CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5b-02. GGD.pdf

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Raadsvoorstel 037 - Toestemming vaststelling gewijzigde gemeenschappelijke regelingen7.661 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beoordelingsformulier definitief wijzigingsvoorstel zaaknummer collectief raadsvoorstel: 817670

Naam gemeenschappelijke regeling

1

GGD West-Brabant

Zienswijze over ontwerpwijziging ingebracht door college van Roosendaal? X Ja □ Nee (indien nee, dan is vraag 2 niet relevant) Komt bestuur GR tegemoet aan zienswijze college Roosendaal? □ Ja (indien ja, dan is vraag 3 niet relevant) X Nee (dan toelichten bij vraag 3)

3

Toelichting op niet tegemoetkomen zienswijze Roosendaal: Zienswijze op voorgenomen besluiten (artikel 10, lid 5 en 6 Wgr) Zienswijze: De raad stelt voor om resultaatbestemmingen, voor zover het toevoegingen aan reserves betreft, voor te leggen aan de gemeenteraad voor een zienswijze. Reactie GR: GGD volgt hierin de kaders vanuit de Nota Verbonden Partijen. Het positieve resultaat vloeit terug naar alle deelnemende gemeenten, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. Conclusie: dat klopt, maar als het algemeen bestuur anders besluit is het wenselijk dit aan de raad voor te leggen voor een zienswijze. Helaas neemt de GGD dit niet over. In de definitieve versie van de Nota Verbonden Partijen (NVP) is onder financiële richtlijn nummer 5. een handelingsperspectief opgenomen over hoe om te gaan met reserves door de GR-en.

Actuele informatieplicht (artikel 17, lid 2 en 3 Wgr) Zienswijze: In artikel 10, lid 3: ‘ieder lid van het algemeen bestuur’, vervangen door ‘het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter’. Reactie GR: Dit is onjuist. Er is sprake van een trapsgewijze gelaagdheid. Het algemeen bestuur (en daarmee dus de 16 wethouders van de gemeenten) heeft een informatieplicht richting de raden/colleges. Het dagelijks bestuur voorziet het algemeen bestuur van alle benodigde informatie, zie art. 10, lid.2. Conclusie: met deze uitleg zijn we het eens. Burgerparticipatie (artikel 10, lid 7 en 8 Wgr) Zienswijze: Uit artikel 12 van de ontwerpregeling blijkt niet of en bij welke onderwerpen ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden worden betrokken in het kader van participatie. Reactie GR: Er is een bewuste keuze gemaakt om geen limitatieve lijst op te stellen. Burgerparticipatie kan op allerlei onderwerpen van toepassing zijn, zeker op de langere termijn. Conclusie: deze uitleg is voldoende.

-1-

Zienswijze: Voorts zijn artikel 11 en 12 niet in overeenstemming met elkaar. ln artikel 11 staat namelijk dat het dagelijks bestuur een klachtenpanel kan instellen. ln artíkel 12 staat dat in alle gevallen inwoners kunnen participeren in klachtenpanels. (NB klachtenpanels moet zijn klantenpanels). Reactie GR: Formulering van artikel 12 is juist en in overeenstemming met artikel 11. We spreken niet over ‘in alle gevallen’. We bedoelen in artikel 12 dat inwoners kunnen participeren in de klantenpanels die door het dagelijks bestuur zijn ingesteld, conform artikel 11. Conclusie: Met deze toelichting van de GGD klopt dit. Evaluatie van de regeling (artikel 11a Wgr) Zienswijze: De raad stelt voor om artikel 19 als volgt te wijzigen: ‘Het algemeen bestuur evalueert de werkwijze en het functioneren van de GGD vierjaarlijks. Op voorstel van het algemeen bestuur kan tussentijds tot een evaluatie worden overgegaan’. Reactie GR: Binnen het algemeen bestuur is besloten om aan het eind van de bestuursperiode een overdrachtsdocument voor het nieuwe bestuur te maken. De basis hiervoor is een evaluatie bij voorkeur in het derde bestuursjaar. Hiermee evalueren we dus vierjaarlijks. Daarnaast kan het bestuur tussentijds om een extra evaluatie verzoeken, ondanks dat dit niet in de GR staat.

Conclusie: we nemen genoegen met de toelichting, waaruit opgemaakt kan worden dat er elke 4 jaar wordt geëvalueerd. P&C-cyclus (artikel 34, 34b en 35 Wgr) Zienswijze: De raad merkt op dat het advies in de Nota Verbonden Partijen is dat het beter is om alleen te verwijzen naar de termijnen, maar deze niet op te nemen in de gemeenschappelijke regeling. Reactie GR: GGD neemt deze zienswijze niet over, maar streeft ernaar om de termijnen, genoemd in onze GR zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met die van de Nota Verbonden Partijen. Conclusie: akkoord. 4

Zijn er overige inhoudelijke opmerkingen over het definitieve wijzigingsvoorstel? □ Ja (indien ja, dan toelichten bij vraag 5) X Nee (indien nee, dan is vraag 5 niet relevant)

5

Toelichting op inhoudelijke opmerkingen over het definitieve wijzigingsvoorstel

6

Is er een reden om toestemming vanwege strijd met het algemeen belang of strijd met het recht te onthouden? □ Ja (indien ja, dan toelichten bij vraag 7) X Nee (indien nee, dan is vraag 7 niet relevant)

