichting gegeven op het normenkader en de factoren die van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 1 van 10
A G E L
adviseurs 2
Vooronderzoek
2.1
Inleiding
ruimte infra bouw milieu
Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Om dit doel te bereiken is relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de vooronderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan de onderzoekshypothese voor een eventueel verkennend bodemonderzoek worden opgesteld. 2.2
Aanleiding vooronderzoek De aanleiding voor het vooronderzoek conform de NEN 5725 is: A) Opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek.
2.3
Bronvermelding In het kader van het vooronderzoek zijn de onderstaande bronnen geraadpleegd. Tevens is aangegeven of voor de onderzoekslocatie relevante informatie aangetroffen is. Tabel 2.1: Geraadpleegde bronnen Instantie Aspect Opdrachtgever
Afbakening onderzoeksgebied Informatie huidig en voormalig gebruik Toekomstig gebruik Eerder bodemonderzoek Bodemloket Informatie Landsdekkend beeld/Globis Gemeente Roosendaal/ Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst OMWB BodemInformatiesysteem (BIS) en/of eerder onderzoek Archief BOOT/tankenbestand Vervallen Hinderwetvergunningen (statisch) Actuele milieuvergunningen (dynamisch) Bouwvergunningen Bevoegd gezag Wbb Beschikkingen Wet bodembescherming Regionaal archief Historische informatie Literatuur en eigen archief Topografische kaart en luchtfoto google earth Historische atlas Topotijdreis DINOloket Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwateronttrekkingen Provinciale milieuverordening (PMV) Kadaster Kadastrale situatie Kabels en leidingen informatie (KLIC) Terreinverkenning Bodembedreigende activiteiten Verwachting t.a.v. asbest Locatie interviews + : Informatie aanwezig m.b.t. onderzoekslocatie; : Geen voor het onderzoek relevante informatie aanwezig m.b.t. onderzoekslocatie.
Relevante informatie aanwezig + + + + + + + + + + + + + + +
Ten behoeve van het vooronderzoek is, op verzoek van AGEL adviseurs, door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is per email informatie beschikbaar gesteld over de bij de gemeente bekende relevante gegevens. 20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 2 van 10
A G E L
adviseurs 2.4
ruimte infra bouw milieu
Locatiegegevens Onderstaand zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2.2: Locatiegegevens Aspect Adres Kadastraal Topografie en RD-coördinaten (bijlage 1) Eigenaar Gebruiker Oppervlakte kadastraal perceel(-en)
Gegevens Essenseweg 15 te Nispen Gemeente: Roosendaal en Nispen Sectie: F Nummer(s): 3056 x: 90.702 y: 388.417 Dhr. J.J. Bartelen Familie Bartelen Circa 499 m² Onderzoekslocatie: circa 499 m²
In figuur 2.1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Een situatietekening met begrenzing van de onderzoekslocatie is tevens opgenomen in bijlage 2.
Figuur 2.1: Luchtfoto onderzoekslocatie (met rood aangegeven)
Voor de afbakening van de onderzoekslocatie is gekozen voor een perceelsgewijze afbakening. Het geografisch gebied waarop het vooronderzoek betrekking heeft richt zich op de onderzoekslocatie waarbinnen het geografisch besluitvormingsgebied valt en de aangrenzende percelen tot een maximale afstand van 25 meter.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 3 van 10
A G E L
adviseurs 2.5
ruimte infra bouw milieu
Gebruik en beïnvloeding van de locatie Voormalig gebruik In figuur 2.2 zijn een aantal historische topografische kaarten opgenomen.
Figuur 2.2: Historische topografische kaarten van de onderzoekslocatie
De bebouwing op de onderzoekslocatie stamt volgens de basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster uit 1960. Nispen ligt dichtbij de grens met België. De kern is gevormd rond de Nispenseweg/Essenseweg en de Bergsebaan/Hejibeeksestraat. De onderzoekslocatie ligt aan de zuidzijde van de dorpskern en heeft een industrieel karakter vanuit de weg bezien. Achter de bebouwing en bedrijfsterreinen liggen landbouwpercelen, met o.a. een boomkwekerij. Ten zuiden en oosten van het te onderzoeken perceel is ‘Siemons Grondwerken en Transport’ gevestigd. Huidig gebruik en terreinverkenning De onderzoekslocatie bevindt zich in een in een gebied waar wonen en bedrijvigheid (aan huis) zich afwisselen. De locatie betreft een autobedrijf met garage/werkplaats. In de directe omgeving van de locatie de volgende factoren bekend die van invloed kunnen zijn op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie: Een grondwerken en transportbedrijf; Boomkwekerij. De onderzoekslocatie is van 1959 tot mei 2020 in gebruik geweest als autobedrijf. Op 16 oktober 2020 is een locatie inspectie uitgevoerd en een interview gehouden met de heer Bartelen, eigenaar en exploitant van het tot voor kort gevestigde bedrijf. De foto’s van de locatie inspectie zijn opgenomen in bijlage 4 en de ingevulde vragenlijst in bijlage 5.
