1705892-E-NATIONALE OMBUDSMAN-Brandbrief en publicatie over discriminatie van Sinti, Roma en reizigers (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
Geachte heer/mevrouw, Hierbij versturen wij u een brandbrief en publicatie over discriminatie van Sinti, Roma en reizigers. Wij verzoeken u deze documenten te doen toekomen aan het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. De Nationale ombudsman roept gemeenten in zijn brandbrief en publicatie op: 1. Ga aan de slag met beleid tegen discriminatie van Sinti, Roma en reizigers. 2. Zorg voor voldoende standplaatsen. Mocht u nog vragen of opmerkingen hebben, neemt u dan gerust contact met mij op. Met vriendelijke groet, (geanonimiseerd) projectleider O dn nationale kinder veteranen ombudsman ombudsman ombudsman (geanonimiseerd) Werkdagen: maandag t/m vrijdag, behalve woensdag nationale ombudsman Retouradres: | Postbus | 93122, | 2509 | AC | Den | Haag Aan | het | college | van | burgemeester | en | wethouders Geacht | college, | Pagina | 1 Al sinds | mijn | rapport | Woonwagenbewoner | zoekt | standplaats | uit 2017 | dring | ik | Datum er bij | het | Rijk | en | gemeenten | op | aan | daadwerkelijk | werk | te maken | van | 28 | september | 2026 nieuwe | standplaatsen | voor | Sinti, | Roma | en | reizigers. | Er | is schokkend | weinig voortgang | geboekt | en | ik mis | bij | de | overheid | het | gevoel | van | urgentie | dat | Onderwerp | | hierbij | nodig | is.
Van | een | behoorlijke | overheid | mogen | burgers | meer | Discriminatie | van | Sinti, Roma | en | | verwachten. | Een | behoorlijke | overheid | discrimineert | zelf | niet | én | beschermt | reizigers burgers | tegen | discriminatie | door | anderen. | Met | deze | brief | en | de | publicatie Volk | zoals | jij (bijlage | 1) | roep | ik het | kabinet | en | gemeenten | op | om | de | Ons | nummer woonwagenculturen | te | beschermen | en | om | discriminatie | en | stigmatisering, | 2593459 zowel | in de | samenleving | als | binnen | de | overheid, | aan | te | pakken. | In de publicatie | staan | de | ervaringen | van | de | mensen | zelf | centraal. | Ik wil | dat | zij | Uw | kenmerk gezien | en | gehoord | worden | door | u. Te | weinig | standplaatsen | Bijlage(n) Op | papier | is het | discriminerende | beleid | verdwenen: | het | uitsterfbeleid | is | 1 afgeschaft | en | de | Rijksoverheid | en | (een | deel | van | de) | gemeenten | hebben | een nieuw | standplaatsenbeleid | ontwikkeld. | Maar | in de | praktijk | merken | veel | Sinti, Roma | en | reizigers | daar | nog | steeds | te | weinig | van. | Er | zijn | nauwelijks | nieuwe standplaatsen | bijgekomen. | Volgens | de | Herhaalmeting | 2025 | zijn | er tussen | (geanonimiseerd) 2022 | en | 2025 | slechts | 99 | standplaatsen | bijgekomen.
| Ik | ontvang | hier regelmatig | klachten | en | signalen | over. | Daarbij | wil | ik benadrukken | dat | op | de overheid | de | verplichting | rust | om | maatregelen | te | nemen | die | de | historische — | — achterstelling | op | de | woningmarkt | voortgekomen | uit het | uitsterfbeleid | te herstellen. Discriminatie Daarnaast | zie | ik dat | Sinti, | Roma | en | reizigers | telkens | weer | worden geconfronteerd | met | discriminatie | en | stigmatisering. | Dat | raakt | zowel volwassenen | als | kinderen. | Dit | belemmert | hen | op | de | arbeidsmarkt, | op | school en | in hun | mogelijkheden | om | te | wonen | op | een | manier | die | past | bij | hun | cultuur. Mensen | worden | niet | als | individu | behandeld, | maar | beoordeeld | op | basis | van negatieve | beelden | over | de | groep | waartoe | zij behoren. | Deze | negatieve beelden | leven | niet | alleen | in de | samenleving, | maar | ook | binnen | de | overheid. De | blik | op | Sinti, | Roma | en | reizigers | is te vaak | ééndimensionaal, | namelijk | Nationale | ombudsman door | een | veiligheidsbril. | Dit werkt | discriminatie | en | uitsluiting | in de | hand. | Bezuidenhoutseweg | 151 2594 | AG | Den | Haag Het | gevolg | is dat | Sinti, | Roma | en | reizigers | zich | niet | geaccepteerd | voelen | in de | Nederlandse | samenleving.
| Sinti, | Roma | en | reizigers | kunnen | of durven | niet | Postbus | 93122 altijd | zichzelf | zijn, | kunnen | hun | cultuur | niet | ten | volle | beleven | of houden | deze | 2509 | AC | Den | Haag zelfs | verborgen | voor | anderen. | Dat | geldt | ook | voor | kinderen. | Zij | krijgen | te T 070 | 356 | 35 63 * | met | standaard | Bibob-onderzoek | bij | post | @nationaleombudsman.nl Bijvoorbeeld: | Gemeente | stopt | verkoop | woonwagenkavels Apeldoorn | www.nationaleombudsman.nl nationale ombudsman maken krijgen met discriminerende opmerkingen , onderadvisering en stagediscriminatie. En zij voelen als kind al de gevolgen van het standplaatsentekort: ze weten dat ze later weinig kans hebben op een standplaats. Jongeren die wij spraken , vertelden dat het eindeloze wachten hen belemmert om een eigen leven op te bouwen. Pagina 2 Ons nummer 2593459 Wat ontbreekt er? lk mis bij de overheid het gevoel van urgentie dat nodig is om de structurele en haast genormaliseerde discriminatie van Sinti , Roma en reizigers aan te pakken. Aandacht voor deze gemeenschappen is te vaak gericht geweest op controle en beheersing , en te weinig op het beschermen van hun rechten. Wat ontbreekt is een samenhangende aanpak , vanuit mensenrechtelijke verplichtingen , waar Sinti , Roma en reizigers zelf daadwerkelijk iets van merken.
Mede als gevolg daarvan is het vertrouwen in de overheid laag. Dat moet de overheid zich aantrekken. Wat vraagt de Nationale ombudsman van u? De overheid moet zich actief inzetten om de woonwagenculturen te beschermen en om discriminatie en stigmatisering in de samenleving en binnen de overheid tegen te gaan. Dat begint ermee dat de overheid actief beleid maakt en uitvoert dat gericht is op de wezenlijke verbetering van de positie van Sinti , Roma en reizigers. De ombudsman verwacht van gemeenten dat zij in actie komen , omdat zij een eigen verantwoordelijkheid hebben richting hun inwoners om mensenrechten te waarborgen. Een eerstvolgende gelegenheid voor alle gemeenten om dit te doen , is bij het opstellen van de volkshuisvestingsprogramma's onder de Wet Versterking Regie Volkshuisvesting. De Nationale ombudsman roept gemeenten op: 1. Ga aan de slag met beleid tegen discriminatie van Sinti , Roma en reizigers. 2. Zorg voor voldoende standplaatsen. De Nationale ombudsman roept het kabinet op: 1. Voer gericht en samenhangend antidiscriminatiebeleid vanuit mensenrechtelijke verplichtingen. 2. Besteed voldoende aandacht aan de positie van Sinti , Roma en reizigers in de volgende rijksbrede aanpak tegen Discriminatie en Racisme. 3. Heb bijzondere aandacht voor de positie van kinderen en wat zij nodig hebben. 4.
Erken Sinti , Roma en woonwagenbewoners als nationale minderheid onder het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. 5. Neem de regie om samen met gemeenten het standplaatsentekort op te lossen. 00 ( nationals ombudsman Tot slot lk heb een soortgelijke brief gestuurd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties , de minister van Werk en Participatie en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Pagina 3 Ons nummer 2593459 Een kopie van deze brief en de publicatie zullen eveneens aan de vaste Kamercommissies voor Binnenlandse Zaken , voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening worden gestuurd. Met vriendelijke groet , de Nationalsombudsman Vitva. t Reinier van Zutphen 28 september 2026 ‘Volk zoals jij’ Welke ervaringen hebben Sinti , Roma en reizigers met discriminatie , en wat moet de overheid daaraan doen? ‘ Ik merkte dat klasgenootjes van mijn zoons niet op het kamp mochten komen. Zelf ervoer ik dat ook als kind. Ze kwamen nooit bij ons spelen of logeren. Niemand zei: “O , wat leuk dat jullie op een kamp wonen. ” Een bepaalde interesse , die was er nooit. Het meest positieve dat ik hoorde was: “O , mij maakt dat niks uit. ” Dat zegt al genoeg. Waarom zou het iets uitmaken? We zijn gewoon mensen.
