5b-05. OMWB.pdf
Tekst van het document
In het derde lid is vervolgens geregeld dat de aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd. Het vierde lid bepaalt dat de aan leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding door hen in acht wordt genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen
11
bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht. Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten.
Artikel 7.1 Begroting en jaarrekening De procedure inzake de begroting en de jaarrekening van de omgevingsdienst is reeds dwingend geregeld in artikel 58, 58a, 58b en 59 van de Wgr. Daarom zijn de bepalingen niet opgenomen in de regeling zelf. Artikel 58 Wgr 1. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 58a Wgr 1.
Indien het openbaar lichaam een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiëleverhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen ontvangt van de deelnemende provincies en gemeenten, die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, zijn de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet op de informatie ten behoeve van de verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a. voor gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b. de in artikel 17b, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiëleverhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. 2. De ingevolge artikel 186, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a. voor het college wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b.
de in artikel 186, achtste lid, van de Gemeentewet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. Artikel 58b Wgr
12
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten van de deelnemende provincies. Artikel 59 Wgr 1. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten van de deelnemende provincies. 2. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de deelnemende gemeenten en provincies voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raad van een deelnemende gemeente en provinciale staten van een deelnemende provincie kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincies schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en de staten der deelnemende provincies, die ter zake bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 6. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. 7. De artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken. In artikel 7.1 is een aanvulling opgenomen voor de begrotingswijziging in een specifiek geval. Artikel 7.5 Financiële voorschriften Artikel 216 Provinciewet 1. Provinciale staten stellen bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast.
De verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. 2. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van door het provinciebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 225; c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. Artikel 217 Provinciewet 1. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 2. Provinciale staten wijzen een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen.
13
3.
4.
5. 6. 7.
8.
9.
De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of: a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten als de grootte en de samenstelling van het vermogen; b. de jaarrekening is opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel 190 en c. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en b. de tabel van fouten en onzekerheden voor de specifieke uitkeringen. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen aan provinciale staten en een afschrift daarvan aan gedeputeerde staten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale dienst worden genomen. In dat geval besluiten provinciale staten tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Indien provinciale staten op grond van het tweede lid accountants heeft aangewezen die in provinciale dienst zijn genomen, is: a.
het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, 25a en 27 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op deze accountants; b. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de provincie; en c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van de provincie waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam zijn. Indien een provincie wordt aangewezen als organisatie van openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en met 24 van die wet van overeenkomstige toepassing op deze provincie.
Artikel 217a 1. Gedeputeerde staten verrichten periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. Provinciale staten stellen bij verordening regels hierover. 2. Gedeputeerde staten brengen schriftelijk verslag uit aan provinciale staten van de resultaten van het periodiek onderzoek. 3. Gedeputeerde staten stellen de rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken die zij doen instellen en zenden haar een afschrift van een verslag als bedoeld in het tweede lid. Artikel 8.1 Archieven Artikel 40 van de Archiefwet 1995 bepaalt dat een gemeenschappelijke regeling tevens een voorziening dient in te houden omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van het bij die regeling ingestelde openbare lichaam. Deze voorziening moet zoveel mogelijk getroffen worden overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet 1995. Omdat de provincie Noord-Brabant deelneemt in de gemeenschappelijke regeling zijn de bepalingen van de Archiefwet 1995 die van toepassing zijn op de provincie van overeenkomstige toepassing op de omgevingsdienst. Het gaat hierbij om de artikelen 27, 28 en 29 van de Archiefwet 1995. In artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 is vervolgens bepaalt dat het dagelijks bestuur ten aanzien van hun archiefbescheiden beheersregels vast.
In artikel 8.1 is uitvoering gegeven aan de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995, doordat het algemeen bestuur een archiefverordening dient op te stellen en het dagelijks bestuur regels
14
omtrent informatiebeheer, waarbij de VNG het voortouw heeft genomen om modellen hiervoor te ontwikkelen. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 41 van de Archiefwet belast met de zorg voor de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Op grond van artikel 40 juncto de artikelen 29 en 33 van de Archiefwet is de archivaris, ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, onder de bevelen van dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet belast. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast. Het vijfde lid bevat de verplichting om de gevolgen van uittreding uit of opheffing van de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de archiefbescheiden te regelen. Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats Onder b Brabants Historisch Informatie Centrum Artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 bepaalt ook dat voorzien moet zijn in voldoende ruimte voor de archiefbescheiden. Voor de omgevingsdiensten in de provincie Noord-Brabant is daartoe het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) aangewezen. Het BHIC is gevestigd aan de Zuid-Willemsvaart 2 te ’s-Hertogenbosch.
