5e - Bijlage Herelsestraat9395-Toelichting.pdf
Tekst van het document
5.8
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten PanEuropese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
28
Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. 2.
3.
Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in de Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlage van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke behandelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Door Faunaconsult is een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Natura 2000 De plannen zullen naar verwachting geen effect hebben op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Om elk risico uit te sluiten is de te verwachten stikstofdepositie berekend. In de navolgende paragraaf wordt hier nader op in gegaan.
Natuurnetwerk Brabant (NNB) De sloop van de huidige bebouwing en de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen hebben naar verwachting geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciaal natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Vleermuizen De twee-onder-een-kapwoningen bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Bij de uitvoering van de quickscan natuurwetgeving was er nog sprake van sloop-nieuwbouw ter plaatse, waarbij het voornemen tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven had kunnen leiden. Echter blijven de woningen, en daarmee de mogelijk aanwezige vleermuisverblijven, behouden. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
29
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde (A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemeen zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Stikstofdepositie Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. In ieder plan en project zal daarom moeten worden aangetoond dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden middels de AERIUS Calculator. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning.
De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor het planvoornemen is een berekening gemaakt met behulp van AERIUS Calculator (versie 2023.0.1). Deze berekening maakt inzichtelijk wat de stikstofdepositie is gedurende de aanleg- en gebruiksfase. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat gedurende de aanleg- en de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Het gebruik van werktuigen met minimaal stageklasse IV, waarbij AdBlue (6%) bij de diesel is toegevoegd bij werktuigen met een vermogen van 56 kW of groter, geldt als aanbestedingseis. Conclusie Het aspect ‘natuurwetgeving’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.9
Verkeer en parkeren
Heerle is in goed ontsloten door de ligging nabij de A58, die ten zuiden van de kern ligt. Via de Herelsestraat en de Bergsebaan is Heerle direct verbonden met op- en afrit 26 van de A58. Via deze rijksweg is Heerle verbonden met de regionale centra Roosendaal en Bergen op Zoom. In noordwestelijke richting is Heerle via de Moerstraatseweg verbonden met Steenbergen en in noordoostelijke richting via de Waterstraat met Wouw. De overige wegen in het buitengebied hebben een lokaal karakter en hebben een belangrijke functie voor de ontsluiting van het agrarisch gebied. Alle wegen in de kern Heerle zijn in verkeerskundige termen ‘erftoegangswegen binnen de bebouwde kom’. Dat wil zeggen dat hier een 30 km/uur regime geldt en dat gemotoriseerd- en fietsverkeer gebruik maakt van dezelfde rijbaan. Functioneel gezien is de Herelsestraat de ‘ruggengraat’ van het dorp omdat de meeste woonstraten hier op uitkomen en omdat langs deze weg de meeste functies gesitueerd zijn. Hierdoor heeft de Herelsestraat een relatief ‘zwaardere’ verkeersfunctie.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
30
Verkeer Het planvoornemen wordt ontsloten aan de Herelsestraat. Uitgangspunt is dat het planvoornemen niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie. Op basis van de CROW-publicatie kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. In de onderstaande tabel is de veranderende verkeersgeneratie weergegeven. Aangezien ten aanzien van de twee-onder-een-kapwoning de verkeersituatie niet wijzigt, zijn deze woningen niet opgenomen in onderstaande tabel. Functie Bestaande situatie Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief (schil centrum – weinig stedelijk) Toekomstige functie Koop, huis, tussen/hoek (schil centrum – weinig stedelijk) Afname
Norm
Eenheid
Generatie
9,4 mvt/ etmaal per 100 m² BVO
530 m²
49,8 mvt/ etmaal
7,7 mvt/etmaal per woning
4
30,8 mvt/etmaal 19 mvt/etmaal
Uit de bovenstaande tabel is af te lezen dat in de toekomstige situatie de verkeersgeneratie met 19 mvt/ etmaal afneemt. Het planvoornemen heeft een positief effect op de verkeersgeneratie ter plaatse. Parkeren In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de geldende ‘Nota Parkeernormen’, vastgesteld op december 2011 door de gemeenteraad. De parkeernormen van Roosendaal zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeercijfers van het CROW. Binnen het plangebied worden vier nieuwe koopwoningen van een middenklasse gerealiseerd. Daarvoor geldt een parkeernorm van 1,8 per woning (buiten centrumring), waarmee het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwbouwwoningen uitkomt op 7,2 parkeerplaatsen. Op het terrein achter de woningen worden 8 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het parkeren wordt derhalve volledig op eigen terrein afgehandeld. Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.10
Waterparagraaf
Beleidskader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
31
In deze (deel)stroomgebiedsbeheerplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022- 2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, bevaarbaarheid, waterkwaliteit en natuur, beschikbaarheid zoetwater en klimaatadaptatie. De doorwerking van de beleidsambities/ uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), het Deltaprogramma Zoetwater, het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie (DPRA), Integraal Riviermanagement (IRM), de Programmatisch Aanpak Grote Wateren (PAGW) en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Provinciaal beleid Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP).