7

Toelichting op onthouden toestemming

8

Overige opmerkingen Artikel 23, lid 2: Staatscourant moet zijn Gemeenteblad

-2-

Aan de colleges van B&W van de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant

Kenmerk:

29447

Datum:

Datum document

Behandeld door:

B. van Iersel, directiesecretaris

E-mail:

b.iersel@ggdwb.nl

Onderwerp:

Vaststelling Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant 2024

Geacht college, Eind september 2023 zonden wij u de Ontwerpregeling voor de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant (GR GGD West-Brabant) toe. Met deze Ontwerpregeling wordt de gemeenschappelijke regeling van de GGD West-Brabant opnieuw vastgesteld en daarmee aangepast aan de wijzigingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Alle colleges van de deelnemers van de GR GGD West-Brabant hebben een voorgenomen besluit genomen tot vaststelling van deze Ontwerpregeling en hebben deze vervolgens voorgelegd aan hun raad voor een zienswijzeprocedure. Begin 2024 hebben wij een aantal zienswijzen ontvangen. Een overzicht van de ingekomen zienswijzen, die zijn gebundeld naar inhoud en voorzien van een gemotiveerde reactie, is ter informatie bijgevoegd (bijlage 2). Het Algemeen Bestuur van de GGD West-Brabant heeft de zienswijzen beoordeeld en komt, op onderdelen, tegemoet aan de wensen van de raden. Naast inhoudelijke reacties zijn er ook juridisch technische aanbevelingen ontvangen en zijn er enkele ambtshalve verbeteringen doorgevoerd. Alle hieruit voortvloeiende wijzigingen ten opzichte van de eerste Ontwerpregeling zijn geel gearceerd in de bijgevoegde Ontwerpregeling GR GGD West-Brabant 2024 (bijlage 1). In zijn vergadering van 31 januari 2024 is het algemeen bestuur akkoord gegaan met de definitieve Ontwerpregeling GR GGD West-Brabant 2024.

Gevraagd besluit Wij vragen u de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant 2024 vast te stellen. U kunt de regeling pas vaststellen na verkregen toestemming van uw raad (conform artikel 1 lid 4 van de Wgr). Pas nadat alle colleges hebben besloten tot vaststelling van de nieuwe regeling is de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant 2024 tot stand gekomen.

GGD West-Brabant Postbus 3024 5003 DA Tilburg (088) 639 20 00

Bezoekadres Doornboslaan 225-227 4816 CZ Breda

www.ggdwestbrabant.nl info@ggdwestbrabant.nl

Aangezien er sprake moet zijn van gelijkluidende besluiten van de deelnemers verzoeken wij u nadrukkelijk gebruik te maken van het bijgevoegde model-collegebesluit (bijlage 4) en ons het getekende besluit toe te sturen vóór 15 juni 2024 per mail naar directiesecretariaat@ggdwb.nl.

Publicatie Nadat alle colleges besloten hebben, wordt door de gemeente Breda, namens de deelnemende gemeenten, de gemeenschappelijke regeling via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) bekend gemaakt in het Gemeenteblad op Overheid.nl (conform artikel 26 van de Wgr). De gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant 2024 treedt in werking per 1 juli, na bekendmaking en publicatie.

Informatie Heeft u vragen over deze brief met bijlagen? Neem dan contact op met Bianca van Iersel, directiesecretaris (b.iersel@ggdwb.nl / 06-42336895).

Met vriendelijke groet, het dagelijks bestuur van de GGD West-Brabant, Namens deze

de voorzitter,

de secretaris,

M. Witte

S. Baan

Bijlagen: 1. Definitieve Ontwerpregeling GR GGD West-Brabant 2024; 2. Een overzicht van de ingekomen zienswijzen op de ontwerpregeling GR GGD West-Brabant; 3. Model-collegebesluit.

Ingekomen zienswijzen wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant

januari 2024

In het onderstaande overzicht vindt u de ingekomen zienswijzen op het wijzigingsbesluit op de gemeenschappelijke regeling van de GGD, die uit de collegeen raadsbehandelingen zijn gekomen. De reactie op deze zienswijzen door de GGD wordt in de vergadering van het algemeen bestuur voor instemming voorgelegd. Gemeente Etten-Leur Roosendaal

Etten-Leur

Etten-Leur

Geertruidenberg

Zienswijze Raad Zienswijze op voorgenomen besluiten Voorstel om de volgende bepaling toe te voegen: Besluiten van het algemeen bestuur die betrekking hebben op het toevoegen van het bestemmingsresultaat aan de algemene reserve voor een zienswijze aan de raden voor te leggen. Evaluatie (nieuw artikel 19 GR) Voorstel om de volgende bepaling op te nemen: De werkwijze en het functioneren van de GGD vierjaarlijks te evalueren, tenzij een meerderheid van de raden van de deelnemende gemeenten besluit af te zien van een evaluatie.

Termijnen P&C cyclus Voorstel: in de gemeenschappelijke regeling de volgende bepaling toe te voegen: Als in de Nota Verbonden Partijen van de wet afwijkende termijnen zijn opgenomen, zijn de termijnen van de Nota van toepassing. Conform de Nota Verbonden Partijen, de datum van indienen van de ontwerpbegroting te stellen op 1 april en de datum voor het indienen van de ontwerp-jaarrekening te stellen op 15 april, hetzij in de desbetreffende artikelen te verwijzen naar de datums genoemd in de nota Verbonden Partijen.