Artikel 8.3 Archivaris Als archivaris van de omgevingsdienst is aangewezen de archivaris van het BHIC. Deze archivaris beschikt over een diploma archivistiek en voldoende deskundigheid ter zake. Artikel 8.4 Verantwoording In artikel 19a van de wet is geregeld dat het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur verantwoording schuldig zijn aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur daarbij alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Artikel 8.4 is een uitwerking van deze wettelijke bepaling, specifiek gericht op de archivering en afgestemd op de Handreiking Inrichting Informatie- en Archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden van november 2021 van het Landelijk overleg van provinciale archiefinspecteurs (LOPAI), de sectie archieftoezicht van de Branchevereniging van Archiefinstellingen in Nederland (BRAIN), de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA). Artikel 8.5 Ter beschikking stellen archiefbescheiden Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij die deelnemers. Artikel 9.1 Toetreding Voor toetreding van nieuwe deelnemers moet artikel 51 van de wet in acht worden genomen.
Het staat de deelnemers vrij om een toetredingsdatum voor de nieuwe deelnemer af te spreken. Het verdient de voorkeur de inwerkingtreding van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling gelijk te stellen met de gewenste toetredingsdatum van de nieuwe deelnemer. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van een voorstel hiertoe. Artikel 9.2 Uittreding
15
Het artikel is een uitwerking van artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9 van de wet over uittreding. Het artikel omvat de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon alsmede de deelnemers. De eerste zes leden bevatten de uitgangspunten van uittreding. Indien toepassing van deze bepalingen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kunnen de deelnemers en de uittredende partij, met inachtneming van artikel 51 van de wet, afwijkende afspraken maken. Dit is geregeld in het zevende lid. Het algemeen bestuur draagt in dat geval zorg voor het aanleveren van het voorstel tot uittreding bij de deelnemers. Na de uittreding dienen de gevolgen van de uittreding vervolgens te worden verwerkt in de gemeenschappelijke regeling. Hiervoor wordt het proces van artikel 51 van de wet gevolgd. Overigens is uittreding uit de gemeenschappelijke regeling niet eenvoudig, maar niet onmogelijk. Op grond van artikel 5.3 van de Wabo (Hoofdstuk 18 Omgevingswet) komt het werkgebied van een omgevingsdienst overeen met het gebied van een veiligheidsregio dan wel met het gebied van een kring van aangewezen gemeenten. Een kring wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. Door uittreding van een deelnemer wijzigt de kring en kan daarom alleen met aanpassing van de ministeriële regeling geschieden.
Artikel 9.3 Wijziging Conform artikel 51 van de wet wordt de gemeenschappelijke regeling gewijzigd indien de colleges en Gedeputeerde Staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk Provinciale Staten, eensluidend besluiten. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van het voorstel hiertoe. Artikel 9.4 Opheffing Indien de deelnemers besluiten tot opheffing van het openbaar lichaam draagt het algemeen bestuur zorg voor het opstellen van een liquidatieplan. Het liquidatieplan wordt vooraf ter raadpleging voorgelegd aan de deelnemers. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, eerste lid, van de wet vindt besluitvorming over opheffing plaats door de deelnemende bestuursorganen. Bij de opheffing van het openbaar lichaam dient tevens de gemeenschappelijke regeling te worden ingetrokken via een intrekkingsregeling. Het algemeen bestuur doet hiervoor een voorstel. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, derde lid, van de wet blijft het bij een regeling ingestelde openbaar lichaam na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften Eerste lid 1 Informeel gesprek Dit artikel ziet zowel op geschillen als bezwaarschiften.