Bij de terreininspectie zijn is de locatie-indeling op de tekening geverifieerden is vastgesteld dat de locatie bestaat uit een buitenterrein, twee showrooms, een werkplaats, opslag en kantoorruimte. Achter de werkplaats is een (gemetselde) sterfput gelegen.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 4 van 10
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Asbest Binnen de opdracht welke is verleend aan AGEL Adviseurs is een asbestinventarisatie van de bebouwing opgenomen. De resultaten daarvan worden separaat gerapporteerd. Vanwege het bouwjaar en waarschijnlijke toepassing van funderingsmateriaal t.b.v. het bedrijfsterrein zelf is de bodem op de locatie asbestverdacht. Niet gesprongen explosieven Ten aanzien van de verwachting van niet gesprongen explosieven is bij de opdrachtgever geen informatie bekend. 2.6
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit Zonering bodemkwaliteitskaart Voor de gemeente Roosendaal is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. Op basis van deze bodemkwaliteitskaart wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie de volgende bodemkwaliteit verwacht: Bovengrond (0,0-0,5 m-mv) : klasse AW2000; Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) : klasse AW2000. Op de bodemfunctieklassenkaart is de onderzoekslocatie gelegen in een zone met functie ‘wonen’. Beschikbaar bodemonderzoek Van de onderzoekslocatie en directe omgeving zijn de bodemonderzoeken bekend zoals weergegeven in tabel 2.3. Tabel 2.3: Beschikbare bodemonderzoeken Adres Type onderzoek Auteur en kenmerk (indien vermeld) Essenseweg 11 Historisch Regionale onderzoek milieudienst West Brabant Oriënterend Afvalwaterservice bodemonderzoek -Den Bosch Verkennend Regionale bodemonderzoek milieudienst West Brabant Essenseweg 15 Bodemsanering Grontmij bedrijven (BSB)
Nader onderzoek Essenseweg 19
BOOT
Verkennend bodemonderzoek
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
Moerdijk Bodemsanering BV Dijkmans Steenk. Grooth.
Wematech
Datum
Samenvatting resultaten
03-10-1995 02-10-1997
AA167400075/ NB167400032 (dossier niet digitaal beschikbaar) -
02-10-1997
-
02-04-1996
AA1674002250/ NB1674000054 (onjuiste dossiercode, informatie onbekend). Tanksanering, inhoud en product onbekend. Wijze van sanering onbekend. Datum 01-042003 -
18-04-2003 -
08-01-2010
AA167400850/ NB167400804 Tanksanering, inhoud en product onbekend. Wijze van sanering onbekend. Datum 01-042003 Zintuiglijk: bovenste meter tot zwak puinhoudend. Bovengrond: barium, lood, zink en PAK >AW Ondergrond: geen overschrijdingen Grondwater: Barium en molybdeen >S Bouwvergunning is destijds verleend
| 5 van 10
A G E L
adviseurs Nul-/eindsituatie bodemonderzoek
Rasenberg Milieutechniek
28-05-2010
Essenseweg 16
BOOT
Shell NV
31-12-1992
Essenseweg 3-7
Historisch onderzoek
Regionale milieudienst West Brabant NI42, RSD
03-10-1995 15-10-1997
Verkennend bodemonderzoek
Wematech
01-05-2001 NI26,RMD,RS D SBM1992
Nader bodemonderzoek
Wematech
RSD
Zintuiglijk: zwak tot sterk puinhoudend. Analytisch geen olie/aromaten aangetoond. Conclusie Wematech: de bekende verontreiniging ten westen van Essenseweg 3-9 hebben zich niet verspreid naar aangrenzende percelen.
Saneringsonderzoek
Moerdijk Bodemsanering
14-07-2003
AA167403045/ NB167404816 Geen digitaal rapport, wel conclusie: “Rapport is een deelsanering. Er is een verontreiniging aangetroffen die waarschijnlijk afkomstig is van vml. tanklocatie. Twee ondergrondse tanks zijn in 1997 afgevuld met zand conform BOOT. Waarschijnlijk is dit niet afdoende gebeurd. Grond: Restverontreiniging van minerale olie boven interventiewaarde aanwezig aan straatzijde. Grondwater: geen verontreiniging aangetroffen van de onderzochte parameters. Conclusie: Sterke restverontreiniging met minerale olie aanwezig. Het aanvulzand is met folie geïsoleerd van de omliggende verontreiniging. Opmerking: Door aangetroffen benzine verontreiniging loopt drinkwaterleiding, deze is doordrenkt met minerale olie. Het is aannemelijk dat er sprake is voor risico's voor de volksgezondheid.”
Essenseweg 9
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
ruimte infra bouw milieu
Ter plaats van de bovengrondse tank en de tankplaats is een lichte olieverontreiniging aangetoond. Bij de OBAS zijn in grond en grondwater geen verontreinigingen aangetoond. Deellocaties herstelwerkplaats en olieopslag zijn in 2009 onderzocht (resultaten onbekend). Opslag van grond en grind: zintuiglijk puin en baksteen waargenomen. Er is een sterke verontreiniging met koper aangetoond, welke gerelateerd wordt aan deze bijmengingen en heterogeen is van aard. Voormalig Shell tankstation, nu een woning. Bij de bouw is geen tank gevonden. AA167402745/ NB167403919 Vml. houtloods gebr. Nelemans. 6m3 benzine opslagtank met vul- en afleverpunt aan straatzijde. Mogelijk nog twee ondergrondse tanks aan achterzijde. Tanksanering KIWAcertificaat 1674200000085184 Bovengrondse HBO-tank: zintuiglijk is in de bovengrond puin aangetoond. Bovengrond: Over het terrein verspreid is lood en minerale olie > AW aangetoond Ondergrond: koper > AW. Grondwater: arseen >S.
