5a-NL.IMRO.1674.1242VALERIUSLAAN49-0301 ruimtelijke onderbouwing_compressed.pdf
Tekst van het document
4. 7
LUCHTKWALITEIT
4. 7. 1
Wet milieubeheer
Toetsingskader Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. ,
Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde.
Beoordeling Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1. 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn mag een grens van 3. 000 woningen ,
worden gehanteerd.
In het voorliggend plan is sprake van het toevoegen van 5 nieuwe woningen zodat de ontwikkeling als NIBM wordt beschouwd. Een toetsing aan de grenswaarden kan daardoor achterwege blijven. ,
Conclusie Na het invoeren van de verkeersgegevens blijkt uit de NIBM-tool dat de ontwikkeling de NIBM-grens niet overschrijdt. Luchtkwaliteit levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling.
4. 7. 2
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. ,
Vanaf 1 januari 2023 is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het nieuwe instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit nu in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en later onder de Omgevingswet (Ow). Het CIMLK geeft inzicht in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging verspreid over heel Nederland. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO)2 of fijnstof (PM)10 die nemen deel aan de jaarlijkse monitoring. Het CIMLK heeft als doel luchtkwaliteitgegevens over Nederland voor iedereen op één plaats uniform en laagdrempelig beschikbaar te stellen en daarmee de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (digitaal) te ondersteunen. ,
,
,
Beoordeling Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. Het CIMLK is het instrument waarmee de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2 PM 10 en PM 25 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens in de kaart van het CIMLK. Op deze kaart is onder andere de Burgemeester Schneiderlaan opgenomen. In de tabel afbeelding zijn de concentraties NO 2 PM 10 en PM 25 voor het peiljaar monitoringsjaar 2021 en 2030 nabij het plangebied weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit monitoringsronde van 2022. Via de kaart zijn de volgende grenswaarden voor het plangebied bepaald: ,
,
,
Adres
2021
2030
NO 2 17 µg/m³ 12 µg/m³ PM 10 16µg/m³ 14 µg/m³ PM 25 10 µg/m³ 7 µg/m³ Tabel 1: luchtkwaliteitswaarden , afgerond op hele waarden ,
1 Wereldgezondheidsorganisatie
Jaargemiddelde maximale grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³
Jaargemiddelde WHO 1 advieswaarde 10 µg/m³ 15 µg/m³ 5 µg/m³
,
Uit de monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de concentraties voor NO 2 PM 10 en PM 25 voor de jaren 2021 en 2030 de jaargemiddelde maximale grenswaarden niet overschrijden. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen gaan dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. ,
,
Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO 2 PM 10 en PM 25 bepaald. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties gaan dalen worden ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht. ,
,
,
4. 8
CULTUURHISTORIE
4. 8. 1
Cultuurhistorische waardenkaart
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn. In navolgende uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie zijn de cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied weergegeven.
Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant
Het provinciaal cultuurhistorisch belang bestaat uit 5 kaartlagen: regio's cultuurhistorische landschappen cultuurhistorische vlakken archeologische landschappen en complexen van cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit en om de meest waardevolle gebieden en ensembles. Binnen het plangebied zijn slechts drie kaartlagen van belang: regio cultuurhistorische landschappen en archeologisch landschappen. Er wordt ingegaan op de cultuurhistorische waarde die van belang is voor het onderhavige plangebied. ,
,
,
,
,
4. 8. 2
Beoordeling en conclusie De cultuurhistorische waardenkaart geeft voor alle kaartlagen aan dat er geen cultuurhistorische gebieden of objecten worden aangetast bij de opbouw van een woonlaag met 5 appartementen. De opbouw van een extra woonlaag met 5 appartementen op het bestaande gebouw is niet in strijd met cultuurhistorische objecten of gebieden omdat deze zich niet in de directe omgeving van de ontwikkeling bevinden.
4. 9
ARCHEOLOGIE
4. 9. 1
Toetsingskader
Gemeenten hebben op basis van de Erfgoedwet de rol van bevoegd gezag op gebied van archeologie. Dit betekent dat de zorg voor het bodemarchief niet langer vrijblijvend is maar dat zij de ,
verantwoordelijkheid moeten nemen voor de archeologische monumentenzorg.
4. 9. 2
Beoordeling
De gemeente Roosendaal heeft vooralsnog geen specifiek archeologisch beleid geformuleerd. Bij het ontbreken van gemeentelijk beleid op dit vlak volgt de gemeente het provinciaal beleid. Hierbij wordt de provinciale 'cultuurhistorische waardenkaart (CHW)' als uitgangspunt genomen. Het plangebied kent een lage archeologische verwachtingswaarde. Ten behoeve van de planontwikkeling zijn geen bodemingrepen voorzien die de grond verstoren. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. ,
4. 9. 3
Conclusie
Er is op basis van de beschikbare data een lage archeologische verwachtingswaarde geconstateerd voor het gebied van de ontwikkeling. Daarbij komt dat er voor de ontwikkeling geen werkzaamheden in de grond plaats hoeven te vinden. De ontwikkeling betreft namelijk een opbouw er wordt dus geen extra grondoppervlak aangesproken. ,
4. 10
EXTERNE VEILIGHEID
4. 10. 1
Toetsingskader
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen kantoren scholen enz. ) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. ,
,
,
,
4. 10. 2
Beoordeling
Het initiatief voorziet in de realisatie van een opbouw met 5 appartementen waardoor het plan zelf geen risico’s voor de omgeving oplevert. Met het plan worden woningen en dus nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Daarom is met behulp van de risicokaart nagegaan of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied zich bevindt binnen risicocontouren en/of invloedsgebied van risicovolle transportroutes. ,
,
Rijksweg A58 De Rijksweg A58 ligt op ongeveer 430 meter ten noorden van het plangebied. Over de Rijksweg A58 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats met een richtafstand van 880 meter. De PR 10 -6 contour reikt niet tot het plangebied. Het plangebied ligt buiten de zone van 200 meter van de weg waardoor een berekening van het groepsrisico niet aan de orde is. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario. Toetsing aan art 7. Bevt is aan de orde waarbij in wordt gegaan op de begrippen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. ,
,
Spoorlijn Roosendaal
–
Breda
De spoorlijn Roosendaal – Breda ligt op ongeveer 285 kilometer meter ten noorden van het plangebied. Over de spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats met een richtafstand van 4. 000 meter. De PR 10 -6 contour reikt niet tot het plangebied. Het plangebied ligt buiten de zone van 200 meter van het spoor waardoor een berekening van het groepsrisico niet aan de orde is. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario. Toetsing aan art 7. Bevt is aan de orde waarbij in wordt gegaan op de begrippen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. ,
,
,
Spoorlijn Roosendaal
–
Antwerpen
De spoorlijn Roosendaal – Antwerpen ligt op ongeveer 930 meter ten westen van het plangebied. Over de spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats met een richtafstand van 4. 000 meter. De PR 10 -6 contour reikt niet tot het plangebied. Het plangebied ligt buiten de zone van 200 meter van het spoor waardoor een berekening van het groepsrisico niet aan de orde is. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario. Toetsing aan art 7. Bevt is aan de orde waarbij in wordt gegaan op de begrippen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. ,
,
Zelfredzaamheid Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is te schuilen mits ramen deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). ,
,
De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels ramen en kozijnen zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. ,
,
,
,
De
Veiligheidsregio
adviseert daarnaast in het algemeen om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risicocommunicatie. Bestrijdbaarheid Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. ,
Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. ,
Volstaan kan worden met het standaard advies van de Veiligheidsregio.
4. 10. 3
Conclusie
Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen. In het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van enkele spoorlijnen en de A58 ligt is een verantwoording van de aspecten bestrijdbaarheid en ,
zelfredzaamheid opgenomen.
4. 11
M. E. R. -BEOORDELING
4. 11. 1
Toetsingskader
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m. e. r. ) of het verrichten van een m. e. r. -beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft. In het Besluit m. e. r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m. e. r. -plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m. e. r. -beoordelings-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage Dactiviteiten); er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m. e. r. -plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden is een m. e. r. niet noodzakelijk. ,
In kolom 2 van bijlage D: 'gevallen' staan drempelwaarden waar de in kolom 1 benoemde activiteit aan moet voldoen. Deze drempelwaarde is vaak uitgedrukt in een bepaalde lengte (minimaal x kilometer) of een bepaalde grootte (minimaal x stuks/woningen/hectare) etc. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1: 'activiteiten' en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen' geldt voor het te nemen besluit een m. e. r. -beoordelingsplicht. ,
Per 7 juli 2017 is het Besluit m. e. r. gewijzigd: ook voor activiteiten beneden de drempelwaarden dient voortaan nagegaan te worden of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Ook de Wet natuurbescherming of een provinciale verordening kan hierbij van belang zijnDe toets
wordt door (of in opdracht van) het bevoegd gezag uitgevoerd. Voor deze toets wordt de term vormvrije m. e. r. -beoordeling gehanteerd. De m. e. r. -beoordeling dient altijd te worden uitgevoerd als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m. e. r. en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de m. e. r. -beoordeling gelden twee voorwaarden: • Het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m. e. r. • De omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).
4. 11. 2
Beoordeling
Woningbouw is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m. e. r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2 onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m. e. r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: • een oppervlakte van 100 hectare of meer • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200. 000 m2 of meer ,
,
,
De beoogde herontwikkeling drempelwaarden niet.
,
die
met
dit
plan
wordt
mogelijk
gemaakt
,
overschrijdt
deze
Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m. e. r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Eerder oordeelde de Raad van State bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen (weliswaar binnen de bebouwde kom) gelet op beperkte omvang niet kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11. 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m. e. r. ,
,
,
(Uitspraak 201901439/1/R1). Voorliggende herziening voorziet in de realisatie van een opbouw met 5 appartementen. De drempelwaarden zijn vele malen hoger. Daarnaast is geen sprake van ligging in een gevoelig gebied. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.) de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten treden geen belangrijke negatieve milieugevolgen op. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. ,
4. 11. 3
Conclusie
Het plan kan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en/of landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit m. e. r. en voorziet niet in activiteiten met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het maken van een milieueffectrapport of een (vormvrije) m. e. r. beoordeling is niet nodig.
4. 12 Geur
OVERIGE ASPECTEN
volksgezondheid i. r. t. veehouderijen spuitzones gewasbeschermingsmiddelen en hoogspanningslijnen (bijvoorbeeld) zijn niet toegelicht in de onderbouwing. Deze milieuaspecten vormen geen belemmering voor de planvorming. ,
,
5. 0
UITVOERBAARHEID
5. 1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Roosendaal en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Roosendaal daarom een kostenneutrale ontwikkeling.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.
5. 2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een afwijking van het bestemmingsplan volgens artikel 2. 12 lid 1 sub a onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het 'planafwijkingsbesluit' doorloopt de uitgebreide procedure zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wabo. Hiertoe wordt het besluit verzonden naar de vooroverleginstanties. Daarnaast krijgen belanghebbenden gedurende 6 weken de mogelijkheid om hun zienswijzen naar voren te brengen. Na afloop van de procedure kan worden geconcludeerd dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is. ,
,
,