6b - 20240325 OMWB MER-beoordelingsbesluit.pdf
Tekst van het document
Besluit mer-beoordeling
Cloetta Holland B.V. De Meeten 2 (Rucphensebaan/Spectrum) Roosendaal Gelet op de inhoudelijke overwegingen, de bepalingen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage besluiten wij dat Cloetta Holland B.V. voor de aanvraag omgevingsvergunning voor de oprichting van een snoepwaren fabriek geen milieueffectrapportage (hierna MER) hoeft op te stellen.
Zaaknummer:Z202400006617 Uw kenmerk:
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, Namens dezen,
Onderwerp: MER beoordelingsbesluit
Ons kenmerk:D202400048584
D. Wijngaard Teammanager Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Behandeld door: B. Vrolijk 06-52 85 74 70
De digitale ondertekening van dit document is in ons registratiesysteem vastgelegd. De authenticiteit van de handtekening is daarmee digitaal geborgd. Als gevolg daarvan is dit document niet meer voorzien van een handtekening.
Datum: 25 March 2024 Bijlage(n): Kies een item.
Spoorlaan 181 5038 CB Tilburg Postbus 75 5000 AB Tilburg (013) 206 01 00 info@omwb.nl www.omwb.nl
1
INHOUDSOPGAVE
OVERWEGINGEN 1.
PROCEDURELE ASPECTEN 1.1. GEGEVENS AANVRAGER 1.2. PROJECTBESCHRIJVING 1.3. VERGUNNINGEN 1.4. WETTELIJKE GRONDSLAG
2.
TOETS 2.1. KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.2. LOCATIE VAN HET PROJECT 2.3. SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT
3.
MAATREGELEN
4.
CONCLUSIE
2
OVERWEGINGEN 1.
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1. Gegevens aanvrager Op 6 maart 2023 hebben wij van Cloetta Holland B.V. (hierna: Cloetta) een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht, als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid van de Wet milieubeheer (Wm), ontvangen. Het voorgenomen project wordt gerealiseerd binnen de inrichting, gelegen aan de Rucphensebaan/Spectrum te Roosendaal.
1.2. Projectbeschrijving In het voorjaar van 2023 heeft de initiatiefnemer (Cloetta) een aanmeldingsnotitie ingezonden voor de oprichting van een snoepgoed (suikerwaren) fabriek. Daarop heeft ons college op 5 april 2023 een besluit genomen, inhoudende dat er voorafgaande aan de aanvraag omgevingsvergunning (OBM) geen MER opgesteld hoefde te worden. Daarna heeft de initiatiefnemer de plannen beperkt gewijzigd en een aanvulling op de aanmeldingsnotitie ingestuurd in de vorm van een aangepaste aanmeldingsnotitie met bijlagen. Belangrijkste aanpassingen zijn het aanvullen van de overgelegde stukken met een geuronderzoek en het vervangen van de gasgestookte verwarmingsinstallaties door elektrische. De gewijzigde aanmelding voor de m.e.r.-beoordeling bestaat uit de volgende documenten: Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, rapportnummer F 22572-5-RA-003 d.d. 23 november 2023, Adviesbureau Peutz, met bijlagen: o Inrichtingstekening, projectnr. 4039, tekeningnr.G-24DW310, datum 12 april 2023; o Akoestisch onderzoek, rapportnr. F 22572-14-RA, datum 20 september 2023; o Luchtkwaliteitsonderzoek, rapportnr. F 22572-15-RA, datum 20 september 2023; o Stikstofdepositie onderzoek, rapportnr. F 22572-7-RA-008, datum 5 oktober 2023; o Quickscan flora en fauna, Projectnr. 20221446/NVER, datum 22 december 2022; o Geuronderzoek, rapportnummer FA 22572-3-RA-004, datum 15 november 2023. 1.3.