’ Carel (59) Inleiding Achtergrond Sinti , Roma en reizigers hebben een eigen culturele identiteit. Die cultuur moet beschermd worden ; onder meer het Europees Hof voor de Rechten van 1 de Mens (EHRM) heeft dat bepaald. Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) volgt dat Sinti , Roma en reizigers hun leven mogen leiden volgens hun eigen tradities. Het leven in een woonwagen is daarvan een integraal onderdeel. Daarom wordt ook wel de term woonwagenbewoners gebruikt. De overheid moet die levensstijl faciliteren. Terminologie In het rapport Woonwagenbewoner zoekt standplaats gebruikte de ombudsman de term woonwagenbewoners , waartoe Sinti , Roma 5 en reizigers werden gerekend. Deze groepen kennen onderlinge culturele verschillen , maar voor het doel van dat onderzoek was relevant dat het (willen) leven in een woonwagen grotendeels gemeenschappelijk is voor hun culturele identiteiten. Het is voor veel woonwagenbewoners echter moeilijk om in een woonwagen te wonen. Dat komt doordat er al lange tijd een tekort is aan standplaatsen. De Nationale ombudsman vraagt hier sinds 2017 aandacht voor.
In zijn rapport Woonwagenbewoner zoekt standplaats (2017) stelde de ombudsman vast dat het tekort aan standplaatsen een gevolg was van beleid van de overheid , dat sterk gericht was op vermindering van het aantal – toch al schaarse – standplaatsen of het verdwijnen ervan (zogenoemd 2 uitsterfbeleid). Dat beleid is discriminerend en niet lijn met de mensenrechten van woonwagenbewoners. De Nationale ombudsman riep de Rijksoverheid en gemeenten dan ook op een standplaatsenbeleid te ontwikkelen gebaseerd op mensenrechten en zich in te zetten voor voldoende standplaatsen. Tijdens de gesprekken die medewerkers van de ombudsman voerden voor dit project , benadrukten gesprekspartners vaak dat het gaat om verschillende groepen die je niet ‘op één hoop moet gooien’. Een overeenkomst tussen deze drie groepen vormt wel de behoefte om samen te leven en het gevoel van ‘vrijheid’. En zij hebben allemaal te maken hebben met soortgelijke stigma’s , 6 vooroordelen en discriminatie. Daarom betrekt de ombudsman al deze groepen in deze publicatie. In de onderzoeken die de ombudsman voor deze publicatie heeft geraadpleegd , wordt de overkoepelende term woonwagenb ewoners meestal niet gebruikt , behalve wanneer het specifiek gaat om de standplaatsen 7 problematiek.
Deze onderzoeken gaan niet altijd over precies dezelfde groepen , en daarnaast worden resultaten soms apart benoemd voor Sinti , Roma en reizigers (of verschillende combinaties daarvan). In de beschrijving van deze onderzoeken sluiten we daar zo veel mogelijk bij aan. Wanneer het gaat om het standplaatsenbeleid , gebruiken we in deze publicatie nog de term woonwagenbewoners. Sinds het verschijnen van het rapport van de Nationale 3 ombudsman is er weinig vooruitgang geboekt. Het discriminerende beleid is op papier wel verdwenen: de Rijksoverheid en (een deel van de) gemeenten hebben nieuw standplaatsenbeleid ontwikkeld. Maar in de praktijk is het resultaat voor veel woonwagenbewoners niet anders. Er zijn nauwelijks nieuwe standplaatsen bij gekomen. Woonwagenbewoners klagen hier regelmatig over bij de Nationale ombudsman. Zo vertellen zij dat gemeenten hun beloftes niet nakomen om meer standplaatsen te ontwikkelen en dat het voelt alsof ze aan het lijntje worden gehouden. Ze verliezen de hoop ooit nog een standplaats te krijgen. De Nationale ombudsman heeft daarom ook na het verschijnen van zijn rapport in 2017 meermaals 4 aandacht gevraagd voor het standplaatsentekort. Woonwagenbewoners vertelden de ombudsman in 2017 ook dat zij met allerlei vormen van discriminatie te maken krijgen , breder dan alleen bij standplaatsen.
Bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt , bij het aanvragen van hypotheken voor woonwagens en het aanvragen van (inboedel)verzekeringen. Zij schetsten een beeld waarin discriminatie , vooroordelen en uitsluiting geaccepteerd lijken te zijn. 2 Waar gaat deze publicatie over? De Nationale ombudsman wilde weten wat er bekend is over de discriminatie van Sinti , Roma en reizigers , breder dan alleen op het gebied van standplaatsen. In een verkennend onderzoek spraken medewerkers van de ombudsman op twee woonwagenlocaties met bewoners. Daarnaast spraken zij een aantal partijen die zich bezighouden met Sinti , Roma en/ of reizigers , zoals het Nationaal Roma en Sinti Contactpunt (NRSCP) en de Vereniging Sinti , Roma en Woonwagenbewoners Nederland. Ten slotte bestudeerden zij verschillende onderzoeksrapporten van andere organisaties. Door welke bril kijkt de Nationale ombudsman? In het werk van de Nationale ombudsman staat centraal of de overheid zich tegenover burgers behoorlijk gedraagt. Een behoorlijke overheid vraagt zich af hoe ze het goede voor burgers kan doen en gaat naast burgers staan , zodat deze zich gezien en gehoord voelen. De zogeheten Behoorlijkheidswijzer van de ombudsman geeft antwoord op de vraag wat burgers mogen verwachten van de overheid. Voor deze publicatie is met name het vereiste van ‘Mensenrechten respecteren’ uit de Behoorlijkheids wijzer relevant.
De overheid moet mensenrechten respecteren en actief bevorderen. Bescherming tegen discriminatie is daarvan een fundamenteel onderdeel. De taak van de overheid is om burgers in gelijke gevallen gelijk te behandelen én er alles aan te doen om burgers te beschermen tegen discriminatie door anderen. Dat geldt ook voor hun kinderen. Een veilige en kansrijke omgeving waarin zij tot bloei kunnen komen en zichzelf kunnen zijn , vormt de basis van hun ontwikkeling. De overheid moet tegelijkertijd de culturele identiteit van Sinti , Roma en reizigers beschermen. Nondiscriminatie is meer dan alleen gelijke gevallen gelijk behandelen. Het is namelijk ook belangrijk om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen. Het recht op bescherming van een eigen culturele identiteit brengt onder meer met zich mee dat de overheid het leven in woonwagens mogelijk moet maken. In dit opzicht kunnen de behoeften van Sinti , Roma en reizigers niet gelijkgetrokken worden met die van andere burgers. De ombudsman concludeerde op basis van het verken nend onderzoek dat er geen aanleiding is voor hem om opnieuw te onderzoeken of er sprake is van discriminatie van Sinti , Roma en reizigers. Uit de geraadpleegde onderzoeken en de gesprekken blijkt dat keer op keer is vastgesteld dat Sinti , Roma en reizigers te maken hebben met discriminatie op allerlei gebieden in hun leven.
Er zijn bovendien allerlei aanbevelingen gedaan om discriminatie van Sinti , Roma en reizigers aan te pakken. Hiermee heeft de (lokale) overheid tot nu toe te weinig gedaan. Dit laatste is voor de Nationale ombudsman aanleiding om met deze publicatie de bevindingen uit de geraad pleegde onderzoeken en aanbevelingen opnieuw onder de aandacht te brengen bij het kabinet en bij gemeenten. Op deze manier wil de ombudsman er bij hen op aandringen hiermee zo snel mogelijk aan de slag te gaan. De urgentie daartoe is hoog. De discriminatie heeft namelijk een grote negatieve impact op het leven van Sinti , Roma en reizigers. Dit blijkt uit de gesprekken die de Nationale ombudsman heeft gevoerd met een aantal Sinti , Roma en reizigers. In deze publicatie heeft de ombudsman hun ervaringen opgetekend. Deze verhalen illustreren en bevestigen wat er in de geraadpleegde onderzoeken staat. 3 Leeswijzer De publicatie begint met de verhalen van Sinti , Roma en reizigers zelf. Na deze verhalen volgt een beknopt overzicht van de geraadpleegde onderzoeken. Tot slot geeft de Nationale ombudsman aan wat hij ziet op basis van de onderzoeken en de verhalen. En hij benoemt waar het kabinet en gemeenten mee aan de slag moeten. Mensenrechtelijke verplichtingen Er zijn verschillende relevante mensen rechtelijke instrumenten om de discriminatie van Sinti , Roma en reizigers tegen te gaan.
