CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

20240605 Visie en IHP Roosendaal.pdf

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 6b: Voorstel 053 - Visie op kindcentra-onderwijshuisvesting en Integraal Huisvestingsplan PO-(V)SO11.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

▪

▪ ▪

Nabijheid: de ligging is zodanig dat de reistijd van school naar de gymvoorziening passend is binnen de verordening onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal. Hiervoor wordt een spreidingsplan gemaakt dat leidend is binnen de scenariovorming van het IHP-proces. Routes: leerlingen gaan onder begeleiding of zelfstandig naar de gymvoorzieningen toe. Deze routes dienen veilig te zijn (afgestemd op de leeftijd van leerlingen) waarbij ook rekening wordt gehouden met de belasting voor de wijkbewoners. Kwaliteit: de gymvoorzieningen sluiten aan op de eisen van het bewegingsonderwijs. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om buiten te bewegen binnen het gymonderwijs. Beheer: Voor het beheer geldt dat de beschikbaarheid voor onderwijs leidend is.

Vanaf schooljaar 2023-2024 is twee lesuren bewegingsonderwijs verplicht voor het (speciaal) basisonderwijs. Leerlingen moeten minimaal twee lesuren bewegingsonderwijs krijgen onder leiding van een vakleerkracht of bevoegde groepsleerkracht. In ontwikkeltrajecten voor toekomstige nieuwbouw wordt gekeken naar het realiseren van een vergroot speellokaal waardoor er meer beweegmogelijkheden voor de jongste kinderen in het gebouw zijn en zo bewegen langer binnen het gebouw georganiseerd kan worden. Ook kan gekeken worden naar beweegmogelijkheden in de nabijheid van het gebouw in de wijk/omgeving/buiten. De intentie bij nieuwe projecten is om bewegen zo laagdrempelig mogelijk te maken. Vanuit visie is de ambitie om voorzieningen voor bewegingsonderwijs op redelijke loopafstand (maximaal 15 minuten voor kinderen van 6 jaar) te hebben waardoor de impact op lestijd beperkt blijft en dat er voldoende capaciteit aanwezig is om in die gymzaal de nabijgelegen scholen te bedienen. Het vervoeren van leerlingen per bussen dient (zo veel mogelijk) vermeden te worden.

3.4 Huisvesting (maatschappelijke) partners Bij nieuwbouw is het uitgangspunt gezamenlijke huisvesting van onderwijs met maatschappelijke partners. Voorbeelden hiervan zijn kinderopvang en jeugdgezondheidszorg. Er zijn twee mogelijkheden om tot gezamenlijke huisvesting te komen: (1) investering door de maatschappelijke partner zelf22 of (2) investering door de gemeente met een kostprijsdekkende huurovereenkomst.

22 Investering door de kindpartner is een keuze, geen voorwaarde voor samenwerking. Vanuit de inhoud kiest de onderwijsorganisatie de

samenwerkingspartner.

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl

19/25

In bestaande situaties waar kinderopvang gebruik maakt van (leegstaande) ruimten in een onderwijsvoorziening is sprake van gelijkwaardigheid in huisvesting. Dit betekent dat bij groei van het onderwijs de kinderopvang niet wijkt. Om de groei van het onderwijs op te vangen blijft kinderopvang zitten en worden groepsruimten voor het onderwijs bijgebouwd (uitbreiding). In dat geval wordt de uitbreiding aangemerkt als beredeneerde aantoonbare investering ten behoeve van kinderopvang en wordt de gemeente via een (kostprijsdekkende) huurvergoeding gecompenseerd voor de kapitaallasten. Als de kinderopvangorganisatie niet aan de huurvergoeding kan voldoen, dan wijkt zij wel.

3.5 Huisvestingsmaatregelen in het IHP Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het IHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente en schoolbesturen gepleegd worden. In het IHP wordt onderscheid gemaakt tussen schoolgebouwen die de komende periode in stand worden gehouden en gebouwen waar de noodzaak tot vervanging of een maatregel aanwezig is. In het IHP hanteren we daarom de volgende huisvestingsscenario’s: ▪ ▪

▪ ▪

(Vervangende) nieuwbouw (en uitbreiding); Levensduurverlengende renovatie; ─ 40 jaar ─ 20 jaar In stand houden; Afstoten.

Hieronder wordt de definitie en het afwegingskader van de huisvestingsscenario’s verder uitgewerkt. De huisvestingsmaatregelen kunnen leidend zijn, maar het laat onverlet dat er ook ruimte blijft voor maatwerkoplossingen in goed overleg waar dat gewenst/noodzakelijk is. Per scenario wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren23. Na realisatie van een project gelden de wettelijke taken en verantwoordelijkheden voor gemeente en schoolbesturen qua exploitatie (lees: het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het in stand houden, het verrichten van aanpassingen en het exploiteren). Vertrekpunt realisatie van projecten Bij de realisatie van projecten is het aantal te realiseren vierkante meters volgens de VNG-norm leidend (al dan niet aangevuld met extra vierkante meters vanwege inclusiever en passend onderwijs (zie eerder tekstkader over extra vierkante meters) en niet het budget. In de situatie dat bij realisatie van de vierkante meters met het vastgelegde kwaliteitsniveau middelen resteren, dan vloeien deze terug naar de gemeente. NB: Voor bovenstaand vertrekpunt is het noodzakelijk dat gedacht wordt vanuit de vierkante meters zoals beschikt en op basis van een voorlopige realistische investeringsbedragen. Na aanbesteding wordt het daadwerkelijke investeringsbedrag leidend.

23 In principe ligt het bouwheerschap bij het schoolbestuur. In situaties met meerdere partijen in een gebouw kan het bouwheerschap worden

belegd bij de gemeente.

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl

20/25

Maatregel 1: (vervangende) nieuwbouw Bij de maatregel (vervangende) nieuwbouw gaat het om schoolgebouwen waarvoor in het IHP een noodzaak tot vervanging is aangetoond. Deze gebouwen vereisen op korte termijn een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw. Nieuwe schoolgebouwen dragen, waar mogelijk, maximaal bij aan de verduurzamingsopgave. Dit wil zeggen bouwen volgens ENG24. Het streven op het gebied van gezondheid is om Frisse Scholen klasse B te behalen, en waar mogelijk op onderdelen Frisse Scholen klasse A. Voor de maatregel (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: Een businesscase toont of nieuwbouw een beter alternatief is dan levensduurverlengende renovatie, wanneer daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context. ▪ De gemeente en het schoolbestuur stellen gezamenlijk de businesscase op om te voorkomen dat er eenzijdige sturing plaatsvindt. ▪ De gemeente financiert het wettelijke deel (momenteel BENG en gemiddeld Frisse Scholen klasse B + GPR (huidig: gemiddeld 7,5 en energie 8), waarbij per project wordt bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen klasse A kan worden behaald binnen het budget.

▪ Een businesscase, met daarin maatregelen met een rendabele terugverdientijd in de exploitatie (passend binnen het Onderwijsaccountantsprotocol), moet aantonen of hogere duurzaamheidseisen zoals nul op de meter haalbaar zijn25. ▪ De stap van BENG naar ENG kan worden gezet met een bijdrage vanuit het schoolbestuur (totdat ENG het wettelijk kader wordt). Het uitgangspunt is dat deze eenmalige bijdrage kan worden verantwoord door terugverdienen passend binnen het Onderwijsaccountantsprotocol. ▪ Het doorvoeren en bekostigen van ENG is een keuze en de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Als het schoolbestuur dat niet kan, pleegt de gemeente de extra investering om ENG mogelijk te maken. ▪ Er dienen voorafgaand aan de planvorming afspraken gemaakt te worden tussen de gemeente en het schoolbestuur over het eventueel inbrengen van gereserveerde onderhouds- en exploitatiebudget ten behoeve van het bekostigen van ENG. ▪ Er wordt een klimaatscan (inzicht in verduurzamingsmogelijkheden in lijn met het Klimaatbeleid) uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn. ▪ De ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget. Het realiseren van uitbreiding bij een schoolgebouw is een variant van nieuwbouw.

Vaak gaat het hier om kleinere projecten waardoor het bedrag voor nieuwbouw kan oplopen (afhankelijk van de grootte). Bij een dergelijke kleine uitbreiding is het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw leidend en wordt gestreefd naar minimaal BENG. ▪

24 Bij nieuwbouw wordt vanuit duurzaamheidsambitie en vooruitlopend op wetgeving in ontwikkeling gekozen voor ENG. Wanneer een

gebouw vanaf het begin met de ENG-filosofie wordt ontworpen zijn de meerkosten te overzien. Voor bestaande gebouw wordt (B)ENG beredeneerd benaderd en een beredeneerde afweging gemaakt welke ambitie verantwoord te behalen is. 25 Aandachtspunt daarbij is wel dat nieuwe gebouwen geen kosten voor gas hebben maar de hedendaagse installaties een hoger elektraverbruik hebben en ook meer onderhoudslasten hebben. Dit wordt integraal meegenomen in de afweging.

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl

21/25

Maatregel 2: levensduurverlengende renovatie Voor levensduurverlengende renovatie gelden twee varianten. Deze zijn: ▪ ▪

2A: levensduurverlengende renovatie met scope voor 40 jaar 2B: levensduurverlengende renovatie met scope voor 20 jaar

2A: levensduurverlengende renovatie met scope 40 jaar Deze ingreep wordt beschouwd als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Hierbij wordt het bestaande gebouw aanzienlijk verbeterd, met als doel de levensduur met minstens 40 jaar te verlengen. Tegelijkertijd wordt het gebouw duurzamer en vereist het minder onderhoud. Daarnaast wordt ook een adequaat binnenklimaat meegenomen volgens de vereisten van Frisse Scholen klasse B. Omdat levensduurverlengende renovatie als een gelijkwaardig alternatief wordt beschouwd, worden dezelfde doelstellingen nagestreefd als bij nieuwbouw. Bij levensduurverlengende renovatie wordt gekeken naar: ▪ ▪ ▪ ▪

Functionele staat: verbeteren van de functionaliteit (flexibiliteit, multifunctionaliteit en aansluiten onderwijsen kinderopvangconcept); Technische staat: levensduurverlenging door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen; Ruimtelijke staat; Verduurzaming van het gebouw (benaderen ambitie BENG).

Voor de maatregel levensduurverlengende renovatie 2A zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ ▪ ▪ ▪

▪

▪

Een businesscase toont of nieuwbouw een beter alternatief is dan levensduurverlengende renovatie, wanneer daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context. De gemeente en het schoolbestuur stellen gezamenlijk de businesscase op om te voorkomen dat er eenzijdige sturing plaatsvindt. De bijdrage vanuit de gemeente en aanvullende bijdrage vanuit het schoolbestuur is vergelijkbaar met de spelregels voor nieuwbouw. Er wordt gerekend met één investeringsbedrag voor zowel levensduurverlengende renovatie als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor levensduurverlengende renovatie vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een levensduurverlengende renovatie bekostigd kan worden.

In het afwegingskader binnen de businesscase dienen de volgende afwegingen ten grondslag te liggen aan de motivatie om te kiezen voor levensduurverlengende renovatie in plaats van nieuwbouw: ─ Het gebouw heeft een goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit, en/of; ─ Het gebouw heeft verschillende bouwdelen, en/of; ─ Het gebouw heeft een hoge boekwaarde, en/of; ─ De exploitatie vormt geen probleem, en/of; ─ Levensduurverlengende renovatie vormt een duurzamer alternatief dan nieuwbouw, circulaire maatregelen worden hierin meegenomen, en/of; ─ Er ruimte is in het gebouw of op het terrein om het gewenste aanbod te realiseren, en/of; ─ Het gebouw dusdanig flexibel is dat er multifunctioneel gebruik van ruimten kan worden gemaakt en aanpassingen/uitbreidingen in de toekomst mogelijk zijn (indien gewenst); ─ Wel of geen inzet van tijdelijke huisvesting benodigd is. Hierbij is leidend dat kinderen rust nodig hebben om tot goede ontwikkelprestaties te komen. Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn.

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl

22/25

▪

De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij levensduurverlengende renovatieprojecten zoveel mogelijk te worden geïntegreerd passend binnen het beschikbaar gestelde budget.

In het proces om te komen tot een afweging voor levensduurverlengende renovatie zijn nog vijf spelregels van toepassing: ▪ ▪

▪ ▪ ▪

Als er aanleiding is om de bouwkundige en installatietechnische maatregelen ter discussie te stellen, kan een gebrekenrapportage inclusief maatregelen opgesteld worden ter onderbouwing; Er kunnen argumenten zijn om een bestaand gebouw toch te handhaven in plaats van (vervangende) nieuwbouw. Dit dient uitgebreid beargumenteerd te worden in een businesscase en betrokken organisaties komen in gezamenlijkheid tot een besluit. Daarna is het een maatregel die volgens de genoemde maatregelen voor bekostiging in aanmerking komt; Aandachtspunt voor in- of uitbreiden met behoud van onderwijs- en kinderopvangconcept. Aandacht voor de locatie (in de wijk/kern en leerlingenprognoses). Aandacht voor de klimaateffecten.

2B: levensduurverlengende renovatie met scope voor 20 jaar In uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van een aangepaste levensduurverlengende renovatie variant. Voor scholen waarvan het toekomstperspectief onzeker is (vanwege leerlingenaantal, ruimtelijke ontwikkeling, et cetera), maar het gebouw vanuit kwalitatief oogpunt om een ingreep vraagt, kan een levensduurverlenging van 20 jaar passend zijn. Voor de maatregel levensduurverlengende renovatie 2B zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

Bij een aangepaste variant wordt het gebouw verduurzaamd, het binnenklimaat verbeterd en worden beperkte ingrepen gedaan om de onderwijskundige kwaliteit te verbeteren. De gemeente is verantwoordelijk voor het bekostigen van de kwaliteit verhogende (en levensduurverlengde) ingrepen. Het budget wordt bepaald op basis van de benodigde ruimtebehoefte van de school en kinderopvang, niet op de capaciteit van het gebouw en bedraagt maximaal 50% van het nieuwbouwbudget. Uitgangspunt is dat de ingrepen die met deze vergoeding te bekostigen zijn ervoor zorgen dat de levensduur van het totale pand met minimaal 20 jaar wordt verlengd. De schoolbesturen blijven verantwoordelijk voor de bekostiging van de onderhoudswerkzaamheden zoals opgenomen in het MJOP. Op het moment dat helder is dat er een ingreep komt, wordt getracht de onderhoudswerkzaamheden zoveel mogelijk te clusteren in combinatie met de ingreep. De haalbaarheid van de ambities op het gebied van flexibiliteit, inclusie en circulariteit worden onderzocht, maar zijn geen doel op zich. Binnen de mogelijkheid van het beschikbare budget wordt hier invulling aan gegeven.

Wetgeving rond levensduurverlengende renovatie Voor levensduurverlengende renovatie als voorziening in de onderwijshuisvesting is door het Rijk wetgeving in de maak. De verwachting is dat deze in 2025 een feit wordt. Tot het moment dat de wetgeving van kracht is gelden bovenstaande spelregels voor levensduurverlengende renovatie of aangepaste levensduurverlengende renovatie.

Maatregel 3: In stand houden Onder in stand houden vallen de gebouwen die binnen de looptijd van het IHP (ca. 16 jaar) in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep krijgen, is ook voor deze categorie aandacht voor hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelstellingen. Over 27 jaar dienen namelijk alle gebouwen CO2 neutraal te zijn. Het in stand houden en onderhouden van schoolgebouwen is een verantwoordelijkheid van

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl

23/25

het schoolbestuur, die hiervoor een meerjaren onderhoudsplan (MJOP) opstelt. Bij het planmatig onderhoud wordt minimaal het conditieniveau 3 van in stand houding op sober en doelmatig niveau (NEN2767) gehanteerd. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van dit niveau en de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden. Het schoolbestuur is ook verplicht om de Erkende Maatregelen (Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van minimaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van de bekostiging die zij vanuit het Rijk ontvangt in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord om aanvullende maatregelen voor bestaande gebouwen. Hieronder zijn spelregels opgenomen hoe hiermee om te gaan. Voor de maatregel in stand houden zijn de volgende spelregels van toepassing:26 ▪

▪ ▪

▪

Voor alle schoolgebouwen wordt door middel van een scan inzichtelijk gemaakt welke maatregelen er, aanvullend op het activiteitenbesluit, haalbaar zijn om het binnenklimaat te verbeteren, de CO 2-uitstoot te verminderen, energie te besparen en aardgasvrij te zijn. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen verschillende categorieën van gebouwen: ─ Leeftijd 25 jaar of ouder: voor deze gebouwen is het aannemelijk dat er binnen afzienbare tijd door middel van levensduurverlengende renovatie of (vervangende) nieuwbouw (na afweging in een businesscase) de CO2-uitstoot wordt gereduceerd. Met een light scan wordt inzichtelijk gemaakt welke duurzame maatregelen binnen de resterende levensduur van het gebouw haalbaar en verantwoord zijn. Voor gebouwen die binnen nu en 5 jaar in het IHP staan voor een ingreep, wordt geen scan uitgevoerd; ─ Leeftijd jonger dan 25 jaar: deze gebouwen verwachten noch binnen het IHP noch voor 2050 een grootschalige ingreep. Een uitgebreide scan maakt inzichtelijk welke maatregelen zorgen voor een substantiële verduurzaming voor deze categorie gebouwen. De gemeente bekostigt de scan gezamenlijk met het schoolbestuur (50-50 verhouding). In het IHP wordt opgenomen voor welke gebouwen een scan noodzakelijk is.

Als de uitkomsten van de scan aanleiding geven tot het doorvoeren van maatregelen dan wordt gekeken naar wie verantwoordelijk is vanuit rendement en rechtmatigheid (wettelijk/accountantsprotocol). Het uitvoeren van de maatregelen wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan natuurlijke momenten in het MJOP. Binnen een gebouw kan sprake zijn van huurinkomsten. Deze opbrengsten kunnen ingezet worden voor verduurzamingsmaatregelen, mits de huuropbrengsten de exploitatielasten overstijgen.

NB: Gemeente en schoolbesturen maken afspraken wie het initiatief neemt voor de scan. Vanuit de primaire verantwoordelijkheid ligt een initiatief vanuit het schoolbestuur voor de hand.

Maatregel 4: Afstoten Dit betreft gebouwen die niet langer als schoolgebouw in gebruik blijven en teruggegeven worden volgens verordening Onderwijshuisvesting van de gemeente Roosendaal. Daarmee worden ze onttrokken aan de onderwijsbestemming.

26 Indien een schoolbestuur een bestaand gebouw functioneel wil verbeteren om een kindcentrum beter tot haar recht te laten komen, dan

is dat een taak en verantwoordelijkheid van het schoolbestuur als onderdeel van aanpassing van een gebouw. Als ook geïnvesteerd wordt ten behoeve van functionele aanpassing voor kinderopvang, dan wordt dat verrekend in de huurovereenkomst.

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl

24/25

De hoogste kwaliteitseisen aan onze dienstverlening. Een goed gebouw begint met het beste idee. Colofon Datum: Auteur(s):

5 juni 2024 Joëlle Wijntjens en Onno Damen

info@icsadviseurs.nl 088 - 235 04 27

2230369/20240605/ODJW | www.icsadviseurs.nl www.icsadviseurs.nl

25/25 Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1640/documents/44207