Vergunningen Voor het voorgenomen project is een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) nodig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
1.4. Wettelijke grondslag De milieueffectrapportage (hierna: MER) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wm. Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wm moet het bevoegd gezag bij voorgenomen activiteiten genoemd in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) besluiten of voor het project, gelet op de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project mogelijk heeft, een MER moet worden gemaakt. Het gaat om de gevolgen voor het milieu als bedoeld in artikel 7.1 van de Wm. Het initiatief heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D, 38.3, de oprichting van een installatie van een suikerwarenfabriek. Hierbij wordt de drempelwaarde van 15.000 ton per jaar overschreden.
3
2. TOETS Bij de motivering van het m.e.r-beoordelingsbesluit houdt het bevoegd gezag rekening met de relevante criteria uit bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. De criteria van bijlage III van de EU-richtlijn zijn:
de kenmerken van het project; de locatie van het project; soort en kenmerken van het potentiële effect.
Bij de aanmeldingsnotitie is een beschrijving (kenmerken en geplande maatregelen) gevoegd om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. Hiermee hebben we bij de toetsing rekening gehouden. Hieronder volgt onze afweging.
2.1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project is in het bijzonder in overweging genomen:
de omvang en het ontwerp van het project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
2.1.1.
Omvang en ontwerp van het project
Cloetta heeft momenteel diverse productielocaties in Nederland en België. Cloetta wil enkele activitieten samenvoegen op een nieuw te realiseren productielocatie op de Meeten 2 (Rucphensebaan/Spectrum) in Roosendaal. Cloetta produceert snoepgoed onder verschillende merknamen zoals Redband en Venco. De totale productiecapaciteit in de beoogde situatie bedraagt 50.000 ton snoepgoed (suikerwaren) per jaar. Het produceren van snoepgoed gebeurt middels een gietproces. Hiervoor wordt een deeg gemengd en gekookt. Dit deeg wordt in vormpjes, gestempeld in poeder, gegoten en vervolgens gedroogd en gekoeld. Nadat het snoep is gedroogd en gekoeld wordt het van het poeder gescheiden en wordt het snoepje voorzien van een glanslaagje of suikerlaagje. Vervolgens wordt het snoep verpakt en afgevoerd voor distributie. Daarnaast vinden er binnen de inrichting ondersteunende activiteiten plaats zoals kantoren, sanitaire ruimtes en opslag van ingrediënten, verpakkingsmateriaal en gereed product. Een gedeelte van de ingrediënten is ADR geclassificeerd en wordt beschouwd als gevaarlijke stof. Deze worden opgeslagen in PGS opslagvoorzieningen met een inhoud kleiner dan 10 ton. Tevens zal een ammoniakkoelinstallatie gebruik worden met maximaal 1450 kg koelmiddel.
4
2.1.2.
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit
In het productieproces voor het snoepgoed wordt gebruikgemaakt van grondstoffen zoals suiker, glucose, melk- en citroenzuur en daarnaast geur – en smaakstoffen. Er wordt in het productieproces ook gebruikgemaakt van leidingwater, ca. 80.000 m3 per jaar.
2.1.3.
Productie van afvalstoffen
Er ontstaan in het productieproces afvalstoffen. Daarbij is er sprake van gebruikelijke afvalstromen zoals papier en karton, kunststof, hout, restafval, KGA, huishoudelijk en kantoor afval. Deze stromen worden gescheiden opgeslagen en afgevoerd naar een erkend verwerker.
2.1.4.