Het RWP is de strategische basis voor het Brabantse water- en bodembeleid en-beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatverandering. Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 integreert de milieu- en de wateropgave. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De ambitie van het RWP luidt: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Om deze ambitie te bereiken werkt het RWP 5 beleidsopgaven uit: 1. Voldoende water (o.a. Europese KRW-doelen); 2. Schoon water (o.a. Europese KRW-doelen); 3. Waterveiligheid; 4. Vitale bodem; 5. Klimaatadaptatie. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Roosendaal. Haar taken zijn waterkwantiteit en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
32
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d.
De toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit in (m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloed gebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop.
Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Gemeentelijk beleid Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke financiële middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven.
Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, wordt in latere operationele plannen opgenomen.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
33
De randvoorwaarden voor de uitvoering van het stedelijk watersysteem zijn vastgelegd in het document ‘ontwerpen materiaaleisen ontwikkeling openbare ruimte Gemeente Roosendaal Team Beheer’. Dit, alsmede nieuwe inzichten binnen de gemeente, heeft mede geleid tot de volgende aandachtspunten en mogelijkheden waarmee bij de verdere uitwerking van de waterhuishouding rekening kan worden gehouden: • • •
•
Er komt geen hemelwaterriolering. Er zal gebruik worden gemaakt van oppervlakkige afvoer richting oppervlaktewaterstructuren. De wateropgave is 60 mm over het bruto oppervlak. Er kan een zuiverende voorziening (zoals een helofytenfilter) worden aangelegd waar het water doorheen wordt geleid. 30 - Er wordt een lagere ontwateringsdiepte onder het parkeerterrein toegestaan dan vastgesteld in het beleid van de gemeente. Negatieve effecten worden voorkomen door cunetdrainage. Op basis van de versterkte grondwatergegevens is door RHDHV de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald. Aangezien op basis van de metingen vooralsnog geen betrouwbare GHG is af te leiden zijn een tweetal scenario’s beschouwd: o Scenario 1: GHG = NAP + 1,90 meter o Scenario 2: GHG = NAP + 2,20 meter
Bij de uitwerking van het plan is uitgegaan van een GHG van NAP + 2,00 meter. •
•
Het waterpeil van het bestaande oppervlaktewater in het gebied wordt nu (actief) gehandhaafd op circa +1,50 meter. Dit blijft het uitgangspunt. Dit betekent dat er in de winter (bij hoge grondwaterstanden) grondwater wordt gedraineerd, gelijk aan de huidige situatie. De waterstand van het oppervlaktewater voor de berging van hemelwater, mag niet hoger zijn dan de GHG, omdat die anders tot grondwateroverlast buiten het plangebied kan leiden. Er kan dus maximaal een waterverschil van 0,5 meter worden geborgen.
Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Huidige waterhuishouding Het plangebied heeft een oppervlakte van 1.098 m2 en is nagenoeg geheel verhard. Het bedrijfspand kent een oppervlakte van circa 530 m² en de twee-onder-een-kapwoningen kennen een gezamenlijk oppervlak van circa 150 m2. Ten tijde van natte perioden zal het hemelwater tussen de bestrating infiltreren in de bodem en stroomt het water af op de nabijgelegen straatkolk. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied/grondwaterbeschermingszone, binnen door de Keur beschermde gebieden en/of een waterbergingsgebied. In het plangebied is geen open water aanwezig dat verbonden is met het watersysteem van het waterschap. Toekomstige waterhuishouding Het planvoornemen voorziet in de realisatie van vier nieuwe rijwoningen. Momenteel is hier een bedrijfspand aanwezig, waarin zich een timmerwerkplaats bevindt. In onderstaande tabel is het verhard oppervlak in de huidige en toekomstige situatie weergegeven.
Hierbij is de twee-onder-een-kapwoning met bijbehorende tuinen buiten beschouwing gelaten, omdat ter plaatse geen werkzaamheden plaatsvinden en het bebouwd en verhard oppervlak hier gelijk blijft. In onderstaande tabel is daarom gerekend met een totaal oppervlak van circa 676 m², betreffende het gebied waar de nieuwe woningen en bijbehorende parkeerplaatsen gerealiseerd gaan worden.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
34
Oppervlaktes Bebouwing (100% verhard) Verharding (100% verhard) Tuin (50% Verhard) Onverhard oppervlak Verhard oppervlak
Huidige situatie 530 m2 146 m2 0 m2 0 m2 676 m2
Toekomstige situatie 208 m2 313 m2 77,5 m² (155 x 0,5) 77,5 m2 598,5 m2
Met het planvoornemen neemt het verhard oppervlak af met minimaal 77,5 m². Hierbij is uitgegaan van het feit dat de tuinen bij de woningen voor maximaal 50% verhard worden. Daarin zijn ook de bergingen die in de achtertuinen gerealiseerd worden meegenomen. Hiermee valt onderhavig planvoornemen binnen de grenswaarde van minder dan 500 m². Vanuit de Algemene Regel van het waterschap Brabantse Delta is er geen verplichting tot aanleg van een bergingsvoorziening. Omdat het verhard oppervlakte afneemt, zijn compenserende maatregelen niet nodig. De gemeente Roosendaal hanteert echter een zwaarder wegend beleid voor watercompensatie. Bij het bepalen van de watercompensatie gaat de gemeente uit van het volledige perceeloppervlak. Vanuit het VGRP geldt in beginsel een verplichting tot het aanbrengen van een bergingsvoorziening volgens de norm 60 mm/m². Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal een concrete uitwerking worden toegevoegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de waterhuishoudkundige eisen. Ter waarborging hiervan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan. Advies behandeling regenwater (HWA) In de toekomstige situatie neemt de hoeveelheid verharding af. In de toekomstige situatie zal de afvoer van neerslag, afkomstig van de daken en verharding moeten worden opgevangen op eigen terrein.
Het streven van de gemeente is om hemelwater zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, bij voorkeur door het in de bodem te infiltreren. Hiervoor wordt de volgende volgorde aangehouden: vasthouden – infiltreren in bodem – afvoer naar oppervlaktewater (aanliggend) – afvoer naar gemeentelijk hemelwaterriool. Advies behandeling vuilwater (DWA) Het vuilwater vanuit het plangebied wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Materiaalgebruik Uitlogende bouwmateriaal, zoals lood, koper, zink en zacht PVC kunnen een nadelige invloed hebben op het milieu. De stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen wordt daarom aangeraden. Conclusie Het aspect ‘waterparagraaf’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
35
5.11
Vormvrije m.e.r.
Beleidskader In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten mer-plichtig zijn, of mer-beoordelingsplichtig. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarde opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarde voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: • • •
De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van de potentiële effecten.
Onderzoek Gelet op de kenmerken van het plan, zoals de kleinschaligheid in vergelijking met de norm van de drempelwaarde, de plaats van het project en de kenmerken van potentiële effect, zal uitvoering van het plan niet leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit blijkt ook uit de onderzoeken voor de verschillende milieuaspecten zoals die in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Conclusie Voor deze bestemmingsplanwijziging is geen Mer-procedure of Mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
36
6.