Nederland is allereerst partij bij het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (ICERD) van de Verenigde Naties. Het comité dat toezicht houdt op de naleving van dit verdrag (CERD) , het College voor de Rechten van de Mens en de recht spraak oordelen dat Sinti , Roma en reizigers (woonwagenbewoners) onder het begrip ras vallen en dus bescherming 8 kunnen ontlenen aan dit verdrag. In het ICERD staat onder meer dat staten op sociaal , economisch , cultureel en ander gebied maatregelen moeten nemen , zodat rasgemeen schappen zich behoorlijk kunnen ontwikkelen en beschermd worden (artikel 2 , tweede lid). Dit gaat onder meer over huisvesting (artikel 5 aanhef en onder e). De staat moet ook onverwijld doeltreffende maatregelen nemen , met name op het gebied van onderwijs , opvoeding , cultuur en voorlichting , om zo vooroordelen te voorkomen die tot rassendiscriminatie leiden (artikel 7). Sinti , Roma en reizigers kunnen ook bescherming ontlenen aan de bepalingen van het EVRM. Zij moeten worden erkend als minderheid en hun culturele identiteit moet worden beschermd (8 EVRM).
Verder betekent het recht op nondiscriminatie (14 EVRM) niet alleen dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld , maar ook dat ongelijke situaties ongelijk moeten worden behandeld – bijvoorbeeld als het gaat om een groep die kwetsbaar is door historische achterstellingen. Er is een positieve verplichting om maat regelen te treffen om historische achter 9 stellingen te herstellen. Voor kinderen is het recht om niet gediscri mineerd te worden vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag (artikel 2). Dit vormt een van de kernbeginselen van het verdrag , net zoals het recht van kinderen om zich goed te kunnen ontwikkelen (artikel 6) en de verplichting van de overheid om het belang van kinderen voorop te stellen als er besluiten over kinderen worden genomen (artikel 3). De overheid moet Sinti , Roma en reizigerskinderen dus beschermen tegen discriminatie en moet zorgen voor een leefomgeving waarin zij zich goed kunnen ontwikkelen. ‘ Kinderen uit de klas komen vaak niet bij ons spelen. Ze zeggen dan dat ze komen , maar dan komen ze niet omdat ze denken dat we gevaarlijk zijn of dat we dieven zijn of dat we gemeen zijn. Sommige mensen zeggen dan ook tegen andere kinderen: je moet er niet heen gaan , want als je één iemand boos maakt , dan komen ze met heel veel mensen op je af. ’ Paul (11) en Mike (11) 4 , 1011 Verhalen van Sinti , Roma en reizigers Carel (59) , reiziger.
Carel woont samen met zijn volwassen zoon noodgedwongen in een huis , maar wil heel graag weer terug naar een woonwagen. Zijn huis voelt niet als een thuis. Weggeduwd en buiten de samenleving geplaatst ‘Ik ben in de jaren zestig geboren op een groot woon wagenkamp waar allerlei groepen bij elkaar zijn gezet door de overheid , Sinti en reizigers door elkaar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen gemeentebesturen de opdracht van de Duitsers om Roma en Sinti op te pakken. Uiteindelijk zijn velen van hen vergast in vernietigingskampen. Reizigers hoorden daar niet bij , maar sommige gemeenten pakten de reizigers ook mee met de gedachte: dan zijn we van het reizend volk af. Maar de Duitsers vonden hen te “arisch” om te doden. Dat soort geschiedenissen zitten er diep in. Mijn opa heeft zelf ook gestreden in de oorlog , maar zodra hij zijn uniform uitdeed , had hij zijn eigen overheid tegen zich. Dat was heel traumatiserend. Mensen kunnen zich er geen voorstelling van maken hoe het is om steeds opgejaagd en nagewezen te worden. ’ ‘ De gemeenschap kroop in elkaar en kreeg een houding van: wij tegen de rest van de wereld. We waren aangewezen op elkaar en moesten elkaar helpen. Zo voelen we dat nog steeds. ’ Carel ‘Het kamp was voor mij een geweldige plek om op te groeien. De wereld was heel klein , maar voor ons als kinderen was dat perfect.
We hadden bijvoorbeeld ook een eigen snoepwinkel , kerk en school. Maar kinderen van het kamp die naar de reguliere school gingen , mochten niet in dezelfde rij staan als andere kinderen en kregen apart les. Zelfs tijdens de sinterklaasviering moesten ze apart blijven. Er gooide dan alleen iemand wat pepernoten naar binnen door het zolderluik , dat was dan de viering voor de kinderen van het kamp. Mijn ouders hadden wel ervaring met discriminatie , maar wisten niet wat apartheid was. Dat was pas later bekend. Maar ze wisten wel: daar sturen we onze kinderen niet heen. ’ ‘Het kamp waarin we woonden was tegenover een spoor , daar waren we weggezet. Er was een trekverbod afgekondigd , dus iedereen moest stilstaan. Mijn voor ouders waren ambulante ambachtslieden , maar konden hun beroep door het trekverbod niet meer uitoefenen. Met als gevolg armoede en afhankelijkheid van uitkeringen. De stigmatisering dat woonwagenbewoners een uitkering hadden , lag eigenlijk aan de overheid zelf. Zo is het met veel dingen. De gemeenschap kroop in elkaar en kreeg een houding van: wij tegen de rest van de wereld. We waren aangewezen op elkaar en moesten elkaar helpen. Zo voelen we dat nog steeds. ’ ‘Het kamp werd beheerd vanuit een “kampbureau” , waar een expolitieman toezicht hield. We werden altijd in de gaten gehouden en er was zelfs een slagboom voor het kamp.
Op een gegeven moment is die slagboom eruit gereden: mensen wilden zich vrij voelen en niet “opgesloten” zitten. Het kamp is later opgedeeld in kleinere locaties. De overheid bepaalde wat goed voor ons was ; wij hadden geen keus. Onze familie is toen op een kleiner kamp terechtgekomen. Later kreeg ik daar een eigen standplaats met mijn gezin. Het kamp ligt op een industrieterrein , uit het zicht en buiten de bebouwde kom. Dit zodat er geen buren zijn die zouden protesteren bij de komst van het kamp , omdat hun huis minder waard zou worden. Je wordt letterlijk buiten de gemeenschap gezet. Op het industrieterrein zitten puinbrekers , chemische bedrijven , autohandels , maar er zijn geen gewone winkels en inwoners. Het is geen goede omgeving voor kinderen. Een dochter van mijn neef is op het industrieterrein aangereden door een vrachtwagen en overleden , toen ze naar school fietste. Ik ben zelf ook een keer aangereden door een vrachtwagen. De veiligheid is er ver te zoeken. ’ ‘ Het is geen goede omgeving voor kinderen. Een dochter van mijn neef is op het industrie terrein aangereden door een vrachtwagen en overleden , toen ze naar school fietste. Ik ben zelf ook een keer aangereden door een vrachtwagen. De veiligheid is er ver te zoeken. ” Carel 5 Geen plek , geen urgentie ‘Na mijn scheiding was er geen plek meer voor mij en kwam ik noodgedwongen in een regulier huis terecht.
Ik wil graag terug naar het kamp. Maar ik sta nu al negen jaar op de wachtlijst , net als zes anderen van mijn familie , waaronder mijn zoons. Ook veel anderen wachten op een eigen standplaats en stellen bijvoorbeeld hun kinderwens uit. Je weet niet waar je aan toe bent. Ik heb in één jaar tijd drie verschillende wachttijden gehoord: vijf jaar , zeven jaar en tien jaar. En de gemeente zegt dat de wachttijd voor een reguliere huurwoning ook steeds langer wordt. Maar die vergelijking gaat niet op , want andere mensen hebben geen last gehad van het uitsterfbeleid. En er zijn wel reguliere woningen gebouwd. Politici nemen geen verantwoordelijkheid voor het verleden , terwijl wij nu eigenlijk met urgentie plekken moeten krijgen om te compenseren voor al die jaren uitsterfbeleid en nietsdoen. Ik hoor nooit: we moeten iets doen voor die mensen. ’ Vogelvrij verklaard ‘Ik werk nu in de logistiek bij een grote supermarkt in een naburige gemeente. Toen ik ging solliciteren heb ik niet gezegd dat ik van het kamp kom , want dan sta je met 50 achter. Ik wil beoordeeld worden op mijn persoonlijkheid. Ik hoorde op mijn werk ook wel eens negatief praten over mensen van het kamp , maar dan zei ik er niets van omdat ik nog geen vast contract had. Uiteindelijk is dat langzaam goed gekomen en ben ik er nu open over.