Verontreiniging en hinder
Lucht De initiatiefnemer heeft bij de aanmeldnotitie ook een luchtkwaliteitsonderzoek overgelegd. Dit hebben wij beoordeeld en akkoord bevonden. Uit het onderzoek blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 ter hoogte van de toetspunten ten hoogste respectievelijk 13,6 en 16,5 μg/m 3 bedraagt (jaargemiddelde waarde). Dit is ruim lager dan de grenswaarde van 40 μg/m 3 zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. Ook blijkt uit deze tabellen dat aan het maximaal toegestane aantal overschrijdingen van de (24-) uurgemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 wordt voldaan. Voor wat betreft PM 2,5 kan worden geconcludeerd dat, gezien de concentratie PM 10, aan de grenswaarde wordt voldaan. PM2,5 is immers een fractie van PM10. Geur De initiatiefnemer heeft bij de aanmeldnotitie ook een geuronderzoek overgelegd. Dit hebben wij beoordeeld en akkoord bevonden. Uit de rapportage blijkt dat de geurbelasting bij omliggende woningen overal lager is dan de richt- en grenswaarden uit de 'Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant 2018'. Dit geldt zowel voor de geurbelasting 98-percentiel [ouE (H)/m 3], als voor de geurbelasting 99,9-percentiel [ouE (H)/m 3]. Hiermee is voldoende aangetoond dat het aspect geur niet zal leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor de omgeving. Daarnaast zijn vanuit de bestaande locatie aan de Spoorstraat te Roosendaal geen geurklachten bekend.
De dichtstbijzijnde woningen op de nieuwe locatie zijn verder weg gelegen (ca. 75 m.) dan aan de huidige locatie aan de Spoorstraat (ca. 20 m.). Bovendien worden mitigerende maatregelen getroffen om geurverspreiding naar de omgeving te verminderen, namelijk de procesruimten worden afgezogen en de lucht gefilterd met behulp van koolfilters met een geur reducerend vermogen van minimaal 80%. Bodem Binnen de inrichting worden potentieel bodembedreigende stoffen opgeslagen. Deze worden opgeslagen in daartoe bestemde voorzieningen zoals PGS 15 kasten of kluizen. Bij het exploiteren van een installatie voor het maken van suikerwaren moet worden voldaan aan de regels over bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in paragraaf 5.4.2 van het Bal. Daarmee is zeker gesteld dat vanuit deze inrichting geen nieuwe bodemverontreinigingen zullen ontstaan. Water Vanuit de inrichting wordt huishoudelijk afvalwater, niet verontreinigd hemelwater en procesafvalwater geloosd. Het procesafvalwater wordt zodanig behandeld dat voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 4.407 jo. 3.130 onder e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
5
Geluid De initiatiefnemer heeft bij de aanmeldnotitie ook een akoestisch onderzoek overgelegd. Met de rapportage van het akoestisch onderzoek kan worden ingestemd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidniveaus van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximaal geluidniveau en indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting toelaatbaar zijn voor de omgeving.
2.1.5.
Het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project
Er worden binnen de inrichting geen grote hoeveelheden gevaarlijke of brandbare stoffen opgeslagen. De inrichting is geen Bevi of BRZO (thans Seveso)-inrichting. De aanwezige gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in daartoe bestemde PGS voorzieningen. De inrichting is voorzien van de nodige brandblusmiddelen (sprinklerinstallatie). Bovendien is er sprake van volledige nieuwbouw die geheel volgens de laatste bouwtechnische richtlijnen zal worden uitgevoerd. De ammoniakkoelinstallatie valt onder paragraaf 4.33 van het Bal en moet daarmee voldoen aan de PGS 13. Daarmee is zekergesteld dat de installatie jaarlijks gekeurd wordt door een vakbekwaam persoon.
2.1.6.
Cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten
De belangrijkste milieueffecten vanuit deze inrichting zijn, zoals hiervoor uiteengezet, niet van dien aard dat deze, in combinatie met activiteiten in de directe omgeving, zullen leiden tot belangrijke nadelige milieueffecten.
2.1.7.
De risico’s voor de menselijke gezondheid
De diverse milieuaspecten voldoen ruimschoots aan de daarvoor geldende normen. Hiervoor verwijzen wij naar de voorgaande paragrafen. De milieueffecten zullen afzonderlijk of in combinatie, niet leiden tot risico’s voor de volksgezondheid.
2.1.8. Conclusie: kenmerken van het project Gezien de kenmerken van het project bestaat er geen aanleiding om te beoordelen dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen optreden.
2.2. Locatie van het project Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen:
het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken (o.a. Nationaal Natuurnetwerk); gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn, gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
6
2.2.1.