Antwoord GGD We nemen deze zienswijze niet over. Wij volgen graag hierin de kaders vanuit de Nota Verbonden Partijen. Het positieve resultaat vloeit terug naar alle deelnemende gemeenten, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. Deze zienswijze nemen we niet over. Binnen het algemeen bestuur is besloten om aan het eind van de bestuursperiode een overdrachtsdocument voor het nieuwe bestuur te maken. De basis hiervoor is een evaluatie bij voorkeur in het derde bestuursjaar. De raden worden bij de evaluatie betrokken. Hiermee evalueren we dus vierjaarlijks. Daarnaast staat het het bestuur vrij om tussentijds om een extra evaluatie te verzoeken, ondanks dat dit niet in de GR staat. We nemen deze zienswijze niet over, maar streven ernaar om de termijnen, genoemd in onze GR zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met die van de Nota Verbonden Partijen. Dit is reeds voor de beleidsbegroting aangepast naar 1 april in de GR.

1

Geertruidenberg Roosendaal

Roosendaal

Een zienswijze in te dienen tegen alle gewijzigde gemeenschappelijke regelingen om alsnog een vorm van participatie op te nemen in de gewijzigde regeling. Actuele informatieplicht In artikel 10, lid 3: ‘ieder lid van het algemeen bestuur’, vervangen door ‘het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter’.

Nieuw artikel 12 Burgerparticipatie Uit artikel 12 van de ontwerpregeling blijkt niet of en bij welke onderwerpen ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden worden betrokken in het kader van participatie. Voorts merkt de raad op dat artikel 11 en 12 niet in overeenstemming zijn met elkaar. ln artikel 11 staat nl. dat het dagelijks bestuur een klachtenpanel kan instellen. ln artíkel 12 staat dat in alle gevaIIen inwoners kunnen participeren in klachtenpaneIs.

Roosendaal

Evaluatie van de regeling De raad stelt voor om artikel 19 als volgt te wijzigen: ‘Het algemeen bestuur evalueert de werkwijze en het functioneren van de GGD vierjaarlijks. Op voorstel van het algemeen bestuur kan tussentijds tot een evaluatie worden overgegaan’.

In artikel 12 van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling zijn bepalingen opgenomen in het kader van de inwonerparticipatie. Dit is ons inziens onjuist. Het algemeen bestuur (en daarmee dus de 16 wethouders van de gemeenten) heeft een informatieplicht richting de raden/colleges. Het dagelijks bestuur voorziet het algemeen bestuur van alle benodigde informatie, zie art. 10, lid.2 Er is sprake van een trapsgewijze gelaagdheid. Er is een bewust keuze gemaakt om geen limitatieve lijst op te stellen. Burgerparticipatie kan op allerlei onderwerpen van toepassing zijn, zeker op de langere termijn. Dit staat ook opgenomen in onze ambities in het beleidsplan 2023-2026. Ons inziens is de formulering van artikel 12 juist en in overeenstemming met artikel 11. We spreken niet over ‘in alle gevallen’. We bedoelen in artikel 12 dat inwoners kunnen participeren in de klantenpanels die door het dagelijks bestuur zijn ingesteld, cf. artikel 11. We gaan er hierbij vanuit dat met de in de zienswijze genoemde klachtenpanels klantenpanels worden bedoeld. Deze zienswijze nemen we niet over. Binnen het algemeen bestuur is besloten om aan het eind van de bestuursperiode een overdrachtsdocument voor het nieuwe bestuur te maken. De basis hiervoor is een evaluatie bij voorkeur in het derde bestuursjaar. Hiermee evalueren we dus vierjaarlijks.

Daarnaast staat het het bestuur vrij om tussentijds om een extra evaluatie te verzoeken, ondanks dat dit niet in de GR staat.

2

Roosendaal

Drimmelen

Drimmelen

Breda

Oosterhout

P&C-cyclus De raad merkt op dat het advies in de Nota Verbonden Partijen is dat het beter is om alleen te verwijzen naar de termijnen, maar deze niet op te nemen in de gemeenschappelijke regeling. ex artikel 10 lid 5 en 6 van de Wgr gevraagd om in de regeling een bepaling op te nemen waarin de raden een zienswijze naar voren kunnen brengen over bestuursbesluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige bestuursbesluiten en bestuursbesluiten over meerjarenbeleidsplannen en tussentijdse wijzigingen hiervan; ex artikel 35 van de Wgr gevraagd om in de regeling een bepaling op te nemen dat het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden aan de raden van de deelnemende gemeenten toe stuurt.

We nemen deze zienswijze niet over, maar streven ernaar om de termijnen, genoemd in onze GR zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met die van de Nota Verbonden Partijen. We nemen deze zienswijze niet over omdat we menen dat de taken en verantwoordelijkheden, inclusief de actieve informatieplicht, voldoende is geborgd in de Nota Verbonden Partijen, de Wgr en onze organisatieverordening. We voldoen reeds aan deze richtlijn. Door de datum van 1 april voor de ontwerpbegroting te hanteren in de GR voldoen we aan de Wgr omdat onze algemeen bestuursvergadering waarin de begroting wordt vastgesteld minimaal 12 weken later, in juli plaatsvindt. We betreuren het dat de uitkomsten van de herijking nota verbonden partijen bij ons nog steeds niet bekend zijn. We hebben zoveel als mogelijk geprobeerd aan te sluiten hierop, voor zover ons de inhoud bekend was. Echter lopen de trajecten van de vaststelling nota Verbonden Partijen en vaststelling het wijzigingsbesluit van de GR door vertraging op besluitvorming nota VP niet meer parallel. Later in het jaar komen wij graag in het algemeen bestuur terug met een reactie op de herijkte nota verbonden partijen.