Al had ik een keer een leidinggevende die vroeg: “Jij komt toch van het kamp?” “Ja” , zei ik toen. Ik zag een soort botsing in zijn hoofd: Carel werkt gewoon goed , hoe kan hij van het kamp komen? De vooroordelen in zijn hoofd pasten niet bij wie ik was. ’ ‘Ik merkte ook dat klasgenootjes van mijn zoons niet op het kamp mochten komen. Zelf ervoer ik dat ook als kind. Ze kwamen nooit bij ons spelen of logeren. Niemand zei: “O , wat leuk dat jullie op een kamp wonen. ” Een bepaalde interesse , die was er nooit. Het meest positieve dat ik hoorde was: “O , mij maakt dat niks uit. ” Dat zegt al genoeg. Waarom zou het iets uitmaken? We zijn gewoon mensen. Ik merk dat mijn zoons nu ook wel een drempel ervaren om te vertellen dat ze van het kamp komen. Ik probeer ze op het hart te drukken: we zijn wie we zijn en we mogen er zijn. Ze raken ons niet kwijt , ook al hebben ze het geprobeerd. ’ ‘Als woonwagenmensen niet in een woonwagen kunnen wonen , wordt de binding met de cultuur ook minder. Ik heb dat zelf ook een tijdlang gehad. Ik dacht: ik moet me erbij neerleggen. Maar ik kon het niet loslaten. De belangrijkste steunpilaren van de woonwagencultuur zijn wonen in een woonwagen en wonen in familieverband. Ik woon nu in een huis , maar dat is niet mijn thuis. De overheid beseft vaak niet wie wij zijn , waar wij vandaan komen en hoe wij het zelf beleven.
Telkens wordt er weer een stukje van onze cultuur afgenomen. Dan vragen ze of we in een stenen wagen willen wonen. Of dan stellen ze voor de wagens te stapelen. Dat is niet in overeenstemming met onze cultuur. Telkens worden er dingen voorgesteld onder het mom van “meedenken” , maar ondertussen zijn ze toch bezig om de cultuur te laten verdwijnen. Vooral mensen zoals wij , die nood gedwongen in een huis wonen , zijn een gemakkelijk slachtoffer in zulke “onderhandelingen”. ’ ‘De grootse discriminatie is door de overheid zelf , die onze cultuur wilde laten verdwijnen , maar dat sijpelt wel door in de samenleving. De overheid geeft een vrijbrief voor discriminatie. We zijn eigenlijk vogelvrij verklaard. In 1999 , bij de afschaffing van de Woonwagenwet , zijn politici op hun handen gaan zitten. Gekozen volks vertegenwoordigers deden uitspraken als: “Eindelijk , de tijd van Pipo de clown is nu voorbij” , of spraken over de woon wagen als inferieure woonvorm. Het beeld van minder waardigheid wordt door zulke uitspraken versterkt. De overheid moet haar burgers beschermen. Maar bij ons is het net andersom. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moest ons beschermen tegen onze eigen overheid. Hoe duidelijk wil je het hebben?’ 6 Silvia (35) en haar kinderen Jason (15) en Chanel (11) , reizigers. Zij wonen op een woon wagenlocatie met ook vader Anton.
Anton is geboren in een woonwagenfamilie , Silvia niet. Op haar 18e is zij met Anton op het woonwagenkamp gaan wonen. Hun kinderen Jason en Chanel werden er geboren. ‘Als ik nog in een huis had gewoond. . . ’ ‘Als we iets willen verkopen via Marktplaats , komen kopers vaak niet opdagen. Mensen durven dan gewoon niet. En veel supermarkten bezorgen hier geen boodschappen , terwijl ze dat bij de boerderij hier tegenover wél gewoon doen. Als je ons adres invoert , dan staat er: daar bezorgen we niet. Met andere bezorgers en winkels hebben we er ook last van. Toen de kinderen klein waren had ik alles uitgezocht wat ik wilde hebben voor een kinderkamer. Toen ik het bezorgadres opgaf zeiden ze ineens: daar bezorgen we niet. Op dat moment voel je echt de grond onder je voeten vandaan zakken. En als je het vraagt komen ze natuurlijk altijd met een of andere smoes aan. Dat het net buiten het bezorggebied is bijvoorbeeld. Maar dan zie je ze wel rijden in de directe omgeving en bezorgen bij de boerderijen. Dus het is gewoon niet waar , maar ze gaan natuurlijk nooit zeggen dat ze niet bij ons bezorgen omdat ze ons niet mogen. Dat soort dingen zijn gewoon heel naar eigenlijk. ’ Silvia: ‘Mijn moeder vond het heel moeilijk , toen ik een relatie kreeg met iemand van het kamp. Ze snapte de hele cultuur ook niet. Uiteindelijk is ze erin meegegroeid.
Omdat ik zelf uit een huis kom , zie ik heel erg de verschil len in behandeling. Ik loop tegen dingen aan waarvan ik denk: als ik nog in een huis had gewoond , dan was het geen probleem geweest. ’ ‘Je kunt bijvoorbeeld nauwelijks een hypotheek krijgen om een woonwagen te kopen. Ook een inboedel verzekering kun je niet krijgen. Of je moet een bizar hoge premie betalen. Eigenlijk heeft niemand hier een verzekering en vaak ook geen potje geld voor als er iets misgaat. Dus in zo’n geval ben je afhankelijk van crowdfunding. We zijn nu aan het verbouwen en het liefst zouden we bijvoorbeeld ook beter willen isoleren , maar subsidies daarvoor krijgen we ook niet. Omdat het een woonwagen is , valt het onder houten chaletbouw. Daardoor valt het niet onder verduurzamingsregelingen. We moeten alles zelf betalen. ’ ‘Hoe zorg ik dat ze hier mogen komen spelen?’ Silvia: ‘Toen de kinderen kleiner waren , was het moeilijk om speelafspraken te maken. Ik merkte ik dat ouders vaak zoiets hadden van “Hm , ik weet het niet. ” Dan zeiden ze ineens dat het toch niet uitkwam. Of ze zeiden: “Nee , doe maar bij ons. ” Ik vond dat heel lastig. Ik was daar echt mee bezig , hoe ik ervoor kon zorgen dat mensen hun kinderen hier durfden te laten spelen. Eerlijk gezegd vertelde ik soms dan niet waar we woonden. Maar dan vroegen ze op een gegeven moment natuurlijk in welke straat ze hun kind konden ophalen.
Dan noemde ik de straatnaam en dacht ik: als je zo komt aanrijden dan weet je het. Maar dan zei ik niet uit mezelf van tevoren dat het een woonwagenkamp is. ’ ‘Als ik de naam van mijn man gebruik , dan weten sommige mensen al direct dat ik op het woonwagen kamp woon. Soms gebruik ik mijn meisjesnaam omdat ik weet dat dat helpt , bijvoorbeeld bij het solliciteren. Dan vertel ik in eerste instantie ook niet waar ik precies woon. Ik heb de situatie gehad dat ik solliciteerde en dan uiteindelijk mijn adres moest doorgeven. En dat ze dan zeiden: “We doen het toch maar niet. ” Dan vroeg ik weleens: “Waarom dan niet?” Daar krijg je geen antwoord op , maar ik denk dan toch dat ze bang zijn dat je misschien iets steelt. Je wordt daardoor heel voorzichtig in wat je zegt en doet. ’ 7 Jason: ‘Op school noemen ze me kamper en dat soort dingen. Mijn vrienden zeggen het als grapje , anderen zeggen het vaker en dan is het minder leuk bedoeld. Mij boeit het niet , ik zeg gewoon iets terug. Als ze me niet mogen , dan niet. ’ Jason: ‘Vroeger had ik helemaal niets. We hadden nog geen telefoons en zo. Je moest je gewoon met elkaar vermaken , voetballen en voor de rest was er niks. Dat vond ik wel vervelend. Op straat kun je niks doen want ze rijden allemaal hard , overal hieromheen. Veel vrachtwagens. Een voetbalveldje was er ook niet , we voetbalden hier op de stenen.