PLANSYSTEMATIEK
6.1
Toelichting op de plansystematiek
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgesteld dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het bastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgang- en slotregels. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels.
Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
37
Bestemmingsregels Tuin (artikel 3) De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor (voor)tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Verkeer (artikel 4) De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met ten hoogste 2 keer 1 doorgaande rijstrook, opstelstroken en busstroken daar niet onder begrepen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, speel- en spelvoorzieningen, beplanting, bermen, watergangen en andere waterpartijen met de daarbij behorende voorzieningen zoals bruggen en duikers en daarmee vergelijkbare voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van algemeen nut zoals groen-, water, nuts- en daarmee vergelijkbare voorzieningen, waaronder straatmeubilair, arbi's, transformatiehuisjes, voorzieningen ten behoeve afvalinzameling, bergbezinkbassins en retentievoorzieningen en kunstwerken en kunstobjecten. Wonen – 1 (artikel 5) De voor ‘Wonen – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor aaneen gebouwde grondgebonden woningen, voorzieningen voor afvalinzameling en aan-huis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van een daarvoor aangewezen bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt de op de verbeelding aangegeven hoogten.
Wonen – 2 (artikel 6) De voor ‘Wonen – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor twee-aaneen gebouwde, geschakelde en vrijstaande grondgebonden woningen en aan-huis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van een bouwvlak. De maximale goothoogte bedraagt de op de verbeelding aangegeven hoogte. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter hoger dan de toegestane goothoogte. Waarde – Archeologie 2 (artikel 7) De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van middelhoge archeologische waarden. Bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m-mv is een archeologisch onderzoek vereist. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is op gebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel; • Algemene bouwregels; • Algemene gebruiksregels; • Algemene afwijkingsregels; • Algemene wijzigingsregels; • Algemene procedureregels.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
38
Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht geldt voor bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming komt met de gegeven bestemming. In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Meestal is dat een eenmalige handeling aan het bouwwerk. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.
6.3
Verantwoording regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geef aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. De bestemmingplanherziening is benodigd waarbij de huidige bestemming ‘Bedrijf – 2’ wordt omgezet. Er is gekozen om deze planologische richting in te slaan omdat onderhavig planvoornemen in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.
6.4
Handhaving
Uit de jurisprudentie zoals die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is gevormd, blijkt dat de gemeente haar handhavingstaak serieus moet nemen. Handhaving is een verplichting, waarvan alleen mag worden afgezien als er concreet zicht is op legalisatie van de overtreding, dan wel als handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Daar waar overtredingen worden geconstateerd, treedt de gemeente zo vroeg mogelijk op. Als de overtreder de overtreding niet vrijwillig beëindigt, dan maakt de gemeente gebruik van de haar ter beschikking staande handhavingsinstrumenten. Van handhaving kan alleen worden afgezien in situaties waarin dit op grond van de jurisprudentie is toegelaten. Blijkens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Een overtreding hiervan is een strafbaar feit. Strafrechtelijk optreden is complementair op bestuursrechtelijke handhaving en kan met name ingezet worden bij overtredingen waarvan de gevolgen niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het kappen van houtwallen. Ook bij overtredingen die zich telkens herhalen en bij kortdurende overtredingen is deze aanpak wenselijk.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
39
7.
ECONOMSICHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Op grond van artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Van een dergelijk project of ontwikkeling is in dit geval geen sprake, omdat het niet voldoet aan onder andere het begrip bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en zoals aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De initiatiefnemer zal met de gemeente een anterieure overeenkomst sluiten om de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en de daarbij behorende procedures te verzekeren.
Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform de Wro te worden opgesteld.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401
40
8.
OVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
8.1
Vooroverleg
In het kader van overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt het bestemmingsplan toegezonden aan een aantal overleginstanties, waarvan in ieder geval de provincie en het waterschap.
8.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 18 december 2023 tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.
NL.IMRO.1674.2161Herelsest9395-0401