Algemeen aandachtspunt: Voorgesteld wordt om de Nota Verbonden Partijen die binnenkort wordt aangenomen in de aangesloten gemeenten goed te verankeren in de Gemeenschappelijke Regeling en (i) de relevante bepalingen van Gemeenschappelijke Regeling die afwijken van de bepalingen van de Nota Verbonden Partijen daarmee in overeenstemming te brengen of niet op te nemen, zoals in het geval van termijnen, of anderszins deugdelijk, en voor derden kenbaar, vast te leggen dat bij afwijkende bepalingen de Nota Verbonden Partijen prevaleert alsmede (ii) de aanvullende regelingen uit de Nota Verbonden Partijen over te nemen dan wel anderszins de aanvullende werking van de Nota Verbonden Partijen deugdelijk en voor derden kenbaar te verankeren. Uittrederegeling, artikel 20 In de regeling is in artikel 20 onder lid 3 de toevoeging Toets of de toevoeging aan de uittrederegeling wenselijk en duidelijk vermeld dat het algemeen bestuur nadere voorwaarden is. kan verbinden aan de uittreding.

3

Oosterhout

Zundert Geen zienswijze ingediend, maar een kanttekening meegegeven

Woensdrecht Geen zienswijze ingediend, maar een kanttekening meegegeven Altena Bergen op Zoom Halderberge Alphen-Chaam Baarle-Nassau

Nieuw artikel 12 Burgerparticipatie Te bevorderen dat het initiatiefrecht van de raden t.a.v. zienswijzen en dat de participatie/inspraak in eerste instantie via gemeenten wordt georganiseerd onderdeel kan worden van de definitieve wijzigingsvoorstellen. Wij stellen voor om artikel 16, lid 8 van de ontwerpwijziging waarin wordt aangegeven dat geen zienswijze voor een wijziging in de begroting van de GGD wordt gevraagd aan gemeenteraden wanneer gemeenten worden gecompenseerd vanuit Rijksmiddelen voor het laten uitvoeren van taken door de GGD, te laten vervallen. Toelichting: Wanneer compensatiegelden vanuit het Rijk worden toegekend via de algemene uitkering, zijn deze beleids- en bestedingsvrij. Met de wijze waarop genoemd artikel in de ontwerpwijziging is opgenomen, worden de compensatiegelden met betrekking tot openbare gezondheidszorg echter al verbonden aan de GGD. Dat betekent dat de bestedingsvrijheid van deze middelen niet meer aan de orde is. Ook kan de raad geen invloed meer uitoefenen op de besteding van deze middelen door de GGD omdat dit niet voor een zienswijze wordt voorgelegd. Wij verzoeken u ook de uittredingsvoorwaarden in overeenstemming te brengen met artikel 9, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Het artikel 20 Uittreding bevat nu weliswaar bepalingen over de uittreding, maar beschrijft nog niet de nadere voorwaarden die daaraan verbonden zijn; Instemmingsreactie ontvangen, geen zienswijze ingediend.

In artikel 12, lid 1 staat vermeld dat inspraakmogelijkheden voor inwoners via de raden van de gemeenten wordt ingevuld. Daarmee komen we ons inziens tegemoet aan deze zienswijze. We nemen deze kanttekening niet over, omdat het algemeen bestuur (als afvaardiging van de gemeenten) in juli 2022 in hun vergadering heeft besloten hiervoor geen zienswijze te vragen aan de gemeenten. De gemeenten hebben daarmee invloed op hoe de gelden binnen de GGD ingezet worden.

Onze dienstverlening is niet altijd homogeen, bijvoorbeeld in de plusproducten en de uitvoeringstaken JGZ, wat bij uittreding ook kan betekenen dat aan uittreding van een deelnemer per vraagstuk andere voorwaarden worden verbonden.

4

Technische en juridische kanttekeningen (Halderberge en Woensdrecht) 1. Onder kopje Intitulé: Alphen-Chaam ontbreekt bij de eerste opsomming van gemeenten; Reactie: Dit is aangepast in de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling. 2. Onder kopje Overwegende dat: bij het 3de streepje opnemen dat de gemeenten daartoe een openbaar lichaam hebben ingesteld; Reactie: Dit is aangepast in de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling. 3. Liever spreken over het vaststellen van een gewijzigde gemeenschappelijke regeling i.p.v. het intrekken van een oudere regeling en een nieuwe in te laten gaan – GGD bestaat al en bestaande activiteiten en afspraken moeten door kunnen gaan; Reactie: Dit is aangepast in de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling. 4. Als ingangsdatum noemen: 1 juli 2024; Reactie: Dit is aangepast in de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling. 5. Artikel 4.1.b en 4.1.c: de vraag aan de GGD waarom deze wetten zijn opgenomen. Deze taken vallen onder plustaken. Verder is de benaming onjuist: West maatschappelijke opvang moet Wet maatschappelijke ondersteuning zijn; Reactie: Dit laatste deel is aangepast in de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling. Technische en juridische kanttekeningen (Woensdrecht) 6. Wij verzoeken u ook om toe te lichten waarom u ervoor kiest om in artikel 4.1.c wel Toezichtstaken in de Wet maatschappelijke opvang (moet zijn ondersteuning) op te nemen.