Negen van de tien keer werden we dan weggestuurd , want dan kwamen we te dicht bij de auto’s. Tegenwoordig heb ik een brommertje , daarmee rij ik rondjes over het kamp. Sommige agenten die hier surveilleren doen daar moeilijk over omdat ik minderjarig ben. Het is officieel een openbare weg. Maar we doen dat puur omdat er geen andere dingen te doen zijn. Wat moet ik hier anders doen?’ ‘Ik merk dat sommige mensen mijn achternaam ook kennen en daar dan een opmerking over maken. Ik heb dan een streepje achter. Er was een leraar , die ook mijn mentor was. Eerst deed hij gewoon normaal. Tot hij erachter kwam wie ik precies was en waar ik woonde. Toen veranderde zijn houding , ging hij vervelende opmerkingen maken. Hij had een grote mond tegen me. Daar kon ik niet tegen. Ik werd er boos van. ’ Silvia: ‘Jason moest toen op school een presentatie maken over zichzelf. Hij had daarin tactisch weggelaten dat hij op een woonwagenkamp woont. Maar hij vertelde dat hij graag aan scooters sleutelt. En toen begon de docent te vragen waar hij dan woonde. Toen heeft hij dat alsnog verteld. Dat had hij beter niet kunnen doen , want toen begon de ellende. We moesten twee jaar lang telkens naar school komen door problemen met die docent. Dat was echt niet leuk. Hadden we het maar niet gezegd , dan was het misschien iets makkelijker geweest voor Jason.
’ Wachten op een eigen wagen Jason: ‘Ik wil niet in een normaal huis wonen. Daar voel ik me niet thuis. Hier kent iedereen elkaar. Eigenlijk is het allemaal familie , ook al zijn er verschillende achternamen. Het is gezellig hier. Hier heb je het gevoel dat je bij iedereen wel naar binnen kunt lopen. Maar de kans dat ik een plek krijg is klein. Eigenlijk ziet het ernaar uit dat ik in deze wagen moet blijven tot ik overlijd. ’ Nooit een speeltoestel ‘ De kinderen willen later allebei graag in een woonwagen wonen , maar dat zie ik gewoon niet echt gebeuren. Pas als er iemand overlijdt komt er weer een plekje vrij. ’ Silvia: ‘Er is hier nooit een speeltuin gemaakt. Het is eigenlijk gewoon zielig , want de kleine kinderen kunnen nu alleen spelen op het kleine stukje grond dat bij de standplaats hoort. We zitten hier echt aan de rand van de gemeente. Het kamp is heel erg buitenaf geplaatst. Op tien minuten fietsen zijn er wel speelgelegenheden , maar Chanel mag daar nog niet alleen heen. Ze mag ook niet naar school fietsen. Het is te ver en te gevaarlijk. Ik dacht: als ze groter zijn dan kunnen ze wel zelf op de fiets , maar dat is een illusie geweest. Ze rijden hier zo hard. ’ Silvia Silvia: ‘De kinderen willen later allebei graag in een woonwagen wonen , maar dat zie ik gewoon niet echt gebeuren. Pas als er iemand overlijdt komt er weer een plekje vrij.
Doorstroming is er niet of nauwelijks. Er zijn ook al andere jongeren hier die nu al twintigers zijn die wachten op een plek. Ik denk wel een stuk of zes. Er is geen transparantie over de wachtlijst vanuit de gemeente , maar onze kinderen zijn zeker niet als eerste aan de beurt. Een bijkomend probleem: als jongeren die hier een plek willen en op die lijst staan zich inschrijven voor een huurhuis , dan worden ze van de lijst gehaald. Dat gaat natuurlijk niemand doen die eigenlijk hier wil wonen. Dus dan zitten ze vast en blijven ze bij hun ouders , niet wetend hoelang het gaat duren voor ze een eigen plek krijgen. De gemiddelde wachttijd is zeker meer dan tien jaar. Het is vervelend dat het ofof is. Je kunt niet zeggen: dan schrijf ik me in de tussentijd in voor een huurhuis en als er hier iets vrijkomt dan lever ik het huurhuis weer op en heb ik een eigen woonwagenplek. Dan zou je je eigen leven een beetje kunnen opbouwen , in plaats van zitten te wachten bij je ouders in de wagen. ’ Chanel: ‘Er is hier nooit echt een speeltoestel geweest. Op het gras verderop staat een trampoline , die heeft mijn tante neergezet. Die is van onszelf. Ik speel bijna elke dag met mijn nichtje van hierachter. We zitten dan graag bij de minibieb , hier verderop aan de weg. Daar gaan we dan picknicken. Maar dat mag alleen op zondag , want dan rijden er geen vrachtwagens. ’ 8 Gregor (50) , Sinti.
Gregor woont op een kleine woonwagenlocatie , die eigenlijk een noodlocatie is. Ervaringen met discriminatie tekenden zijn jeugd. Steeds verder van het reizende leven af ‘We willen graag rond kunnen reizen , maar daar zijn we niet vrij in. Verhuizen uit eigen wil was nooit een optie , omdat er geen standplaatsen vrij zijn. Van overheidswege moesten we een aantal keren verplaatsen naar een andere plek. Het was allemaal onder dwang , er was nooit een keuze van onszelf bij. Als het op de nieuwe plek beter is , vindt niemand het erg om te moeten verkassen. Maar zo niet , dan is het héél erg. ’ niet nagekomen. Ik wil hier eigenlijk helemaal niet staan. Er staan hier ook weinig andere Sinti. Er zijn andere plaatsen in Nederland waar veel familie staat , maar als daar een plek vrijkomt , dan staan daar allerlei mensen voor in de rij en mag je achteraan aansluiten. ’ ‘Ik heb weinig met mijn eigen mensen kunnen wonen , veel te weinig. Ik denk ook niet dat dat nog gaat gebeuren. Dat geldt ook voor veel andere mensen uit onze gemeenschap. Ik ken ouderen die in een huis wonen en die hun hele leven al proberen om weer in een woonwagen terecht te komen. Ik ben bang dat ze het niet meer meemaken. Er zijn al heel wat mensen overleden zonder dat ze hebben gekregen wat ze wilden: bij familie wonen. Ik ben daar boos over. Dat kan nooit meer goedkomen.
Ik ben voor hen nog bozer dan voor mezelf , al heb zelf eigenlijk ook niet veel hoop meer. Verhuizen is voor ons , zeker naar een ander regio , een onmogelijke zaak. ’ ‘We hebben op verschillende plaatsen gestaan. Op officiële en nietofficiële plaatsen. We wilden dan vaak wel weg , maar dat kon niet altijd. Met familie ergens samen staan , lukte eigenlijk vaak alleen door er illegaal een caravan bij te zetten. Tot mijn vijftigste woonde ik bij mijn ouders in. Zo zijn er nog wel meer. Dan weet je hoe je meetelt in de maatschappij. ’ ‘Ik sta op een woonwagenlocatie die al jarenlang een tijdelijke 'noodlocatie' is. Daarvoor had na korte tijd een definitieve locatie in de plaats moeten komen , maar dat is nooit gebeurd. Het is ook helemaal geen fijne plek om te staan. We staan helemaal ingepakt , zonder groen. Beloftes zijn door de gemeente gewoon ‘Rondreizen heeft men helemaal gewurgd eigenlijk. Nomaden zijn vastgelegd. Er zijn nu woonwagen kampen waar woonwagens staan die je geen wagen meer mag noemen. Dat is gekomen doordat gemeenten graag wilden dat de wagens groter werden. Mensen konden na het rondreisverbod een lening krijgen voor een nieuwe wagen , maar die konden ze alleen krijgen als ze een wagen namen die niet geschikt was om mee rond te reizen. Zo kwamen we steeds verder van het reizende leven af te staan. Dat is eigenlijk ook een stukje van het uitsterfbeleid.
’ ‘Je hebt nu veel tiny houses , waar iedereen enthousiast over is. Dat is omdat het voor ándere mensen is. Bij ons was het altijd moeilijk , strijd , problemen. Je mag kennelijk leven als een zigeuner , als je maar niet van die afkomst bent. Mensen in tiny houses noemen ze excentriek , exotisch of eigenzinnig. Maar als wij het zijn die onze cultuur willen beleven , dan moeten er wetten en regels zijn om ons wat manieren te leren. ’ 9 'Ik heb eigenlijk de deur gesloten' ‘De kinderen op school die niet van het kamp kwamen gingen wisselend om met de kampkinderen. Als ik werd uitgescholden , was dat soms omdat ik Sinti was , maar zeker ook omdat ik een kleurtje heb. Dat gebeurde trouwens ook door volwassenen. Dit heeft onze jeugd wel getekend. Ik werd gerust uitgemaakt voor iemand die steelt. Ik moest mezelf veel te vaak verdedigen. Wij waren met weinig en werden door andere kinderen belaagd. Door die gebeurtenissen , heb ik zo rond mijn twaalfde besloten om niet meer om te gaan met leeftijdsgenoten van andere groepen. Ik merkte dat het altijd uitliep op ruzie. Mijn zus had dat al veel eerder besloten. Ik heb eigenlijk de deur gesloten en die is tot op de dag van vandaag nog dicht. Met die mensen die toen mijn leeftijdsgenoten waren , ga ik nog steeds niet om , hoewel ik ze nog best wel eens tegenkom.
