2 TAM-omgevingsplan Oude Centrum MOTIVERING
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Oude Centrum gemeente Roosendaal Motivering d.d. augustus 2026 Inhoudsopgave Inhoudsopgave ................................ ................................ ................................ ............ 2 Hoofdstuk 1 Inleiding................................ ................................ ................................ ... 4 1.1 Aanleiding ................................ ................................ ................................ ............ 4 1.2 Reikwijdte en doel ................................ ................................ ................................ 4 1.3 Ligging plangebied ................................ ................................ ................................ 5 1.4 Geldende bestemmingsregeling ................................ ................................ ............ 6 Hoofdstuk 2 Ontwikkeling ................................ ................................ ......................... 10 2.1 Beschrijving van de bestaande situatie en huidige karakter van het gebied en de omgeving ................................ ................................ ................................ ................ 10 2.2 Beschrijving van het plan ................................ ................................ .................... 10 2.3 Samenhang met andere instrumenten ................................ ................................ .
13 Hoofdstuk 3 Beleid en instructieregels overheden ................................ ..................... 14 3.1 Rijksbeleid en instructieregels ................................ ................................ ............. 14 3.1.1 Nationale omgevingsvisie ................................ ................................ ............. 14 3.1.2 Instructieregels Rijk ................................ ................................ ...................... 14 3.2 Provinciaal beleid en -regels................................ ................................ ................ 15 3.2.1 Omgevingsvisie ................................ ................................ ............................ 15 3.2.2 Provinciale verordening ................................ ................................ ................ 16 3.3 Gemeentelijk beleid ................................ ................................ ........................... 16 3.3.1 Omgevingsvisie ................................ ................................ ............................ 16 3.3.2 Ontwikkelplan, uitvoeringsplan en gebiedsaanpak ................................ ......... 17 Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving en toetsing instructieregels ...... 18 4.1 M.e.r.‐beoordeling ................................ ................................ ..............................
18 4.2 Ladder duurzame verstedelijking ................................ ................................ ......... 18 4.3 Water(toets) ................................ ................................ ................................ ....... 19 4.3.1 Beleid Waterschap Brabantse Delta ................................ ........................... 19 4.3.2 Gemeentelijk waterbeleid ................................ ................................ .......... 19 4.3.3 Conclusie ................................ ................................ ................................ . 19 4.4 Klimaatadaptatie ................................ ................................ ................................ 20 4.5 Bodem ................................ ................................ ................................ ............... 20 4.6 Erfgoed ................................ ................................ ................................ .............. 20 4.6.1 Archeologie ................................ ................................ .............................. 21 4.6.2 Cultuurhistorie, monumenten en beeldbepalende panden .......................... 21 4.7 Verkeer en vervoer ................................ ................................ .............................. 22 4.7.1 Parkeren ................................ ................................
................................ ... 22 4.7.2 Verkeersgeneratie ................................ ................................ ..................... 22 4.8 Ecologie/Flora en Fauna/natuur ................................ ................................ .......... 22 4.8.1 Gebiedsbescherming: Natura2000 NNN‐gebieden ................................ ...... 22 4.8.2 Soortenbescherming (huidige situatie en toekomstige situatie) .................... 23 4.9 Geluid ................................ ................................ ................................ ............... 24 4.10 Omgevingsveiligheid (activiteiten bedrijven, transport gevaarlijke stoffen, buisleidingen) ................................ ................................ ................................ .......... 24 4.10.1 Activiteiten bedrijven ................................ ................................ ............... 24 4.10.2 Transportroutes ................................ ................................ ...................... 24 4.10.3 Aandachtsgebieden ................................ ................................ ................. 24 4.11 Trillingen ................................ ................................ ................................ .......... 25 4.12 Overige aandachts‐ en beperkingsgebieden ................................ .......................
25 4.12.1 Straalpaden ................................ ................................ ............................ 25 4.12.2 Radarverstoringsgebieden ................................ ................................ ....... 25 4.12.3 Gezondheid ................................ ................................ ............................ 25 4.12.4 Duurzaamheid ................................ ................................ ........................ 25 Hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ................................ .. 27 Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving ................................ ................................ ... 28 Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid ................................ ............................... 29 Hoofdstuk 8 Participatie ................................ ................................ ............................ 30 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De leefbaarheid en veiligheid in het oude centrum (binnenstad) van Roosendaal staat onder druk. Met name in het gebied Markt, Molenstraat, Bloemenmarkt, Raadhuisstraat en Brugstraat is het gevoel van onveiligheid groot als gevolg van verloedering en ongewenst gebruik van leegstaande panden.
Deze jaren lange leegstand van panden binnen het stadscentrum wijst op een dalende behoefte aan fysieke ruimte voor publieke voorzieningen, zoals centrumvoorzieningen en andere commerciële functies. Dat is ook in de rest van Nederland te zien en hangt samen met het steeds meer digitaal aanbieden van producten en diensten. Het is een logische stap om het gebied waar publieke en maatschappelijke voorzieningen wenselijk zijn te verkleinen en meer te concentreren rondom de Markt, Molenstaat-West, Bloemenmarkt en de Raadhuisstraat. In de aanloopstraten zoals de Molenstraat-Oost, Brugstraat en een deel van de Hoogstraat wordt het wonen meer gestimuleerd. De Raadhuisstraat-oost zal een beperking krijgen voor detailhandel om juist de andere centrumfuncties te stimuleren. De gemeente Roosendaal wil het vestigingsbeleid voor het centrum en de aanloopstraten herzien en opnieuw beoordelen welke functies en activiteiten op welke locaties logisch zijn. Op 22 mei 2025 heeft de gemeenteraad voorbeschermingsregels gesteld voor een aantal percelen in het centrum om te stimuleren dat publieke voorzieningen rondom de Markt, Bloemenmarkt en Raadhuisstraat worden gesitueerd en de aanloopstraten meer benut worden voor het wonen. De voorbeschermingsregels hebben een maximale duur van 1,5 jaar.