Dit wordt als plustaak door de gemeenten afgenomen en waarom andere plustaken niet worden vermeld; Dit vermelden we omdat we willen aangeven dat we vanuit de vijf in de GR genoemde wetten werken, maar het klopt dat dit een plustaak betreft. Dit verandert ook niet met de bepaling, die hierin nu is opgenomen.

5

Wijzigingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert houdende regels omtrent de GGD West-Brabant (Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant)

Intitulé Wijzigingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten AlphenChaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert houdende regels omtrent de GGD West-Brabant (Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant) De colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, BaarleNassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht, en Zundert; Overwegende dat -

ingevolge artikel 14 van de Wet publieke gezondheid de gemeenten zorgen voor de instellingen instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten;

-

de gemeenten een hechte samenwerking bij de publieke gezondheid wenselijk vinden;

-

de gemeenten daartoe een openbaar lichaam hebben ingesteld waaraan zij bevoegdheden willen overdragen en middelen ter beschikking willen stellen;

-

door het bestuur en het beheer van het openbaar lichaam de gemeentebesturen zoveel mogelijk betrokken moeten blijven bij die belangenbehartiging;

-

de financiële risico’s voor de gemeenten door een adequate bedrijfsvoering zo laag mogelijk moeten blijven;

-

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

BESLUITEN: onder gelijktijdige intrekking van de huidige Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant vast te stellen, per 1 juli 2024, de Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant 2024

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begrippen 1.

Deze regeling verstaat onder: -

publieke gezondheidszorg: de gezondheidsbeschermende en

gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten; -

wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

-

regeling: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant;

-

gemeenten: aan de regeling deelnemende gemeenten;

-

college: college van burgemeester en wethouders van een gemeente;

-

raad: raad van een gemeente;

-

gedeputeerde staten: college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

-

GGD: Gemeentelijke Gezondheidsdienst West-Brabant;

-

geneeskundige hulpverlening: geneeskundige hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s;

-

basistaken: de taken die de gemeenten wettelijk verplicht zijn af te nemen van de GGD en de taken die de gemeenten collectief willen afnemen zoals het algemeen bestuur die heeft aangewezen;

-

aanvullende taken: taken die een gemeente boven de basistaken kan afnemen op basis van afspraken met de GGD.

2.

Waar de regeling artikelen van de Gemeentewet of een andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing verklaart, wordt in die artikelen in plaats van 'de gemeente', 'de raad', 'burgemeester en wethouders' en 'de burgemeester' respectievelijk gelezen: 'de GGD', 'het algemeen bestuur', 'het dagelijks bestuur' en 'de voorzitter'.

Artikel 2 Het openbaar lichaam Er is een openbaar lichaam: de GGD West-Brabant, gevestigd te Breda.

Hoofdstuk 2 Doel en taken Artikel 3 Doel

1.

Het doel van deze regeling is: het behartigen van de belangen van de gemeenten op het gebied van de publieke gezondheid.

2.

De gemeenten houden de GGD in stand en zo nodig andere vormen van organisatie op het gebied van de publieke gezondheid.

Artikel 4 Taken

1.

De gemeenten dragen aan de GGD de uitvoering op van: a. Gemeentelijke taken in de Wet publieke gezondheid; b. Toezichtstaken in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

c. Toezichtstaken in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; d. Gemeentelijke lijkschouwtaken in de Wet op de lijkbezorging; e. Taken voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ).

2.

Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering opdragen van taken voor de geneeskundige hulpverlening en van andere taken.

3.

Het algemeen bestuur kan naar redelijkheid en billijkheid de basistaken opnieuw vaststellen.

4.

Indien een gemeente wil afwijken van de afname van de overeengekomen basistaken, kan het algemeen bestuur hieraan voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld een afbouwregeling zoals beschreven in artikel 20, lid 2

5.

De aanvullende taken zijn zo beschreven dat een gemeente op basis hiervan kan besluiten tot afname op contractbasis.

Hoofdstuk 3 De bestuursorganen Artikel 5 Het algemeen bestuur

1.

Het algemeen bestuur bestaat uit minimaal evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door minimaal één lid vertegenwoordigd.

2.

Elk college wijst dit lid uit zijn midden aan, zo spoedig mogelijk na de benoeming van de collegeleden na de verkiezing van de leden van de raad.

3.

Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de collegeleden van de gemeente aftreden, als bedoeld in artikel 42 van de Gemeentewet.

4.

Als een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid van het college te zijn, eindigt ook zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature en deelt de voorzitter dit binnen één week mee.

5.

Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van toepassing.

6.

Het college waarvan het algemeen bestuur een lid aanwijst als lid van het dagelijks bestuur heeft het recht een tweede lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel is van toepassing op deze leden.

7.

Wanneer het in lid 6 genoemde eerst aangewezen lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur, vervalt het recht van het college om een tweede lid in het algemeen bestuur aan te wijzen.

8.

Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs. Artikel 6 Het dagelijks bestuur

1.

De voorzitter van het dagelijks bestuur is een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten.

2.

Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden tenminste drie andere leden van het dagelijks bestuur aan. De voordracht van deze leden gebeurt: -

voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners;

-

voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners;

-

voor twee leden: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van gemeenten met minder dan 40.000 inwoners.

3.