Bij een geschil is geen besluit vereist, maar is sprake van een geschil als een van de deelnemers die mening is toegedaan. Zowel bij geschillen als in het stadium dat reeds een formeel bezwaarschrift is ingediend is het belangrijk dat steeds wordt getracht het geschil of bezwaar op informele wijze samen met een onafhankelijke bemiddelaar op te lossen. Derde lid Beslissing op bezwaar Het orgaan van het bestuur dat het besluit heeft genomen, zijnde het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter van de omgevingsdienst nemen een beslissing op het bezwaarschift, indien het informele gesprek niet tot een oplossing heeft geleid. De partij die het bezwaarschrift heeft ingediend kan daarna de daarvoor bestemde rechtsgang vervolgen. Artikel 10.2 interne klachten Dit artikel is enkel van toepassing op de behandeling van interne klachten over gedragingen van het bestuur van het openbaar lichaam. Dit kan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn.
16
Klachten over de uitoefening van bevoegdheden van de omgevingsdienst zullen vaak betrekking hebben op gemandateerde bevoegdheden die namens de deelnemers worden uitgevoerd. In die gevallen blijft de deelnemer bevoegd om zelf de klacht af te handelen. Artikel 11.1 Evaluatie Algemeen Het algemeen bestuur kan de opdracht geven tot evaluatie. Er is voor gekozen de evaluatie te koppelen aan de visitatiecommissie van Omgevingsdienst NL. Deze rapportage kan, eventueel aangevuld met de in de afgelopen periode reeds in andere kaders uitgevoerde tussenevaluaties en rapporten over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers, volstaan als evaluatie. Daarnaast kan het algemeen bestuur besluiten tot een evaluatie en bepaalt daarbij of deze op onderdeel a, op onderdeel b of op beide onderdelen van dit artikel betrekking zal hebben. In het geval het algemeen bestuur overgaat tot een evaluatie overweegt zij ook op welke wijze de gemeenteraden en Provinciale Staten worden betrokken. Onder a Doeltreffendheid en effecten Een periodieke evaluatie van de tekst van de gemeenschappelijke regeling om de vier jaar ligt voor de hand. De vorm en inhoud van een evaluatieverslag ten aanzien van de regeling zijn vormvrij.
Mogelijkheden zijn een apart verslag, een rapportage in de begrotingstoelichting, een beleidsnota of een onderdeel van de toelichting bij een wijzigingsregeling. Wat de inhoud betreft geldt als algemene eis dat een adequaat inzicht wordt gegeven in doeltreffendheid en effecten van de regeling in de praktijk. Aangezien de regeling een algemeen kader bevat voor de samenwerking tussen de deelnemers ligt het voor de hand dat de evaluatie van de regeling zich met name beperkt tot een procesmatige evaluatie, waarbij het vooral technische, juridische en procedurele aspecten betreft. Onder b Functioneren Onderdeel b ziet op het functioneren van de Omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers zelf. Indien het algemeen bestuur de informatie verkregen op basis van lid 1 onvoldoende vindt kan zij besluiten tot een aanvullende evaluatie. Artikel 11.2 Intrekking Vanwege het grote aantal aanwijzings-technische wijzigingen is ervoor gekozen de oude regeling in te trekken en een geheel nieuwe regeling vast te stellen. Aan de citeertitel van de nieuwe regeling is het jaartal 2024 toegevoegd om deze nieuwe regeling te onderscheiden van haar voorgangers.
Artikel 11.4 Inwerkingtreding Het provinciebestuur dat daartoe bij de regeling is aangewezen, onderscheidenlijk het bestuur van de provincie van de plaats van vestiging, dient ingevolge artikel 26 Wgr, juncto artikel 52, eerste lid, onder l, van de Wgr, de regeling bekend te maken in het door dat provinciebestuur uitgegeven provinciaal blad. Artikel 11.4 regelt dit. De regeling treedt vervolgens in werking de dag na publicatie. De regeling treedt niet in werking voordat zij is bekendgemaakt. Het openbaar lichaam of bij gebreke hiervan, het provinciebestuur, voegt vervolgens in het register, bedoeld in artikel 136, eerste lid, van de Wgr, de gegevens toe, bedoeld in artikel 136, tweede lid, van de Wgr. Deze procedure is ook van toepassing op besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.
17