| 6 van 10
A G E L
adviseurs Essenseweg 24
Verkennend bodemonderzoek
Rovytech
Retour gem. Roosendaal
ruimte infra bouw milieu
AA167403112/ NB167404814 Zintuiglijk: Puin aangetroffen (mate onbekend) Bovengrond: PAK > AW Ondergrond: Grondwater: chroom, zink > S
De volgende bodembedreigende activiteiten zijn vermeld; - Autohandel - HBO-tank (bovengronds) - Autoplaatwerkerij/ -spuiterij - Hoeden- en pettenfabriek - Autoreparatiebedrijf - KI-station (kunstmatige inseminatie) - Benzine-service-station - Opslag aromatische koolwaterstoffen - Brandstofopslag - Sloopbedrijf (boven- en ondergronds) - Stencilfabriek - Burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf - Stopverffabriek - Glastuinbouw - Transportbedrijf - GWW bedrijven - Wegfundering/wegverharding met - Grondwerken zinkassen De vermelde rapportages zijn opgevraagd bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant d.d. 28-08-2020. Door de opdrachtgever zijn de volgende bodemrapporten ter beschikking gesteld: 1. Inventariserend bodemonderzoek ‘Bedrijfsterrein Autobedrijf J.J. Bartelen te Nispen’, Grontmij Zuid BV. (geen kenmerk), 02 april 1996. a. Zintuiglijk puinresten en koolgruis aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat bij de voormalige brandstofpompen de grond licht tot matig verontreinigd is met olie en het grondwater licht met benzeen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse olietank achter de showroom is de grond matig verontreinigd met olie. De bovengrond rond de werkplaats is licht verontreinigd met lood, PAK en olie. 2. Historisch onderzoek Essenseweg 11-15 te Nispen, Afvalwater services, 9245/7002 NB/470/032 02 oktober 1997/ a.
10 maart 1949 is een Hinderwetgvergunning verleent aan ESSO, in 1956 is een aanvraag uitbreidingsvergunning afgewezen. 22 november 1984 is aan de garage Bartelen toestemming gegeven voor het wijzigen en herbouwen van de garagewerkplaats. In 1988 zijn de twee ondergrondse tanks verwijderd waarna nieuwe (bovengrondse tanks zijn geplaatst. 3. Nader bodemonderzoek Essenseweg 15 te Nispen, Moerdijk Bodemsanering BV, 369.01.031.rl 18 april 2003. a. Betreft nader bodemonderzoek naar de in 1996 aangetoonde (matige) verontreiniging. Op het voorterrein is een sterk verhoogd gehalte minerale olie aangetoond, maar geen aromaten. Het verontreinigde traject is van ca. 0,5-2,0 aangetroffen. Onder de betonvloer van de werkplaats heeft geen onderzoek plaatsgevonden. De omvang in de grond is geraamd op 75 m2, 50 m3 waarvan 15 m3 sterk verontreinigde grond. 4. Evaluatieverslag grondsanering Essenseweg 15 te Nispen, Moerdijk Bodemsanering, 369.01.032.el, 29 september 2003. a. Van de locatie is 24,66 ton verontreinigde grond afgevoerd. In de verificatiemonsters (tevens langs de bebouwing) zijn geen verhoogde gehalten olie en/of aromaten aangetoond. Asbest Tijdens voorgaand bodemonderzoek zijn bijmengingen puin, baksteen en kolengruis waargenomen. De herkomst van het puin is niet bekend. Er is tijdens het voorgaand onderzoek geen aandacht besteed aan het voorkomen van asbest op de locatie.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 7 van 10
A G E L
adviseurs 2.7
ruimte infra bouw milieu
Toekomstig gebruik De opdrachtgever is voornemens de locatie te ontmantelen en er een woning te laten bouwen.
2.8
Bodemopbouw en geohydrologie Het maaiveld bevindt zich op ongeveer 12,7 m+NAP. Van de locatie is de volgende regionale bodemopbouw bekend. Tabel 2.4: Bodemopbouw en geohydrologie Diepte (m -mv) Formatie 0,0-6,8 Formatie van Boxtel 6,8-9,8 Formatie van Waalre 9,8->50 (max.) Formatie van Peize en Waalre
Samenstelling Zand Klei Zand
Geohydrologische eenheid Deklaag Scheidende laag Watervoerende laag
Voor zover bekend op basis van de beschikbare gegevens zijn mogelijk zinkassen toegepast in de wegfundering. De freatische grondwaterstroming is niet bekend. Opgemerkt wordt dat de freatische grondwaterstromingsrichting lokaal kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van oppervlaktewater, kabels en leidingen, cunetten, funderingen en dergelijke. De regionale grondwaterstromingsrichting van het eerste watervoerende pakket is overwegend noordelijk. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De locatie is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Op basis van de beschikbare informatie is niet bekend of het grondwatersysteem is beïnvloed door menselijk handelen als bemalingen en onttrekkingen. 2.9
Conclusie vooronderzoek en hypothese(n) Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn in onderstaande tabel de antwoorden op de onderzoeksvragen geformuleerd. Tabel 2.5: Beantwoording onderzoeksvragen Onderzoeksvraag Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Wat is de bodemopbouw en geohydrologie? Is er binnen de onderzoekslocatie sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Wat is de kwaliteitsklasse op basis van de bodemkwaliteitskaart? Zijn binnen de onderzoekslocatie potentiele bronnen van bodemverontreiniging aanwezig? Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Wordt op de onderzoekslocatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging verwacht? Is de bodem asbestverdacht?