Binnen deze termijn heeft de gemeenteraad de tijd om een nieuw ruimtelijk besluit vast te stellen waarin de voorbeschermingsregels zijn verwerkt. Dit TAM-omgevingsplan voorziet daarin. Op basis van artikel 4.2 lid 2 van de Omgevingswet dient een Omgevingsplan te worden voorzien van een motivatie dat voldaan is aan een Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties (ETFAL). Deze motivering bij het TAM-omgevingsplan voorziet hierin. 1.2 Reikwijdte en doel Parallel aan de procedure voor dit TAM-omgevingsplan wordt gewerkt aan een visie voor het gehele centrum met als doel het centrum in zijn totaliteit meer vitaliteit te geven en daarmee klaar te maken voor de toekomst. Dit TAM-omgevingsplan bevat nadrukkelijk nog geen uitwerking voor het gehele centrumgebied op basis van die beleidswijziging. Dit TAM- omgevingsplan beperkt zich tot het verwerken van de voorbeschermingsregels uit het voorbereidingsbesluit. De reden daarvoor is dat de visie voor het centrum nog niet afgerond is maar de gemeenteraad wel de verplichting heeft om binnen 1,5 jaar na het voorbereidingsbesluit een nieuw ruimtelijk besluit te nemen om de voorbeschermingsregels te vervangen en het regime te continueren. Zodra de visie voor het centrum is afgerond zal deze ook worden verwerkt in een ruimtelijk besluit.
Dat besluit zal het gehele centrum bevatten en geeft de integrale juridisch- planologische vertaling van het nieuwe beleid. 1.3 Ligging plangebied Het plangebied voor onderhavig TAM-omgevingsplan betreft dezelfde gronden als van het voorbereidingsbesluit. Het gaat om aangewezen percelen aan de Molenstraat, Raadhuisstraat, Brugstraat, Boulevard, Bloemenmarkt, Hoogstraat en Markt (zie figuur 1.1). Figuur 1.1 Begrenzing plangebied (bron: TAM-voorbereidingsbesluit Oude Centrum)
1.4 Geldende bestemmingsregeling Het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal bestaat ter plaatse nog uit het tijdelijk deel. Dat betekent dat de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, de bruidsschat en enkele verordeningen van kracht zijn. De voormalige bestemmingsplannen zijn voor de planologie het meest van belang. Het betreft de bestemmingsplannen: ‘Centrum Noord’ (Brugstraat, Boulevard, Molenstraat), ‘Kalsdonk’ (Brugstraat, Hoogstraat en Boulevard),‘Binnenstad’ (Molenstraat, Bloemenmarkt, Markt, Raadhuisstraat) en ‘Binnenstad oost’ (Raadhuisstraat). Het planologisch regime in de binnenstad is niet overal gelijk als gevolg van de verschillende bestemmingsplannen. Er is daarom gekozen deze regels integraal in stand te houden en daar de regels van het TAM-omgevingsplan met voorrangsregels aan toe te voegen. In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven die onderdeel is van bestemmingsplan ‘Centrum Noord’, vastgesteld door de gemeenteraad op 21september 2018 (NL.IMRO.1674.2093CENTRUMNOORD-0601). In dit plan zijn de panden aangewezen voor ‘Gemengd - 2’, aan de Brugstraat, Boulevard en Molenstraat-oost. In bijlage 1 zijn de regels van Gemengd – 2 uit het bestemmingsplan Centrum Noord weergegeven. Figuur 1.2 Bestemmingsplan Centrum Noord. Indicatieve ligging van het plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven van het bestemmingsplan ‘Kalsdonk’, vastgesteld door de gemeenteraad op 24 september 2014 (NL.IMRO.1674.2073KALSDONK-0501). In dit plan zijn de panden aan de Brugstraat, Hoogstraat en Boulevard aangewezen voor ‘Gemengd - 3’ (voor zover onderdeel van het plangebied van dit TAM-omgevingsplan). In bijlage 2 zijn de regels weergegeven voor ‘Gemengd – 3’ uit het bestemmingsplan Kalsdonk. Figuur 1.3 Bestemmingsplan Kalsdonk. Indicatieve ligging van het plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl) In figuur 1.4 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven die onderdeel is het bestemmingsplan ‘Binnenstad’, vastgesteld door de gemeenteraad op 8 december 2016 (NL.IMRO.1674.2079BINNENSTAD-0601). In dit plan zijn de panden aangewezen voor ‘Centrum – 1’ en ‘Centrum – 2’, op de Molenstraat-Oost. En panden bestemd voor ‘Centrum – 2’, op Markt en Raadhuisstraat. In bijlage 3 zijn de regels weergegeven voor ‘Centrum-1’ en ‘Centrum-2’ uit het bestemmingsplan Binnenstad.
Figuur 1.4 Bestemmingsplan Binnenstad. Indicatieve ligging van het plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl) In figuur 1.5 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven die onderdeel is het bestemmingsplan ‘Binnenstad Oost’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 juni 2012 (NL.IMRO.1674.2058BINNENSTADOOST-0501). In dit plan zijn de panden aangewezen voor ‘Gemengd – 3’ op de Raadhuisstraat. In bijlage 4 zijn de regels weergegeven voor ‘Gemengd – 3’ uit het bestemmingsplan Binnenstad Oost.