’ ‘ Maar dit soort ervaringen als kind en puber vormen je leven , het is een gevaarlijke leeftijd om dit mee te maken. En dit zie ik ook bij de generaties voor en na mij. Al die generaties waarbij steeds hetzelfde gebeurt. Er wordt weinig over gesproken , maar het is heel triest dat dit niet verandert. ’ Gregor voorbeelden van mensen die bij het solliciteren merken dat ze niet worden uitgenodigd vanwege hun naam , of omdat op het internet terug te vinden is dat zij zich hebben ingezet voor onze groep. Er was zelfs iemand die het na jarenlange afwijzingen onder een andere naam probeerde , en daarmee wel een baan vond. ’ ‘Als puber en later in mijn leven had ik vergelijkbare ervaringen. Ook toen hoorde ik uitingen die me niet bevielen. Allemaal vooroordelen over eigenschappen die bij ons zouden horen , als volk. Ook door mensen met wie ik werkte. Ik voelde me daar beroerd door. Ik heb daardoor op dat vlak weinig vertrouwen in andere mensen en in hun beoordelingsvermogen. Ik heb er geen vertrouwen in dat zij zaken die te maken hebben met andere volkeren goed kunnen bekijken. Mensen willen tot " de beste groep " behoren door de rest naar beneden te halen. Het voelde voor mij ook wel echt zo , dat anderen me naar beneden haalden. Maar van huis uit werd daar wel een stokje voor gestoken. Mijn opvoeders kenden het , want ze hadden het zelf nog erger meegemaakt.
Dus er was thuis veel aandacht voor dat we ons nergens voor hoefden te schamen , trots moesten zijn op onze afkomst en er altijd voor uit moesten komen. ’ ‘In de tussentijd zijn de grote steden ook wat kleur rijker geworden. Dus we gaan nu meer op in de exotische bevolking van de grote stad. Maar als mensen weten waar we vandaan komen , dan zijn we toch weer minder waard dan andere minderheden. Je hebt mensen die er bang voor zijn en snel van ons wegrennen. En je hebt mensen die óók bang voor ons zijn , maar tegelijk gefascineerd. Eigenlijk zou het alle twee niet zo moeten zijn. Het is toch alsof je van een andere planeet komt. Mij is vaak genoeg gevraagd om drugs of wapens. Alsof het logisch is dat ik in die handel zit. Terwijl ik daar nooit iets aan wil verdienen , omdat het ellende betekent voor andere mensen. Ik hoef geen geld te verdienen aan andermans ellende. Maar mensen denken dat wel , want dat hebben ze met de paplepel ingegoten gekregen van hun ouders. En zij van hún ouders. Maar velen hebben nog nooit een Sinti ontmoet. Als je hen vraagt een Sinti te omschrijven , dan rol je over de grond van het lachen wat een onzin er dan uitkomt. ’ ‘Maar dit soort ervaringen als kind en puber vormen je leven , het is een gevaarlijke leeftijd om dit mee te maken. En dit zie ik ook bij de generaties voor en na mij. Al die generaties waarbij steeds hetzelfde gebeurt.
Er wordt weinig over gesproken , maar het is heel triest dat dit niet verandert. Het is zo'n fundamenteel gevoel dat je niet buitengesloten wil worden. Ieder mens is zich ervan bewust dat buitengesloten worden verschrikkelijk is , en mensen passen zich op allerlei manieren aan om dat te voorkomen. Maar wij kunnen onze afkomst niet aanpassen. ’ ‘Weinig Sinti laten hun stem nog horen , velen hebben geen vertrouwen meer in de maatschappij. De kennis en ervaring die wij hebben , worden veel te vaak afgeslagen of overgeslagen. Ik zou de overheid graag willen meegeven dat mensen die zich echt inzetten voor de groep en het werkelijk goed met de groep voorhebben en die nu worden overgeslagen , betaald zouden moeten worden om dat werk te doen. Dat werk kan prima door de eigen groep gedaan worden. Dat is nu vaak niet zo. ’ Vooroordelen met de paplepel ingegoten ‘Het vervelende van discriminerende ervaringen is , dat ze niet meer nieuw voor je zijn. We maken dat zo vaak mee , dat we methodes gaan bedenken om eromheen te komen. Als ik bijvoorbeeld spullen verkoop via een advertentie , spreek ik altijd af bij een benzinepomp in plaats van op het kamp. We hebben mensenkennis , we weten wat werkt en wat niet werkt. Alleen iemand die in een zigeunerorkest speelt kan er rond voor uitkomen in zijn broodwinning. Zelfs dan kun je het best een Hollandse manager hebben.
Ik ken ook genoeg 10 Hendrik (41) , Mieke (16) , Jeanet (45) en haar kinderen Paul en Mike (11 , tweeling) , reizigers. Zij wonen op verschillende woonwagenlocaties in een gemeente ; Hendrik en zijn buurmeisje Mieke op een grote woonwagenlocatie en Jeanet , Paul en Mike op een kleinere locatie. Zij vertellen onder meer over het gebrek aan speelvoorzieningen. 299 wachtenden wijk lopen of fietsen om te spelen. Maar de kleine kinderen niet. Ik kom door heel het land , en overal zijn de woonwagenkampen aan de rand van de stad. Wij denken dat dat is omdat ze van ons af willen en geen last van ons willen hebben. ’ Hendrik: ‘Er is heel weinig draagvlak voor nieuwe stand plaatsen in de lokale politiek. Maar wij zijn ook inwoners , wij horen er ook bij. We moeten wachten tot er een plek vrijkomt. Er is een wachtlijst , maar het is onduidelijk hoe die precies werkt. Wanneer we gegevens van de wachtlijst opvragen , krijgen we deze niet vanwege AVGregelgeving. Na veel moeite zijn we er uiteindelijk achter gekomen dat er 299 mensen op de wachtlijst staan. En de nummer 1 staat al meer dan 20 jaar ingeschreven. Veel jongeren zijn al jaren op zoek naar een standplaats , sommige staan nu gedoogd in een caravan of omgebouwde schuur op het perceel van hun ouders. Ik ken zelfs iemand die met haar kinderen en kleinkinderen in één woonwagen woont.
’ Paul en Mike: ‘We hebben op ons kamp niet echt speelvoorzieningen. We hadden onze eigen plek gemaakt , in de bosjes vlakbij. We hadden er een schommel opgehangen. Alleen nu heeft de gemeente het daar dichtgemaakt. Nu staat er een hek omheen. Dat is omdat ze daar gaan bouwen. Maar dat is pas over vijf jaar. Toch staat er nu al een hek en de schommel is weggehaald. Nu hebben wij nergens meer om te spelen op het kamp en moeten we naar de speeltuin verderop. ’ Mieke: ‘Ik wil later graag op het kamp blijven wonen. Ik zou me niet kunnen voorstellen dat ik in een huis moet wonen , weg van de mensen die ik graag bij me heb. ’ Jeanet: ‘In de speeltuinen in het dorp zijn ze soms niet zo welkom. De ouders hebben vaak een probleem met onze kinderen. Ze moeten vaak eerst bij ons geweest zijn , voordat ze ons accepteren. Het duurt vele jaren om in je directe omgeving vertrouwen op te bouwen. De buurt begrijpt pas na verloop van tijd dat wij gewoon van hier zijn. ’ De schommel is weg Hendrik: ‘De omgeving is slecht voor de kinderen op het kamp. Er is geen speeltuin meer , die was er vroeger altijd wel. We hadden een voetbalclub , een kantine , een speeltuin , een kerk. Het gemeenschapshuis is verkocht en daar is een woning van gemaakt. Het voetbalveld en de kerk zouden aan de andere kant van het treinspoor terugkomen , maar dat is nooit waargemaakt.