Het dagelijks bestuur bestaat naast de leden genoemd in lid 1 van dit artikel uit twee leden die het algemeen bestuur aanwijst op grond van hun deskundigheid op het terrein van de publieke gezondheidszorg en/of financiën en bedrijfsvoering. Deze twee leden behoeven geen lid te zijn van het algemeen bestuur of het bestuur van een gemeente en kunnen, als het algemeen bestuur daartoe besluit, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.

4.

Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen als dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

5.

Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt ook op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

6.

Als tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

7.

Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel en van lid 4 van artikel 5 blijft hij die geen lid meer is van het dagelijks bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.

8.

Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.

Artikel 7 De voorzitter

1.

Als voorzitter wijst het algemeen bestuur een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten aan.

2.

Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

3.

De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

4.

De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris.

Hoofdstuk 4 Werkwijze Artikel 8 Het algemeen bestuur

1.

Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig vindt of tenminste drie leden dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen.

2.

Het algemeen bestuur besluit met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij elk lid één stem heeft. Geen stemrecht hebben de leden van het dagelijks bestuur waarvan de gemeenten een tweede lid als bedoeld in artikel 5, lid 6 aanwijzen.

3.

Voor het vaststellen van de begroting is daarnaast een meerderheid nodig van de leden die in totaal tenminste de helft vertegenwoordigen van het aantal inwoners van de gemeenten waarvan de leden een stem uitbrengen.

Artikel 9 Het dagelijks bestuur

1.

Aan het dagelijks bestuur behoren alle bevoegdheden behalve de volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur: -

het besluiten over (voorwaarden van) toetreding, uittreding, wijziging en opheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 7;

-

het vaststellen van de jaarrekening en het vaststellen en/of wijzigen van de begroting ende basistaken;

-

het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.

2.

Het dagelijks bestuur vergadert tenminste zesmaal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig vindt of tenminste drie leden van het dagelijks bestuur dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, waarna de vergadering binnen veertien dagen plaatsvindt.

3.

De artikelen 56 en 58 van de Gemeentewet over de werkwijze bij en het stemmen tijdens De vergaderingen zijn van overeenkomstige toepassing. Elk lid heeft in de vergadering van het dagelijks bestuur één stem.

4.

De stemming in het dagelijks bestuur geschiedt mondeling, tenzij de voorzitter of één van de leden verzoekt om schriftelijke stemming.

5.

Het dagelijks bestuur kan zijn bevoegdheden binnen nadere voorwaarden mandateren aan de directie en houdt daarop toezicht. Een organisatieverordening beschrijft de relatie tussen het dagelijks bestuur en de directie.

Artikel 10 Verantwoording en inlichtingen

1.

Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

2.

Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

3.

Ieder lid van het algemeen bestuur heeft een actieve en passieve informatieplicht. Het algemeen bestuur is verplicht de colleges en/of de raden desgevraagd en in ieder geval binnen zes weken te informeren en inlichtingen te geven over alle zaken over deze regeling. Zij informeert de raad na de vergadering van het algemeen bestuur over de besluiten. De GGD zal hierin de leden van het algemeen bestuur faciliteren.

4.

Het algemeen bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer colleges en/of raden advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig vindt.

5.

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn verplicht de door een of meer leden van de raad van een gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij verstrekken deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat daarom is gevraagd.

6.

Elk lid van het algemeen bestuur is daarnaast verplicht de door een of meer leden van het college of de raad van zijn gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is gevraagd.

7.

Elk lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de gemeente waarvan het college hem als lid heeft aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.

Artikel 11 Commissies

1.

Het algemeen bestuur kan commissies van advies, commissies ter behartiging van bepaalde belangen en klantenpanels instellen.

2.

Het dagelijks bestuur regelt de werkwijze van deze commissies en klantenpanels.

Artikel 12 Inwonerparticipatie 1. Inspraakmogelijkheden voor inwoners wordt via de raden van de gemeenten ingevuld. 2. Inwoners kunnen daarnaast participeren in klantenpanels. 3. De GGD West-Brabant werkt zoveel mogelijk outreachend en samen mét de inwoners. 4. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar toegankelijk.

Hoofdstuk 5 Organisatie Artikel 13 De directie

1.

De GGD heeft een directie die belast is met de dagelijkse leiding en het beheer van de dienst. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directie.

2.

Het dagelijks bestuur stelt in een organisatieverordening regels vast over de inrichting van de organisatie, de medische verantwoordelijkheden, de taken en bevoegdheden van de directie ende wijze waarop het dagelijks bestuur toeziet op de uitvoering daarvan.

3.

Het algemeen bestuur kan besluiten om een tweehoofdige directie aan te stellen.

4.

De directie is secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur.

5.

Bij een tweehoofdige directie functioneert de door het dagelijks bestuur aangewezen directeur als secretaris.

6.

De secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en heeft daarin een adviserende stem.

Artikel 14 Archief

1.

Het dagelijks bestuur zorgt voor het archief, op basis van het bepaalde in de Archiefwet.

2.

De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden.

3.

Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Breda.

4.

De gemeentearchivaris van de gemeente Breda is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de Archiefwet.

5.

De archivaris van de gemeente Breda brengt [twee]jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 15 Financiën

1.

De deelnemende gemeenten zullen er steeds voor zorgen dat de GGD altijd over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, mits de GGD binnen de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kaders blijft.

2.

Als aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet hij onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek om over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

3.