Antwoord Perceelsgewijze afbakening Zand met mogelijk antropogene lagen (zinkassen) AW2000 Autobedrijf met werkplaats, opslag en voormalige brandstoftanks en afleverzuilen Boomkwekerij, Glastuinbouw, brandstofopslag en grondverwerkingsbedrijf. Bekende verontreinigingen zijn gesaneerd. Mogelijk onder funderende lagen.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet afdoende bekend is. Er zijn geen actuele gegevens over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (incl. asbest) bekend. Er dient een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. De onderzoekslocatie wordt aangemerkt als een, voor bodemverontreiniging, verdachte locatie. Op basis van de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kunnen plaatselijk licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en 20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 8 van 10
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
olieproducten worden verwacht in de grond. Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5740, strategie voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL). Naast de parameters uit het standaard analysepakket conform de NEN 5740 worden de grondmonsters aanvullend onderzocht op OCB’s, antimoon, arseen en chroom, vanwege de verdachte activiteiten in de directe omgeving. De onderzoekslocatie wordt als verdacht aangemerkt ten aanzien van het voorkomen van asbest in de bodem.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 9 van 10
A G E L
adviseurs 3
ruimte infra bouw milieu
Conclusies en aanbevelingen Op basis van de resultaten van het uitgevoerde milieuhygiënisch vooronderzoek wordt geconcludeerd:
De bovengrond is verdacht op asbest, OCB’s, PAK’s, zware metalen en olieproducten.
De ondergrond is verdacht op olieproducten en zware metalen.
Het grondwater is verdacht op olieproducten, oplosmiddelen en zware metalen.
Middels het milieuhygiënisch vooronderzoek is de vermoedelijke milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld. De resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek geven aanleiding tot het verrichten van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en NEN5707.
Aanbevelingen en opmerkingen Aanbevolen wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren om de verdachte (deel)locaties en mogelijke (rest)verontreinigingen in beeld te brengen. Het verkennend bodemonderzoek is er niet op gericht om de aard en omvang van verontreinigingen in beeld te brengen. Indien er in de voorgestelde fase verontreinigingen worden aangetoond, kan het noodzakelijk zijn deze nader te onderzoeken volgens de NTA 5755. De verdenking op niet-gedefinieerde funderingsmaterialen en de resultaten van de asbestinventarisatie geven aanleiding tot het verrichten van een onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707. Dit kan gelijktijdig met de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 10 van 10
A G E L
adviseurs 4
ruimte infra bouw milieu
Normering en betrouwbaarheid De volgende documenten hangen samen met het verrichte bodemonderzoek: NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (oktober 2017); Het uitgevoerde bodemonderzoek is gebaseerd op de thans beschikbare informatie. Ondanks het streven naar een zo groot mogelijke representativiteit en reproduceerbaarheid van het onderzoek kunnen ten gevolge van onvolledige informatie buiten de schuld van AGEL adviseurs onvolledigheden in de verkregen resultaten voorkomen. Er dient tevens op te worden gewezen dat het onderzoek een momentopname is. Na uitvoering van het onderzoek kunnen de grond- en grondwaterkwaliteit worden beïnvloed door bijvoorbeeld grondverzetwerkzaamheden zoals de aanvoer van grond van elders, opslag van milieubelastende producten, calamiteiten of verspreiding van verontreiniging vanaf nabij gelegen terreinen. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden bij het gebruik van dit rapport. AGEL adviseurs acht zich niet aansprakelijk voor de schade die hieruit voortvloeit. AGEL adviseurs heeft op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en/of de onderzoekslocatie waarop het onderzoek betrekking heeft.
AGEL adviseurs heeft als onderzoeksbureau vastgelegd in haar kwaliteitszorgsysteem dat de (mogelijke) beïnvloeding van werknemers door derden te allen tijde dient te worden vastgelegd en vermeld. Mocht hiervan sprake zijn en heeft dit invloed op de onderzoeksstrategie dan wordt dit in de verslaglegging en rapportage vermeld. AGEL adviseurs garandeert hiermee dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd.
20200379 | Essenseweg 15 te Nispen Milieuhygiënisch vooronderzoek
| 11 van 10
A G E L
adviseurs Bijlage 1
Locatiekaart en kadastrale informatie
ruimte infra bouw milieu
Locatiekaart luchtfoto Roosendaal en Nispen F 3056
N schaal 1: 500 0
4
8
12m
20200379 Auteur: ageladviseurs - Datum: 28-08-2020 - Aan deze kaart kunnen geen rechten worden ontleend.
Kadastrale kaart
Uw referentie: 20200379 fase 05.0
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 500
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Roosendaal en Nispen F 3056
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 28 augustus 2020 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
BETREFT
Roosendaal en Nispen F 3056 UW REFERENTIE
20200379 fase 05.0 GELEVERD OP
PRODUCTIEORDERNUMMER
28-08-2020 - 09:55
S11072797760
VOLLEDIG GESIGNALEERD T/M
VOLLEDIG BIJGEWERKT T/M
27-08-2020 - 14:59
27-08-2020 - 14:59
BLAD
1 van 1
Eigendomsinformatie ALGEMEEN Kadastrale aanduiding Roosendaal en Nispen F 3056 Kadastrale objectidentificatie : 009150305670000
Locatie Essenseweg 15
4709 BK Nispen Locatiegegevens zijn ontleend aan de Basisregistratie Adressen en Gebouwen
Kadastrale grootte 499 m² Grens en grootte Vastgesteld Coördinaten 90702 - 388417 Omschrijving Berging - stalling (garage-schuur)
AANTEKENINGEN Publiekrechtelijke beperking Er zijn geen beperkingen bekend in de Basisregistratie Kadaster. Basisregistratie Kadaster
RECHTEN 1 Eigendom (recht van) Afkomstig uit stuk Hyp4 8470/30 Breda
Ingeschreven op 30-09-1991
Naam gerechtigde De heer Jacobus Juliette Bartelen Adres Essenseweg 11
4709 BK NISPEN Geboren 08-04-1960
te ROOSENDAAL EN
NISPEN Geboorteland Nederland Persoonsgegevens zijn ontleend aan de Basisregistratie Personen
Burgerlijke staat Zie akte(n)
Voor een eensluidend uittreksel, de bewaarder van het kadaster en de openbare registers. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt ten aanzien van de kadastrale gegevens zich het recht voor als bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 6 lid 3 van de Databankenwet. Heeft u nog vragen? Neem contact op met de klantenservice.