Wat de reden is waarom het niet door is gegaan is voor ons alleen maar gissen , daar hebben we nooit uitleg voor gehad. Maar voor kinderen is er dus eigenlijk niks meer. ’ Niet vol te houden in een huis Hendrik: ‘Mensen zeggen altijd: is het nou zo moeilijk om in een huis te wonen? Ik heb in verschillende huizen gewoond. En dat huis zelf dat bevalt wel , maar je hele sociale leven vervalt. Als je gewend bent om altijd onder de mensen te zijn , onze manier van leven , dan is het niet vol te houden om in een huis te wonen. Je vereenzaamt gewoon. Het bij elkaar zijn in familieverband is wel echt een kenmerk van onze culturele identiteit en daarbij hoeft familie niet altijd je eigen bloed te zijn. Ik voel me ook echt de oom van andere kinderen op het kamp. ’ Jeanet: ‘Dat is eigenlijk nog het uitsterfbeleid. Want het is moeilijker om je cultuur te behouden nu de woonwagen bewoners op verschillende locaties wonen en als je ook nergens samen kunt komen. ’ ‘Er zijn ook huurstandplaatsen met een eigen woon wagen erop. Maar die woonwagens zijn al minimaal dertig jaar oud , en moeten dus verduurzaamd worden. We krijgen geen subsidie van het warmtefonds en we kunnen geen lening krijgen , omdat de wagens op gehuurde grond staan. De woningbouwcorporaties willen de standplaatsen ook niet verkopen. ’ Hendrik: ‘Het is voor de kinderen gewoon heel gevaarlijk om hier buiten te spelen.
De auto’s rijden veel te hard. Ons kamp staat aan een drukke doorlopende weg , veel mensen gebruiken deze weg als sluiproute. Ook komt er veel vrachtverkeer langs. De grote kinderen kunnen nog wel naar een andere 11 Geaccepteerde discriminatie ‘ Vorig jaar had ik een sollicitatie. Die vrouw kon nog niet peilen waar ik vandaan kwam. Ze zei op een gegeven moment: “Je hebt een bepaalde toon in hoe je praat. Waar kom je vandaan?” Toen vertelde ik het. Daarna merkte ik dat ze anders begon te denken. ’ Paul en Mike: ‘Kinderen uit de klas komen vaak niet bij ons spelen. Ze zeggen dan dat ze komen , maar dan komen ze niet omdat ze denken dat we gevaarlijk zijn of dat we dieven zijn of dat we gemeen zijn. Sommige mensen zeggen dan ook tegen andere kinderen: je moet er niet heen gaan , want als je één iemand boos maakt , dan komen ze met heel veel mensen op je af. Bij andere kinderen thuis spelen we ook niet vaak. Als we onze verjaardag vieren zet onze moeder altijd een springkussen neer. We nodigen dan altijd iedereen uit. Heel veel kinderen komen dan niet , of ze zijn “ziek” en bellen op het laatste moment af. ’ Mieke Jeanet: ‘Heel veel mensen zeggen het niet , dat ze van het kamp zijn. Dus van veel mensen weten hun collega’s of cliënten niet dat ze van het kamp komen. Bijvoorbeeld in de zorg willen mensen vaak niet dat er een woonwagen bewoner bij hen thuiskomt.
’ Jeanet: ‘Onze kinderen realiseren zich dat op latere leeftijd pas , wat er altijd tegen ze gezegd is. En dan komt het misschien nog wel harder binnen op het pad naar volwassen worden. Ik probeer ze er nu een beetje van weg te houden en wijs ze op hun eigen verantwoordelijkheid , ook als ik denk dat discriminatie wel een rol speelt. Ik zeg dan dat ze moeten luisteren en respect moeten hebben. Maar later gaan ze het merken , dat er vaak naar één kant gekeken wordt. Dat gaat hen ook vormen op een gegeven moment. ’ Hendrik: ‘Het is geaccepteerde discriminatie. Ik heb het geaccepteerd en ik leef er gewoon mee. Het gebeurt al zo lang , dus ik ben het normaal gaan vinden. Ik zat eens bij een bijeenkomst met politici waarbij ik vertelde over een groot woonwagenkamp waar alles goed geregeld is , en toen was de eerste vraag die een ambtenaar stelde: “Maar hoe handhaven ze dat dan?” Dus er wordt altijd eerst gekeken vanuit een handhavingsperspectief. We zijn gewoon hardwerkende mensen , en natuurlijk zit er ook een handjevol boeven tussen , maar die heb je overal. En toch wordt iedere woonwagenbewoner daarop aangekeken. De burgemeester vertelde een keer dat ze wel weten dat niet iedereen crimineel is , maar dat iedereen wel elkaar een hand boven het hoofd houdt.
Maar dat de sociale cohesie goed is , wil niet zeggen dat ik alles weet wat mijn buren doen en dat ik daar verantwoordelijk voor ben. Zulke uitspraken doen pijn. ’ Hendrik: ‘Ik werk zelf in de bouw en vroeger probeerde ik wel te verbloemen waar ik vandaan kom. Mensen gaan dan met vooroordelen naar je kijken en denken dat ze worden opgelicht. De laatste jaren sta ik regelmatig in de krant om het op te nemen voor woonwagenbewoners , en je merkt toch dat mensen een andere kijk op je hebben. Sinds ik meer in de krant kom , krijg ik minder opdrachten , omdat mensen me gaan googelen en er dan achter komen dat ik van het kamp kom. Maar ook tijdens de klussen zelf ervaar ik problemen. Ik was bijvoorbeeld laatst aan het werk en toen kwam de buurman naar de klant met een krant waar ik in stond , zo van: kijk wie je hier aan het werk hebt. De klant vertelde dit tegen me en zei ook dat hij er zelf geen problemen mee heeft dat ik van het kamp kom. Bij een andere klant mocht ik opeens niet meer werken als zij niet thuis was , terwijl dat daarvoor wel kon. ’ Mieke: ‘Op mijn school zat er nog maar één andere reiziger. Je merkte altijd een verschil , want wij werden aangesproken als “jullie”. Het was altijd “jullie”. Dus je was niet hetzelfde. Je wordt als anders gezien , zonder reden.
Met spelen was het altijd wel zo dat als iemand bij mij gespeeld had , ze de dag erna weer wilden komen omdat het bij ons toch leuker was. Dus het is gewoon vooroordeel. Mensen weten helemaal niet waar ze het over hebben eigenlijk. ’ ‘Vorig jaar had ik een sollicitatie. Die vrouw kon nog niet peilen waar ik vandaan kwam. Ze zei op een gegeven moment: “Je hebt een bepaalde toon in hoe je praat. Waar kom je vandaan?” Toen vertelde ik het. Daarna merkte ik dat ze anders begon te denken. Ze vroegen ineens dingen als: “Kom je dan wel met regelmaat op je werk? Kom je de regels na?” Daarvóór vroeg ze dat soort dingen niet. Uiteindelijk heb ik de baan wel gekregen , maar ze moest eerst een drempel over. ’ 12 Sami (40) , Roma. Sami hield zijn Roma-achter grond jarenlang verborgen , maar is nu zelf actief bezig met het bevorderen van verbinding tussen Roma en Sinti en de Nederlandse maatschappij. ‘We hoorden nergens echt bij’ ‘Ik kom oorspronkelijk uit Kosovo. Ook daar worden Roma als minderwaardig gezien. Vanuit huis kreeg ik mee: vertel het niet. Kort voor de Joegoslavische oorlogen vertrokken we naar Nederland , in de zomer van 1990. We kwamen in AmsterdamZuidoost te wonen , in de Bijlmer. We waren met z’n vijven: mijn ouders , twee zussen en ik. In Nederland kreeg ik nog een broertje en een zusje erbij. Mijn vader verliet het gezin.
Mijn moeder zorgde in haar eentje voor vijf kinderen. Ze sprak de taal niet , ze had geen netwerk. We groeiden op in armoede. Mijn moeder was echt aan het overleven. Ik wist niet beter. We moesten de eindjes aan elkaar knopen zodat we een strippenkaart konden betalen om naar school te komen. We woonden met z’n zessen in een appartement van veertig vierkante meter met twee slaapkamers. Ik sliep in de woonkamer. ’ Verzwijgen dat je Roma bent ‘Ik ging nóg meer verzwijgen wie ik was. Want het geeft je géén voordeel als je Roma bent. Je ziet gewoon dat Roma en Sinti in een hoekje weggestopt worden. Het interesseert niemand. En ze gaan toch anders naar je kijken. Altijd als er werd gevraagd: “Waar kom je nou vandaan?” , zei ik: “Voormalig Joegoslavië. ” Als ze dan zeiden: “Ja , maar je bent niet wit” , dan zei ik: “We hebben een gemengde familie. ” Zo bracht ik het altijd naar voren. Ik probeerde me aan te passen , niet te veel in de aandacht te komen. ’ ‘Op mijn zeventiende zijn we verhuisd uit de Bijlmer naar Reigersbos in AmsterdamZuidoost , omdat mijn moeder een indicatie kreeg voor een nieuwe woning vanwege een hernia. Wat een wereld van verschil! Veel groen , nette mensen. Alles was anders. Dat was echt een omslagpunt. Er viel een last van mijn schouders af. Het was magisch voor ons.