Figuur 1.5 Bestemmingsplan Binnenstad Oost. Indicatieve ligging van het plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De toegestane gebruiksfuncties binnen de bestemmingsplannen in de bovengenoemde vigerende bestemmingsplannen verschillen. Er is gekozen om deze regels integraal in stand te houden en de regels van het TAM-omgevingsplan met voorrangsregels daaraan toe te voegen. Dit TAM-omgevingsplan voorziet zo in een extra regeling bovenop de bestaande.
Hoofdstuk 2 Ontwikkeling 2.1 Beschrijving van de bestaande situatie en huidige karakter van het gebied en de omgeving De gronden zijn al ruime tijd op dezelfde manier bestemd. Er is een ontwikkeling gaande waarbij er in het centrumgebied steeds meer wonen op de begane grond wordt gerealiseerd en in de aanloopstraten de commerciële functies een plek krijgen op de begane grond. In het centrumgebied ontstaat steeds meer leegstand als gevolg van een algemene trend dat er steeds minder behoefte is aan fysieke ruimte voor centrumfuncties én de oplopende vestigingskosten rondom de Markt, Molenstaat-West, Bloemenmarkt en de Raadhuisstraat. Vestiging in de aanloopstraten is daardoor financieel meer interessant wat leidt tot steeds meer centrumfuncties in de aanloopstraten en minder in het stadshart. De omzetting van de begane grond naar wonen neemt hier toe en is ongewenst. De leegstand daarentegen draagt bij aan verloedering en een toenemend gevoel van onveiligheid. Levendigheid, reuring en activiteit hoort bij de binnenstad (Raadhuisstraat, Bloemenmarkt en Markt), maar deze kenmerken worden verdreven door wonen. Het omgekeerde hiervan is te zien in de aanloopstraten (Molenstraat-oost en west, Raadhuisstraat-west en Brugstraat/Boulevard), waar commerciële functies zich goedkoper kunnen vestigen, maar waar door de trends eigenlijk wonen meer gewenst is.
Vanuit de ontwikkelingen in het centrumgebied vloeit de wens om meer te sturen op de juiste functies op de juiste plaats. De nadruk moet daarbij in ieder geval liggen op het concentreren van commerciële en centrumfuncties in het hart van de binnenstad en het wonen in het gebied om de binnenstad heen (de aanloopstraten). Om de visie van Roosendaal te verwezenlijken is het belangrijk om de levendigheid in het Oude centrum te verbeteren en dit TAM-omgevingsplan is hiervoor essentieel. 2.2 Beschrijving van het plan De huidige bestemmingen bieden te weinig restricties om te sturen op de vestiging van functies. In het voorbereidingsbesluit van 23 mei 2025 zijn voorbeschermingsregels opgenomen waarmee het wonen op de begane grond in de binnenstad is gekoppeld aan een vergunningplicht en in de aanloopstraten juist de publieke functies. Dit biedt de gelegenheid voorwaarden te stellen aan het vestigen van deze functies in de aangewezen gebieden. De voorwaarden leiden tot minder ongewenste situaties met wonen op de begane grond. Deze ruimten moeten immers primair beschikbaar blijven voor de zelfstandige commerciële functies. Ten aanzien van de mogelijkheden van wonen op de verdieping vinden geen wijzigingen plaats.
Verder wordt in de aanloopstraten juist de mogelijkheid gestimuleerd om te wonen, in plaats van de exploitatie van zelfstandige commerciële functies en maatschappelijke voorzieningen. Een uitzondering hierop zijn hoekpanden in deze aanloopstraten, waar niet-woonfuncties mogelijk moeten blijven om actieve plinten te behouden op de hoeken van de aanloopstraten en de functie van de aanloopstraten, uitnodigend naar de binnenstad, te benutten. Met het voorliggend TAM-omgevingsplan wordt de regeling uit het voorbereidingsbesluit geborgd in het omgevingsplan. Dat houdt in dat op de gronden met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - vergunning 1’ (roze) het wonen op de begane grond als omgevingsplanactiviteit worden aangemerkt. Voor de gronden met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - vergunning 2’ (groen) geldt een dergelijke vergunningplicht voor detailhandel en de gronden met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - vergunning 3’ (geel) voor kantoren, maatschappelijk, dienstverlening, ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, detailhandel en horeca. Dat betekent dat de betreffende functies wel zijn toegestaan maar dat voor het uitoefenen van een functie of activiteit een omgevingsvergunning is vereist. De omgevingsvergunning wordt verleend als aan de beoordelingscriteria wordt voldaan die aan de vergunningplicht zijn verbonden.
Op deze manier is het mogelijk meer sturing te hebben om de juiste functies op de juiste plaats te krijgen. Dat draagt bij aan het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid in de binnenstad. Figuur 2.1, plangebied met de dir onderscheiden gebiedsaanduidingen
2.3 Samenhang met andere instrumenten Met dit TAM-omgevingsplan alleen zal de leegstand en daarmee de verloedering en gevoel van onveiligheid niet worden opgelost. Het is een van de instrumenten om het centrum te revitaliseren. Samen met de visieontwikkeling voor het gehele centrum wordt ook een voorstel gedaan welke instrumenten kunnen worden ingezet om de beleidswijziging te effectueren. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van een groter geheel van samenhangende maatregelen, die de komende jaren zullen worden ingezet. Hoofdstuk 3 Beleid en instructieregels overheden 3.1 Rijksbeleid en instructieregels 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 werd de Nationale Omgevingsvisie (‘NOVI’) van kracht. Deze visie omvat de belangrijkste punten van het strategisch beleid van de Rijksoverheid voor de fysieke leefomgeving. Het is een mix van bestaand beleid, zowel met als zonder wettelijke basis, en nieuw strategisch beleid. Grote en complexe uitdagingen zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland in de komende jaren transformeren. De NOVI biedt een toekomstvisie met de ambities van de Rijksoverheid. Er zijn 21 nationale belangen en bijbehorende uitdagingen in de NOVI opgenomen. De NOVI heeft vier prioriteiten die onderling sterk met elkaar verbonden zijn: 1.