9a 11
Aflever zuilen vml. ta nks (o g)
Werkplaats
15 24
Showroom
Parkeerterrein Showroom
LEGENDA Bovengrondse tank
or o t
n a K
Vulpunt
Olietank (bg.)
Chemi cal opslag iën plaats
Luchtpunt
Buisdiameters in millimeters tenzij anders aangegeven.
n
g a M
ij z a
Ondergrondse tank
Septic tank
17
project
26
opdrachtgever onderdeel
VOORMALIGE INDELING ESSENSEWEG 15 TE NISPEN Fam. Bartelen Situatietekening
status werknr.
0m
SCHAAL 1:200
5m
10m
A3 schaal 1:200 getekend door Mevr. M.A. Beljaars-Martens gecontroleerd door Dhr. M. Westerman formaat
bladnr.
D.01 20200379 Bijlage 2
par.
datum
par.
doc. type
19-10-2020 Tekening
postbus 4156 4900 cd oosterhout hoevestein 20b 4903 sc oosterhout 0162 - 45 64 81 www.ageladviseurs.nl
bestandsnaam: \\agel.local\projecten\20200379-00 Essenseweg 15 te Nispen\3 tekeningen\3 terrein\20200379_00X_40UO_001_HO_TEK.dwg
Voorterrein
Hoogtematen Maten in meters in meters tenzij anders ten opzichte aangegeven. van N.A.P.
22
Essen seweg
18
A G E L
adviseurs Bijlage 2
Toelichting en achtergrond toetsingskader
ruimte infra bouw milieu
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
In deze bijlage wordt een toelichting gegeven op het toetsingskader dat gehanteerd wordt bij de beoordeling van de resultaten van uitgevoerd bodemonderzoek. Toetsingskader grond en grondwater In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 zijn interventiewaarden vastgelegd voor grond en streefwaarden en interventiewaarden voor grondwater. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling. De monsters zijn getoetst middels BoToVa, waarbij gebruik is gemaakt van de toetsingskaders T12 (Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb) en T13 (Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb). BoToVa corrigeert het ‘gemeten’ gehalte op basis van het lutum- en organische stof gehalte naar standaard bodem met 10% organische stof en 25% lutum. De gehalten worden vervolgens getoetst aan de normwaarden zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling. Bij de toetsing van de analyseresultaten worden drie toetsingsniveaus gebruikt:
1.
Achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater):
2.
Tussenwaarden:
Voor de achtergrondwaarden gelden de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater. Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen ondiep (< 10 m) en diep (> 10 m) grondwater. De tussenwaarde is in beginsel het concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek behoort te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat. Voor grondwater is dit het gemiddelde van streef -en interventiewaarde en voor grond het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden.
3.
Interventiewaarden:
De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging.
Bij de bespreking van de resultaten wordt de volgende gradatie aangehouden: Niet verontreinigd c.q. geen verhoogde gehalten: De gehalten aan verontreinigde stoffen in de grond liggen beneden de landelijke achtergrondwaarden danwel de concentraties aan verontreinigde stoffen in het grondwater liggen beneden de streefwaarden; Licht verontreinigd c.q. licht verhoogde gehalten: De gehalten aan verontreinigde stoffen liggen boven de landelijke achtergrondwaarden (of voor grondwater streefwaarden), maar beneden de tussenwaarden; Matig verontreinigd c.q. matig verhoogde gehalten: De gehalten aan verontreinigde stoffen liggen boven de tussenwaarden, maar zijn kleiner dan de interventiewaarden; Sterk verontreinigd c.q. sterk verhoogde gehalten: De gehalten aan verontreinigde stoffen liggen boven de interventiewaarden.
Toetsing rapportagegrenzen
De normen waaraan getoetst wordt kunnen lager zijn dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze waarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Bij een resultaat ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde normen. Indien het laboratorium een waarde ‘< een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (dit is hoger dan de vereiste rapportagegrens AS3000 dan dient de desbetreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normen. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de van toepassing zijnde norm worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000. Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ vermenigvuldigd met 0,7.
Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, baggerspecie, bodem of bodem onder oppervlaktewater voldoet aan de van toepassing zijnde normen uit de Regeling bodemkwaliteit. Indien een of meer individuele componenten het resultaat hebben ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’, of er een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normen uit de Regeling bodemkwaliteit. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens AS3000.
Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging
Voor een aantal, niet bij regulier bodemonderzoek gangbare stoffen, zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging vastgesteld. Een interventiewaarde ontbreekt. De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan de status van de interventiewaarde en derhalve hier buiten beschouwing gelaten.