Het dagelijks bestuur stelt bij of krachtens de Financiële verordening en een Nota reserves en voorzieningen, beiden vastgesteld door het Algemeen Bestuur, nadere regels voor de financiële administratie van het geldverkeer.

Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting

1.

Het algemeen bestuur stelt vierjaarlijks, bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, een meerjarenbeleidsplan vast waarin de financiële en inhoudelijke vooruitzichten worden uiteengezet. Het stelt voorafgaand aan die vaststelling de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hun zienswijze op het beleidsplan in te dienen. De jaarlijkse begroting dient te passen binnen deze kaders.

2.

Het in het vorige lid genoemde meerjarenbeleidsplan is samen met de jaarrekening de basis om de resultaten van de gemeenschappelijke regeling over een periode van vier jaar te evalueren.

3.

Jaarlijks vóór 1 februari zendt het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten een brief met daarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In deze brief zijn de door de deelnemende gemeenten gegeven richtlijnen verwerkt. Afwijken van deze richtlijnen kan alleen als het algemeen bestuur hiertoe besluit. Daarnaast bevat de kaderbrief de belangrijkste opgaven voor het komende jaar. Voorstellen voor nieuw beleid, die niet door de deelnemende gemeenten zijn opgenomen in de richtlijnen, worden in deze kaderbrief gedaan en expliciet vermeld als nieuw beleid.

4.

Jaarlijks uiterlijk 1 april zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, aan de leden van het algemeen bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten met het verzoek aan de raden om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen.

5.

Als de raming van de door elke gemeente verschuldigde bijdrage(n) is gebaseerd op het aantal inwoners, is dit het aantal inwoners per 1 januari van het jaar vóór het kalenderjaar conform de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

6.

De zienswijzen van de raden dienen uiterlijk 1 juli door de gemeenschappelijke regeling te zijn ontvangen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur. Daarna stelt het algemeen bestuur de begroting vast. Na de vaststelling door het algemeen bestuur dient de ontwerpbegroting uiterlijk 15 juli aangeboden te worden bij de provincie.

7.

Het algemeen bestuur kan een wijziging van de begroting die niet leidt tot een verhoging van de gemeentelijke bijdrage vaststellen zonder dat de raden daarover hun zienswijze geven.

8.

Indien een wijziging van de begroting vanuit Rijksmiddelen aan de gemeenten wordt gecompenseerd, wordt deze niet voor zienswijze aan de raden voorgelegd, tenzij het dagelijks bestuur van de GGD WB anders besluit.

Artikel 17 De jaarrekening Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op over het voorgaande jaar. Hij stuurt deze naar de gemeenten en naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het accountantsrapport uit te brengen.

Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 18 Toetreding 1.

Voor de toetreding van een gemeente volstaat het besluit van het college van die gemeente. Die toetreding heeft de instemming nodig van het algemeen bestuur.

2.

Aan de toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden,

Artikel 19 Evaluatie 1. Het algemeen bestuur kan het functioneren van de regeling desgewenst op ieder moment, bij voorkeur in het derde jaar van de AB-bestuursperiode, evalueren en betrekt de raden bij die evaluatie.

Artikel 20 Uittreding

1.

Een gemeente kan uittreden doordat het college een daartoe strekkend besluit stuurt aan het algemeen bestuur. Voor deze uittreding geldt een opzegtermijn van een kalenderjaar en zij treedt in werking op de datum die het besluit aangeeft.

2.

De uittredende gemeente is gedurende de drie jaren na afloop van het begrotingsjaar waarin de uittreding plaatsvindt een bijdrage verschuldigd van respectievelijk 100%, 66% en 33%. Hierop zijn ook de indexatie en begrotingswijzigingen van toepassing.

3.

Aan de uittreding kan het algemeen bestuur nadere voorwaarden verbinden.

Artikel 21 Wijziging

1.

Zowel het dagelijks bestuur als een college kan aan het algemeen bestuur voorstellen doen over het wijzigen van deze regeling. Het algemeen bestuur kan ook zelfstandig besluiten tot een voorstel tot wijziging.

2.

Wanneer het algemeen bestuur instemt met een voorstel tot wijziging, stuurt het dagelijks bestuur dit als voorstel naar de colleges.

3.

Deze regeling wordt gewijzigd als tenminste drie vierde van de colleges van de deelnemende gemeenten daarmee heeft ingestemd.

4.

Indien in een wijziging niet is bepaald wanneer deze in werking treedt, gaat de wijziging in op de eerste dag na die van bekendmaking in de Staatscourant door het gemeentebestuur van de gemeente Breda.

Artikel 22 Opheffing

1.

De regeling wordt opgeheven, wanneer de colleges van tenminste drie vierde van de gemeenten daartoe besluiten.

2.

Bij opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie, gehoord de colleges.

3.

Bij opheffing blijven de organen van het openbaar lichaam zo nodig in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

Hoofdstuk 8 Slot Artikel 23

1.

Deze regeling heet: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant en geldt voor onbepaalde tijd.

2.

Het gemeentebestuur van de gemeente Breda draagt zorg voor bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de regeling, van de besluiten tot wijziging en opheffing van de

regeling en van de besluiten tot toetreding en uittreding in de Staatscourant en stuurt deze besluiten naar gedeputeerde staten.

3.

In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur.