Ruimte voor klimaatverandering en energietransitie: - Aanpassing aan klimaatverandering (bijv. waterberging, hittestress verminderen). - Overstap naar duurzame energie (bijv. windmolens, zonnepanelen). 2. Duurzame economische groei: - Ontwikkeling van een circulaire economie. - Verduurzaming van de industrie en infrastructuur. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s: - Bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen tegen 2030. - Focus op betaalbare en goed bereikbare woningen, bij voorkeur binnen stedelijke gebieden. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: - Behoud van biodiversiteit en natuur. - Omschakeling naar kringlooplandbouw. Aangezien het een gebruikswijziging betreft voor bestaande panden raakt dit TAM- omgevingsplan de belangen van de nationale visie niet. 3.1.2 Instructieregels Rijk Voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving gelden drie belangrijke overheidsbesluiten: - Het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) bepaalt de normen voor overheden om nationale doelen te bereiken en internationale verplichtingen na te komen. Het bevat regels voor het opstellen van omgevingsplannen, gericht op een evenwichtige verdeling van functies en aandacht voor veiligheid, gezondheid, milieu, water en erfgoed.
- Het Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving) omvat regels voor activiteiten die de leefomgeving beïnvloeden, met direct toepasbare nationale regels voor bouwactiviteiten en aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. - Het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) stelt algemene regels voor activiteiten die impact hebben op de leefomgeving, geldend voor burgers, bedrijven en overheid. Dit besluit dekt activiteiten zoals milieu, landinrichting, natuurbeheer en infrastructuur rond wegen en spoorlijnen. Voor een wijziging van het omgevingsplan, moeten de instructieregels uit het Bkl worden gevolgd (hoofdstuk 5 Bkl). Een omgevingsplan kan alleen worden gewijzigd als er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 3.2 Provinciaal beleid en -regels 3.2.1 Omgevingsvisie De Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant, vastgesteld in december 2018, biedt een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving van de provincie.
Hierin staan de belangrijkste ambities voor de komende jaren, waaronder: - Energietransitie: Streven naar een energieneutraal Brabant in 2050; - Klimaatproof Brabant: Aanpassingen om de provincie bestand te maken tegen klimaatveranderingen; - Slimme netwerkstad: Ontwikkeling van Brabant als een slimme, verbonden regio; - Duurzame economie: Bevordering van een concurrerende en duurzame economie; - Natuurkwaliteit: Verbetering en bescherming van de natuurgebieden. De visie benadrukt ook een nieuwe manier van samenwerken met andere overheden, bedrijven en burgers om deze doelen te bereiken. De Omgevingsvisie van Noord-Brabant richt zich op een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van stedelijke gebieden en de rand van het buitengebied. Dit TAM- omgevingsplan voorziet in het veranderen van de geldende gebruiksregels van bestaande panden. Er wordt dus geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt en geen gronden aangesproken voor (stedelijke) ontwikkeling. De omgevingsvisie van de provincie heeft daarmee geen invloed op dit voornemen. Het TAM-omgevingsplan staat niet in de weg aan de doelen van de visie 3.2.2 Provinciale verordening De provincie Noord-Brabant heeft een omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening Noord-Brabant bevat regels die de provincie heeft vastgesteld om de fysieke leefomgeving te beheren en te beschermen.
De verordening stelt onder andere regels aan: 1. Ruimtegebruik en Ruimtelijke Ontwikkelingen: Regels voor het gebruik van ruimte en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die gemeenten moeten volgen; 2. Bescherming van Natuur en Milieu: Regels om belangrijke waarden zoals drinkwater en natuurgebieden te beschermen; 3. Activiteiten en Vergunningen: Algemene regels voor activiteiten, inclusief voorwaarden voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten en of er een melding of vergunning nodig is; 4. Instructieregels voor Bestuursorganen: Opdrachten aan gemeenten en waterschappen over hoe zij hun taken moeten uitvoeren. De verordening ondersteunt het efficiënte gebruik van ruimte, vooral binnen bestaande bouwvlakken. Door de wijziging van de gebruiksregels, wordt de beschikbare ruimte optimaal benut zonder extra beslag te leggen op open of groene ruimtes. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de verordening om ruimte efficiënt te gebruiken zonder het stedelijk areaal uit te breiden. Daarnaast heeft de voorgestelde aanpassing van de regels geen negatieve impact op beschermde waarden zoals drinkwater, natuurgebieden of cultuurhistorische waarden doordat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. Dit TAM-omgevingsplan past daarmee binnen de doelstellingen van de omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie De gemeente Roosendaal heeft een omgevingsvisie vastgesteld, getiteld “Omgevingsvisie Roosendaal (De Verbonden Stad)’’, op 1 december 2022. In deze visie wordt de ontwikkelingsrichting van de gemeente Roosendaal voor de komende 10 tot 15 jaar beschreven. De Omgevingsvisie richt zich met name op een duurzame ontwikkeling waarin binnenstedelijke herontwikkeling en sociale verbondenheid voorop staan, waarbij er aandacht is voor klimaatadaptatie en een goed woon- en leefklimaat. In de visie van Roosendaal wordt aangegeven dat het een robuuste woon-werkstad is. Het centrum zal zich verder ontwikkelen naar een compacte commerciële binnenstad. Roosendaal biedt een ‘smart retail’ binnenstad (smart retail-integratie van online en offline winkelen) en is een centrum voor ‘urban leisure’ (stedelijke vrijetijdsbesteding). Roosendaal heeft een stedelijk transformatieplan (Rondje Roosendaal) klaarliggen voor de ontwikkeling van een hoog stedelijk woon- en werkgebied in en rondom de binnenstad en de spoorzone/ emplacement. Detailhandel en solitaire winkelvoorzieningen zullen zoveel mogelijk beperkt worden buiten de binnenstad. Gezien de visie van Roosendaal voor de binnenstad zoeken ze kracht in een meer integraal beeld van de binnenstad; evenwicht in aantrekkelijke winkels, horeca, cultuur, openbare ruimtes, groen, evenementen en wonen.