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Geval van ernstige verontreiniging
Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en er toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Als de bodem op een locatie is verontreinigd, maar het betreft geen geval van ernstige verontreiniging, hoeft niet te worden bepaald of er met spoed dient te worden gesaneerd. Verbeteren van de bodemkwaliteit kan niet worden voorgeschreven op grond van de regels voor bodemsanering. Als een gemeente een gebiedskwaliteit heeft vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit, dan kan de gemeente wel bevorderen dat bij bijvoorbeeld bouwactiviteiten de gebiedskwaliteit als uitgangspunt geldt. Als er grond moet worden toegepast kan dat ook verplicht worden gesteld. Het is echter niet zo dat bij niet ernstig verontreinigde grond een verplichting kan worden opgelegd op grond van de bodemregelgeving om de bodem schoner te maken.
Saneringscriterium
Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Het saneringscriterium dient om vast te stellen of sanering van een geval van ernstige bodemverontreiniging met spoed dient te worden uitgevoerd. Wanneer sprake is van spoed, is het nemen van maatregelen verplicht. De werkwijze van het saneringscriterium geldt voor: Een geval van ernstige verontreiniging; Een historische verontreiniging. Voor verontreinigingen die sinds 1987 zijn ontstaan is artikel 13 van de Wbb (zorgplicht) van toepassing; Huidige en voorgenomen gebruik; Grond en grondwater; Alle stoffen waarvoor een interventiewaarde is afgeleid, met uitzondering van asbest. Daar asbest heel specifieke chemische en fysische eigenschappen heeft, is voor asbest separaat het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium, protocol asbest’ ontwikkeld. Wanneer sanering niet met spoed hoeft plaats te vinden kan voor de aanpak van de verontreiniging worden aangesloten bij maatschappelijk gewenste ontwikkelingen. Deze saneringen vinden plaats op initiatief van de eigenaar of andere belanghebbende met het oog op gewenst gebruik van de bodem. Uiteindelijk moet het resultaat van de sanering zijn dat de locatie geschikt is voor het (toekomstig) gebruik.
Het saneringscriterium is een instrument voor het bevoegd gezag waarmee zij een (schuldig) eigenaar kan verplichten tot saneren binnen een gestelde termijn. Risico’s hebben een directe relatie met het gebruik van de bodem en daarmee met de functie. Als er aan het gebruik binnen de aanwezige of toekomstige functie onaanvaardbare risico’s zijn verbonden staat voorop dat maatregelen zo snel mogelijk moeten worden genomen. De risico’s die aanleiding kunnen zijn om met spoed te saneren worden verdeeld in: a) risico’s voor de mens, b) risico’s voor het ecosysteem en c) risico’s van verspreiding van verontreiniging. ad a) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s voor de mens indien bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie een situatie bestaat waarbij: Chronische negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden; Acute negatieve gezondheidseffecten kunnen optreden. Indien de aanwezigheid van bodemverontreiniging bij het huidig gebruik leidt tot aantoonbare hinder voor de mens (door o.a. huidirritatie en stank) dient eveneens met spoed te worden gesaneerd.
ad b) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s voor het ecosysteem indien bij het huidige of voorgenomen gebruik van de locatie: De biodiversiteit kan worden aangetast (bescherming van soorten); Kringloopfuncties kunnen worden verstoord (bescherming van processen); Bio-accumulatie en doorvergiftiging kan plaatsvinden. ad c) Er is sprake van onaanvaardbare risico’s van verspreiding van verontreiniging indien: Het gebruik van de bodem door mens of ecosysteem wordt bedreigd door de verspreiding van verontreiniging in het grondwater waardoor kwetsbare objecten hinder ondervinden; Er sprake is van een onbeheersbare situatie, dat wil zeggen indien: 1. Er een drijflaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; 2. Er een zaklaag aanwezig is die door activiteiten en processen in de bodem kan verplaatsen en van waaruit verspreiding van verontreiniging kan plaatsvinden; 3. De verspreiding heeft geleid tot een grote grondwaterverontreiniging en de verspreiding nog steeds plaatsvindt.
Zorgplicht artikel 13 Wet bodembescherming
Voor bodemverontreiniging veroorzaakt vanaf 1 januari 1987 geldt de zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming). Voor deze gevallen geldt dat degene die de in artikel 13 beschreven handelingen heeft verricht alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. Dat wil zeggen: zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk de gevolgen beperken of ongedaan maken, ongeacht de aangetroffen gehalten en de risico’s van de verontreinigde stoffen. De bepaling ernst van de verontreiniging en spoed van de sanering spelen hier geen rol.
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Toetsingskader asbest In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit is de interventiewaarde voor asbest in grond en waterbodem opgenomen. Hierin staat beschreven dat de interventiewaarde voor asbest in (water)bodem 100 mg/kg ds betreft (serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). De restconcentratienorm voor toepassing en het hergebruik van alle asbest bevattende materialen (inclusief grond, baggerspecie en puingranulaat) is vastgesteld op 100 mg/kg (gewogen). Het resultaat van het verkennend onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707 is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Hierbij worden twee toetsingsniveaus gebruikt: 1. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. Dit zijn de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater.
Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen ondiep (< 10 m) en diep (> 10 m) grondwater; 2. De tussenwaarde is in beginsel het concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek behoort te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat. Voor grondwater is dit het gemiddelde van streef -en interventiewaarde en voor grond het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden. 3. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging.
Geval van ernstige verontreiniging en saneringscriterium
In het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’, dat is opgenomen als bijlage 3 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, is geregeld wanneer er voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing. Op basis van het protocol asbest dient bij ernstige verontreiniging te worden bepaald of er sprake is van onaanvaardbare risico’s ten gevolge van de bodemverontreiniging met asbest. Voor het toepassen van het ‘protocol asbest’ gelden de volgende uitgangspunten: Het protocol heeft alleen betrekking op (water)bodem, grond en baggerspecie; Het protocol is alleen van toepassing indien er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool).