Ondertekening Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht d.d. [DATUM]; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, d.d. [DATUM];

Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant - toelichting Deze regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de bepalingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of de Gemeentewet. Waar die bepalingen verplicht zijn, staan ze meestal niet in deze regeling. Hieronder volgt een toelichting op enkele artikelen en nadere informatie over enkele punten nadere. Overal waar in de regeling 'hij' of 'zijn' staat, zou ook 'zij' of 'haar' kunnen staan. Aanhef De wet zegt dat gemeenten een gezondheidsdienst instellen en in stand houden voor de uitvoering van een aantal taken en dat ze dit doen samen met andere gemeenten. Daarom stellen de gemeenten deze gemeenschappelijke regeling vast. De regeling sluit aan bij de Wet publieke gezondheid (hierna: de wet), die in de plaats kwam van o.a. de Wet collectieve preventie volksgezondheid. De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan. De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn: -

gemeenten voeren de regie en moeten de GGD zo nodig direct kunnen inzetten.

-

er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD individueel en gezamenlijk aan te sturen;

-

de GGD functioneert binnen die kaders als een zelfstandige, professionele organisatie;

-

gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert.

De GGD moet dus genoeg keuzevrijheid bieden en flexibel aansluiten op de lokale wensen. Hij moet ook werken met een slagvaardige bedrijfsvoering, die leidt tot het behalen van de doelen. Daarbij kunnen de gemeenten, via het algemeen bestuur, inhoudelijke kaders stellen en toezichthouden op het beheer van de GGD. Het algemeen bestuur zal zich daarbij vooral richten op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het dagelijks bestuur richt zich vooral op het toezicht op de directie. Artikel 4 Taken Artikel 4 van de regeling sluit aan bij de wettelijke taken en de bepalingen in artikel 14 van de wet: Artikel 14, Wet Publieke Gezondheid 1.

Ter uitvoering van bij of krachtens deze wet opgedragen taken dragen de colleges van

burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg voor de instelling en instandhouding van een regionale gezondheidsdienst in die regio. (...) 4.

Met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, staat het college van burgemeester en wethouders vrij om de uitvoering van de taken of onderdelen van taken, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, onder h, en 5, tweede lid, onder a tot en met d, over te laten of mede over te laten aan een ander dan de gemeentelijke gezondheidsdienst.

Uit lid 4 van artikel 14 van de wet blijkt een gemeente de jeugdgezondheidszorg ook (mede) kan overlaten aan andere organisaties dan de gemeentelijke gezondheidsdienst. In West-Brabant gebeurt dit in een aantal gemeenten ook, voor de zorg voor de 0- tot 4-jarigen. Voor de andere wettelijke taken staat de koppeling met de GGD in lid 1 van artikel 14. Het algemeen bestuur bepaalt de omvang en de inhoud van het pakket bij de vaststelling van de basistaken en in de (jaarlijkse) begroting. Daarnaast zijn onderstaande artikelen uit de wet van toepassing op de gemeenschappelijke regeling: Artikel 2, Wet Publieke Gezondheid

1.

Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

2.

Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:

a.

het

verwerven

van,

op

epidemiologische

analyse

gebaseerd,

inzicht

in

de

gezondheidssituatie van de bevolking;

b.

het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie;

c.

het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;

d.

het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering;

e.

het bevorderen van medisch milieukundige zorg;

f.

het bevorderen van technische hygiënezorg;

g.

het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen;

h.

het geven van prenatale voorlichting aan aanstaande ouders.

(...)

Artikel 5, Wet Publieke Gezondheid

1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.

2.

Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:

a.

het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren,

b.

het ramen van de behoeften aan zorg,

c.

de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van het perinatale onderzoek op phenylketonurie (PKU), congenitale hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS) en het aanbieden van vaccinaties voorkomend uit het Rijksvaccinatieprogramma,

d.

het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding,

e.

het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.

(...) Artikel 6, Wet Publieke Gezondheid 1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort:

a.

het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied,

b.

het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing,

c.

bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 21, 22, 25 en

26. (...)

Artikel 8 Het algemeen bestuur Dit artikel beschrijft onder andere de besluitvorming in het algemeen bestuur. Het streven is: besluiten in consensus, maar toch is, als dat niet lukt, een nauwkeuriger beschrijving nodig. De algemene regel (in lid 2) is gelijk aan de besluitvorming in de gemeenteraad: het algemeen bestuur besluit met (absolute) meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Voor het vaststellen van de begroting moeten die stemmen daarnaast ook de meerderheid vertegenwoordigen van de inwoners van de gemeenten (waarvan de leden hun stem uitbrachten). Daardoor weegt in die besluiten ook het financieel belang van elke gemeente mee. Artikel 12 Inwonerparticipatie De inwonerparticipatie wordt voor het grootste deel weggelegd bij de deelnemende gemeenteraden. Deze optie voldoet het meest aan de wens om de inspraak te laten verlopen via het orgaan met de meeste democratische legitimiteit. Artikel 15 Financiën Artikel 194 en 195 van de Gemeentewet luiden: Artikel 194, Gemeentewet

1.

Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te brengen, doen gedeputeerde staten dit.

2.

Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde staten daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.

Artikel 195, Gemeentewet Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht. Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting Vóór de begroting stelt het algemeen bestuur een kadernota vast. Hierin staan de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren en de globale financiële gevolgen daarvan. Het algemeen bestuur bespreekt deze nota in april. Gemeenten kunnen hierdoor tijdig invloed uitoefenen. Daarnaast stelt het dagelijks bestuur in december een beheersbegroting vast, die de middeleninzet beschrijft van personeel, huisvesting en kapitaallasten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1680/documents/43502