We hadden daar ook buren die ons hielpen , mij bijvoorbeeld met het opstellen van mijn cv en sollicitatiebrieven. Ik merkte dat het beter werkte om te solliciteren met een andere voornaam , dus ik gebruikte een naam die meer in de samenleving werd geaccepteerd , ook omdat anderen het lastig vonden om mijn naam uit te spreken. Dan bleek ook niet dat ik Roma ben. Met een buitenlandse achternaam en een buitenlands gezicht sta je al 10 achter , laat staan als je ook nog eens gaat vertellen dat je Roma bent. Uiteindelijk kon ik bij de overheid aan de slag als klantenservicemedewerker. En dat opende vervolgens weer andere deuren. Maar vertellen over mijn Romaachtergrond , dat deed ik nog steeds niet. ’ ‘Op school werd ik uitgesloten omdat ik Roma was. Het was een gemengde klas met kinderen van meerdere afkomsten , maar als Roma werden we er toch uitgepikt. Als enige mocht ik niet naar de wc , ik mocht niet eten , ik mocht niet drinken. Als vijfjarige haalde mijn moeder me daar weg. Op mijn nieuwe school ging het beter. Op de Citotoets scoorde ik goed genoeg voor de havo , maar de school bepaalde anders. Ik moest naar het vmbokader. Dat was drie niveaus lager. Het vertrouwen was er niet dat ik het aankon. Dus ik moest de langere weg afleggen. ’ ‘In de Bijlmer woonden destijds veel Surinamers en veel Roma. Alleen die Roma waren niet “ons soort” Roma.
Het waren “oude” , traditionele Roma en wij waren “nieuwe” Roma. Wij waren moslims , zij christelijkorthodox. Maar we werden daar wel gewoon tussen geplaatst. Dus wij hoorden nergens echt bij. Het was geen gemeenschap waar we als gezin steun aan hadden. Het was een harde buurt. Veel geweld , vaak stonden de Surinamers en de Roma tegenover elkaar. Mensen werden neergestoken en neergeschoten. Ik werd vaak in elkaar geslagen en beroofd. We hebben veel meegemaakt. ’ 13 ‘Tot twee jaar geleden. Toen was ik bijna 38. Ik kreeg een nieuwe baan en toen heb ik bij mijn afscheid op het werk aan mijn leidinggevende verteld over mijn Romaachtergrond en mijn echte naam. Ik heb het daarvoor nooit verteld , aan niemand. Het was heel erg spannend om ervoor uit te komen. Ik vroeg me af wat iedereen van me zou denken. Maar ik wilde het niet meer achterhouden. Ik vond het moeilijk om erover te praten , maar inmiddels gaat het wat gemakkelijker. Dit is wie ik ben. Ik heb gemerkt in de afgelopen twintig jaar dat het me ontzettend tegenzat in mijn privéleven en in mijn carrière. Ik kwam moeilijk vooruit en liep telkens tegen een muur aan. Ik heb veel gesprekken gehad: waar ligt het nou aan? Uiteindelijk wist ik waar het vandaan kwam , namelijk dat ik niet vertelde wie ik echt was. Je houdt een masker voor en dat is niet wie je bent. Ik was me er zelf bijna niet eens meer van bewust.
Het was zo normaal geworden om mijn achtergrond te verzwijgen , dat ik eigenlijk niet anders meer wist. ’ ‘ Tot twee jaar geleden. Toen was ik bijna 38. Ik kreeg een nieuwe baan en toen heb ik bij mijn afscheid op het werk aan mijn leidinggevende verteld over mijn Romaachtergrond en mijn echte naam. ’ Sami je 25 bent. Ik koester het Romazijn , onze taal en onze muziek. Het vervelende is wel dat de moeilijkheden zich voor mijn moeder nu hebben vertaald in ziekte. Diabetes , hart en vaatziekten , kanker. Terwijl ze nooit rookte en geen overgewicht heeft. Dat is wat de stress met haar lijf heeft gedaan. ’ ‘Ik ben een stichting begonnen die tot doel heeft verbinding te bevorderen. Zowel tussen Roma onderling als tussen Roma en Sinti en de Nederlandse maatschappij. We moeten meer naar elkaar toe , dat is in het belang van ons allemaal. We moeten met elkaar in gesprek. Dat doen we op locaties in het land. Je ziet dan vaak al snel een verandering in de houding tegenover Roma. Mensen verwachten vaak niet dat ik zo goed Nederlands spreek , dus dat alleen al! Hun beeld is vaak helemaal gebaseerd op mediaberichtgeving en “van horen zeggen”. Dus als ze dan op zo’n manier zelf met onze cultuur kunnen kennismaken dan heeft dat echt wel effect. Roma zijn de meest onderdrukte én de meest onbekende minderheidsgroep van Nederland. We verdwijnen binnen de samenleving. Dat is heel erg jammer.
Ik denk omdat veel Roma nog zijn waar ik tot twee jaar geleden ook was: er niet voor uitkomend wie ze zijn. ’ ‘Toen ik het eenmaal ging vertellen aan mensen , waren de meeste reacties positief en warm. Hier en daar kreeg ik alleen wat nonchalante reacties , maar dat mag natuurlijk ook. Ik denk niet dat mensen echt begrepen hoe moeilijk het voor mij was om het te vertellen. Mijn vrouw bijvoorbeeld is wit en is maar een halfuur van ons vandaan opgegroeid , maar dat was een totaal andere wereld. Het is voor haar niet te bevatten wat ik allemaal heb meegemaakt. ’ Verbinding zoeken ‘Uiteindelijk is mijn gezin toch nog goed terecht gekomen. We zijn naar school gegaan en hebben werk gevonden , ondanks alle tegenslagen. Ik ben niet meer bang voor de reacties om wie ik ben , want ik heb nu al een mooie carrière achter de rug. Dat is anders als 14 Jaco (67) , Sinti. Jaco woont al tientallen jaren op een kleine woonwagenlocatie in een dorp. De angst uit het verleden is nog steeds aanwezig in zijn leven. Het uitsterfbeleid in een andere verpakking ‘Wij wonen hier al sinds de jaren zeventig. Ik ben hier opgegroeid en de kinderen ook. Het is eigenlijk een dorp in een dorp. Eerst was de locatie nog echt aan de rand van het dorp , later zijn er steeds meer huizen omheen gebouwd. Wij wonen eigenlijk het liefst buiten: niet ingekapseld in een dorp of stad.
Het gevoel van vrijheid en het reizen staan bovenaan. Onze woonwagen is onze band met de vrijheid. En onze onderlinge band is onze kracht en onze cultuur. De overheid heeft het over een participatiesamenleving , maar dat doen wij al honderd jaar. Als iemand geen brood heeft , dan ga je naar de overkant en geef je een brood. Als iemand een bekeuring moet betalen en dat niet kan , dan zamelen we geld in. Ouders blijven bij ons totdat ze overlijden. We hebben hier nog een oude wagen staan , daar kunnen mensen blijven slapen , of verblijven als ze ziek zijn. De familie staat bij ons op één , dat is ons leven. Als je dat niet behoudt dan brokkelt je cultuur af. ’ ‘ Discriminatie komen we elke dag tegen. Bijna iedereen van ons maakt het dagelijks mee. Als de naam Sinti valt , sta je al met 30 achter’ Jaco ‘De gemeente is met ons in gesprek gegaan , omdat de locatie niet veilig was vanwege bijvoorbeeld de stroomvoorziening. Toen heeft de gemeente gezegd: we maken nieuwe wagens. Sinds drie jaar hebben we die nu. Het contact met de gemeente hierover ging goed. Maar bij het bouwen van nieuwe wagens wordt bijvoorbeeld gezegd dat wagens van een bepaalde breedte te duur zijn , maar dat je wel een brede wagen kunt krijgen als deze van steen gebouwd wordt. Eigenlijk is dat nog steeds het uitsterfbeleid , maar dan in een andere verpakking.