Opgemerkt wordt dat bij asbest in (water)bodem, grond en baggerspecie alleen over ‘verontreiniging’ wordt gesproken als de interventiewaarde wordt overschreden; Het protocol is alleen van toepassing op historische asbest verontreinigingen (die zijn voor 1993 ontstaan) in (water)bodem, grond en baggerspecie die niet op basis van de zorgplicht dienen te worden gesaneerd1; Het protocol heeft betrekking op de huidige en toekomstige situatie. Op materialen met een lagere asbestconcentratie (100 mg/kg gewogen) worden de voorschriften van het Arbeidsomstandigheden Besluit en Asbestverwijderingsbesluit geacht niet van toepassing te zijn.
1
Nieuwe gevallen van bodemverontreiniging met asbest, die zijn ontstaan vanaf 1993, dienen (ongeacht het asbest gehalte) voor zover redelijkerwijs mogelijk is, volledig te worden verwijderd. Volledig verwijderen betekent in het geval van asbest dat de verontreiniging tot de nul-waarde (detectiegrens) dient te worden verwijderd.
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Schema Wettelijk kader en bevoegd gezag Voor asbest in/op bodem, grond of puin(granulaat), inclusief verhardingen
Asbest in/op bodem, grond of puin(granulaat): Welk wettelijk kader?
1. Stort asbesthoudende afvalstoffen buiten een inrichting (incl. wegen) ?
ja
Wet milieubeheer 10.2 / gemeente of provincie
nee
2. Asbesthoudende weg, erfverharding
ja
Besluit Asbestwegen / Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
(> 100 mg/kg gewogen asbest)? nee
3. Asbesthoudende ondergrondse (bouw)werken?
ja
Asbestverwijderingsbesluit / gemeente
nee
4. Toepassen van asbesthoudende grond / puin(granulaat) in een werk (zijnde een bouwstof)?
ja
Productenbesluit asbest / Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
ja
Productenbesluit asbest / Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
nee
5. Handeling met een asbesthoudende product?
nee
6. Handeling met een asbesthoudende afvalstroom?
ja
Wet milieubeheer (afval) / Provincie
nee
7. Asbest verontreinigde bodem
ja
Wet bodembescherming / provincie, gemeente of waterkwaliteitsbeheerder
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling bevat het wettelijk kader voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater.
Definitie grond en bagger
Het Besluit hanteert voor grond en baggerspecie de volgende definities: Grond is vast materiaal en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie; Baggerspecie is materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Bodemvreemd materiaal
Het Besluit stelt aanvullend dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om bijmengingen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie nadat het materiaal is afgegraven.
Toetsingskaders
Het generieke kader is van toepassing op elk gebied waarvoor geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Uitgangspunt van het generieke kader voor landbodems is dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet aansluiten bij de functie die de bodem heeft. Ook mag de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Naast de toetsingskaders voor gebiedsspecifiek en generiek beleid, kent het Besluit nog een andere categorie van toepassingen: grootschalige toepassingen. Bij deze categorieën hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Wél moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en randvoorwaarden die het Besluit stelt aan deze toepassingen. Tabel: Toetsingskaders grond en bagger Toepassingsmogelijkheden grond en baggerspecie Generiek of gebied specifiek beleid Alleen generiek beleid
Toepassen grond en baggerspecie
Verspreiden baggerspecie
Op de landbodem In oppervlaktewater In grootschalige toepassing
In oppervlaktewater Over aangrenzend perceel
Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. Uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie is dat de toegepaste grond en baggerspecie onderdeel gaat uitmaken van de ontvangende bodem, zonder dat extra maatregelen zoals afscheidingslagen of maatregelen in het kader van isoleren, beheersen en controleren (IBC) worden toegepast.
Bodemfuncties en bodemfunctieklassen
In die gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn zowel maximale waarden voor bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor bodemkwaliteitsklassen vastgelegd.