De plaats van de voorgenomen activiteit
De inrichting is gelegen op het bedrijventerrein Majoppeveld-Zuid en wordt omsloten door de Rucphensebaan aan de noordzijde, het Spectrum aan de oost- en zuidzijde en sloot aan de westzijde. Aan de noordzijde van de inrichting bevinden zich overige bedrijven op het bedrijventerrein Majoppeveld-Zuid, aan de westzijde betreft dit gemengd gebied en aan de oostzijde zijn de percelen agrarisch bestemd. Verspreid rond de inrichting bevinden zich enkele bedrijfswoningen. Aan de zuidzijde van de inrichting bevinden zich de woonwijken Kortendijk en de Landerije. De dichtstbij gelegen woning bevindt zich op circa 75 meter van de inrichting. Dit betreft een woning aan de Euklaasdijk in de woonwijk Kortendijk. Het vigerende bestemmingsplan is Majoppeveld_nr_2009. Dit bestemmingsplan is op 20 december 2007 vastgesteld door de raad van de gemeente Roosendaal, gedeeltelijk goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bij besluit van 8 augustus 2008 en onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 20 mei 2009. In voornoemd bestemmingsplan zijn op het perceel van Cloetta diverse bedrijventerreinbestemmingen van kracht.
De activiteiten van Cloetta vallen onder categorie 3.2 (suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: productieoppervlak > 200 m²) van de staat van bedrijfsactiviteiten en zijn dus al toegestaan op het deel van het perceel met de bestemming bedrijventerrein. Op het deel met de bestemming ‘Verkeer’ zijn deze activiteiten niet toegestaan. In het nieuwe bestemmingsplan ‘De Meeten 2’ is de bestemming van het betreffende perceel aangepast, waarbij uitsluitend de beoogde productielocatie van Cloetta conform de aangevraagde omgevingsvergunning (zaaknummer 2023001444) wordt toegestaan. Dit impliceert tevens, dat in tegenstelling tot het bestemmingsplan uit 2007, geen bedrijven in een hogere milieucategorie dan 3.2 zijn toegestaan. 2.2.2.
Beschermde gebieden
Natura 2000-gebieden en/of beschermde natuurmonumenten Op enige afstand van de geplande inrichting zijn enkele Natura2000 gebieden gelegen, waaronder de Brabantse Wal, het Ulvenhoutse Bos en enkele Vlaamse gebieden (Kalmthoutse Heide en Klein en Groot Schietveld). Bij de ingediende gegevens zijn Aerius stikstofdepositie berekeningen gevoegd. Deze zijn door ons gecontroleerd en akkoord bevonden. Hieruit blijkt dat de gewenste nieuwe inrichting, zowel in de bouw- als in de gebruiksfase, geen stikstofdepositie veroorzaakt op enig Natura2000 gebied, inclusief de Vlaamse gebieden. Daarbij is rekening gehouden met het uitgangspunt dat Cloetta geen gasgestookte installaties meer zal gebruiken voor de verwarming van het gebouw en/of bij hun productie activiteiten. Hiervoor zullen elektrische installaties gebruikt worden. Door Cloetta is eveneens een afzonderlijke aanvraag voor een Wnbvergunning ingediend. Op 22 november 2023 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een ontwerp-beschikking afgegeven voor het weigeren van deze vergunning, omdat er vanwege de aangevraagde activiteit geen stikstofdepositie op enig Natura2000 gebied veroorzaakt wordt. Het is daarom uitgesloten dat de aangevraagde activiteit, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.
Er is geen vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming in verband met Natura 2000-gebieden. Er is sprake van een zogenaamde positieve weigering. Nationaal Natuurnetwerk Er zijn in de directe omgeving van de locatie geen NNN-gebieden gelegen. Nadelige gevolgen voor deze gebieden zijn daarom uitgesloten. 7
2.2.3.
Beschermde soorten
De initiatiefnemer heeft bij de ingediende gegevens een Quickscan flora en fauna overgelegd. Wij hebben deze beoordeeld en akkoord bevonden. Uit de Quickscan blijkt dat verstoring van beschermde soorten niet aan de orde is. Voor vogels zijn tijdens het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen, wel wordt aanbevolen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dan wel het terrein en de bomen voor het broedseizoen ongeschikt te maken door vooraf alle bosschages te verwijderen, het grasveld kort te houden en de bomen drastisch te snoeien. Voor de start van werkzaamheden in het broedseizoen dient een ecoloog een broedvogelonderzoek uit te voeren. Er kan niet worden uitgesloten dat op de locatie een vliegroute voor vleermuizen aanwezig is. Daarom wordt aanbevolen te werken door middel van een ecologische werkprotocol: voorkom lichtoverlast bij de watergang door overdag te werken of het licht af te schermen. Met deze maatregelen wordt verstoring van beschermde soorten voorkomen. 2.2.4. Conclusie plaats van het project De locatie van het project leidt niet tot belangrijk nadelige milieugevolgen om reden waarvan een MER moet worden opgesteld.
2.3. Soort en kenmerken van het potentiële effect Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect wordt in samenhang met de in de paragrafen 2.1 en 2.2 uiteengezette criteria, het volgende in aanmerking genomen:
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); de aard van het effect; het grensoverschrijdend karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
2.3.1. Overwegingen De kenmerken van de belangrijkste (mogelijk) optredende nadelige gevolgen voor het milieu zijn in de paragrafen 2.1 en 2.2 aan de orde gesteld. Daaruit kan het volgende worden afgeleid: De aanmeldnotitie en bijbehorende stukken geven voldoende inzicht in de milieueffecten die vanuit deze inrichting te verwachten zijn. De omvang en het bereik van de effecten zijn helder. Er zijn geen grensoverschrijdende effecten te verwachten. Mogelijke hinder voor de omgeving is niet geheel uitgesloten, maar zeker aanvaardbaar. De te verwachten milieueffecten zullen niet leiden tot nadelige gevolgen voor de volksgezondheid. De effecten vanuit de inrichting zullen niet leiden tot aantasting van de beschermde natuur en/of soorten. 2.3.2. Conclusie soorten en kenmerken van het potentiële project Van potentiële aanzienlijke effecten is als gevolg van de voorgenomen activiteit geen sprake. Gelet hierop overwegen wij dat naar aanleiding van de soort en de kenmerken van het potentiële effect kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
8
3. MAATREGELEN Op grond van artikel 7.16 van de Wm is in de aanmeldingsnotitie en bijlagen een beschrijving gevoegd van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. Het betreft:
het toepassen van een ecologisch werkprotocol tijdens de bouw van de inrichting ter bescherming van vleermuizen en de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dan wel het terrein en de bomen voor het broedseizoen ongeschikt te maken door vooraf alle bosschages te verwijderen, het grasveld kort te houden en de bomen drastisch te snoeien. Voor de start van werkzaamheden in het broedseizoen dient een ecoloog een broedvogelonderzoek uit te voeren.
het toepassen van koolfilters met een geur verwijderingsrendement van minimaal 80% op de afzuiging van de productieruimten, candycleaners en zetmeeldrogers.
Wij hebben de kenmerken en maatregelen betrokken bij de toetsing of voor het project een MER moet worden gemaakt. Een beschrijving van de kenmerken en de verplichting tot het uitvoeren van de bedoelde maatregelen en het tijdstip waarop die maatregelen gerealiseerd moeten zijn, worden als voorschrift aan de vergunning verbonden.
4. CONCLUSIE De voorgenomen activiteit(en) van Cloetta Holland B.V. leiden niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die via een MER nader onderzocht moeten worden. De kenmerken van het project, de locatie van het project en de soort en kenmerken van het potentiële effect zijn voldoende inzichtelijk. Aan het m.e.r.beoordelingsplichtige besluit (OBM) worden op grond van artikel 7.20a Wm voorschriften verbonden.
9