Het sturen van de functies binnen het oude centrum zorgt ervoor dat de doelen uit de visie behaald kunnen worden. Het veranderen van de gebruiksmogelijkheden in dit TAM-omgevingsplan voldoet aan de eisen van het benutten van bestaande stedelijke locaties. De verandering beoogd een positief effect op het woon- en leefklimaat, door de centrumfuncties te concentreren in het hart van de binnenstad en de woningen in het gebied daaromheen. 3.3.2 Ontwikkelplan, uitvoeringsplan en gebiedsaanpak Als onderdeel van de Omgevingsvisie is het ontwikkelplan ‘Rondje Roosendaal’ gemaakt. Het ontwikkelplan Rondje Roosendaal geeft op inspirerende wijze richting aan de ontwikkelingen in het centrumgebied. Het betreft een integrale visie, niet alleen gericht op woningbouw maar op diverse functies en verbindingen met de omgeving. Doel van dit ontwikkelplan is om de leefbaarheid van dit gebied te verbeteren en verbindingen met de omgeving te versterken. Uiteindelijk zijn de plannen uit ‘Rondje Roosendaal’ geborgd in het uitvoeringsplan ‘Roosendaals Ontwikkelprogramma voor Onze Stad’ (R.O.O.S.). In dit uitvoeringsplan staat onder andere een leefbaarheidsprogramma centrum, o.a. Molenstraat, Brugstraat, voor 2025 op de planning. Dit leefbaarheidsprogramma is doorontwikkeld tot “Gebiedsaanpak voor verbetering van 't Oude Centrum”.
Met behulp van deze gebiedsaanpak wil de gemeente de leefbaarheid in de Molenstraat, Hoogstraat en Brugstraat verbeteren. Het doel is dat bewoners en bezoekers zich veiliger voelen. Eén van de actielijnen is zorgen dat er geen onwenselijk gebruik van panden kan plaatsvinden, onder andere door juridische middelen in te zetten. Eén van de juridische middelen om ervoor te zorgen dat de leefbaarheid verbeterd, is voorliggend TAM-omgevingsplan. Dit plan past in het uitvoeringsplan R.O.O.S. Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving en toetsing instructieregels In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Denk aan milieu, cultuur en overige omgevingsfactoren die een rol kunnen spelen. Er worden in voorliggend TAM-omgevingsplan geen (nieuwe) functies of activiteiten toegelaten dan op grond van voormalige bestemmingsplannen al was toegestaan. Met het overgangsrecht (naar de Omgevingswet) is bepaald dat daarin al sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een uitvoerige toets kan hierdoor achterwege blijven. 4.1 M.e.r.‐beoordeling Bijlage V van het Omgevingsbesluit geeft aan welke projecten een milieueffectrapportage (m.e.r.) of een m.e.r.-beoordeling nodig hebben voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
Projecten in de eerste kolom moeten worden beoordeeld op significante milieu-effecten, zoals vermeld in de derde kolom. Dit TAM-omgevingsplan, waarbij de geldende gebruiksregels worden aangepast, valt buiten de activiteiten in bijlage V. Op grond van de andere paragrafen in dit hoofdstuk kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een onevenredig negatief effect op de omgeving. Een m.e.r.-beoordeling is niet nodig. 4.2 Ladder duurzame verstedelijking Het ruimtelijk afwegingskader voor het toevoegen van nieuwe stedelijke ontwikkelingen is onder de Omgevingswet de toets aan de Ladder duurzame verstedelijking in artikel 5.129 g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Of sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Omdat dit TAM-omgevingsplan geen (nieuwe) functies of activiteiten toe laat in de aanloopstraten en het centrum van Roosendaal, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een beoordeling aan de ladder duurzame verstedelijking is daarom niet nodig. 4.3 Water(toets) 4.3.1 Beleid Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta heeft de taak om het watermanagement in de regio te verzorgen, met kernverantwoordelijkheden zoals zuivering, waterbeheer, dijkonderhoud en het beheren van waterwegen.
Binnen het waterbeheer, inclusief grondwater, streeft het waterschap twee hoofddoelen na: het waarborgen van de waterkwaliteit en het zorgen voor een adequate watervoorziening. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in het waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027, dat in overleg met partners in de watersector is ontwikkeld. Dit programma zorgt voor een strategische verbinding tussen de verschillende kerntaken, wat bijdraagt aan een geïntegreerd watermanagement en duurzame groei in het beheersgebied van het waterschap. Verder ontwikkelt het waterschap specifiek beleid en regels voor de diverse thema’s en focuspunten uit het waterbeheerprogramma. Dit wordt geborgd in de waterschapsverordening. Deze verordening bevat onder andere de regels uit De Keur en de legger en betreft onder andere regels en verboden voor activiteiten die invloed hebben op het waterbeheer. Voor veel activiteiten is een vergunning van het waterschap vereist. Aangezien er geen nieuwe functies of activiteiten worden toegestaan, en er geen extra verwarding wordt toegevoegd als gevolg van dit TAM-omgevingsplan, gelden er geen aanvullende eisen vanuit de waterschapsverordening. 4.3.2 Gemeentelijk waterbeleid De gemeente Roosendaal heeft beleid voor het stedelijk water (afval-, hemel- en grondwater) vastgesteld in het 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2023' (VGRP).
Voor nieuwe ontwikkelingen geldt het beleid uit hoofdstuk 4 van het VGRP. De gemeente stelt dat regenwater van percelen in bestaand stedelijk gebied, waarbij de eigenaar zelf niet in staat is om het regenwater op eigen terrein te verwerken, kan laten afvoeren op de gemeentelijke riolering. Dit kan alleen mits het waterschap het doelmatig beoordeeld. Aangezien er geen nieuwe functies of activiteiten worden toegestaan, zullen er geen wijzigingen plaats vinden met betrekking tot hemelwater. 4.3.3 Conclusie Waterkwaliteit, waterkwantiteit, waterveiligheid en watersysteem zijn onderwerpen die normaal worden onderzocht op basis van bovenstaand beleid. Met de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan worden er geen (nieuwe) functies of activiteiten toegestaan. Ook zal er geen nieuwe verharding worden toegevoegd. Er verandert dus niets met betrekking tot water of afwatering. Verder onderzoek is niet nodig. 4.4 Klimaatadaptatie Groen en klimaatadaptatie: waardevolle bomen en structureel groen (hoofdstructuur) Het beleidsraamwerk van Roosendaal Natuurstad vertegenwoordigt de lokale strategie om klimaatverandering aan te pakken. De gemeente heeft haar streven naar meer groen en aanpassing aan het klimaat in dit kader vastgesteld. Het voornaamste doel is om Roosendaal weerbaarder te maken tegen klimaatinvloeden, wat de stad ook prettiger en aantrekkelijker zal maken.
Bovendien is de belangrijkste groenstructuur bepaald en zijn er specifieke bomen als waardevol bestempeld. Er is geen sprake van wijzigingen in houtopstanden en/of de bestaande groenstructuur. Het plan laat geen nieuwe bebouwing of ontwikkelruimte toe. Er is daarom geen strijdigheid met dit beleid. Bij eventuele verbouw zal gekeken worden naar mogelijkheden van natuurinclusiviteit. 4.5 Bodem De Omgevingswet stelt dat gemeenten hoofdzakelijk zorgen voor de fysieke leefomgeving, inclusief bodemkwaliteit. Dit gebeurt via drie hoofdlijnen: 1. Preventie: Voorkomen dat de bodem nieuw vervuild of beschadigd raakt. 2. Functietoedeling: Bodemkwaliteit wordt meegenomen in de afweging van de fysieke leefomgeving bij het toekennen van functies. 3. Beheer: Duurzaam en efficiënt omgaan met bestaande historische bodemverontreiniging. Voor bouwactiviteiten op bodemgevoelige plekken moet volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de bodemkwaliteit passend zijn voor het geplande gebruik. De aanloopstraten en het centrumgebied van Roosendaal zijn al in gebruik, er wordt geen grondroering mogelijk gemaakt. Verder onderzoek is niet nodig. 4.6 Erfgoed Erfgoed omvat een breed scala aan elementen zoals archeologie, historische monumenten, karakteristieke gebouwen, beschermde stadsgezichten, monumentale bomen en het landschap.
Voordat plannen worden uitgevoerd, is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van deze erfgoedelementen en hiermee zoveel mogelijk rekening te houden in de planontwikkeling. Het doel van de relevante wetgeving is om archeologische vondsten zoveel mogelijk in de grond te bewaren en cultureel erfgoed en landschappen te beschermen. Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn er principes opgesteld voor de bescherming van cultureel erfgoed, waaronder de omgang met beschermde monumenten, archeologische monumenten, rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. Er zijn ook regels vastgesteld voor het beoordelen van activiteiten die rijksmonumenten betreffen en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.6.1 Archeologie Artikel 5.130 van het Bkl geeft instructieregels voor de bescherming van archeologische waarden in het omgevingsplan. Er zijn in het plangebied verschillende gronden bestemd voor het behoud van hoge dan wel middelhoge archeologische waarden. Deze dubbelbestemming voor archeologie volgt uit de onderliggende bestemmingsplannen en zijn in het TAM-omgevingsplan overgenomen. Uitgaande van het beschermingsregiem is archeologisch onderzoek nodig bij een verstoring van de bodem. Ook worden er geen nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt met dit plan. Onderzoek voor dit TAM-omgevingsplan is niet nodig.
4.6.2 Cultuurhistorie, monumenten en beeldbepalende panden Regels over cultuurhistorie vloeien voort uit de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Artikel 5.130 van het Bkl geeft instructieregels voor de bescherming van cultureel erfgoed in het omgevingsplan. Hierbij is van belang dat er rekening wordt gehouden met cultureel erfgoed. In de Omgevingswet en het Bkl zijn ook regels voor de bescherming van monumenten opgenomen. Monumenten zijn bouwwerken of objecten met een bijzondere cultuurhistorische waarde die van groot belang zijn voor het behoud van het culturele erfgoed. De bescherming van monumenten is bedoeld om deze waardevolle objecten te behouden en te beschermen tegen ongewenste veranderingen of sloop. In het Bkl zijn daarnaast specifieke regels opgenomen voor beeldbepalende panden. Deze panden zijn van groot belang voor het aanzicht en de identiteit van een gebied. De bescherming richt zich voornamelijk op de buitenkant van het gebouw, zoals de gevels en het silhouet. Er is sprake van verschillende monumenten (zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten) en beeldbepalende panden in het centrum van Roosendaal. Deze zijn aangegeven op de verbeelding en in de regels als ‘Waarde – Cultuurhistorie’ in de bestemmingsplannen. De gronden zijn bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Verder onderzoek is niet nodig, aangezien voorliggend TAM- omgevingsplan geen uitbreiding biedt aan functies of activiteiten die al in voorgaande planologische regimes waren toegestaan. Het omgevingsplan (bruidsschat) bevat voldoende regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Deze regels over cultuurhistorie, monumenten en beeldbepalende panden blijven, naast de regels uit de bestemmingsplannen, van toepassing. 4.7 Verkeer en vervoer 4.7.1 Parkeren De gebruiksmogelijkheden van de gronden en bouwwerken blijven gelijk. Voor parkeren betekent dit dat er geen wijzigingen zullen zijn in de parkeerbehoefte, vergeleken met voorgaand planologisch regime. Voor de wijziging van de gebruiksregels is geen parkeeronderzoek nodig. 4.7.2 Verkeersgeneratie De gebruiksmogelijkheden van de gronden en bouwwerken blijven gelijk. Voor de verkeersgeneratie betekent dit dat er geen wijzigingen in het aantal verkeerbewegingen zullen zijn, vergeleken met voorgaand planologisch regime. Voor de wijziging van de gebruiksregels is geen onderzoek voor verkeersgeneratie nodig. 4.8 Ecologie/Flora en Fauna/natuur 4.8.1 Gebiedsbescherming: Natura2000 NNN‐gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 12 kilometer van het plangebied (zie figuur 4.1). Het gaat om het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’.
Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en andere gevoelige gebieden zijn externe effecten als licht- en geluidsverstoring uit te sluiten. De gebruiksmogelijkheden van de gronden en bouwwerken blijven gelijk. Tevens bevat dit ruimtelijk besluit geen extra ontwikkelmogelijkheden dan op grond van het voorgaande plan al mogelijk was. Dit levert dan ook geen extra toename van stikstofdepositie op de natuurgebieden. Verder onderzoek is niet nodig. Figuur 4.1 Indicatieve ligging plangebied (rood) met dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (groen). (Bron: atlasvoordeleefomgeving.nl) 4.8.2 Soortenbescherming (huidige situatie en toekomstige situatie) De Wet natuurbescherming (Wnb) maakt onderscheid tussen drie categorieën soorten: soorten beschermd onder de Vogelrichtlijn, soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, en overige soorten. De Wnb bevat verboden op het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels. Gedeputeerde Staten (GS) kunnen ontheffing verlenen van dit verbod, en Provinciale Staten (PS) kunnen bij verordening vrijstelling verlenen. De voorwaarden voor ontheffing of vrijstelling zijn vastgelegd in de Wnb en zijn afgeleid van de Vogelrichtlijn. Daarnaast is het verboden om in het wild levende dieren van bepaalde soorten opzettelijk te doden, vangen of verstoren.
Ook hier kunnen GS ontheffing verlenen en kunnen PS bij verordening vrijstelling verlenen. De gronden voor ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en zijn afgeleid van de Habitatrichtlijn. Voor overige soorten, opgenomen in de bijlagen A en B van de Wnb, kan de provincie ontheffing verlenen van de verboden. Bij provinciale verordening kan ook vrijstelling worden verleend. De noodzaak voor ontheffing of vrijstelling kan verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet belemmert.
Het TAM-omgevingsplan voorziet niet in andere gebruiksmogelijkheden ten opzichte van voorgaand planologisch regime. Er zijn daarnaast ook geen extra of andere bouwmogelijkheden, waardoor er geen verstoring plaatsvindt van beschermde soorten. 4.9 Geluid Met de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan, worden er geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Hierdoor is er geen onderzoek naar geluidswaarden vereist. Dit geldt zowel voor geluid door verkeer (wegen, spoorwegen) als geluid door milieubelastende activiteiten. Een verdere beoordeling van geluid is derhalve niet nodig. 4.10 Omgevingsveiligheid (activiteiten bedrijven, transport gevaarlijke stoffen, buisleidingen) 4.10.1 Activiteiten bedrijven Er zijn geen risicovolle activiteiten toegestaan, waardoor de omgevingsveiligheid als gevolg van bedrijfsactiviteiten niet in het geding is of komt. 4.10.2 Transportroutes Roosendaal kent verschillende risicobronnen met betrekking tot routes voor het transport van gevaarlijke stoffen. Grenzend aan het plangebied ligt het spoor als onderdeel van het basisnet. Hier vinden transporten van gevaarlijke stoffen plaats. Er dient daarom beoordeeld te worden of de kans op overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen aanvaardbaar is.
Omdat het plan geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk maakt, verandert het risico niet. Een uitvoerige toets is daarom niet nodig. 4.10.3 Aandachtsgebieden Het plangebied van dit TAM-omgevingsplan ligt deels binnen de aandachtsgebieden van het basisnet spoor. Er is echter geen sprake van nieuwe zeer kwetsbare gebouwen, dus geen aanleiding om voorschriftengebieden aan te wijzen en veiligheid verder te onderzoeken. In het kader van de transitie van het omgevingsplan (voor heel Roosendaal) wordt een breed Externe Veiligheid beleid opgesteld en waar nodig verwerkt. In het kader van dit TAM- omgevingsplan is dat niet nodig. 4.11 Trillingen Het plangebied bevindt zich in een stedelijk gebied, waar de belangrijkste bronnen van trillingen afkomstig zijn van verkeer (wegen en spoorwegen) en eventuele nabijgelegen (bouw)activiteiten. De afstand tot het spoor bedraagt ten minste 100 meter. Het gaat om een bestaande situatie waar er geen nieuwe bebouwing wordt toegestaan. Het is niet nodig een onderzoek uit te voeren naar het effect van trillingen. 4.12 Overige aandachts‐ en beperkingsgebieden 4.12.1 Straalpaden Het plangebied bevindt zich niet in een gebied dat is aangewezen als straalpad. Straalpaden zijn gebieden waar de aanwezigheid van hoge gebouwen of andere obstakels de werking van communicatiesystemen kan verstoren.