Klassenindeling voor bodemfuncties en bodemkwaliteit
Om te toetsen of de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie aansluit bij de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt in het generieke kader gewerkt met een klassenindeling voor de kwaliteit en functie. Uitgangspunt van het Besluit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven zijn voor 7 bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld. Deze functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid. Voor toepassing in het generieke kader zijn de functies samengevoegd tot 2 bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat wil zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden. Tabel: Bodemfuncties Gebiedspecifiek Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Moestuinen/volkstuinen Landbouw Natuur
Generiek beleid Wonen Industrie Kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Naast de bodemfuncties, wordt de bodemkwaliteit ook ingedeeld in de klassen wonen en industrie. De bodemkwaliteit geeft hiermee een maat voor de kwaliteit van zowel de ontvangende als de toe te passen bodem en toe te passen baggerspecie. Aan de bodemkwaliteitsklassen zijn nieuwe normen gekoppeld: de Maximale waarden voor de klasse wonen en de Maximale waarden voor de klasse industrie. Wanneer de maximale waarde voor industrie wordt overschreden, mag deze grond of baggerspecie binnen het generieke kader niet worden toegepast. Om een partij grond of baggerspecie toe te mogen passen, moet de partij worden getoetst aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Bij deze dubbele toetsing geldt dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. In onderstaand schema is de toepassingseis voor de toe te passen grond of baggerspecie gegeven. Tabel: Bepaling toepassingseis voor een partij grond of baggerspecie Functie op kaart Actuele bodemkwaliteit Wonen
Industrie
Niet ingedeeld (bijv. landbouw/natuur
Toepassingseis
Achtergrondwaarde Wonen industrie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Achtergrondwaarde Wonen industrie
Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde wonen Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde Industrie Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde
Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse wonen en de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Deze Generieke Maximale Waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen lokale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Als randvoorwaarde voor het opstellen van gebiedsspecifiek beleid geldt dat sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. De ruimte voor de Lokale Maximale Waarden ligt tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. Wanneer de Lokale Maximale Waarden een verruiming van de normen ten opzicht van het generieke kader zijn, moet getoetst worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de gevolgen van de gekozen Lokale Maximale Waarden is een Risicotoolbox ontwikkeld. In de onderstaande figuren is de normstelling schematisch weergegeven. Figuur: Normstelling en toepassingskader landbodem Achtergrond waarden
Generiek Gebieds specifiek
Maximale waarden klasse wonen
Klasse wonen
Altijd toepasbaar
Maximale waarden klasse industrie
Klasse industrie
Ruimte voor lokale maximale waarden Achtergrond waarden
Interventiewaarden droge bodem
Figuur: Normstelling en toepassingskader waterbodem Generiek Gebieds specifiek
Niet toepasbaar
Achtergrond waarden
Vrij toepasbaar
Maximale waarden klasse A
Toepasbaar klasse A
Maximale waarden klasse B
Toepasbaar klasse B
Nooit toepasbaar
Nooit toepasbaar Sanerings criterium
Nooit toepasbaar
Ruimte voor lokale maximale waarden Achtergrond waarden
Interventiewaarden waterbodem
Sanerings criterium
Voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel is een criterium ontwikkeld dat gebaseerd is op ecologische risico’s. De risico’s worden uitgedrukt met de parameter msPAF (meer-soorten Potentieel Aangetaste Fractie). De msPAF geeft een indicatie van het deel van de potentieel aanwezige organismen dat nadelige gevolgen kan ondervinden van het aanwezige mengsel van verontreinigingen. Op basis van het beleidscriterium dat de verspreidbare hoeveelheid bagger minimaal gelijk moet blijven is de norm gesteld op msPAFmetalen < 50%, en msPAForganisch < 20%. Daarnaast zijn 5 stoffen individueel genormeerd. Voor overige stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF geldt de achtergrondwaarde. Figuur: Verspreiden baggerspecie Vrij verspreidbaar Achtergrondwaarde
Ontvangstplicht
Verspreidbaar op aangrenzend perceel msPAF metalen < 50% ms PAF organisch < 20% 5 stoffen individueel genormeerd Alle stoffen < interventiewaarde bodem
Niet verspreidbaar op aangrenzend perceel
A G E L
adviseurs
ruimte infra bouw milieu
Op maandag 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een 'Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' aangeboden aan de Tweede Kamer. Het handelingskader is gericht op het aantreffen van de stoffen PFOA (Perfluoroctaanzuur), PFOS (Perfluoroctaansulfonaat) en GenX (HFPO-DA). Op basis van de stukken blijkt dat de bovengrond en geroerde bodems in heel Nederland verdacht zijn op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Hierdoor geldt per direct dat onderzoek op PFAS verplicht is, tenzij kan worden aangetoond dat de grond of baggerspecie onverdacht is. Nadien zijn er diverse aanvullingen op de handelingskader geweest waarna de onderstaande toepassingsnormentabel voor het landelijke beleid is vastgesteld (versie van 1 juli 2020). Tabel: Toepassingsnormen PFAS Toepassingssituatie
Toepassingswaarde (μg/kg d.s.) (6) (7)
Op de landbodem Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau(1) Bodemkwaliteitsklasse Bodemfunctieklasse Wonen of industrie Wonen of industrie Landbouw/natuur
Wonen of industrie
Landbouw/natuur, wonen of Landbouw/natuur industrie Baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau(1), als bedoeld in artikel 35, onder f, BBK (verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel of weilanddepot) Grond en baggerspecie grootschalig toepassen boven grondwaterniveau(1) Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden Grond en baggerspecie toepassen onder grondwaterniveau(2), met inbegrip van grootschalige toepassing
PFOA = 7 PFAS = 3 PFAS = 1,4 PFOA = 1,9 PFAS = 1,4 PFOA = 1,9 PFOA = 7 PFAS = 3 PFOA = 7 PFAS = 3 Bepalingsgrens = 0,1 PFAS = 0,8 PFOS = 0,9
In oppervlaktewater Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sedimentdelende) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in artikel 35, onder g, BBK (verspreiden van baggerspecie in zoet of zout oppervlaktewater) Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas, als bedoeld in artikel 35, onder d, BBK Het toepassen in een ander oppervlaktewaterlichaam uitgezonderd de diepe plas3: Verspreiden van baggerspecie (bij niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen) en Het toepassen van baggerspecie en grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies. Toepassen in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater(4)
Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters Grond en baggerspecie: Rijkswater: PFAS = 0,8 PFOS = 3,7 Anders: PFAS = 0,8 PFOS = 1,1
Grond en bagger: PFAS = 0,8 PFOS = 3,7 Toepassen in vrijliggende diepe plassen en niet-vrijliggende plassen aan Grond en baggerspecie niet-rijkswater(4)(5) PFAS = 0,8 PFOS = 1,1 1) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast; 2) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast; 3) De kwaliteit van grond of baggerspecie die wordt toegepast moet vergelijkbaar of schoner zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem; 4) Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen; 5) Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal het waterschap een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld.