232-2025 Beantwoording raadsvragen CDA - Voortgang GebiedsGerichte Aanpak (GGA) Brabantse Wal.pdf
Tekst van het document
Raadsvraag (art. 37)
Gesteld door:
CDA Datum Onderwerp Portefeuillehouder
27 november 2025 232-2025 Raadsvragen CDA - Voortgang GebiedsGerichte Aanpak (GGA) Brabantse Wal College B&W
De fractie heeft de volgende vragen: Geachte voorzitter,
Op 2 april 2024 zijn er raadsvragen (059-2024) beantwoord van diverse fracties, waaronder het CDA Roosendaal, over met name de GebiedsGerichte Aanpak (GGA) Brabantse Wal. Daarna, op 13 juni 2024, is de gemeenteraad geïnformeerd over het Visiedocument GGA Brabantse Wal (raadsmededeling 36-2024). Voor zover wij hebben kunnen terugvinden, is de gemeenteraad daarna niet meer geïnformeerd over dit onderwerp.
De Brabantse Wal is een Natura 2000-gebied. Dit betekent dat er wettelijke verplichtingen van toepassing zijn (op grond van o.a. de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de Wet Natuurherstel en Stikstofreductie en de Kaderrichtlijn Water). Om die reden, en omdat de natuur op onderdelen aan verbetering toe is, richt de GGA zich vooral op de bodem, het water en de lucht. Maar de GGA zal zeer waarschijnlijk ook gevolgen gaan hebben voor de woningbouw, de landbouw en andere economische ontwikkelingen.
De uitwerking van de GGA is een groot en complex proces. Daarin zijn meerdere overheden, maatschappelijke partners en belanghebbenden betrokken. Uiteraard moet er daarom goed naar alle belangen worden gekeken. Het is goed om de natuur te versterken. Het is ook goed om de ondernemers die in dit gebied actief zijn te ondersteunen. Zij maken namelijk het gezonde en verse voedsel dat wij elke dag nodig hebben.
De natuur op de Brabantse Wal gaat deels achteruit vanwege stikstof. Het is algemeen bekend dat 60% daarvan afkomstig is uit België. Een relatief klein deel is afkomstig van agrarisch ondernemers. Het is dan ook volgens ons niet logisch om in overwegende mate aan agrarisch ondernemers beperkingen op te gaan leggen met het oog op stikstofreductie. Dat is gelukkig ook niet het uitgangspunt van het Roosendaalse ambitieakkoord ‘Zij aan Zij’. Daarin staat op pagina 11: “We bieden agrarische ondernemers de mogelijkheid om de landbouw verder te verduurzamen en tegelijkertijd te werken aan een gezonde bedrijfsvoering.”
Toch bereiken ons recentelijk geluiden dat er grote zorgen bestaan bij agrarisch ondernemers over de gevolgen van de GGA. Er zou sprake zijn van een ‘conditiekaart’ waarop verschillende zones zijn ingetekend. De bij enkele van die zones behorende voorwaarden zouden een behoorlijke bedrijfsvoering zo goed als onmogelijk maken. Er zou namelijk sprake zijn van het verbieden van beregening, gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest, terwijl niet zou zijn voorzien in compensatie voor de aanzienlijke waardevermindering van de grond die dit met zich zou brengen.
Over het bovenstaande hebben wij de volgende vragen.
Algemeen: 1. Hoe is de gemeenteraad na de raadsmededeling 36-2024 verder geïnformeerd over de voortgang van de GGA Brabantse Wal? 2. Kunt u uitleggen wat de rol van de gemeenteraad van Roosendaal is binnen de GGA Brabantse Wal, en met name welke besluiten er op welke termijn door ons genomen moeten worden? 3. Vindt u dat de gemeenteraad voldoende op de hoogte is om die besluiten te kunnen nemen, en waarom? 4. Wat is op dit moment de stand van zaken van de GGA Brabantse Wal, hoe ziet het tijdpad voor de komende tijd eruit en hoe wordt de gemeenteraad hierin meegenomen? Agrarisch ondernemerschap: 5. Herkent u de hierboven beschreven grote zorgen, in hoeverre zijn deze volgens u gegrond en op welke manier worden deze geadresseerd in de verdere uitwerking van de GGA Brabantse Wal? 6. Hoe borgt u binnen het proces van de GGA Brabantse Wal dat agrarisch ondernemers op en rond de Brabantse Wal in staat worden gesteld om een gezonde en duurzame bedrijfsvoering te blijven voeren? 7. Hoe is getoetst of de plannen binnen de GGA Brabantse Wal die de agrarisch ondernemers raken daadwerkelijk bijdragen aan de natuurdoelen? 8. Hoe schat u de gevolgen in van het onmogelijk maken van beregening, gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest op gronden met een actieve agrarische bestemming? Wie zal, gelet op de waardevermindering, deze gronden nog willen kopen? 9.
Blijft er, zowel ruimtelijk als financieel, voldoende ruimte voor agrarisch ondernemers die willen extensiveren (en die daarvoor betaalbare grond met de juiste gebruiksmogelijkheden nodig hebben)? 10. In hoeverre is er aandacht voor de financiële gevolgen voor agrarisch ondernemers van het verminderen van gebruiksmogelijkheden op bestaande agrarische gronden, en van de stijgende schaarste van gronden waar nog wel gebruiksmogelijkheden zijn? Komt de overheid tegemoet aan deze ondernemers daar waar de financiële gevolgen voortkomen uit veranderd beleid? 11. Hoe wordt er omgegaan met het vrijkomen van agrarische gronden door ondernemers die geheel of gedeeltelijk stoppen? Hoe wordt voorkomen dat de ruimtelijke kwaliteit op deze locaties achteruit gaat? Welke mogelijkheden voor beheer of nieuw eigenaarschap zijn hier realistisch? Overig: 12. In West-Brabant worden er veel groenten geproduceerd voor de Nederlandse markt. Wat zijn naar verwachting de gevolgen van de GGA Brabantse Wal voor de voedselproductie en de voedselprijzen?
13. Hoe wordt er op dit moment gewerkt aan het verminderen van de stikstofdepositie op de Brabantse Wal die afkomstig is van andere bronnen dan onze agrarisch ondernemers, met name bronnen in onze buurlanden? 14. Is al bekend in hoeverre de GGA Brabantse Wal invloed gaat hebben op onze woningbouwopgave, en zo ja: wat is die invloed? 15. In hoeverre vindt er op dit dossier overleg plaats met de provincie, en bent u, indien u onze zorgen deelt, bereid deze met het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant te delen (het CDA Roosendaal zal overigens ook zijn communicatiekanalen binnen de provincie aanspreken)?
Namens, Sebastiaan Hamans en Pieter Smits (CDA Roosendaal)
Wij beantwoorden de vraag als volgt: Algemeen: 1. Hoe is de gemeenteraad na de raadsmededeling 36-2024 verder geïnformeerd over de voortgang van de GGA Brabantse Wal? De raadsmededeling 36-2024 is de laatste berichtgeving geweest m.b.t. het GGA-proces. Na die tijd is door de 18 gebiedspartners gezamenlijk, onder regie van de gebiedsmanager, intensief gewerkt aan het concept-ontwikkelperspectief Brabantse Wal dat momenteel in wording is.
2. Kunt u uitleggen wat de rol van de gemeenteraad van Roosendaal is binnen de GGA Brabantse Wal, en met name welke besluiten er op welke termijn door ons genomen moeten worden? Tussen de overheden die betrokken zijn bij de GGA Brabantse Wal (Provincie, gemeenten en waterschap) vindt momenteel afstemming plaats over de besluitvorming van het Ontwikkelperspectief. Allereerst is voorzien dat het Bestuurlijk Overleg GGA Brabantse Wal, waarin alle gebiedspartners zijn vertegenwoordigd, in maart 2026 een standpunt inneemt over het Ontwikkelperspectief. Binnen het bestuurlijk overleg GGA Brabantse Wal wordt afgestemd op welke wijze het ontwikkelperspectief door de betrokken overheden (provincie, waterschap en gemeenten) wordt verankerd. De intentie van Roosendaal is dat het Ontwikkelperspectief na de zomer 2026 ter vaststelling aan de gemeenteraad worden aangeboden met in achtneming van de daarbij behorende inspraak en participatie conform de Wet Algemeen Bestuursrecht.
3. Vindt u dat de gemeenteraad voldoende op de hoogte is om die besluiten te kunnen nemen, en waarom? Ja, omdat het door het Bestuurlijk Overleg GGA Brabantse Wal geaccordeerde Ontwikkelperspectief met u zal worden gedeeld. Op dit moment zit we nog in de voorbereidende fase en een procedure inclusief besluitvorming is nu nog niet aan de orde.
4. Wat is op dit moment de stand van zaken van de GGA Brabantse Wal, hoe ziet het tijdpad voor de komende tijd eruit en hoe wordt de gemeenteraad hierin meegenomen? Zie beantwoording vraag 2.
Agrarisch ondernemerschap: 5. Herkent u de hierboven beschreven grote zorgen, in hoeverre zijn deze volgens u gegrond en op welke manier worden deze geadresseerd in de verdere uitwerking van de GGA Brabantse Wal? Wij veronderstellen dat de zorgen die u omschrijft zijn ingegeven door de Statenmededeling Aanpak overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden d.d. 21 oktober 2025 (bijlage). Daarin is beschreven welke stappen de Provincie op dit moment gaat en moet zetten (op basis van jurisprudentie) en voor welke zaken de provincie afhankelijk is van de keuzes van een volgend kabinet.
De Statenmededeling gaat over het beleid dat de provincie aan het ontwikkelen is voor overgangsgebieden. Dit beleid wordt niet gemaakt binnen de GGA. De signalen uit de GGA zijn wel input voor de ontwikkeling van het beleid. Tegelijkertijd kan de GGA helpen om dit beleid uit te voeren. De agrarische sector is vertegenwoordigd in de GGA en levert via deze lijn directe inbreng voor de ontwikkeling van het beleid, plannen en projecten. Binnen de GGA Brabantse Wal kunnen concrete projectvoorstellen in de nabijheid van Natura 2000 gebieden een bijdrage leveren aan het verminderen van drukfactoren op de N2000-gebieden. Voor de helderheid dient te worden vermeld dat er geen sprake is van een conditiekaart in het Ontwikkelperspectief. Het Ontwikkelperspectief, met een tijdshorizon tot 2050 schetst een visie van de gewenste ontwikkelingen om, op termijn, te voldoen aan de bestaande doelstellingen vanuit de Vogel- en habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Omdat er nog een aantal stappen gezet moet worden in de uitwerking van de overgangsgebieden kan op dit moment nog niet worden aangegeven hoe de uitwerking ervan binnen het GGA-proces is.
6. Hoe borgt u binnen het proces van de GGA Brabantse Wal dat agrarisch ondernemers op en rond de Brabantse Wal in staat worden gesteld om een gezonde en duurzame bedrijfsvoering te blijven voeren? De agrarische sector is als gebiedspartner vertegenwoordigd in de GGA Brabantse Wal. Met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving wordt in gezamenlijkheid het ontwikkelperspectief voor, onder andere, de agrarische sector geschetst. Het ontwikkelperspectief vormt daarna de basis om te kijken hoe deze beleidsdoelen het beste bereikt kunnen worden. De gemeente moet zich wel verhouden tot de regels van het rijk en de provincie.
7. Hoe is getoetst of de plannen binnen de GGA Brabantse Wal die de agrarisch ondernemers raken daadwerkelijk bijdragen aan de natuurdoelen? De basis voor projecten wordt gevormd door de Natuurdoelanalyse (NDA) waarin maatregelen zijn gedefinieerd die bijdragen aan het bereiken van de natuurdoelen. Deze maatregelen zijn beoordeeld door de Ecologische Autoriteit. Er vindt een actualisatie van het Natura 2000 beheerplan plaats. Daarin wordt eveneens gekeken naar welke maatregelen helpen bij het halen van de instandhoudingsdoelen.
8. Hoe schat u de gevolgen in van het onmogelijk maken van beregening, gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest op gronden met een actieve agrarische bestemming? Wie zal, gelet op de waardevermindering, deze gronden nog willen kopen? Voor de goede orde dient worden vermeld dat het overgangsgebiedenbeleid niet vanuit de GGA is geformuleerd maar een uitwerking van provinciaal beleid is. Er is op dit moment geen sprake van het onmogelijk maken van beregening, gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest. Voor gewasbeschermingsmiddelen en beregening geldt op basis van jurisprudentie wel een vergunningplicht. De provincie gaat voor gewasbeschermingsmiddelen onderzoeken of het mogelijk is voor bepaalde activiteiten een vrijstelling op te nemen, bijvoorbeeld biologische gewasbeschermingsmiddelen of een spotspray. Voor beregening is er samen met de waterschappen beleid in ontwikkeling waarbij iedereen minder gaat beregenen maar er wel beregening mogelijk blijft (dus geen beregeningsverbod). De provincie heeft op dit moment geen verplichte maatregelen ten aanzien van bemesting aangekondigd.
Vooralsnog worden overgangsgebieden niet opgenomen in de provinciale omgevingsverordening waardoor er nog geen sprake is van nadeelcompensatie. De provincie houdt een vinger aan de pols en als het doelbereik van de aanpak onvoldoende is kan, op termijn, de inzet van de omgevingsverordening in beeld komen. Het opnemen van extra gebruiksbeperkingen voor overgangsgebieden in de omgevingsverordening (bovenop de vergunningplicht) kan leiden tot nadeelcompensatie. Hiervoor is de provincie grotendeels afhankelijk van het beschikbaar komen van middelen vanuit het Rijk.
9. Blijft er, zowel ruimtelijk als financieel, voldoende ruimte voor agrarisch ondernemers die willen extensiveren (en die daarvoor betaalbare grond met de juiste gebruiksmogelijkheden nodig hebben)? Deze vraag is op voorhand niet te beantwoorden omdat bijvoorbeeld het kunnen beschikken over voldoende betaalbare grond niet op voorhand is te sturen.
10. In hoeverre is er aandacht voor de financiële gevolgen voor agrarisch ondernemers van het verminderen van gebruiksmogelijkheden op bestaande agrarische gronden, en van de stijgende schaarste van gronden waar nog wel gebruiksmogelijkheden zijn? Komt de overheid tegemoet aan deze ondernemers daar waar de financiële gevolgen voortkomen uit veranderd beleid? Zie beantwoording van vraag 8.
11. Hoe wordt er omgegaan met het vrijkomen van agrarische gronden door ondernemers die geheel of gedeeltelijk stoppen? Hoe wordt voorkomen dat de ruimtelijke kwaliteit op deze locaties achteruit gaat? Welke mogelijkheden voor beheer of nieuw eigenaarschap zijn hier realistisch? Op dit moment worden situaties van vrijkomende bedrijven individueel beoordeeld en wordt in 2026 beleid ontwikkeld voor de vrijkomende agrarische bedrijven (VAB). Het nieuwe beleid beoogt mogelijkheden om andere dan de oorspronkelijke activiteiten te koppelen aan in een gebied voorkomende kwaliteiten. Doel is om zo enerzijds recht te doen aan de kwaliteiten van een gebied en anderzijds mogelijkheden voor ondernemerschap.
Overig: 12. In West-Brabant worden er veel groenten geproduceerd voor de Nederlandse markt. Wat zijn naar verwachting de gevolgen van de GGA Brabantse Wal voor de voedselproductie en de voedselprijzen? Het betreft hier de gevolgen van beleidsontwikkeling en niet de gevolgen van de GGA. Deze vraag is niet te beantwoorden omdat dit afhankelijk is van marktwerking en verdere uitwerking van het provinciaal en rijks beleid. Er blijven in het GGA-gebied Brabantse Wal mogelijkheden voor voedselproductie, waarbij in de nabijheid van N2000-gebied vooral kansen liggen voor een meer biologische of natuurinclusieve bedrijfsvoering.
13. Hoe wordt er op dit moment gewerkt aan het verminderen van de stikstofdepositie op de Brabantse Wal die afkomstig is van andere bronnen dan onze agrarisch ondernemers, met name bronnen in onze buurlanden? Via de overleggen van de Rijksoverheid en Provincie met Vlaanderen wordt dit onderwerp geagendeerd.
14. Is al bekend in hoeverre de GGA Brabantse Wal invloed gaat hebben op onze woningbouwopgave, en zo ja: wat is die invloed? De woningbouwopgave zoals die in SRWB verband is afgesproken, is verwerkt in het ontwikkelperspectief. Uiteindelijk zal de reductie van de stikstof-depositie resulteren in het kunnen uitvoeren van infrastructurele en ruimtelijke projecten die nu beperkingen ondervinden. De projecten die door de gebiedspartners in de GGA worden uitgevoerd dragen bij aan het versterken van de natuur en het reduceren van de effecten van stikstofdepositie.
15. In hoeverre vindt er op dit dossier overleg plaats met de provincie, en bent u, indien u onze zorgen deelt, bereid deze met het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant te delen (het CDA Roosendaal zal overigens ook zijn communicatiekanalen binnen de provincie aanspreken)? De provincie is dossiereigenaar van de GGA Brabantse Wal en we zijn, zowel ambtelijk als bestuurlijk, in goed gesprek met de provincie en brengen daarbij signalen die wij ontvangen over en maken ze bespreekbaar wat overigens ook door de gebiedspartners wordt gedaan.
Wij vertrouwen erop U hiermede voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Roosendaal, De secretaris,
De burgemeester,
drs. H.W.J. Klaucke
M. Buijs
Statenmededeling
Datum Onderwerp
Aanpak overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden
21 oktober 2025 Documentnummer
6193465 Programma
Natuur
Aan Provinciale Staten van Noord-Brabant, Kennisnemen van De aanpak overgangsgebieden en het voornemen van GS om voor 17 Natura 2000-gebieden in Brabant in één keer het Natura 2000beheerplan te actualiseren voor wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening. Aanleiding Op 15 oktober 2024 zijn Provinciale Staten geïnformeerd over de Aanpak Landelijk Gebied (ALG). In deze Statenmededeling is aangekondigd dat er voor overgangsgebieden aanvullend beleid moet worden uitgewerkt in een programma onder de Omgevingswet. Zoals aangekondigd in de Statenmededeling Participatietraject programma Overgangsgebieden van 25 maart 2025 hebben we de afgelopen periode een verkenning onder partners en belanghebbenden uitgevoerd om breed inhoud op te halen voor het uitwerken van een aanpak voor overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden. In deze Statenmededeling informeren wij u over het vervolgtraject van de aanpak overgangsgebieden, waarbij we aangegeven welke stappen wij als provincie op dit moment gaan en moeten zetten (op basis van jurisprudentie) en voor welke zaken wij afhankelijk zijn van de keuzes van een volgend Kabinet.
Overgangsgebieden zijn zones rond N2000-gebieden waar de provincie via maatregelen op het vlak van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en hydrologisch watersysteemherstel (hogere waterpeilen en grondwateronttrekkingen t.b.v. beregening) wil sturen op herstel van de biodiversiteit en Brabant Open. Vanuit de
aanpak overgangsgebieden zal geen verplichting volgen om deze gronden de bescherming van een N2000-gebied te geven of onderdeel te maken van het Natuurnetwerk. Het demissionaire Kabinet-Schoof heeft in de kamerbrief “startpakket Nederland van het slot” besloten de aanpak (met betrekking tot zonering/strokenbeleid) te starten in de Veluwe en De Peel. De Brabantse problematiek rondom het tegengaan van verslechtering in Natura 2000gebieden is groter dan De Peel en ook breder dan enkel de stikstofdepositie. Het gaat ook om het herstellen van de hydrologische condities en het verminderen van andere drukfactoren. De aanpak voor overgangsgebieden is noodzakelijk voor Brabant Openhouden. Als provincie Noord-Brabant verhouden wij ons tot de Rijksoverheid, niet in de laatste plaats omdat wij voor financiering van dit beleid en uitvoering grotendeels afhankelijk zijn van Rijksmiddelen. Daarom zoeken we in de aanpak overgangsgebieden naar de balans tussen ambitie en beschikbare middelen, zoals ook is benoemd in de Statenmededeling van 25 maart. GS willen negatieve effecten vanuit de omgeving op de overbelaste Natura 2000-gebieden verminderen door maatregelen te nemen in de overgangsgebieden om daarmee de natuur in de Natura 2000-gebieden te versterken. Deze verplichting volgt uit de Vogel- en Habitatrichtlijn.
We weten dat maatregelen die we nemen dicht nabij Natura 2000-gebieden een (relatief) grote bijdrage kunnen leveren aan doelbereik in de Natura 2000 gebieden. Het uitgangspunt is dat de gronden hun agrarische functie behouden en dat wij agrarisch ondernemers een zo helder mogelijk perspectief bieden op de gebruiksmogelijkheden van de gronden. In de overgangsgebieden bevinden zich ook gronden die geen agrarisch gebruik kennen, zoals stedelijk gebied en gronden voor recreatie. De aanpak overgangsgebieden heeft betrekking op het landelijk gebied, en kan daarmee dus ook impact hebben op recreatieve ondernemers met intensief grondgebruik, denk aan een golfbaan die grondwater onttrekt of gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Verhoudingsgewijs gaat dit om kleinere aantallen ondernemers. De aanpak overgangsgebieden is onderdeel van een bredere aanpak om drukfactoren op Natura 2000-gebieden te verminderen en te werken aan natuur-en waterherstel. Ook vanuit de BOS 2.0, de KRW-impuls, de ALG en GGA, de uitvoeringsagenda Landbouw en Voedsel en het Actieplan Gewasbeschermings-middelen werken we aan deze doelen. Het is dan ook uitdrukkelijk niet zo dat met de inzet op overgangsgebieden álle drukfactoren op Natura 2000-gebieden worden weggenomen; samen met de andere dossiers beogen wij de weg naar natuurherstel in te slaan.
2/10
Datum
21 oktober 2025
Met deze Statenmededeling geven wij tevens invulling aan uw motie M110-2023 Natuurnetwerk Brabant in versnelling waarin u oproept om in N2000-bufferzones voorbereidingen te gaan treffen ten behoeve van herstel van de natuurwaarden en extensivering van de landbouw. We zetten hiervoor de Rijksmiddelen zoals de no-regret middelen, LPN-fase 2 en verwachte middelen vanuit de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) voor De Peel in. Wij beschouwen de motie hiermee als afgedaan. Bevoegdheid Het vaststellen van een programma onder de Omgevingswet (in dit geval het Natura 2000-beheerplan) is een bevoegdheid van GS. GS zijn het bevoegd gezag voor het natuurbeleid binnen de provincie, inclusief de onderdelen vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het verlenen van omgevingsvergunningen voor Natura 2000activiteiten. Rollen en belangen Overgangsgebieden zijn onderdeel van een breder pakket aan maatregelen voor het versterken en beschermen van de Natura 2000gebieden en het behalen van de KRW-doelen. Dit is van belang om ervoor te zorgen dat we Brabant openhouden voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Kernboodschap 1. De aanpak overgangsgebieden gaat bestaan uit drie lijnen: 1) via de uitvoeringsmaatregelen in GGA-gebieden, 2) vergunningverlening en handhaving op orde en 3) indien nodig de inzet van de omgevingsverordening. 1.
Gebiedsgerichte aanpak (GGA) In de GGA werken gebiedspartners sinds 2021 samen aan oplossingen voor natuurherstel van stikstofgevoelige N2000-gebieden, voldoende water met een betere kwaliteit, een goede bodem en de toekomst van de landbouw. Het realiseren van overgangsgebieden (gebiedsgericht) heeft hier een plek in, bijvoorbeeld via de inzet van financieel- en grondinstrumentarium en het combineren van het overgangsgebied met andere opgaves, zoals groenblauwe dooradering. Daarnaast is het voor het herstel van de Natura 2000gebieden nodig dat maatregelen voor hydrologisch herstel (zoals beschreven in de natuurdoelanalyses) worden uitgevoerd. Met de Aanpak Landelijk Gebied (ALG) geeft de provincie een extra impuls om de uitvoering van projecten in de groenblauwe gebiedsgerichte aanpak te versnellen. Er is in dit kader budget voor projectvoorstellen in de directe nabijheid van N2000-gebieden die voldoende bijdragen aan het verminderen van drukfactoren op N2000-gebieden. Deze
3/10
Datum
21 oktober 2025
aanpak komt ook tegemoet aan de wens van stakeholders om maatwerk per gebied te leveren.
Datum
21 oktober 2025
2. Vergunningverlening en handhaving op orde Vanwege de urgentie en verantwoordelijkheid om ons maximaal in te spannen voor de N2000- en KRW-doelstellingen, is het noodzakelijk om daarnaast een extra stap te zetten. Naast de gebiedsgerichte aanpak zijn ook generieke maatregelen nodig om de negatieve effecten vanuit de omgeving op N2000-gebieden te verminderen. Met de aanpak overgangsgebieden willen we deze generieke maatregelen vormgeven. De jurisprudentie rondom gewasbeschermingsmiddelen (onder andere uitspraak lelieteelt in Drenthe) en grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening (uitspraak de Peel) onderstrepen de noodzaak voor deze generieke aanpak. Voor activiteiten met mogelijk significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit nodig. Uit de jurisprudentie volgt dat deze vergunningplicht ook aan de orde is bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en grondwateronttrekkingen met mogelijke effecten op N2000gebieden. Daarom is het noodzakelijk om het onderdeel ‘Toetsing huidige activiteiten en vergunningverlening’ in de Natura 2000beheerplannen voor agrarische activiteiten te actualiseren en een handhavingsaanpak op te stellen. De provincie gaat hiermee stappen zetten in de richting van het meer reguleren van deze activiteiten rondom de Natura 2000-gebieden.
De eerdergenoemde uitspraken hebben geleid tot onzekerheid voor ondernemers over mogelijke beperkingen in het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en grondwateronttrekkingen. We zetten ons in om zo snel mogelijk een helder kader te ontwikkelen zodat duidelijkheid ontstaat over wat waar wel en niet is toegestaan. De provincie werkt, samen met de waterschappen, aan het Brabant Brede Beregeningsbeleid. De beschreven maatregelen in dit beleid moeten voldoen aan de wettelijke verplichtingen van de VHR. Voor juridische zekerheid zijn we echter ook afhankelijk van jurisprudentie die zich de komende jaren rond deze onderwerpen zal ontwikkelen. Vanwege de urgentie van zowel de N2000-doelstellingen, het bieden van duidelijkheid aan ondernemers en het kunnen behandelen van handhavingsverzoeken willen wij dit onderdeel van de N2000beheerplannen voor de zomer van 2026 in één keer voor alle 17 N2000-gebieden (waar wij als provincie voortouwnemer van zijn) actualiseren. Dit betekent dat we in het geactualiseerde N2000beheerplan aangeven welke agrarische activiteiten zijn toegestaan, welke worden vrijgesteld van de vergunningplicht en voor welke
4/10
activiteiten in ieder geval een vergunningplicht geldt. Ook stellen we een handhavingsaanpak vast wat inzicht zal geven waar toezicht en handhaving zal worden ingezet. Daarmee gaat de aanpak overgangsgebieden integraal onderdeel uitmaken van de (verplichte) N2000-beheerplannen per gebied. Ondernemers in de omgeving van N2000-gebieden hebben daarmee duidelijkheid over een vergunningplicht voor gewasbeschermingsmiddelen en onttrekkingen. We onderzoeken of en hoe zonering zou kunnen werken en de benodigde omvang van de zone(s) waarin deze vergunningplicht in ieder geval aan de orde is. In de participatie en communicatie hebben we specifiek aandacht voor de ondernemers die dit gaat raken. De volledige Natura 2000-beheerplannen per gebied worden de komende jaren in clusters van een aantal gebieden geactualiseerd. De eerste vijf beheerplannen worden in 2027 definitief vastgesteld. De resterende beheerplannen worden in drie of vier clusters geactualiseerd, met een doorlooptijd tot 2031. Dit zijn aparte besluitvormingstrajecten. 3. Sturen op duurzaam grondgebruik Met de vergunningenplicht en het sturen op het beperken van emissies van gewasbeschermingsmiddelen en onttrekkingen sturen we indirect op duurzamer grondgebruik in gebieden rondom Natura 2000 (overgangsgebieden).
Dit in samenhang met het uitvoeren van hydrologische herstelmaatregelen rondom de Natura 2000-gebieden, grotendeels in de GGA onder verantwoordelijkheid van de waterschappen. De aanpassingen aan het watersysteem zullen leiden tot extensivering van het grondgebruik (meer grasland en minder intensieve teelten) en daarmee tot minder emissies. Op deze manier wordt bijgedragen aan natuurherstel en de doelstellingen voor de Kaderrichtlijn Water. Voor meststoffen (ammoniakuitstoot en nitraatuitspoeling) onderzoeken we hoe we dit goed kunnen meenemen in de Natura 2000-beheerplannen, waarbij we kijken of en zo ja welke maatregelen nodig zijn aanvullend aan Europees en landelijke beleid (8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn) en de aanpak vanuit de Kaderrichtlijn Water. In de verkennende fase is ook onderzocht wat de mogelijkheden zijn om overgangsgebieden op te nemen in de omgevingsverordening. In de omgevingsverordening kan met ge- en verboden steviger worden gestuurd op het verminderen van negatieve effecten vanuit de omgeving op N2000-gebieden. We houden de vinger aan de pols en als het doelbereik van bovenstaande aanpak onvoldoende is, kan dit op termijn leiden tot de inzet van de Omgevingsverordening.
5/10
Datum
21 oktober 2025
Het opnemen van extra gebruiksbeperkingen voor overgangsgebieden in de omgevingsverordening (boven op de vergunningplicht) kan leiden tot nadeelcompensatie. Hiervoor zijn we grotendeels afhankelijk van het beschikbaar komen van middelen vanuit het Rijk. 2. Uit de verkennende ronde blijkt steun bij partners voor het toewerken naar duurzamer grondgebruik in de omgeving van N2000-gebieden, er zijn wel verschillende beelden over de route daar naartoe. Er lijkt breed begrip te zijn voor de noodzaak van het verminderen van drukfactoren nabij de Natura 2000-gebieden. Uit de participatie blijkt echter wel dat er verschillende ideeën bestaan over de mate van extensivering (of innovatie) en de route er naar toe. Waarbij er vanuit de agrarische sector duidelijk geen behoefte is aan een verplichtend spoor terwijl andere belangenorganisaties (vanuit natuur of medeoverheden) de waarde van een verplichtend spoor – ook in relatie tot Brabant Openhouden – onderschrijven. Vanuit alle partijen wordt opgeroepen om maatwerk mogelijk te maken. 3. Perspectief voor agrarische ondernemers In de overgangsgebieden moet toekomstperspectief blijven voor agrarische ondernemers.
Doordat er een vergunningenplicht is bij nieuw gebruik (t.o.v de referentiesituatie –1994 of 2004) van gewasbeschermingsmiddelen en grondwateronttrekkingen waarbij het vanwege het verslechteringsverbod zeer de vraag is of die verleend kunnen worden, zal het grondgebruik in de praktijk meestal extensiever (moeten) worden. We spannen ons maximaal in voor behoud van een economische rendabele (extensieve) melkveehouderij in overgangsgebieden. Duurzame (melk)veehouderij (graslanden) zijn belangrijk om verdroging tegen te gaan en de emissies van meststoffen te verminderen. Maar ook akkerbouw blijft mogelijk binnen bepaalde voorwaarden (zoals biologische teelten) en waar passend in een hersteld watersysteem. Er blijft ook ruimte voor hoogproductieve, duurzame landbouw in Brabant, onder andere voor de voedselproductie. In deze gebieden stimuleren we het terugbrengen van (de impact van) het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen, onder andere via het actieplan Gewasbeschermingsmiddelen. Om ondernemers perspectief te bieden en te komen tot een proportionele aanpak, willen we op basis van een passende beoordeling/plan-mer traject verkennen of het mogelijk is om voor bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen, emissiearme technieken (zoals spotspraying), een vrijstelling op te nemen van de vergunningplicht.
6/10
Datum
21 oktober 2025
Hierdoor kunnen bepaalde soorten grondgebruik worden doorgezet zonder dat er een natuurtoestemming nodig is. Daarnaast is het nodig om, via verdere juridische uitspraken, duidelijkheid te verkrijgen over hoe het bestaand gebruik (gebruik ten tijde van de referentiesituatie – in de meeste gebieden is dat 1994 of 2004) wordt bepaald. Momenteel is dit met name voor gewasbeschermingsmiddelen nog onduidelijk. Dit heeft impact op de mate van doelbereik en de rechten en plichten van agrarische ondernemers. We onderzoeken welke mogelijkheden er binnen de financiële en juridische kaders (staatssteun) zijn om ondernemers te ondersteunen om zich aan te passen aan de gewenste situatie. Daarbij zetten we in ieder geval actief in op een herwaarderingsregeling (vanuit de zogeheten Groenblauwe catalogus) om agrariërs die actief aan de slag willen met extensivering financieel te ondersteunen. Momenteel wordt deze regeling getoetst door de Europese Commissie op staatssteunaspecten, we hopen deze regeling medio 2026 te kunnen openstellen. Daarnaast werken we ook in de gebiedsgerichte aanpak aan oplossingen om agrarische grondgebruik af te stemmen op de natuur- en waterdoelen, bijvoorbeeld door middel van kavelruil, wettelijke herverkaveling of gebruik te maken van de beleidsregel voor extensivering.
Consequenties 1. Vergunningplicht en handhaving De vergunningplicht voor activiteiten met negatieve effecten op N2000-gebieden volgt uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Als gevolg van recente jurisprudentie is het noodzakelijk om in het Natura 2000-beheerplan uitspraken te doen over gewasbeschermingsmiddelen en onttrekkingen. Veel agrarische ondernemers zullen daardoor een omgevingsvergunning voor hun activiteiten nodig hebben of hun huidige activiteiten moeten aanpassen (terug naar de referentiesituatie). Voor doelbereik is het van belang om hierop ook toezicht te houden en waar nodig te handhaven. Het ontwikkelen van een handhavingsaanpak draagt bij aan duidelijkheid voor ondernemers, doelbereik en slimme inzet van capaciteit. 2. Financiën We onderzoeken of het actualiseren van de Natura 2000beheerplannen leidt tot een nadeelcompensatieplicht, en vragen hierover advies. Aan het concreet toepassing geven aan huidige inzichten rondom de vergunningenplicht voor gewasbescherming en grondwateronttrekkingen zijn naar verwachting geen financiële
7/10
Datum
21 oktober 2025
consequenties verbonden. Voor hydrologische herstelmaatregelen blijft de nadeelcompensatieplicht van toepassing, zoals hierboven beschreven zijn deze uitvoeringsmaatregelen onderdeel van de GGA-gebiedsprocessen en andere uitvoeringsprojecten in en rondom de Natura 2000-gebieden. De middelen voor de gebiedsgerichte aanpak komen uit de bestaande middelen zoals de no-regret middelen (Transitiefonds Landelijk Gebied), LPN-fase 2 (Landelijk Programma Natuur) en middelen vanuit de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) voor De Peel. 3. In de aanpak overgangsgebieden scheppen we duidelijkheid over het agrarisch perspectief Om ondernemers zoveel als mogelijk duidelijkheid te bieden over het toekomstige perspectief in overgangsgebieden, maken we in de Natura 2000-beheerplannen zoveel mogelijk duidelijk welke vormen van grondgebruik of activiteiten mogelijk zijn zonder natuurtoestemming (passende beoordeling) en onder welke condities toestemmingen kunnen worden verleend voor de overige vormen van grondgebruik. Ook geven we aan welke vrijwillige maatregelen, bijvoorbeeld t.a.v. bemesting, op onze ondersteuning kunnen rekenen. 4.
De aanpak overgangsgebieden biedt voldoende flexibiliteit om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen Met de inzet op de uitvoering in de GGA, de Natura 2000beheerplannen (verwerken jurisprudentie) en op termijn mogelijke doorvertaling van zones in de Omgevingsverordening blijven we als provincie snel flexibel om in te spelen op wat er landelijk (mogelijk) qua beleid, en bijbehorende middelen gaat komen rondom overgangsgebieden. Europese en internationale zaken Met de aanpak overgangsgebieden dragen we bij aan internationale verplichtingen vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kader Richtlijn Water. Communicatie We continueren het communicatie – en participatietraject gericht op de volgende doelgroepen: 1. Grondeigenaren/gebruikers in de overgangsgebieden 2. De reeds betrokken GGA-samenwerkingspartners, met inzet op zowel ambtelijke als bestuurlijke bespreking. 3. Koepelorganisaties/medeoverheden en vertegenwoordigers van de verschillende relevante belangen rondom dit vraagstuk. In de participatie zal in deze nieuwe fase met name ingezet worden op goed en zorgvuldig informeren, omdat het verwerken van jurisprudentie
8/10
Datum
21 oktober 2025
in de vergunningverlening hoofdzakelijk gestuurd wordt door juridische kaders en wetenschappelijke onderbouwingen. Belangrijke elementen in de communicatieboodschap zijn de duiding van de aanpak overgangsgebieden middels de Natura 2000beheerplannen, de bestaande jurisprudentie en wat deze aanpak op welk moment concreet gaat betekenen voor verschillende stakeholders, met name agrarische ondernemers/grondeigenaren. Daarnaast is tijdige procesinformatie van belang over de momenten waarop de verschillende stakeholders worden betrokken en waar de participatieve ruimte zit. Vervolg Voor de zomer van 2026 actualiseren we dit deel van de 17 Natura 2000beheerplannen en stelt ons college dit in ontwerp vast. Vervolgens start de terinzagelegging; na verwerking van de zienswijzen stellen wij dit deel van de N2000-beheerplannen definitief vast. De verwachting is dat dit eind 2026 zal gebeuren. Het participatieproces loopt door, zoals hierboven ook beschreven. Naar verwachting is er een MER-plicht voor dit deel van de actualisatie van de N2000-beheerplannen. Hiervoor zal eerst een NRD (Nota van Reikwijdte en Detailniveau) worden opgesteld. Deze wordt begin 2026 vastgesteld en wordt daarna ter inzage gelegd. Naar aanleiding van deze Statenmededeling bieden we PS aan om informerend en desgewenst oordeelsvormend hierover in gesprek te gaan.
De volledige Natura 2000-beheerplannen per gebied worden de komende jaren in clusters van een aantal gebieden geactualiseerd, met een doorlooptijd tot 2030. Dit zijn een apart besluitvormingstrajecten. Hierover zullen we uw Staten nader informeren.
Bijlagen Geen.
9/10
Datum
21 oktober 2025
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
Datum
21 oktober 2025
de voorzitter,
de secretaris,
mr. I.R. Adema
drs. G.H.E. Derks MPA
10/10