Aangezien er geen straalpaden in de directe omgeving van het plangebied zijn en dit TAM-omgevingsplan geen nieuwe bouwmogelijkheden toe laat, is er geen risico op verstoring van communicatiesystemen. 4.12.2 Radarverstoringsgebieden Het plangebied bevindt zich binnen een radarverstoringsgebied zoals gedefinieerd door het ministerie van Defensie. Radarverstoringsgebieden zijn gebieden rondom radarinstallaties waar bepaalde bouwwerken en activiteiten kunnen interfereren met de werking van radarapparatuur. De Omgevingswet bevat specifieke regels voor deze gebieden om de werking van radarinstallaties te beschermen. Om verstoring van de radar te voorkomen geldt een bouwbeperking van 70-75 meter. Het TAM-omgevingsplan voorziet niet in extra bouwmogelijkheden ten opzichte van de vigerende regeling. Het radarverstoringsgebied levert daarmee geen beperkingen op aan het TAM-omgevingsplan. 4.12.3 Gezondheid Door de gebruikswijzigingen wordt een sociaal veiliger leefklimaat voorzien, met ook meer eenduidigheid in het straatbeeld. Dit heeft een positief effect op de gezondheid. Voor het overige heeft dit TAM-omgevingsplan geen gevolgen voor het aspect gezondheid. 4.12.4 Duurzaamheid Voor de wijzigingen die dit TAM-omgevingsplan brengt, gelden geen duurzaamheidseisen. De wijzigingen betreffen gebruiksmogelijkheden van bestaande panden.
Hierdoor blijven de effecten op de omgeving beperkt, aangezien er geen nieuwe verstoringen van natuur- of landbouwgebieden plaatsvinden. Dit draagt bij aan het behoud van de biodiversiteit en de kwaliteit van de leefomgeving. Hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het bevoegd gezag kan een wijziging van het omgevingsplan alleen vaststellen als het voldoet aan de beoordelingsregels van afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de instructieregels van de provincie. Dit houdt in dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving, die betrekking hebben op de gevraagde activiteit, onderzocht en verantwoord in de hoofdstukken 2, 3 en 4. De belangrijkste beoordeling is die aan de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven dat en hoe aan de instructieregels en het beleid wordt voldaan. Dit betekent dat het TAM-omgevingsplan bijdraagt aan de beleidsdoelen en geen onacceptabele effecten heeft op de leefomgeving. Bovendien zijn er geen beperkingen of knelpunten die de tijdelijke ontwikkeling onaanvaardbaar maken binnen de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van voorliggend Omgevingsplan beschreven.
Dit Omgevingsplan bestaat naast deze toelichting uit de verbeelding en de regels. Op de verbeelding is het plangebied aangewezen en in de regels is per gebiedsaanduiding bepaald aan welke functies een vergunningplicht is toegevoegd om deze te kunnen realiseren. Het planologisch regiem in de binnenstad is niet overal gelijk als gevolg van de verschillende bestemmingsplannen. Er is daarom gekozen deze regels integraal in stand te houden, de bestaande regels uit de bestemmingsplannen in het tijdelijk van het omgevingsplan blijven gehandhaafd. De regels van het TAM-omgevingsplan voegen een regelkwalificatie hieraan toe, door bepaalde activiteiten onder vergunningplicht te brengen. Deze vergunningplicht draait om wonen in de binnenstad en commerciële en maatschappelijke voorzieningen in de aanloopstraten. De vergunningplicht maakt deze activiteiten niet onmogelijk, maar draagt bij aan een zorgvuldige afweging en sturing op de invulling van voornoemde locaties. De vergunning wordt alleen verleend als aan de beoordelingsregels wordt voldaan. Dit TAM-omgevingsplan heeft een conserverend karakter. De bestaande planologische regelingen blijven gehandhaafd, waarbij (slechts) een vergunningplicht wordt opgenomen ter ondersteuning van de gewenste functiesturing in het gebied. De functies die ten grondslag liggen aan het gevestigde voorkeursrecht worden met dit plan niet toegedeeld.
De toedeling van deze functies zal plaatsvinden in één of meer toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan waarin de beoogde gebiedsontwikkeling verder wordt uitgewerkt. Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De gemeente Roosendaal is de initiatiefnemer. De kosten die samenhangen met het opstellen van dit omgevingsplan komen dan ook voor rekening van de gemeente Roosendaal, deze worden gedekt uit het budget voor omgevingsplannen. Hoofdstuk 8 Participatie Volgens artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit moet in het vaststellingsbesluit van (een wijziging van) een omgevingsplan staan hoe het bevoegd gezag burgers, bedrijven maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen betrokken heeft. De gemeente Roosendaal heeft op 1 januari 2024 zijn eigen participatiebeleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld als gevolg van het omgevingsbesluit en zorgt voor een duidelijk richtlijn voor participatie binnen de gemeente. Participatie moet passend zijn bij het project en wordt altijd toegepast als dit wettelijk vereist is. De gemeente heeft alle pandeigenaren in het plangebied benaderd in het kader van de participatie. De gemeente heeft de concept omgevingsplanwijziging ter inzage gelegd van 17 november 2025 tot maandag 1 december 2025. Hierop is 1 participatiereactie ingediend.
Deze participatiereactie verzoekt juist om de lijn te hanteren welke in het concept omgevingsplan wordt toegepast. Daarom zorgt de participatiereactie niet voor een aanpassing van het omgevingsplan. Het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Oude Centrum’ heeft met ingang van 22 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode hebben 6 verschillende betrokkenen een zienswijze ingediend tegen het ontwerpplan. In de Nota zienswijzen (toegevoegd als bijlage 1) zijn de reacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De ingekomen zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven om het ontwerp TAM- omgevingsplan te wijzigen.